Categorie: Lachen

Een penisplaatje in haar profiel

Tijdens een gesprek met vrienden, in de bruinste kroeg van Bornem, noemt ze mij opeens papa. Zo maar, out of the blue, zonder voorafgaandelijke waarschuwing en vooral zonder aanleiding. Heb ik dat nu goed gehoord? Was dat tegen mij?  Noemt ze mij nu al papa? Zijn we echt al in die fase aanbeland of is haar vader hier plots opgedoken. Op dit uur? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Op dit eigenste ogenblik bevindt hij zich namelijk in een andere tijdzone, aan de andere kant van de wereld. Meer bepaald, in Dubai, in het bijzijn van mama, enfin van schoonmama, om daar op de vierhonderdste etage van de Burj Khalifa hun verrimpeld huwelijk nieuw leven in te blazen.

“Papa?”: Ik moet het me ingebeeld hebben. Mijn grootmoe noemde bompa indertijd ook papa. Dat zonder twijfel goed bedoelde koosnaampje waarmee bobonne mijn bompa berispte wanneer hij met zijn galoches de keuken betrad zonder eerst zijn voeten af te vegen, zorgde in die tijd bij mij al voor de nodige verwarring. Wat is het nu papa, bompa of lompe ezel, nog zo’n koosnaampje dat wel eens uit de mond van mijn bobonne rolde.

Het gesprek kabbelt rustig verder, soms ernstig, meestal eerder amusant en luchtig. Het onderwerp van de caféklap doet nu even niet ter zake, maar het gaat, als u het per se wil weten, zoals vaak in deze compagnie trouwens, over seks en relaties. Verbaast je dat misschien? Mij al lang niet meer hoor, “Het zijn zij die er het minst over spreken, die er het meest van weten.”

Ik zwijg, luister, leer bij en fantaseer inmiddels verder over het seksleven van bobonne en bompa op de vierhonderd vijfenzestigste verdieping van de Burj Khalifa. Of is het mama en papa? Ik kom er niet uit.

Mijn gedachten zitten nog bij de galoches van bompa, dus hoor ik alleen het laatste gedeelte van een vraag die voor mij bestemd was, “jij vindt dat toch ook he papa?”

Bovenaan begint het te knetteren alsof alle verbindingen in mijn bovenkamer even zonder stroom komen te zitten. “Papa”, voor de tweede keer, deze avond en dat niet eens in een ‘spank-me-papa-kinda-way.’

Ik excuseer me beleefd, zoals het een papa betaamd die zich in het bijzijn van zijn kinderen bevindt, om te zeggen dat hij even naar het toilet moet. Hoogdringend, het kan niet wachten.

Om van het ‘ge-papa’ van ‘mama’ verlost te raken sluit ik me een paar tellen later op in het kleinste kamertje. Ik ben radeloos en zie geen enkele andere mogelijkheid om haar aan het verstand te brengen dat ik haar papa niet ben. Dus neem ik een dickpic en duw mijn niet al te scherp penisplaatje droog en zonder voorspel in haar whatsapp-profiel.

Opeens krijg ik begrip voor Marc Overmars.

Zomeruur

Ik was al geen fan van maandagen. Nooit geweest, maar nu kijk ik er echt tegenop. Wat haat ik het om het met een uur minder te moeten doen. Een uur vroeger dag dan ik het gewend geworden ben, en dan nog op maandag. De wijzers van de klok zullen me verplichten om me vanaf zondag een uur sneller moe te voelen dan ik het in feite ben. Tot overmaat van ramp zal het irritante alarm van mijn klokwekker me ook nog een uur eerder uit mijn natte droom halen.  Wie heeft dit ooit bedacht?

In het zomeruur leven betekent dat van zaterdag op zondag, precies om twee uur ’s nachts alle klokken een uur doorgedraaid worden. Op de vraag waarom dat stipt om twee uur moet gebeuren, weet alleen Frank Deboosere het antwoord. Doe ik het echter niet, zal ik maandagmorgen in een koud huis ontwaken en zal ik genoodzaakt zijn ijskoffie te drinken omdat de timer van mijn koffiezetapparaat niet langer gesynchroniseerd zal zijn met het nieuwe opstaan-uur. 

Weet er trouwens iemand raad met de reset van mijn biologische klok? Ik vraag dit om te vermijden dat net zoals vorig jaar mijn ochtenderectie zich opnieuw in uitgesteld relais zal aandienen op een gênant moment, hetzij in de auto, in de lift of erger tijdens de eerste vergadering. U begrijpt dat ik dit koste wat het kost wil vermijden.

Ik ben zeker dat ik, opnieuw zoals elk jaar, zal vergeten om mijn autoklok te verzetten waardoor ik me om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het nu zes of acht uur is. Ik zal me andermaal doodergeren dat ik dat klokje niet al rijdend kan doordraaien waardoor ik me minstens tot woensdag in dezelfde situatie zal bevinden. Ik durf er gif op nemen.

Halverwege de week, en nadat ik uit pure wanhoop de helft van de klokken minstens drie keer vooruit en vier keer achteruit gedraaid heb omdat ik niet meer weet hoe laat het precies is, zal ik erachter komen dat ik minstens in de helft van de gevallen op tijd op mijn afspraak kwam. Bij de andere keren zal ik recht in de schoenen staan om het zomeruur als schuldige aan te duiden.

Computers stellen zich gelukkig automatisch op het nieuwe zomeruur in, maar dat vergeet ik elk jaar opnieuw. Hierdoor zal het maandagvoormiddag tien uur lijken, maar het zal elf uur zijn en toch aanvoelen alsof het 12 uur is.

De zomertijd is net zoals covid en de invasie in Ukraine, een complot van het universum. Het dient om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik er energie mee bespaar. Welke energie trouwens? Ik heb er nu al geen overschot van, althans niet genoeg om er de dag mee rond te maken. De klok terugdraaien naar het winteruur. Ja dat versta ik. Daar ben ik een voorstander van, omdat mijn biologische klok me dan een uur langer zoals muizen tussen ’t meel laat soezen, en ik een uur meer krijg dan tijdens die stomme zomertijd die me dat gewonnen uur elk jaar opnieuw afneemt.

Zal ik u iets vertellen? De zomertijd is een dikke smeerlap. Zeg maar dat ik dat gezegd heb.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

Brakke travestiet.

Ik ben een slechte travestiet.  Ik ben zonder twijfel de slechtste travestiet die ooit zal hebben bestaan. Niet dat ik dit feit als een grote ontgoocheling beschouw, neen maar eerlijkheid heeft zijn recht en die gebiedt te zeggen dat het me nog nooit gelukt is om travestiet te zijn, en als homo of transgender deug ik evenmin.  Bijgevolg behoor ik gewoon maar tot het voorspelbaar, duffe gedeelte van het mannelijke geslacht dat door hormonen gedreven, met vastberaden tred hunner piet achterna host.  Aan dit eerder toevallige levenslot heb ik geen enkele persoonlijke bijdrage noch enige verdienste. Men kan mij er dan ook niet van beschuldigen.

Toen God, in de tuin van Eden tot Adam (het tot dan toe enige wezen dat voorzien was van een piet) de gevleugelde, niet mis te verstane woorden sprak, “Gaat heen en vermenigvuldigt u”, kan men Adam bezwaarlijk van dovemansoren verdacht hebben. Nu zijn nageslacht stilaan een kleine acht miljard eenheden telt, blijkt het met dat verplicht gaan en vermenigvuldigen, van begin af aan wel snor zat. De mannelijke nazaten van Adam zijn door de eeuwen heen namelijk steevast hun beste been blijven voorzetten, en de meeste van Eva’s nakomelingen bleven, op één luttele uitzondering niet te na gesproken, allemaal gul en royaal bevlekt ontvangen, al heeft zij zonder dat daar twijfel mag over bestaan, meer verdienste aan dan Adam.  Zij had met die grijplustige handjes van haar maar van die jonagold moeten afblijven, een onbegrijpelijke dwaling waarvan de verstrekkende gevolgen ondertussen genoegzaam bekend zijn. We blijven vogelen om te bestaan en we blijven bestaan om te vogelen. Het leven zit wat dat betreft dus redelijk simpel in elkaar. Laten we het dan ook eenvoudig houden. Travestieten en homo’s hebben hun afspraak met Gods eenvoudige wiskunde dan wel gemist. Mogelijks opteerden zij door de jaren heen voor een iets modernere wiskunde, ik weet dat niet en mij niet gelaten. We zijn per slot van rekening stilaan toch al met genoeg.

In boeken staat dat het verleden haar ware gelaat pas toont als de geschiedenis helemaal geschreven is, wanneer de hoofdstukken genummerd zijn, wanneer alle voetnoten vermeld zijn en als het doek definitief gevallen is. Het enige voordeel van postuum beroemd worden, is dat je geen dikke nek meer kunt krijgen. Het grote nadeel ervan is wel dat je even dood als een pier moet zijn als Jezus Christus, zelfs al beschikte die over het eeuwige leven. Hoe ironisch toch. Het feit dat ik zelfs nog maar durf denken om even postuum beroemd te worden, maakt -buiten dat ik mezelf grenzeloos en schaamteloos overschat- dat ik me ook gewoon maar een ordinaire, respectloze dikke nek mag noemen. Een die zelf soms denkt dat hij God de vader is, terwijl ik gewoon al blij zou moeten zijn dat er zich af en toe nog eens iemand aandient die zich over mijn kruis wil ontfermen. Maar wat wil je? Ik ben dan ook maar een uiterst brakke travestiet en als homo of transgender deug ik ook al niet.