Remedie tegen ruis.

Vanmorgen in de auto droomde ik dat ik het gras afgereden had. Ik had het gazon bemest en de kale winterplekken waren ingezaaid. Voor alle duidelijkheid, niets van dat alles is gebeurd. De kale plekken blijven vandaag on-bemest en on-ingezaaid.

De kikkers in de vijver? Die zijn er nog niet, de vissen wel.  In tegenstelling tot mij denken ze niet na over de onzekerheden van het leven. Alle elf zwemmen ze gewoon af en aan zoals ze dat gisteren en alle dagen daarvoor deden.

Ik kan me vergissen maar ik geloof niet dat van alle vissen in mijn vijver, er zich één bewust van is dat hij gisteren ook al in deze vijver zwom en wakker ligt of hij dat morgen ook zal doen. Het leven van een vis is simpel. Zo staat geen enkele stil bij morgen en vraagt geen enkele zich af of alles wat gisteren gebeurde, echt voorbij is, of er misschien toch een manier bestaat om er een ander, definitiever einde of een nieuwer begin aan te verzinnen. Ik, ik ben geen vis.

Gedachten als deze lijken even absurd als het definitief uitmaken met jezelf, per sms. Niet dat ik het ooit gedaan heb of ooit zal meemaken, toch geloof ik dat als het gebeurt, je onmogelijk samen verder kan. Misschien moet ik deze gedachten gewoon aan de vissen voederen?

In plaats van stil te staan bij overpeinzingen als deze en een krankzinnige column te bedenken over het verschil tussen rondzwemmende vissen, afwezige kikkers en mezelf zou ik ook gewoon een zin kunnen schrijven, ‘ik weet het even niet meer zo zeker’, maar daarmee zal ik geen vis, geen kikker en ook geen aandacht vangen.

Misschien is de beste remedie tegen mijn kabbelend rustige ruis tien minuten van jouw aandacht te vragen, wie zal het zeggen?

Want na deze lange druilige winter snak ik net als vele anderen naar aandacht. Ik word er moe van, misschien zelfs te moe om me druk te maken over belangrijke dingen.  Dus dwaal ik gewoon een beetje door mijn tijd. Ik doe de afwas en kijk naar de tuin. Ik zie hoe pimpelmezen hun toevlucht zoeken in de steeneik en ze zich verschuilen voor luidruchtig kwetterende zwarte vogels.

Het grootste gedeelte van het gras lijkt mij vandaag niet nodig te hebben. De kale plekken wel, maar die zullen moeten wachten op droger weer, morgen misschien.

Om iets van het leven en van mezelf te begrijpen moet ik niet alles voor jou in onbegrijpelijke columns willen interpreteren. Ik hoef er je niet mee lastig te vallen want dan wordt mijn ruis jouw grootste aandacht vanger.

Gewoon kijken is voldoende, besluit ik, naar het gazon en zijn kale plekken, naar vissen en kikkers of pimpelmezen. Kijk misschien ook even tien minuten naar jouw tuin. Dat is alleszins beter dan tijd te verspillen aan het schrijven of aan het lezen van een column als deze.

Een verschrikkelijk eenzaam eiland.

De vrouw die ik laatst ontmoette, een leeftijd kon ik haar niet geven, was grijs en grauw. De slonzige jogging die ze onder een paar versleten Crock’s droeg, was vormloos en vies en beklemtoonde helemaal de tristesse en wanhoop die ze uitademde. Als een vis op het droge leek ze naar adem te happen. Ooit moet zij een stralende en hoopvolle vrouw geweest zijn, met dromen, idealen en verwachtingen. Dat leidde ik af uit foto’s uit een vrolijkere tijd die ik op het stoffig dressoir zag staan. Ze moet zich ooit gelukkig gevoeld hebben, maar dat gevoel was even vergeeld als de foto’s die in de diepte van de huiskamer staarden.

Eerder op de dag had ze al haar moed bijeengeraapt. Vervuld van tranen en zelfbeklag had ze me gebeld. In haar stille stem herkende ik de wanhoop die ik ooit bij mezelf had gevoeld.

Wat ze me in een soort van psychotische wartaal toevertrouwde, ik heb er geen andere woorden voor, was dat ze slachtoffer geworden was van, en dat ze lange tijd verstrikt was geweest in een narcistische relatie die haar emotioneel en lichamelijk helemaal gesloopt had. Haar ex-partner had haar gemanipuleerd en had haar alle zelfzekerheid en eigenwaarde ontnomen. Op een slinkse manier was ze gemanoeuvreerd in iets wat gedwongen misbruik moet geweest zijn. Ze liet haar lichaam, haar hart en geest gebruiken om zijn verlangens te voeden en liet zich zo de hare ontnemen om ze te laten oplossen in afschuwelijke miserie en onophoudelijke afhankelijkheid.

Om aan haar wanhoop te ontsnappen en om haar ondraaglijk leed te verdoven gebruikte ze kalmeringsmiddelen, drank, slaappillen en angstmedicatie. In die dagelijkse waas van pillen en alcohol vluchtte ze weg en hoopte om zielenrust te vinden op een denkbeeldig eiland, een plek waar haar geest en hart kon ontsnappen aan de verschrikkelijke dagelijkse realiteit, van enge gedachten, schaamte, zelfbeklag en wanhoop. Een andere uitweg zag ze niet. Een andere keuze had ze niet. Nog niet.

Aanvankelijk had ze er gemakkelijke troost gevonden. Het landschap was er wazig, de lucht minder donker en ijl, de pijn minder scherp. De roes die ze er vond, hielpen haar om demonen te verjagen, om wanhoopgedachten te vergeten en om schaamte en schuldgevoelens te verdoven. Na verloop van tijd bleek die plek echter even onheilspellend en werd de immense uitzichtloosheid waaraan ze probeerde te ontsnappen er alleen maar versterkt.

Door isolement, alcoholverdoving en zelfmedicatie was haar fysieke en emotionele toestand bijzonder ernstig. Uit wat ze me vertelde, leek het alsof ze alle hoop en moed verloren had om aan de dwingende gedachten van haar misbruiker te ontsnappen en om een uitweg te vinden naar een normaal leven.

De stilte van het eiland waar ze elke dag opnieuw haar toevlucht zocht, was veranderd in een oorverdovend donkere stille steeg waar de eenzaamheid verstikkend was. Op één van die destructieve vluchtreizen had het leven haar kunnen ontglippen en had ze zomaar haar laatste adem kunnen uitblazen. Dat is gelukkig niet gebeurd.

Toen ik haar enkele weken later opnieuw opzocht, was ze veilig omringd, door therapeuten, psychologen, en psychiaters, door hulpverleners en lotgenoten. Ze vertelde me dat de detox hevig was geweest. Ontwenningsverschijnselen zoals zweten, trillen en bloeddrukschommelingen hadden hevig huisgehouden.  Met de afkick had ze het laatste restje energie dat nog in haar verdoofde lichaam verborgen zat moeten aanboren, om zich te reinigen, om zich te ontgiften en om te herstellen van de bijverschijnselen van haar jarenlange verslaving. Hoofdpijn, jeuk, misselijkheid, prikkelbaarheid, slapeloosheid en andere ongemakkelijke bijwerkingen werden hevig aangewakkerd door het ontgiftingsproces, maar nu gaat het beter.

Ze vertelde enthousiast en honderduit over therapie die ze dagelijks volgde, over de afbouw van medicatie, over prille plannen om haar gekneusde zelfbeeld te herstellen, over rust en stilte die ze niet langer als een bedreiging ervoer, over nazorg die ze wil opnemen, over haar dochter die haar na jarenlang stilzwijgen gebeld had en over hoop omdat ze voor de eerste keer een klein lichtje zag schijnen aan het einde van die duistere tunnel.

Mooie woorden en overmoedige plannen kunnen duizend emoties verdoezelen, maar de hoopvolle blik van eerlijke ogen en de dankbare glimlach van een zwijgende mond zijn het enige schouderklopje dat ik nodig heb om te blijven doen wat ik doe.

Stilte over onderwerpen als deze zijn een universele taal geworden. Ik wil die geslotenheid en zwijgzaamheid doorbreken en hoop ze met getuigenissen als deze de kleurklank te geven opdat mensen die de taal en de woorden nog niet verstaan ze ook leren begrijpen.

Want om verslaving en afhankelijkheid te herkennen en te begrijpen is soms alleen maar een tolk nodig die beide talen begrijpt.  Soms zijn ze hulp om verloren gewaande zielen een bootje aan te reiken zodat ze zelf kunnen ontsnappen van dat verschrikkelijk eenzame eiland waarop ze jarenlang als drenkeling hebben vastgezeten, maar varen moeten ze zelf leren doen.

Een sprookje van kus mijn kloten.

Tegenwoordig wordt me een droomwereld opgedrongen waarin een boosaardige heks niet langer die wrattige, haveloze vrouw met een harige bobbel op haar kin mag zijn, die met een giftige appel een jonge ietwat naïeve vrouw in verleiding probeert te brengen. In plaats daarvan moet ik me een adembenemende mooie vamp voorstellen die met haar betoverende schoonheid vliegend op een Swiffer elke zwakke witte man op de knieën wil krijgen. “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand in wat voor een wereld ben ik aanbeland?”

Reuzen torenen niet langer boven ons uit, maar zijn net zo klein en schattig, als de favoriete chihuahua die op de schoot zit van de sensitieve lezer die hierboven de heks cancelde.  De zeven dwergen, zijn gewoon van normale lengte, neem gemiddeld één meter drieëntachtig, wat het een stuk makkelijker maakt om er kleren voor te kopen.

Elfen zijn niet meer die sierlijke wezens die ik me ooit in mijn grenzeloze fantasie mocht voorstellen. Ze zweven niet langer met hun sierlijke vleugeltjes op elfenstof door de lucht. Ze zijn net als ik en jij een gewone sterveling met de voeten vast op de grond, wat betekent dat ze maar figureren in het verhaal en gewoon lopen zoals ieder van ons. En de slechteriken? Die zijn ook niet meer zo slecht als vroeger, in feite zijn ze zelfs best vriendelijk geworden en iedereen wil ze te vriend zijn.

Als gevoelige lezer, zou je je de vraag kunnen stellen, “Wat is dan nog het probleem?” Want, schoonheid is subjectief, en als heksen eruit willen zien als supermodellen, en dwergen als een puberende schooljongen wie ben ik dan om daarover te oordelen? En waarom zou ik me storen aan een wereld waarin reuzen, dwergen, slechteriken en Hobbits allen op die gemiddelde buurjongen van naast de deur lijkt? Het is allemaal toch maar respectvol onschuldig plezier?

Misschien wel maar misschien ook niet. Soms zijn dingen zoals ze zijn met een reden. Neem die heks, bijvoorbeeld. Ze werd in elk sprookje altijd afgeschilderd als lelijk, achterbaks, slecht en verrimpeld. En daar was een goede reden voor. Afgrijselijke heksen en verschrikkelijke monsters vertegenwoordigen namelijk gevaar en illustreren de onbekende en donkere zelfkant van de mensheid. Reuzen en dwergen waren altijd meer dan levensgroot, niet alleen qua gestalte maar ook qua karakter, ofwel supergoed ofwel superslecht. Ze vertegenwoordigen en verpersoonlijkten extremen, lees het beste en het slechtste van de mensheid. Hoe meer ze op ons te laten lijken, hoe meer de lezer dat gevoel van ontzag, verwondering en verbazing verliest, zelfs de kleinste lezer!

En wat slechteriken betreft, die horen slecht te zijn. Zij vertegenwoordigen de obstakels en lastigheden die we moeten overwinnen, de uitdagingen die we moeten aangaan en de duisternis waar we door moeten om onze doelen te bereiken. Zonder dat alles verliest een sprookje of een verhaal alle betekenis en doel.

Dus beste gevoelige lezer die graag al eens een woord doorstreept. Hoewel het onschuldig lijkt om dingen te veranderen door ze aangenamer, vriendelijker en minder angstaanjagend voor te stellen, voor onze moderne gevoeligheden, onthoudt dat er een reden is waarom dingen zijn zoals ze zijn en verhalen geschreven zijn zoals ze geschreven zijn. Soms is het echt beter om de dingen te laten voor wat ze zijn. Je zou er zelfs een beetje haar van op de tanden kunnen krijgen.

Hé daar! Ben je er nog of heb je me al gecanceld? Luister, als jij je voor jezelf een wereld wilt voorstellen waarin heksen supermodellen zijn en reuzen klein en schattig, ga je gang.  Wie ben ik om je tegen te houden. Doorstreep gerust alle woorden waar je aanstoot aan neemt. Verander desnoods het woord “lelijk” in “niet zo mooi voor iedereen”, maar doe het in je eigen boekje maar blijf met je stengels van de andere.  

Sta misschien eens stil bij de gedachte dat de beste dingen in het leven soms net die zaken zijn die uitdagend, ongemakkelijk en ja soms een beetje beangstigend zijn. Soms zijn lelijke slechteriken echt zo slecht niet en af en toe zijn schattige dwergen monsterachtig.

Dus sensitieve schrapper, als je per se met klassiekers wil rommelen, doe het dan voorzichtig en met respect, anders wordt elk verhaal een sprookje van kus mijn kloten. En als je echt groen wil lachen, raad ik je aan eens een verhaaltje van mij te lezen.

De kip of het ei?

De eeuwenoude vraag die filosofen, wetenschappers en nu ook mezelf heeft beziggehouden, en die aanleiding gaf tot menig punthoofd en die mij eveneens kopzorgen bezorgde, wat was er eerst de kip of het ei?

Het is eenzelfde vraag die me ’s nachts wakker heeft gehouden, hoe groot is het heelal? Het zijn van die absurde vragen die me doen nadenken over de aard van mijn bestaan, toch? Bij elk antwoord rijst de vraag of ik het allemaal wel juist verstaan heb, dat kip en ei-gedoe. Maar misschien is het antwoord niet even belangrijk als de absurditeit van de vraag zelf.

De kip, om daar mee te beginnen, zo kunnen we lezen in de evolutietheorie van Darwin is ontstaan uit een oeroude dino-vogelsoort die leek op een moderne junglevogel. Technisch gesproken is de kip dus ontstaan uit een andere vogel en dat antwoord, als we Darwin willen geloven tenminste, lijkt plausibel.  Al blijft met die redenering de vraag overeind, waar die oer-dino-vogel vandaan kwam. En hoe zat het dan met het eerste ei waaruit dat beest ontstond?

Dan toch eerst het ei? Misschien werd dat gelegd door een vogel die niet helemaal voldeed aan de definitie kip, maar die wel over genoeg genetisch DNA-materiaal beschikte om uiteindelijk met wat evolutieomwegen te kunnen leiden tot hedendaags pluimvee. Maar moest dat ei dan ook niet eerst gelegd worden om te kunnen uitgroeien tot de kip die we vandaag kennen? Ik kom er niet uit. Mijn gedachten raken verstrikt in dit kip-en-ei-verhaal.

Zou het antwoord geen van de twee kunnen zijn? Zou het kunnen dat niet de kip noch het ei eerst waren, maar dat ze gewoon tegelijkertijd verschenen? Ik probeer me die oer wereld voor te stellen waar een volledig gevormde kip zoals we ze vandaag kennen, met pluimen en al uit een ei komt dat uit het niets verschenen is, op dezelfde manier zoals de eerste levende cel ontstond, of zo. Misschien is dàt helemaal een belachelijk scenario, maar is de vraag dat zelf ook niet?

Misschien zijn de kip en het ei allebei gewoon voorwerp van een grote kosmische grap van de schepper en is het nooit de bedoeling dat het antwoord achterhaald wordt. Wellicht leunt hij achterover in zijn universum en zit hij me uit te lachen terwijl hij zich verslikt in rijstpap, en hij er met een gouden pollepel nog een schep bovenop doet. Misschien lacht hij zich een ongeluk met mijn pogingen om de vraag op te lossen die geen antwoord kent.

Uiteindelijk blijft toch de ultieme vraag overeind waarom ik, en samen met mij een deel van de denkende mensheid, al zo lang geobsedeerd zijn door dit raadsel. Is het omdat ik op alles een sluitend antwoord wil of is het omdat het gewoon een leuke vraag is die me niet slimmer of dommer doet wanen dan de rest van de nog levende mensen?

Hoe dan ook, ik ben content dat ik leef in een wereld waarin kippen en eieren bestaan. Ik ga het antwoord overlaten aan echte filosofen en aan echte wetenschappers. Dat zij het maar uitzoeken. Zij hebben een groter verstand om eindeloos te debatteren over deze kip-of-ei-kwestie. Binnenkort is het Pasen en kunnen opgroeiende kleuters zich afvragen of eieren dan toch niet van een Haas afkomstig zijn, ondertussen geniet ik verder van mijn opgevuld Russisch eitje.

Dan toch niet uit een kip, maar uit Rusland?

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering

Oké mensen, neem gerust eerst een kop koffie, leun achterover en geniet van dit uitstekend stukje kantoorkomedie! Mag ik je alstublieft even meenemen in de wondere wereld van de absurde vergadering?

Stel het je voor, je zit in een vergaderzaal met een groep ogenschijnlijk verstandige mensen, althans daar moet je van uit gaan.  In het beste geval weet iedereen waarmee ze bezig zijn, in het slechtste geval helemaal niemand. Na de ronde tafel introductie waarop iedereen hun cv afratelt, blijkt dat de vergaderzaal overvol zit met mensen die er eigenlijk niet horen te zitten maar omdat ze zichzelf interessant en belangrijk genoeg vinden, zijn ze er toch.

De organisator van de meeting moet zonder twijfel gedacht hebben, laat ik gewoon iedereen die ik ken uitnodigen. Ikzelf weet ook van toeten of blazen, dus hoe meer zielen hoe meer vreugd, en wat maakt het uit als de helft ervan Candy Crush speelt op hun telefoon of nadenkt over een ‘catchy’ opener van hun Tinderprofiel?

Er worden zaken besproken die misschien interessant zijn, mogelijks belangrijk, soms zelfs essentieel maar beslissingen worden nooit genomen, niet één. Iedereen krijgt om beurten, maar het liefst door elkaar, de mogelijkheid om zich uitgebreid intellectueel te masturberen. Rink aan één en onophoudelijk wordt gepalaverd en gefilibusterd dat het een lieve lust is. Zonder uitzondering neemt iedereen, al dan niet ongevraagd het woord, al is het maar om de vorige spreker te herhalen. Naarmate de meeting vordert, vraag je jezelf af, “waarom zit ik hier, wat doe ik hier maar vooral, waarom maak ik deel uit van deze poging om met de langste of meest zinloze vergadering in het Guinness Book of Records te komen?

Waarom kiezen voor structuur, duidelijkheid en efficiëntie als chaos ook een optie is?

Ik noem vergaderingen als deze vanaf nu witte-, bruine- of zwarte- kippenvergaderingen.  

Meetings als deze verlopen dikwijls volgens eenzelfde stramien. Ze hebben weg van vergaderingen die doorgaans in marketingkringen plaatsvinden. Stel je daarbij een kleurrijke groep hippe mensen voor. Ze werken bijvoorbeeld in een marketingbureau en hebben bijvoorbeeld de opdracht gekregen om voor een lokaal pluimveebedrijf – we zitten nu toch volop in de stikstofcrisis – een unieke en opvallende campagne te bedenken voor promotie van de lokale biologische boerderij die gespecialiseerd is in pluimvee, kiekens dus.

Zonder één seconde na te denken over de opdracht, over het doel van de campagne, laat staan over het budget en hoeveel het grapje mag kosten, heeft het voltallig deelnemersveld zich al vastgereden in een eindeloze discussie en in de vraag of als blikvanger niet best een witte, een bruine dan wel een zwarte kip moet genomen worden.

Aanvankelijk probeert ieder zijn keuze met het juiste argument te verdedigen.

“Witte kippen zijn de klassieke, voor de hand liggende keuze”, zegt een van hen. “Laat daar geen misverstand over bestaan. Ze zijn schoon, puur en zuiver, net als de producten van de bio-boerderij, een no-brainer als je het mij vraagt.”

“In de huidige maatschappelijke context is deze keuze niet te verdedigen. In de modder van een kippenhok zal je altijd de vieze smurrie blijven zien”, zei een wel heel wakkere stem. “Bruine kippen zijn rustieker, neutraler en hebben net dat gezellige, dat – hoe zal ik het zeggen – huiselijke en onpartijdige imago. Onze doelgroep zal zich daarin gemakkelijk herkennen”, ging de klaarwakkere stem verder, “en minderheidsgroepen zullen er geen aanstoot aan nemen want bruine kippen zijn divers.  Ze leggen namelijk witte èn bruine eieren.”

“Stop, en vergeet alstublieft de witte en de bruine Boomer-kippen. Die zijn zoooo jaren tachtig. Zwarte kippen zijn nu top of mind. Zij zijn dè nieuwe next-gen-Z-kip bij uitstek omdat ze strak en modern ogen. Zij alleen kunnen een jong en trendy publiek aanspreken, en laat dat nu nèt onze doelgroep zijn.” “Ja, en zwart verslankt!”, roept een fel geschilderd, luidruchtig, blond kieken dat ook op de vergadering blijkt aanwezig te zijn. De poule in kwestie is voorzien van twee ferme kippenfilets, al zou de kiek in kwestie ook gewoon een kwetterende haan kunnen zijn die denkt dat hij een legkip is.

Uren verstrijken, en standpunten raken steeds verder van elkaar verwijderd. Soms lijkt een compromis over de witte kip in de maak, af en toe lijkt de keuze voor de bruine kip de bovenhand te nemen, maar dan komen voorstanders van de zwarte kip met een ogenschijnlijk doorslaggevend argument, dat het bij nader inzien niet blijkt te zijn, zodat ze terug naar af moeten.

Nergens nog kunnen ze het eens over worden. Naarmate de discussie vordert, komen er steeds nieuwe standpunten en meningen bij. Om geen ‘ondoordachte beslissing’ te moeten nemen, de kleur van de vogel is namelijk niet iets waar lichtzinnig mag overgegaan worden, wordt de definitieve keuze uitgesteld naar de volgende dag.

Wanneer een discussie ontstaat over het geslacht van de engelen kan de nacht geesten doen rijpen!

Als ‘s anderendaags na veel vijven, zessen maar ook na veel zevenen, achten en negens de keuze eindelijk valt op de diverse bruine kip, zij bleek dan toch voor alle partijen een aanvaardbaar modelcompromis, komt ‘out of the blue’ iemand op het lumineuze idee om niet een kip maar een fazant als beeld te gebruiken. “Denk er eens over na,” zei ze. “Een fazant is uniek en onverwacht. Het zal de boerderij echt onderscheiden van alle concurrenten.”

Eerst wordt het idee met de nodige scepsis ontvangen. “Een fazant is niet eens een kip!” protesteert iemand. “Dat beest past niet in onze opdracht.” Maar toen ze meer ideeën begonnen te bedenken lijkt het fazantconcept toch mogelijkheden te bevatten.

Langzaamaan raakt iedereen het eens over het voordeel van het fazantidee. Met het wilde en exotische karakter van de fazant kan het beest gepositioneerd worden als hoogwaardig alternatief voor de doodgewone kip.

Tot iemand vraagt, “en wat denken we eigenlijk van een Kwartel of een Patrijs?”

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering!

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

Ontwaken en vaststellen dat mijn identiteit nog steeds overeenstemt met het geslacht waarmee ik geboren ben, is in de tijd waarin we leven een hele opluchting. Zonder hierover in detail te willen gaan, maar een geslacht als het mijne, het heeft soms zijn nadelen en elk nadeel heeft zijn voordeel.  

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

Om het niet over het ‘glazen plafond’ te moeten hebben, breng ik vandaag hulde aan alle ongelooflijke vrouwen over de hele wereld en aan alle fantastische bijdragen die ze aan het mensdom leveren.

Waarom ik het doe, geen levende ziel kan deze vraag beantwoorden, maar in een absurde intieme bliksemflits stel ik me uitgerekend op vrouwendag, een wereld voor waarin mannen met dezelfde ongemakken kampen als vrouwen.

Dat zou buiten interessante pré- en postnatale lessen zeker nog andere interessante dingen opleveren. Hoe moeten we ons bijvoorbeeld ochtendmisselijkheid bij aanstaande vaders voorstellen? Hebben zwangere mannen ook constant goesting in augurken en crème glace. Ik vraag me dat af. En wat gedaan met die uitgezakte mannenblaas, dat uitdijende mannenlijf en die pijnlijke tepelkloven na het zogen? In elk geval zouden wij mannen de pijn en de glorie van een bevalling beter kunnen snappen.

Stel je voor, mannen op pumps of stiletto’s. Voor geoefende vrouwen is lopen op hoge hakken al zoiets als koorddansen op stelten terwijl je een marathon loopt. Zouden mannen er, tien cm boven de grond, even professioneel, gepolijst en stijlvol kunnen uitzien als vrouwen? Of zouden ze alleen maar zeuren en zagen over dat eindeloze spelletje voetkwelling van blaren, hamertenen, pijnlijke voeten of erger, eeltkloven, omdat de rode hak van hun nieuwste Louboutins door hun even rode voetzool dreigt te priemen?

Deze veel te dure marteling zorgt voor genoeg leed om alle vrouwenschoenen op het stort te gooien. Voortaan mogen ze rondlopen op blote voeten, als een Hobbit! Maar alleen als ze de haren van hun tenen scheren.

Nu we het toch over ontharen hebben. Als mannen hun benen, oksels, rug, gat, zak, borstkas en zwembroeklijn op dezelfde manier zouden moeten scheren als zij dat van een vrouw verlangen, ze zouden allemaal van pedofilie kunnen verdacht worden. Toch wordt van een modelvrouw verwacht dat ze er even haarloos en glad uitziet als een twaalfjarige met een c-cup.  Minstens een c-cup!

Deze C-cup brengt me trouwens, al dan niet naadloos bij de beha. Hoewel vele mannen bij het dragen ervan gebaat zouden zijn, de wereld zou vergaan moesten ze elke dag te maken hebben met het constante ongemak van het dragen van dat knellend stukje kant, dat te kleine dingen er groot doet uitzien en te kleine dingen groter. De worsteling van het verstellen van bandjes met schuifdingen die nooit doen wat ze moeten doen, het gedoe en gepruts met sluitingen die in je vel komen te zitten en dat gevoel dat de beugels in de huid snijden, wat een nachtmerrie. En toch wordt van vrouwen verwacht dat ze elke dag dit figuur corrigerend martelwerktuig dragen zonder te zeuren. Gun hun toch ook dat comfortabel ‘Marcelleke’ waarmee ze kiekens tegen de draad kunnen zetten.

Mochten mannen trouwens te maken hebben met rugpijn, krampen en het ongemak van de menstruatie, de wereld zou krijsend en gillend tot stilstand komen. Vergaderingen, reisplannen en belangrijke gebeurtenissen zouden afgelast worden, en de ziekteverzekering zou onbetaalbaar worden. Toch krijgen vrouwen vaak te horen dat ze zich moeten inhouden, flink moeten zijn en door moeten gaan met hun dagelijkse beslommeringen alsof er helemaal niets aan de hand is.

En dames en heren, mag ik het tenslotte over echte slapstick hebben!  Ik bedoel make-up. Als mannen zouden proberen zich daarmee bezig te houden, ze zouden verloren zijn als een clown in een doolhof. De hoeveelheid kleuren en strepen zou hen verbijsteren en zou hen eruit laten zien als het troebelste aquarel van Monet.

Maar van dames verwacht de maatschappij wel dat ze zich opdoffen als een pop, dat ze euro’s uitgeven aan producten die afkomstig zijn van een potvis om ze nadien aan hun gezicht te smeren.  Die producten beloven dames er mooi uit te zien zodat de weg naar voorspoed en geluk geplaveid is met glitterende tegels. Van meisjes en vrouwen wordt nu eenmaal letterlijk verwacht dat ze de clown uithangen terwijl mannen dat alleen maar figuurlijk hoeven te doen.

Hoewel dit verhaaltje een absurde gedachte is waarin ik ‘vrouw zijn’ op een fles trek, toch is de toekomst vrouwelijk want zij hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld omdat het ‘sterke geslacht’ al veel langer een hoger doel dient dan er goed uit te zien of zich in een rolpatroon te wurmen.

In deze realistisch sensationele gedachte realiseer ik me trouwens dat ik als man, buiten eigenaar van een beetje macho-branie eigenlijk helemaal niet zoveel voorstel, althans niet zoveel als de meeste mannen doen, al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

De schrikbarende opkomst van de menselijke irrelevantie

Decennialang wordt de wereld al overspoeld door technologie en automatisering. Langzaamaan wordt de mensheid geconfronteerd met de angstaanjagende realiteit van haar vergankelijkheid en overbodigheid. Het lijkt wel alsof alles om ons heen wordt overgenomen door machines, computers en nu door godbetert, kunstmatige intelligentie.

Heet nieuws dus, want bijna iedereen heeft er de mond van vol, zeker nu we plotseling opgescheept zijn met ChatGPT, een zogenaamd technologisch schrijfhoogstandje waar niemand zat op te wachten. Dit nieuwe geavanceerde taalmodel wordt gevoed en getraind met een overweldigende hoeveelheid tekstgegevens dat wereldwijd publiek beschikbaar is.

Iedereen die artificiële intelligentie genegen is, prijst dit model de hemel in als de heilige graal en als de toekomst van intermenselijke communicatie, maar is dat werkelijk zo? Of is dit eerder voorbode en een angstaanjagende werkelijkheid van een nieuwe Star Wars-maatschappij waarin robots en mensen elkaar voor de voeten lopen? Ik vraag het me af, en samen met mij een aantal kritische wereldverbeteraars waarmee ik gisterenavond tussen pot en pint over dit topic van gedachten wisselde.

Onze conclusie was, ofwel wordt de wereld gered ofwel is hij helemaal om zeep.

Op het eerste gezicht lijkt ChatGPT een doodgewone black box, alleen niemand kan zeggen wat erin zit, geen levende ziel die precies weet hoe het erin is geraakt maar de output lijkt ronduit fantastisch.

Mij doet het allemaal denken aan een bedrieglijke tovenaar die verbazingwekkende en onbegrijpelijke dingen tovert maar me zijn fantastische trucs niet onthult en me probeert te misleiden met zijn ogenschijnlijke magie. We gapen met open mond en vertrouwen blindelings wat we zien en nemen zonder voorbehoud aan dat het echt en juist is, al weten we niet waarom we dat doen. Zonder aarzelen zetten we onze lippen aan de gifbeker van onverifieerbare data en drinken gulzig en zonder aarzelen omdat we denken dat we met één teug zullen genezen van onze alles beperkende onwetendheid.

Laten we niet vergeten dat al die bronnen waar ChatGPT zijn mosterd haalt het product is van menselijke vooroordelen, van verstandelijke beperkingen en van relaties en verbanden die in het beste geval alleen maar statistisch gezien opgaan of relevant zijn.

Het is maar een machine die geprogrammeerd werd door mensen met een bepaald soort wereldbeeld, met bepaalde ideeën over wat zij als “normaal” en als “ethisch” beschouwen. Wie garandeert me dat hun ideeën over wat zij als “normaal” en “ethisch” zien juist is? Wie zegt me dat diegenen die aan de knoppen zitten en waakhond spelen, vrij zijn van vooroordelen of van een ander soort discriminatie en er zelfs slechte bedoelingen mee kunnen hebben?

Volgens mij bestaat het grootste gevaar eruit dat ChatGPT ons doet vervreemden van elkaar en van onze menselijkheid.  Voor ons werk en in onze vrije tijd zijn we al volledig afhankelijk van machines en computers. Ons dagelijks leven wordt al grotendeels bepaald door technologie, algoritmes en schermen waar we ziel- en doelloos over scrollen. In entertainment en in ons denken horen en zien we, en hebben we enkel nog toegang tot datgene waarmee we ons vereenzelvigen.

Als we onze dagelijkse communicatie nu ook nog overgeven aan robots en machines, riskeren we dan niet om ons denkvermogen, ons plezier om te creëren en te experimenteren, om de noodzaak om te improviseren en te falen te verliezen, om uiteindelijk al onze menselijke connectie te grabbel te gooien en kwijt te spelen? Dreigen we niet stilaan onze menselijkheid en de essentie daarvan te verliezen? Ik vraag me dat af.

Daarom deed het gisterenavond enorm deugd om aan lijf en leden te ondervinden dat zelfs naïeve wereldverbeteraars nog echt verbonden kunnen zijn door fijne gesprekken, door een paar pinten en door een zak borrelnootjes.

Babbelen, schrijven en communiceren gaat immers veel verder dan voorgeprogrammeerde woorden en zinnen te produceren. Zonder empathie, intuïtie en emotionele connectie rest ons straks alleen nog een artificieel schermgesprek met een chatbot, zonder pinten, zonder nootjes en zonder de complexiteit van emoties en nuances, helemaal irrelevant gemaakt door robots die wij zelf hebben gefabriceerd.

Mag ik daarvoor mijn joker inzetten?

Hoe vermijd je dat je eindigt met een struisvogelbrein?

Ben jij ooit al in een hokje gestopt? Je weet wel, iemand waarmee je drie woorden wisselt en onmiddellijk, op basis van jouw werk, je hobby, geslacht of sterrenbeeld wel heel snel concludeert dat je zus of zo moet zijn.

Ik bedoel, kreeg jij ooit al opmerkingen zoals, “Ah, jij bent schrijver, is dat niet heel erg eenzaam? Je wordt toch snel een soort van kluizenaar, daar zo alleen in je kelder, zonder daglicht, met je laptop als enige gezelschap?” Of, “Is het leven niet lastig als maagd. Dagelijks kampen met angsten en onzekerheden, zeker als je ook nog een controlefreak bent die elk detail over-analyseert, da’s toch geen leven?”

Het zijn ogenschijnlijk onschuldige opmerkingen, alleen je krijgt ze ongevraagd en ze hebben hetzelfde effect alsof je in een klein doosje wordt gestopt en gelabeld wordt als een pakje vogelzaad.

Vogelzaad, niet onbelangrijk nu de vogelgriep opnieuw in ons landje is neergestreken. Ik neem dan ook de vrijheid om even op je scherm te springen en je kwetterend als een mus te vertellen dat ‘hokjes denken’ uitsluitend voor vogels geldt, niet voor mensen.

Mag ik daar een ei over leggen?

Zolang we mensen blijven stereotyperen op basis van hun vermeende kenmerken en ze in hokjes blijven steken, zullen ze in hun vogelhok nooit de vleugels spreiden. Ze zullen nooit vliegen, nauwelijks vogelen en zeker geen eieren uitbroeden.

Maar maak je geen zorgen, sterker ik wil je geruststellen.  Om niet in de valkuil van het ‘hokjes denken’ te trappen bestaan er manieren zodat je niet eindigt met een struisvogelbrein.

Laten we om te beginnen proberen om opnieuw voor onszelf te denken en laat ons ophouden om mee te gaan met vooroordelen die anderen voor ons hebben bedacht. Het is niet omdat iemand een filosoof of advocaat is dat hij geen gevoel voor humor kan hebben, toch?  Het is niet omdat iemand het sterrenbeeld vis heeft dat hij altijd als een zalm stroomopwaarts zwemt en een voetbalsupporter is niet per definitie marginaal, al is de kans vele malen groter dat hij het wel is dan een normale mens. Zoals steeds bevestigt uitzondering de regel.

‘Hokjes denken’ weg ermee dus!

Verschillen maken ons uniek. Lach er hard mee maar vecht er niet tegen. Of je nu een flamingo, een pinguïn of een huismus bent, je hebt de kudde iets te bieden. Dus laten we allemaal de vleugels uitslaan om hoog te vliegen. De Icarus van de vliegkunst valt wel uit de hemel als hij te dicht bij de zon komt.

Merk je dat je toch in een ‘vogelkot’ wordt geplaatst, wees dan niet bang om als een pauw met je pluimen te pronken om de wereld te laten zien dat je meer bent dan een eendimensionale vogel die opgesloten zit in een kot.

Met de vogelgriep in ’t land is het zelfs gevaarlijk om nu uit de kast te komen en je te outen als vogel met een struisvogelbrein, tenzij je graag met je kop in ’t zand blijft steken natuurlijk.

Tenzij je allergisch bent voor humor?

Voor een bepaald soort mensen van een bepaalde generatie of sociale klasse, bestaat er geen groter geluk dan stoïcijns te zijn. Niets wat zich in hun nabijheid of in de wijde wereld afspeelt lijkt hen te deren, niet ten goede en niet ten kwade. Elk probleem, groot of klein, lijkt als boter op Tefal van hen af te glijden.

Stoïcijnse mensen vind je overal, ook op feestjes maar daar nemen ze haast nooit het woord. Het zijn onopvallende behangpapiermensen die aan het eind van een hoogoplopende discussie, wanneer het gesprek dreigt te ontsporen, gevraagd wordt, “He, wat vind jij er eigenlijk van?’

Met een genuanceerd antwoord waarin iedereen zich kan vinden, slagen ze erin om met twee woorden de lont uit het kruitvat te halen.

Een stoïcijns iemand zal je op overdreven grootspraak of op enthousiaste uitbundigheid nauwelijks kunnen betrappen. Ze bewaren liever afstand, luisteren geamuseerd maar reageren zelden, alsof ze allergisch zijn voor plezier of zoiets.

Hoogstens zal je een veel- of niets betekende, gereserveerde glimlach op hun gezicht zien verschijnen. Alle andere reacties of emoties zijn gedoseerd of worden geweerd. Praat je met stoïcijnen lijkt het wel alsof je bloed uit een steen probeert te persen. Soms halen ze dat vanonder je nagels. In haast elke situatie zijn het vliegen op een muur maar zoemen doen ze zelden.

Laat ik het even over hun tegenpolen hebben. Een term om deze groep mensen te omschrijven heb ik niet maar je zal ze wel herkennen. Deze grootsprekers, hebben het hart op de tong, zijn tè aanwezig, en voeren altijd het woord. Na het diner zeggen ze, “Ja, de zalm was niet slecht maar weet je waar je echt de beste zalm kan eten? In Canada, in het Five Sails Restaurant in Vancouver.” Hoewel je deze emotionele orkaan al minstens een kwartier lang probeert te negeren zal hij toch pogingen blijven ondernemen om jouw aandacht te vangen, zelfs al interesseert het je geen bal. De moppen die hij verteld zijn oud als de straat en zo ongeschoren als de baard van Leopold II.

Deze ‘Ned Flanders’ doet gewoon altijd tè hard zijn best, is tè beleefd of tè boertig maar is vooral tè storend. Zijn tussenkomsten zijn nooit afgemeten en altijd straffer of avontuurlijker dan die van de vorige spreker. Deze mensen hebben overal pijn en hebben die kwetsuren als gevolg van fantastische ongelukken waarbij een normale sterveling geen kans op overleven heeft.  Ze vinden racisme vreselijk maar ergeren zich ook donkergroen aan progressieve meningen.

De vrouwelijk ‘Ned Flanders’, mist naast veel andere dingen vooral haar vriendinnen omdat ze te druk-druk bezet is. Ze zit vol zelfmedelijden en beklaagt zich tegen iedereen die het wil horen dat haar man naast de pot pist. Kan je het hem kwalijk nemen? Wat dit soort mensen pas echt onverdraagzaam maakt is dat ze naast vreselijk irritant, oppervlakkig, supersaai en zelfingenomen ook nog gigantisch voorspelbaar zijn.

Resten me de zelfverklaarde verdraagzame mensen die zichzelf aan de juiste kant van de geschiedenis plaatsen. Deze nieuwe soort mensen beschouwen zichzelf als vernieuwende denkers en zijn radicaal politiek-correct.  Ze noemen zich inschikkelijk en tolerant maar in werkelijkheid vertonen ze die verdraagzaamheid uitsluitend wanneer het over hun eigen dada gaat.  

Ze staan voor transgenderrechten, zijn fel tegen racisme gekant, misschien vatbaar voor complot denken maar zijn zeker verschrikkelijk gevoelig voor al datgene wat niet in hun wereldbeeld past. Ze zijn op zijn zachtst uitgedrukt intolerant ten overstaan van al datgene wat ze bekritiseren en nemen er zelfs aanstoot aan.  Op hun agenda staan homo- en transgenderrechten, racisme, seksisme, dekolonisatie, intersectionaliteit etc. Begrijp me niet verkeerd, mensen die zich bewust zijn van sociale problemen en van onrechtvaardigheden, dat is belangrijk.

Maar er is een onzichtbare lijn tussen bewust zijn, verandering opperen of er aanstoot aan nemen. Want ze lezen je de les en bekritiseren je ‘privileges’ ook al weten ze niets over je achtergrond, je verleden of je levenservaringen. Ook al gaan deze ruimdenkers er prat op te ijveren voor sociale rechtvaardigheden aarzelen ze niet om vrienden of familie onder de bus te gooien en ze te elimineren zonder kans op vergeving als ze niet in hun (biologisch groenten-) kraam passen.

Wat ze je natuurlijk niet vertellen is dat machtsdenken wellicht hun echte beweegreden is. Want eigenlijk willen ze niets liever dan de wereld op te delen in kampen, in het goede kamp en in het slechte kamp, in onderdrukten en in onderdrukkers. Minderheden hebben geen macht en moeten dus slachtoffer genoemd worden en behoren daarom per definitie tot de goeden. Aan de andere kant van de arena bevindt zich de witte westerse man. Hij is per definitie machtig, geprivilegieerd en dus slecht.

Deze mensen kwalificeren machtig en slecht bijvoorbeeld met eigenschappen als geslacht (man), huidskleur (blank), seks (hetero) en leeftijd (Boomer). Het zijn echter dezelfde aangeboren eigenschappen en kenmerken die ze als argument gebruiken om er minderheden mee te definiëren. Begrijp jij het nog?

Zelfs al kom je in grote lijnen overeen met de visie van deze groep mensen, hou je je best toch op de vlakte. Je mag voor vrouwen-, homo- en transgenderrechten opkomen, gekant zijn tegen racisme, zelfs dan hou je als witte ‘boogieman’ nog beter je mond. Er rest niets anders dan plaats te maken voor alle minderheden. Stel je je niet nederig op en ben je het niet altijd voor de volle honderd procent eens, dan deug je niet, word je genegeerd, gecanceld, hoogstens gedoogd maar niet geaccepteerd. In het aller slechtste geval eindig je onder de bus.

Wat is er tegenwoordig toch aan de hand met de mensheid? Het lijkt wel of iedereen wakker geworden is in een soort van ‘new-age-star-wars-wereld’ waarin men plots beseft dat het eten van avocado’s en quinoa of het schrappen van heetgebakerde woorden in boeken de sleutel tot geluk zijn?

Mensen lijken meer geïnteresseerd in het etaleren van hun eigen deugdzaamheid dan in ècht maken van verschil. Het is alsof ze elkaar proberen te overtreffen in een moreel gezelschapsspel. “Oh, jij bent alleen veganist? Nu, ik ben veganist EN ik recycle EN ik ben Woke!”

We lijken met zijn allen wel te leven met als opdracht een Rubik’s kubus op te lossen door ons slechts op één kant te concentreren. Zeker, je krijgt misschien die ene zijde helemaal groen, maar hoe zit het met de andere vijf kanten?

Draai of keer het, uiteindelijk moeten we allemaal onthouden dat we er samen voor staan. We hebben misschien verschillende meningen en overtuigingen, maar we zijn allemaal mensen die op hun manier proberen te navigeren in een ingewikkelde wereld. Dat we onszelf voortdurend overschatten en anderen onderschatten mogen we onszelf best vergeven want dat betekent dat we menselijk zijn en precies door die menselijkheid zal het met de wereld uiteindelijk wel goed komen, of toch niet?

Laten we dus proberen om naar elkaar te luisteren, en er misschien zelfs een paar grappen over te maken.

Tenslotte is humor toch het beste medicijn, tenzij je daar ook allergisch voor bent.

Een spannend verhaal dat nooit geschreven werd

Een persoon, op het eerste gezicht een alledaagse man, hoewel ik dat onmogelijk met feiten kan staven of met instrumenten kan meten, je vraagt aan iemand, die je als mannelijk personage in een verhaal wil neerzetten maar die je van haar of pluim kent toch niet, “mag ik even in je broek kijken zodat ik de feitelijke zekerheid kan verwerven om je als man neer te zetten”, toch?

Aangezien ik dus geen garantie heb over de primaire mannelijke geslachtskenmerken (penis, balzak, en teelballen) van de persoon die ik in mijn verhaal een hoofdrol wil geven, en de secundaire geslachtskenmerken van mijn protagonist niet uitgesproken mannelijk ogen, de persoon in kwestie spreekt namelijk eerder met hoge stem en is niet breedgeschouderd, ben ik in dubio.

Om verwarring uit te sluiten en om niet tegen een laaghangende LGTBQ+- borst te stuiten, begin ik mijn verhaal veiligheidshalve met, een persoon, die me indruk geeft over een mannelijke genderidentiteit te beschikken, en mogelijks als man wil aangesproken worden maar voor hetzelfde geld homo of genderfluïde is maar misschien als transpersoon door het leven wil gaan, staart ‘wezenloos’ voor zich uit.

Hij (zij/hun) lijkt diep in gedachten verzonken alsof hij (zij/hun) zich de vraag stelt of tot het mannelijk geslacht behoren eerder een toevallig levenslot is, of hij (zij/hun) ervoor bij helderheid van geest mag kiezen en of dat feit op zich al dan niet een omkeerbaar gegeven is. Ik sta oog in oog met de twijfel in zijn (haar/hun) ogen en zie hem (haar/hun) worstelen met zijn (haar/hun) geslachtsidentiteit en de genderidentiteit waarmee hij (zij/hun) zich aan de buitenwereld wil presenteren.

De vrouw ernaast, althans de persoon die volgens mijn perceptie en mijn eerste aanbik overeenkomt met het geslacht ‘vrouw’ omdat ze bij de geboorte welbepaalde secundaire geslachtskenmerken heeft meegekregen, namelijk het ontbreken van gezichtshaar, borstvorming en brede heupen, kortom kenmerken die doorgaans aan het vrouwelijke geslacht worden toebedeeld, maar die door mijn vluchtige controle onmogelijk als afdoend bewijs gelden, zit naast hem (haar/hun) en staart eveneens verward voor zich uit.

Hoewel deze laatste persoon zonder duidelijke definitie getooid is in een klederdracht, (zijden blouse, zwarte bh, wijnrode rok en hoge hakken) die men in een vorige eeuw uitsluitend als vrouwelijk zou bestempeld hebben maar ook omdat de wereld doorgedraaid is, kan geen uitsluitsel geboden worden, noch over de geslachtsidentiteit, noch over de genderidentiteit ervan.

Aangezien ik dus niet over die mogelijkheid beschik, maar ook omdat ik door de schrijfpolitie niet, net zoals Roald Dahl, wil gecanceld worden maar zeker ook omdat mijn fantasie te groot is maar het risico niet waard, om ermee de toorn van de hele LGBTIQ+-gemeenschap over mij heen te krijgen, besluit ik om het vervolg van dit spannende verhaal niet te schrijven.

Mannen weten waarom

Wie van mening is dat AB Inbev alle credit mag opeisen voor de slogan, “…mannen weten waarom”, lees even verder. Nu zoveel mensen het collectief een maand drooghouden zou je het je zomaar kunnen afvragen waarom bierdrinken zo diep in ons samenlevingsweefsel verankerd zit, waarom we dat gewoon en als vanzelfsprekend vinden, en waarom mannen, al dan niet terecht de alleenheerschappij van het “weten waarom” opeisen.

Antwoorden op deze vraag reiken verder dan de kantine van de lokale voetbalploeg of van het plaatselijke dorpscafé, of misschien toch niet.  Ik neem je even mee naar de vroege Middeleeuwen. Voetbal werd nog niet gespeeld en foute alcoholreclame was nog niet uitgevonden, maar toch was het brouwen van bier in die tijd doodnormaal. Het gebeurde in huiselijke kring en het was een taak die uitsluitend bestemd was voor, je gelooft het nooit… ‘vrouwen’.

Hoewel het ‘biersteken’ ook achter kloostermuren bedreven werd door monniken en nonnen, deden ze dat in hoofdzaak om in hun levensonderhoud te voorzien.

In de Middeleeuwen werd trouwens relatief meer bier gedronken dan vandaag. Je mag rekenen dat op jaarbasis toen elke man, vrouw of kind gemiddeld zo’n drie- a vierhonderd liter bier naar binnen goot.  Grof gerekend is dat zo’n 5 à 6 alcoholeenheden per dag. Toen Caesar in zijn Bello Gallico liet noteren dat Galliërs voortaan het dapperste volk der volkeren moest genoemd worden had hij beter laten opschrijven dat ze het zatste volk ooit waren.

Maar er waren verzachtende omstandigheden. Want de volksgezondheid had er iets mee te maken. Bier werd namelijk hoofdzakelijk gedronken als alternatief voor water dat dikwijls door bacteriën besmet was omdat het uit waterputten geput werd of uit grachten of beken werd gehaald. Bier werd gewoonweg gedronken uit noodzaak om niet ziek te worden. Maar of het uitsluitend een mannelijke aangelegenheid was, durf ik ten stelligste te betwijfelen.

Bier en mannen, ik kan er bladzijden over volschrijven. Het is weerzinwekkend te zien hoe mannelijke drinkebroers vandaag nog steeds hun identiteit en ego, met de slogan, ‘adje, voor de sfeer’ met elkaar afmeten. Omdat mannen menen te “weten waarom” en omdat vrouwen daar niets mee te maken willen hebben, distantieert dat vrouwvolk zich van dit haantjesgedrag. Uiteraard drinken ze ook, misschien evenveel, soms meer en waarschijnlijk iets anders, maar ze doen het niet om er hun identiteit mee in de verf te zetten, maar eerder om er hun waardigheid mee te verliezen. Sta me aub toe om historische drinkgewoonten en drinkerfgoed te beschermen met een vleugje humor en sarcasme.

Wat ik wel met historische zekerheid weet is dat drinken me tot de man heeft gemaakt die ik vandaag ben. Ik heb het veel te veel moeten doen en moest er huis, goed en bijna mijn verstand aan verspelen om te beseffen dat het goedje niet langer voor deze man bestemd was. Mijn schaamte of mijn mannelijkheid hoef ik al lang niet meer op te lappen als ik op café een water of een koffie bestel.

En dat doet me nadenken over die seksistische slogan, ‘… mannen weten waarom.’ Omdat hij knap bedacht werd om vrouwen, die vastgeketend zijn aan hun rolmodel en in de plaatselijke supermarkt nog steeds de wekelijkse boodschappen moeten doen, eraan ter herinneren welk merk ze best meebrengen om er hun man mee te plezieren.  

Want je bent toch niet zo naïef te denken dat mannen, eens ze aan een toog aanbeland zijn niet weten welk merk ze het liefst binnen gieten, al blijft de vraag wel onbeantwoord of mannen, maten en makkers echt wel weten waarom.

Cupido, Valentijn en het heilige kruis

Eerlijk is eerlijk, ‘strontjaloers’ ben ik op al die harteloze mannen met een totaal gebrek aan romantiek die hun relatie vastgeklikt hebben in oude, maar duidelijke rolpatronen. Zij kunnen morgenavond immers ongestoord, zich van geen kwaad bewust, rustig, zakje chips in aanslag naar de Champions League wedstrijd PSG – Bayern München kijken. Niet zo dus voor deze oeverloos ‘morantisch’ ingestelde sufkop. Ik kan weer aan de slag met oesters, champagne, rozenblaadjes, chocolade, gedempt kaarslicht en met een pikant lingeriesetje, het liefst in de juiste volgorde om het allemaal wat proper te houden.

Reclamedames en -jongens die de voorbije dagen geen kans onbenut lieten om me nogal dwingend met hartjes, chocolade en ‘peperdure rode lingeriesetjes’ op mijn Valentijns-plichten te wijzen, zullen me morgenavond geen geluksvogel doen voelen.  Ook al verwacht ze zelf niets, en al zeker geen ‘peperdure kruis-loze lingeriesetjes’ is net dat niets verwachten wat Valentijn zo venijnig maakt. Immers het zich aan niets verwachten, maakt net dat het een briljante ‘move’ wordt als je het wel doet. Plat, meedogenloos grensoverschrijdend… emotioneel machtsmisbruik, in een waarom #menot-sfeertje.

Je begrijpt dan ook dat ik behoorlijk afgunstig ben op al die tegenovergestelde nieuwe mannen, die Valentijnsdag maar plat commercieel gelul vinden en die fier eigenaar bleven van een totaal gebrek aan geforceerde hoffelijkheid en artificiële romantiek. Zij kunnen, zonder zich moeilijke vragen te stellen, gemakkelijk weerstaan aan de subtiel opgedrongen verborgen verleiders omdat zij geen superdure attributen nodig hebben om er de liefde van hun vrouw mee (om)te kopen.

Het blijft toch wonderbaarlijk hoe reclame en cupido er met venijnige verleiders op 14 februari telkens in slagen om de hoogdag van de liefde te banaliseren en te reduceren tot platte commercie. Wonderbaarlijker is nog dat mannelijke jagers met bankkaarten en vrouwelijke prooien met nieuwe rode lingeriesetjes dit jaarlijks terugkerend ‘lockbite-event’ nodig hebben om er hun steendode liefdesleven mee te reanimeren.

Alleen de vraag blijft, wie houdt wie voor de gek en wie bedacht deze slechte commedia del arte?  Goed geweten trouwens, dat de patroonheilige van Valentijn, de hoofdrolspeler van dit gebeuren, niemand meer maar ook niemand minder is dan pater Valentinus, een ‘contrair heilig paterke’ uit de middeleeuwen, die dik tegen de zin van de keizer, in ’t geniep verliefde soldaten trouwden terwijl hem dat ten stelligste verboden was omdat hen dat zou afleiden van de oorlogsmissie.

Schappelijke mens die Valentinus, daar niet van, en alle lof voor die contraire dienaar van het ‘heilige’ kruis.  Ik vraag me alleen af, waar en wanneer de rode lingerie, de champagne en de chocolade erbij gesleurd werden want die spullen waren bij mijn weten in het jaar 270 nog niet uitgevonden.

Effect van alcohol beloont onmiddellijk

De media staan er bol van, iedereen die iets over alcohol meent te moeten vertellen heeft er de mond van vol, “zelfs één glas heeft negatieve gevolgen voor je gezondheid”.

Ik wil wetenschappers niet tegenspreken maar ben het niet zeker of statements als deze verbindend werken, of een uitnodiging zijn om er drinkgewoonten eerlijk mee te evalueren. Ik geloof zelfs dat ze net een tegenovergesteld effect hebben.

Wanneer je dit leest, maak je wellicht deel uit van de groep van volwassenen, (om en bij de tachtig procent) die af en toe een glas drinkt. Het is heel waarschijnlijk dat je dat gedaan hebt om je te ontspannen, om sociaal wenselijk te zijn of gewoon om je op je gemak te voelen. Rust in je hoofd! Misschien deed je het zelfs, net als vele mensen die kampen met verdriet, angst of verlies, in de hoop om er kortstondig je neerslachtige stemming mee op te krikken.

Tournée Minérale is halfweg. Misschien ben je erachter gekomen dat deze tijdelijke drooglegging wel degelijk dè juiste uitdaging was om te ontdekken welke rol alcohol in jouw leven heeft ingenomen.  Misschien is dat zoveelste rondje Spa bruis toch lastiger dan je initieel had verwacht. Als dat zo is, heb je hier misschien iets aan.

Weet dat effecten van alcohol onmiddellijk belonen. Afhankelijk van hoeveel en hoe snel je drinkt, dus hoe snel je alcoholpromillage in je bloed toeneemt, des te sneller je je ontspannen, euforisch of niet-geremd zal voelen.  Omdat de plezierige effecten van alcohol onmiddellijk optreden, besef je echter niet dat alle negatieve effecten ervan worden uitgesteld. Dat doet alcohol altijd, dikwijls met uren en vaak zelfs met dagen, weken of maanden. Een kater met barstende hoofdpijn, ken je natuurlijk wel, toch is het in andere gevallen moeilijker om een verband te zien tussen drinken en het negatief gevolg daarvan.

Uit mijn eigen ervaring weet ik, ik was begin veertig, en had dikwijls last van depressieve stemmingen en was soms onverklaarbaar angstig en neerslachtig. Ik miste energie, leed aan doemdenken, zelfs zo erg dat het soms aanvoelde dat ik op elk moment, voor een niet verklaarbare reden zou doodvallen. Hoewel ik niet onderhevig was aan grote spanningen en er zich in die periode niets ernstigs in mijn leven had afgespeeld, voelde ik me toch niet goed in mijn vel. Ik sliep slecht en mijn humeur ging mee de dieperik in. Ik zou nog veel woeliger water moeten door spartelen om uiteindelijk alcohol af te zweren maar daar wil ik het nu even niet over hebben. Daar heb ik al genoeg over geschreven.

Ik wil gewoon beschrijven wat de eerste gevolgen waren van stoppen met alcohol drinken en hoe ik daar na, er bijna tien jaar mee gestopt te zijn, kan op terugkijken. Nu is het mogelijk om daar met een andere bril naar te kijken. De eerste positieve gevolgen van stoppen met drinken ervoer ik na een aantal weken, en die waren verbijsterend. Ik werd er zelfs licht euforisch van. Niet dat de puinhoop die ik door mijn drinken had aangericht was opgelost, maar ik merkte toch verschillen. Mijn slaap was genormaliseerd, mijn eetlust was teruggekeerd, mijn stemming was verbeterd en mijn angsten en depressieve gevoelens waren verdwenen. Door niet meer te drinken kwam ik erachter dat ik niet alleen mijn slaap en mijn humeur had verpest, ik had dat glas gewoon ook elke dag opnieuw nodig om angst tegen te gaan, om depressie te onderdrukken en om mijn zelfbeeld op te krikken. Door te stoppen met drinken kon ik dat cirkelgedrag en de effecten daarvan doorbreken.

“Maar jij was een problematische drinker”, zal je zeggen en natuurlijk heb je gelijk maar je hoeft niet aan een depressie te lijden of een laag zelfbeeld te hebben om de negatieve impact van alcohol te ervaren. Hoewel ik soms moeilijk slaap kan vatten merk ik toch dat ik nu doorgaans een betere nachtrust heb. Terwijl, vroeger toen ik nog dronk, zich net het tegenovergestelde voordeed. Met te veel glazen op, viel ik gemakkelijk in een soort van coma om dan ’s morgens doodmoe wakker te worden. Mijn slaapkwaliteit was gewoon zo slecht dat ik overdag dan de energie mistte om een kwaliteitsvolle dag te kunnen ervaren. De gevolgen waren te voorspellen. De dag begon met cafeïne en eindigde steevast met alcohol. Een chique term voor dit fenomeen is ‘aperitiefcultuur’ maar het verdoezelde gewoon het feit dat ik in een verstrekkende neerwaartse spiraal was terecht gekomen. Ik was me daar niet van bewust.

Vergat ik de negatieve invloed van alcohol op mijn denkvermogen te vermelden? Het lijdt geen twijfel dat zwaar drinken nefast is voor de hersenen. Dat ondervond ik zelf aan den lijve toen ik me op het hoogtepunt van mijn alcohol-carrière bevond, en mij vanzelfsprekende dingen die doorheen de dag waren gebeurd, ’s avonds met moeite kon herinneren. Ik vermeld dan niet eens de totale black-outs als gevolg van zware uitspattingen. Vandaag staan we verder in de analyse. Recent bewijs toont aan dat zelfs een bescheiden drinker, hou het bij vier tot vijf glazen per week, verband kunnen houden met tragere executieve hersenfuncties en vertraagde reactietijd.  Uit een studie bij ongeveer twintigduizend mensen bleek dat alcoholgebruik boven de drie glazen per week in verband kunnen gebracht worden met slechtere prestaties op cognitieve tests. Positief nieuws is echter dat deze negatieve cognitieve effecten van gebruik in vele gevallen omkeerbaar zijn van het ogenblik dat iemand stopt met alcoholinname.

Dus, als je je net als ik indertijd angstig, neerslachtig, moe, mentaal wazig voelt of je zelfbeeld is niet helemaal ok, probeer het dan eens zonder die dagelijkse verdoving. Je zou wel eens aangenaam verrast kunnen zijn.

Gewoon, omdat ik niet drink.

Negen, bijna tien jaar lang al, geen druppel, om het even wat de omstandigheden zijn, ik houd het droog.  Zolang al duurt mijn persoonlijke Tournee Minerale. Of ik nu vrolijk, verdrietig, opgejaagd of rustig ben, bijna 10 jaar, 121 maanden, 3678 dagen of 88272 uren, zolang houd ik mijn lever droog.

Sommige mensen drinken eveneens niet. Ze doen dat uit principe, omdat ze het niet lekker vinden, omdat ze ooit te veel dronken en ze het nu niet meer mogen van hun partner of van hun huisarts, of omdat ze al dood zijn.

Andere mensen drinken wel, omdat ze kunnen drinken, omdat ze het gezellig of lekker vinden. Heel dikwijls doen ze het zomaar, uit gewoonte, om erbij te horen of omdat ze denken dat drinken erbij hoort om erbij te horen.

De meeste mensen drinken bij de juiste gelegenheid. Anderen, zoals ik het vroeger deed, hebben geen gelegenheid nodig. Voor mij is dat allemaal ok, maar ik probeer het al eventjes op een andere manier, in mijn ogen een betere. Als je dat voor jezelf niet de beste keuze vindt, is dat helemaal ok.

Drinken of niet drinken, voor mij maakt het allemaal niet meer uit. Ik ben er niet meer mee bezig, al is dat in het begin wel anders geweest. Op een onbewaakt moment kan het best nog wel lastig zijn, dan floept het kwelmannetje, als een ‘Duvel’ uit een doosje nog wel eens op mijn schouder. Hevig hoor, maar dat duurt nooit lang. Door hem geen aandacht te geven weet ik dat hij snel opgeeft omdat ik met hem het gevecht niet meer aanga. Dan verliest hij zijn interesse. Ik blijf uit zijn boksring. Ik gun hem de overwinning zonder wedstrijd van harte.

Er is veel veranderd. Ik ben veranderd, leef bewuster en geef meer aandacht aan mezelf. Ik doe dat helemaal niet uit egoïsme maar uit zelfbehoud. Om gefocust te blijven, probeer ik goed voor mezelf te zorgen en als ik goed voor mezelf zorg word ik geen eikel voor anderen.

‘Vrienden’ van vroeger vinden me soms saai. Ze denken dat ik nu als een kluizenaar leef. Ik geloof dat ze dat doen omdat ik nu net iets verder dan een armlengte verwijderd ben van de toog die ons indertijd bij elkaar hield. Soms vind ik dat jammer maar die spijt duurt nooit lang omdat ik besef dat het nagenoeg alleen die pint was die we als gemeenschappelijke beste vriend hadden. Voor mij is hij al een tijdje dood en begraven, die ‘beste vriend’. Ik mis hem niet.

Soms wordt het nog wel eens donker en krijg ik het moeilijk omdat de gemakkelijke uitweg er niet langer is. Dan neem ik een pauze, een bewuste time-out zodat ik broodnuchter kan beslissen of ik de zaken meteen aanpak of ik erop een ander moment zal aanvliegen. Kunnen beslissen zonder te moeten vluchten in iemand die ik niet ben, is me zoveel waard dat ik het hier nog maar eens wil getuigen, een beetje fier maar vooral rustig en nederig en niet te overmoedig. In mijn leven schijnt de zon en dat is veel om dankbaar voor te zijn.

Hen, ook wel vrouwelijke kip genoemd.

Gender inclusief schrijven is betuttelend en paternalistisch, en helpt nauwelijks om minderheidsgroepen of individuen een gezicht of een stem te geven, sterker nog, het polariseert. Tegenwoordig is het bon ton of zelfs bijna een beredenerende reflex van bedrijven om richtlijnen op te leggen die spreek- en schrijftaal aan banden leggen in de hoop om de werkelijkheid er anders te laten uitzien.

Dat woorden als n***, laaggeschoold, slaaf, blank, gezond verstand, gestoord, achterlijk, debiel, stom, flikker, allochtoon etc. niet helpen om verbindend te communiceren en best vermeden worden behoeft geen uitleg. Laat ons aub de vrijheid om ‘gezond’ verstand (excuseer het adjectief) te laten primeren. Het gender inclusief taaldebat krijgt echter een buitensporig grote dimensie wanneer dat nieuwe taaladvies me straks zelfs zal verbieden te zeggen dat, ‘X% van de vrouwen al grensoverschrijdend gedrag ondervond’, maar me zal adviseren te zeggen dat ‘X% van de mannen grensoverschrijdend gedrag stelt.’

Maar het stopt hier niet. Adjectieven of zegswijzen die verwijzen naar vaardigheden of beperkingen zullen niet langer toegestaan zijn. Uitdrukkingen als ‘dovemans oren, blind zijn voor, op de zwarte lijst staan, ergens grijs haar van krijgen, uit de oude doos komen, bevatten namelijk woorden die door de taalcipier straks uit ons toekomstig taaleigen zullen gecanceld worden.

Wanneer het ook nog de bedoeling is om woorden te mijden waarin het geslacht ‘heer’ of ‘man’ voorkomt (‘aan de man brengen’, ‘zijn mannetje staan’ …) en om mensen niet langer met ‘mijnheer’ of ‘mevrouw’ aan te spreken, is er volgens mij meer dan één man overboord. Wie meent om zich met deze betuttelende taalcensuur de vrijheid te mogen toe-eigenen en in te mogen grijpen op iemands taal en expressie, is niet alleen wel heel erg bemoeiziek, het voelt bovendien aan als heel erg grensoverschrijdend.

Wanneer je in een bedrijfscontext geconfronteerd wordt met nieuwe woorden zoals diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie is de kans redelijk groot dat volgende slogan je voor de voeten wordt geslingerd.

‘Diversiteit is gevraagd worden voor het feest, inclusie is ten dans gevraagd worden’. 

Als ik zulke quatsch hoor gaan mijn trommelvliezen bol staan en heb ik heel erg het gevoel dat een loopje genomen wordt met mijn empathisch denkvermogen.  Ogenschijnlijk suggereert deze quote gelijkheid en gelijkwaardigheid terwijl hij net vertrekt vanuit een zeker meerderheids-minderheids denken en vanuit dominantie.

Immers, mensen die de organisatie van het feest op zich nemen zijn helemaal niet gelijk aan de gasten die op het feest uitgenodigd werden om mee te slurpen aan de nectar van de onzin.  Zij kiezen immers de feestzaal niet. Zij bepalen niet mee waaraan het feestbudget gespendeerd wordt, wie de plaatjes draait, wat de dresscode is of waar de slingers mogen hangen.

Wanneer men gemarginaliseerde groepen de illusie geeft mee te mogen doen in bestaande machtsverhoudingen, maakt men ze deelgenoot en lotgenoot van de achteruitgang van gelijkheid. Diegenen die deze richtlijnen en petit-comité bedenken verliezen dikwijls de vooroordelen en hun persoonlijk bias uit het oog. Nota bene, die vooroordelen waartegen ze zich in hun opgedrongen charters willen verzetten. Dat ruikt naar hypocrisie en naar zelfverheerlijking maar wat erger is, de nieuwe taalregels polariseren. Ik stel me dan ook luidop de vraag of men met dit doorgeslagen DE&I-verhaal niet net het tegenovergestelde bereikt van datgene wat men beoogde namelijk verbinding, gelijkwaardigheid en aanvaarding.

Laat ons elkaar in dit taaldebat geen Liesbet of geen zij/haar/hij/hem/hun/hen noemen, want een hen is per slot van rekening en zo lang het in de dikke Van Daele staat, nog steeds een vrouwelijke kip. En een haan kraait elke morgen op de mesthoop.