Categorie: Filosofisch

Zullen we praten?

“He jij daar stilte, zouden wij niet eens praten?” Niet zo lang geleden heb ik stilzwijgen een naam gegeven. Het werd een persoon, een man of een vrouw, dat weet ik niet precies. Mij kennende zal het wel een vrouw zijn. Misschien helpt zij wel om dit “gesprek” een beetje op gang te trekken? Ik vraag het me af. Ik zie wel.

De lentezon komt op. Ze oogt nog een beetje verlegen.  De schuchtere zonnestralen geven de wereld een iets andere kleur dan vorige week. Blauwer misschien, of roder?  In elk geval minder grijs. Omdat ik geen schilder ben, en niet zo met kleuren bezig ben, geef ik verder geen aandacht aan deze kleurrijke gedachte. Ik ben gewoon al blij dat ze niet zwart-wit is, of grijs.   

Stilte en ik zijn het zonder woorden eens dat we van deze dag iets gaan maken. Ik begin aan mijn eerste kop koffie en aan mijn eerste sigaret van de dag. Het zullen voorzeker niet de laatste zijn. Wanneer de week te druk geweest is, en ik een trage dag wil, met stilte als gezelschap, zoek ik steevast beschutting op mijn veilige plaats. Dan zoek ik dekking in mijn vertrouwde prikkelarme bubbel. In mijn stinkende gelukzalige bubbel.  Stilte vindt het daar ook fijn denk ik.

Mijn grijze loungezetel met zes zitplaatsen is ruim voldoende groot voor stilte, voor mijn lijf, voor mijn ego en mijn gedachten. Aan hen en aan dit papier vertrouw ik altijd mijn diepste en intiemste gedachten toe.  De zetel, de kussens en stilte worden dan de enige getuigen van wat er zich tussen mijn oren afspeelt. Hen maak ik niets wijs. Bij hen zijn mijn denkbeelden veilig. Zij achtervolgen de schaduwen niet die ikzelf achterna hol.

Als de wereld straks opnieuw rumoerig wordt zal je me misschien vragen of ik stilte goed gekend heb.  Ik zal dan glimlachen en zeggen dat hij een oude vriend van mij was.  Dat hij lang in mijn bubbel heeft rondgezweefd maar dat ik hem al een tijdje niet meer gezien of gehoord heb. De droefheid en kommer zal dan uit mijn ogen verdwenen zijn.

Door te lang alleen met stilte op te trekken en er verstrikt in te raken, kom ik vast te zitten in de fantasie van mezelf. Dan loop ik risico dat de onrust die ik denk te voelen geen juiste plaats meer krijgt. Dat ik gistend onheil begin te verwarren met belangrijkheid, en dat is het niet.

“Zeg, stilte, zullen we dan toch niet eens praten? Een beetje lawaai maken misschien?”

Dag Blauwe Maandag

Vandaag is het Blue Monday, de dag waarvan wereldwijd aangenomen wordt dat hij de meest deprimerende dag van het jaar is, maar klopt dit wel?  Mag Blauwe Maandag, in de categorie somberheid, de competitie met alle andere dagen wel doorstaan? Laat er ons niet flauw over doen, het voorbije jaar was opnieuw een ‘boeren-jaar’ gevuld met ‘boeren-dagen’, om nooit of om voor altijd te vergeten. Als ik even stilsta bij de vraag hoe ik mijn Blauwe Maandag persoonlijk waardeer, geef ik hem op schaal van treurnis en neerslachtigheid dan ook maar een ondermaatse vier.

Het jaar werd op gang geblazen met vaccins, optimisme en uitzicht op Roaring Twenties. Daarna werd het met golven van Engelse, Zuid-Afrikaanse, Delta- en Omikron-mutanten, gewelddadige conflicten, overstromingen in Wallonië en andere gevolgen van de klimaatcrisis opnieuw een jaar waarin onze veerkracht helemaal op de proef werd gesteld. En dan zwijg ik nog over het feit dat Sien van Sesamstraat, Dixie Dansercoer, (poolreiziger en avonturier) en Paula Sémer, (tv-coryfee, taboedoorbreker en voorvechter van vrouwenrechten) hun pijp brak. 

Het afgelopen jaar ben ik niet met lopen begonnen, ben ik niet gestopt met roken en is aan wandelen een einde gekomen. Van al mijn vrienden en kennissen was die vriendelijke zwarte man van Post-Nl diegene mijn deur het vaakste plat liep. Om maar te zeggen, Blue Monday heeft geduchte kandidaten voor de polepositie van de meest weemoedige dag van het jaar.

Wat mij betreft mag Blue Monday volgend jaar dan ook gerust zonder concurrentie terug op één. Maar wat doen we dan me de overige 364 dagen? Kleuren we ze in een geel of in een roze kleurtje en is dat dan voldoende om ze niet deprimerend te maken? Is het zo eenvoudig, ik vraag het me zomaar af.

Is geluk dan niet een even raar en glibberig ding als ongelukkig zijn en betekent het niet voor iedereen iets anders?  Sommigen lijken voor geluk aanleg te hebben, anderen wat minder. Maar zelfs al behoor je vandaag tot de laatste groep bestaan er handige manieren om blijer of contenter door het leven te gaan. Het zijn open deuren, het enige wat je daarvoor hoeft te doen is er doorheen te lopen.

Door een beetje milder voor jezelf te zijn, door gezonder te eten, wat meer te bewegen en iets langer te slapen, door een werkleven te leiden waar je je enigszins nuttig voelt en dat je als uitdagend ervaart.  Van iets beter je best te doen met relaties worden de meeste mensen al redelijk gelukkig. Geluk is dus niet vanzelfsprekend en downs horen er onloskomenlijk bij.  Om maar te zeggen, geluk vergt net iets meer moeite dan je alleen maar te beklagen over Blue Monday. Het is maar een dag als een andere.

Vergeet je paraplu niet want morgen wordt het niet alleen een gelukkige dag het wordt ook misschien de winderigste en mogelijk ook de natste dag van het jaar.

Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.

SOS-CIS

Deze dag kondigde zich aan als een doordeweekse dag van dertien in een dozijn. Op doordeweekse dagen van dertien in een dozijn gebeuren doorgaans alleen maar doordeweekse dingen. Maar zo niet vandaag want na het verstrijken van deze doodgewone dag, was ik opgelucht om vast te stellen dat mijn seksuele identiteit nog altijd overeenstemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. So what, zou u kunnen denken en gelijk heeft u want net zoals op andere doordeweekse dagen ben ik niet geneigd om aan deze vaststelling veel aandacht te besteden. Mijn ochtenderectie waarmee zo goed als elke doordeweekse dag begint, eist met dit dagelijks doordeweeks feit(je) namelijk al genoeg waardeloze aandacht op. Tot het mannelijk geslacht behoren is een toevallig levenslot waarmee ik geen heldendaad heb verricht of waaraan ik lauweren heb verdiend, toch beschouw ik het als vanzelfsprekend om er een voorbeeldige relatie mee te onderhouden. Ik ben het mijn knallende ochtenderectie verschuldigd, denk ik.  Mij verzetten tegen het geslacht dat me door de natuur werd toebedeeld en waarin mijn culturele genderidentiteit gebald zit, zou even onnozel zijn als ermee te stoefen. Natuurlijk heb ik dat andere mannen ooit wel zien doen, in kleedkamers van sporthallen, in dure boekjes of in internetfilmpjes waarin ze met hun gigantisch dooraderde piemel nog dommer werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid al zijn. Draai het of keer het, een lul blijft per slot van rekening toch gewoon maar een lul. Wie ooit in gezelschap van een horde mannen een publieke doucheruimte deelde, weet waarover ik het heb, maar ik wijk af. Vrouwen die het tegenovergestelde zouden willen beweren, gelieve u even afzijdig te houden, want vooralsnog vervloek ik het geslacht waarin/waarmee ik geboren ben ook niet.  Ik ben er content mee want er zit geen spanning op de seksuele identiteit waarmee moeder natuur me op deze aardkluit heeft gegooid. Tot voor kort leek mij dit de normaalste zaak van de wereld. Sterker nog mocht mijn vader zaliger destijds zijn seksuele genderidentiteit en de knaldrang die daarmee gepaard ging, ontkend hebben was van deze tekst nooit sprake geweest.  Mijn vader was geen tafelspringer maar zou het absoluut niet kunnen appreciëren om met zijn mannelijke gewoonheid als trendsetter of als CIS-man avant la lettre bestempeld te worden. Hij vond van zichzelf dat hij maar een gewone, normale man was. Mogelijks stuit de term ‘gewone of normale man’ in deze context tegen een getransplanteerde borst van een X-gen-man die zichzelf niet als CIS-man beschouwt of van een man die voorkeur heeft aan de piemel van een andere man, dat kan, maar weet dat ik met dit tekstje geenszins die intentie heb. Gewoon is normaal maar niet gewoon is daarom nog niet abnormaal. Dat wil ik wel even beklemtonen. Er schuilt geen verborgen ‘masculinist’ in mij die zich geroepen voelt om een lans te breken voor de seksuele genderidentiteit waarmee een overgroot gedeelte van de mannen zich verwant voelt.   Deze tekst is niets meer en niets minder dan een pleitdooi voor de ‘gewone’ man. De man die vloekt en tiert en op zijn vingers fluit omdat hij naïef hoopt dat zijn fluitje als prelude kan dienen van een mogelijks paringsritueel. Dit is een verdedigingsrede voor de natuurlijke onhandigheid van de man die eens in gezelschap van soortgenoten een haan wordt omdat hij zijn schoonste veren wil tonen maar er niet voor achteruit deinst om een hanengevecht te starten. Dit is ook een pleitrede voor mannen die hun geaardheid niet te grabbel gooien maar ook voor mannen die met x, cis, ho, bi of met welke letter van het alfabet dan hun bestaansrecht willen onderstrepen of afdwingen. Volgens mij slaat de klepel van de diversiteits- en inclusieklok gewoon iets te ver door. Maar ik schreef dit stukje in hoofdzaak omdat ik als Cis-man die sympathiseert met het socialisme en zich bijgevolg in de nieuwe minderheid der SOSSEN bevindt straks niet door het leven wil gaan als SOSCIS.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.