Waanzinnig Woke

In deze verwarrende, excentrieke tijden van het parallelle universum waarin we leven, voelen verwarde en merkwaardige mensen, steeds vaker behoefte om gekende gebeurtenissen die zich in het verleden afgespeeld hebben te hervormen tot iets wat past in een nieuwe agenda. Graag zouden ze alle gewelddadige feiten en gebeurtenissen een nieuwe betekenis geven, feiten die beschreven staan in normale geschiedenisboeken waarin minderheidsgroepen soms slachtoffer werden van een tirannieke eenling, van een systeem dan weer van een superieure meerderheidsgroep.  Liever nog zouden ze dit doen met het ongelofelijk spektakel van ongeziene absurditeit.

Omdat ik niet kan achterblijven maar toch vooral omdat mij ook onrecht werd aangedaan, sta ik op het punt Rome aan te klagen in een onwaarschijnlijke rechtszaak die de toekomstige geschiedenisboeken zal ingaan als het ultieme proces van het “Allerlaatste Waanzinnige Woke Sacrament.”

De reden? Simpel, mijn DNA.  Deze uitverkorene, tevens schrijver en voorwerp van mijn toekomstige aanklacht zal fungeren als spreekbuis van het gezond verstand en tegen de waanzin. Ik ben van plan om de Romeinse republiek aanklagen voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA ten gevolge van de tumultueuze overrompeling van Gallië door de Romeinen in 58 v.Chr. Ja, je leest het goed, ik stel de toenmalige bewindsvoerders van het Romeins imperium en meer bepaald Julius Caesar in persoon verantwoordelijk voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA.

Gekleed in driedelig maatpak zal ik in een waanzinnig woke proces aan de edele rechters van het gezond verstand en aan de leden van de jury bewijzen dat mijn voorouders en bij uitbreiding mijn volledige genetische erfenis op een doortastend en zwaar belastende wijze is aangetast door de Romeinse overheersing van Gallië.

Als aanklager van Rome zal ik aantonen dat de teksten die ik vandaag schrijf en waarin mijn voorliefde voor lang uitgesponnen, krachtige zinnen, mijn heldhaftige voorstelling van mannelijke moed, en hun superieure vastberadenheid en mijn totaal gebrek aan erkenning van de vrouw als overwinnaar van de battle of the sexes, te herleiden zijn tot de onfortuinlijke genetische erfenis uit die verre Romeinse hoogdagen, mijn DNA dus.

Als ultieme bewijs zal ik in mijn eindbetoog pleiten dat het Latijn, die Romeinse taal die destijds zo fors heerste dat ze de taal bij uitstek werd, bij het bestuur en bij het chique gedoe in het toenmalig Gallië, dit terwijl de Galliërs eigenlijk niets liever wilden dan hun eigen dialecten te blijven brabbelen, mijn huidig taalgebruik zonder mijn expliciete goedkeuring heeft gevormd.  Zonder enig mondeling of schriftelijk consent sloop precies dat Latijn als een kwieke smokkelaar van vervuilde woordenschat stiekem onze oertaal binnen.

Latijn en Gallisch, twee talen die elkaar in het gezicht sloegen met woorden en klanken waardoor met de brokstukken en de ruïnes daarvan iets nieuws ontstond dat later Frans werd genoemd. Het oer-Frans was een mix van het oude en nieuwe klanken die zich vermengden tot een eigen dieventaaltje dat vanaf dat moment gesproken werd op het grondgebied waarop we ons vandaag bevinden. De beïnvloeding van mijn DNA en mijn schrijfstijl zal hierdoor door de rechtbank van het gezond verstand als bewezen geacht worden.

Om een schadevergoeding is het mij niet te doen. Het enige wat ik vraag is erkenning van het feit dat mijn woordgebruik, mijn grammatica en mijn schrijfstijl het product zijn van het kosmische theater van de Romeinse expansiedrang en per definitie dus van de genetische beïnvloeding van mijn literaire expressie. Als straf en vergelding zal ik eisen dat zowel geschiedenis en literatuur als werelderfgoed dienen behandeld te worden en dus onaangeroerd moeten blijven zodat we ze kunnen omarmen als wonderlijke leerschool van al het goede en kwade en van alles wat zich in de mens schuilhoudt maar ook als eerbetoon van de verbeeldingskracht van de schrijver van het verhaal.

Locutus sum. Ad litem.

Het epos van een welzijnskip

Met een hart vol goede bedoelingen en met een maag die rammelde als een verongelijkte leeuw in een vegetarische savanne, trok ik uitgehongerd naar mijn favoriete restaurant. Mijn doel was even logisch als duidelijk en net zo helder als een sterrennacht in diezelfde savanne. Ambitieus was mijn voornemen ook. Uiteraard zou ik eerst mijn honger stillen maar tevens wou ik, min of meer vastberaden maar toch eerder opgefokt door mijn ecologische geweten mijn veel te grote ecologische footprint proberen te verkleinen door ‘iets vegetarisch’ te eten.

Als naïeve Don Quichot van den Aldi maar met een plan trok ik, gewapend met mes en vork in plaats van met een lans ten strijde tegen de klimaatverandering en tegen alle gerechten die door vlees-verslindende molens, ‘saignant’ geserveerd worden om ze er te laten uitzien alsof ze voor de opwarming van de Aarde geen bedreiging vormen.

De menukaart strekte zich over mijn leeg bord uit als een culinaire landkaart die mijn morele kompas en mijn hongerige ziel probeerde te verenigen. De kort aangebakken shiitake en de gekonfijte oesterzwammen met truffeltoets, klonken even verleidelijk als die mysterieuze vreemdelingen uit de roman die nog moet geschreven worden. De linzencurry met wortelparfum die als een betoverend exotisch avontuur mijn smaakpapillen wilde ontvoeren was dat ook.

Op dat eigenste moment, net voor ik mijn keuze kon maken, viel mijn oog op een literaire plottwist die zelfs Madame Bovary, u weet wel de legkip van Gustave Flaubert in vervoering zou brengen.  Op regel vier van de menukaart las ik drie betoverende woorden: “Consommé van Welzijnskip” en ik schrijf ze nog eens voor jullie neer opdat ze zouden doorklinken al ware ze van de hand van Flaubert hemzelf, “Consommé van Welzijnskip”.

Door die dichterlijke woorden, ik had ze zelf niet mooier kunnen bedenken, leek het alsof de kip in kwestie, zelf vorig jaar het besluit had genomen om een weloverwogen sabbatical te nemen om te ontsnappen aan haar traditionele kippenbestaan om zo via een doordachte carrièreswitch een loopbaan te beginnen als vrije legkip van biologische scharreleieren.

“Welzijnskip waarom niet”, prevel ik in mezelf met een glimlach die voelt als een schouderophalende knipoog naar mijn eigen interne komedie. Dit is toch dè uitgelezen kans om ecologisch bewust te eten en om tegelijkertijd een pluizige, zelfbewuste welzijnszoekende kip, palliatief naar het kippenhiernamaals te begeleiden. Win-win lijkt me, toch?

Maar, binnenin knaagt de twijfel van een nerveuze schrijver die zijn woorden in het rood aanstreept wanneer ze hem niet bevallen. “Hoe kan ik mezelf au serieus nemen nu ik hier kip zit te eten? Een kip die waarschijnlijk meer emotionele vrijheid heeft ervaren dan die ik ooit zal dromen? Een zelfbewuste, vrije uitloopkip, die notabene, een leven lang biologische eieren heeft gelegd alsof ze voor zichzelf gelegd waren, in België!  Terwijl ik niet eens een idee heb hoe ik ze perfect hard of zacht kook.

Hoewel mijn geweten knaagt, steek ik toch mijn vork als een moderne plichtsbewuste ridder aarzelend in het sappige stukje “Welzijnskip”. Ik trek daarbij een grimas die een mengeling is van genot, zelfspot, spijt, schaamte en triomf, niet omdat ik ogenschijnlijk verstrikt ben geraakt in mijn naïeve zoektocht naar duurzaamheid of in de illusie van het nut van een vegetarische schotel waarmee ik me een zuiver geweten kon schoppen.  Neen ik twijfel alleen nog of ik me niet beter tegoed had gedaan aan een ordinaire kippenbout afkomstig uit een economisch rendabele legbatterij, in plaats van aan het vlees van een overgelukkige welzijnskip die waarschijnlijk overijverig en voor het nageslacht het epos van haar boerderijavonturen in al haar eieren heeft geschreven.

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Oneindig labyrint

In de kleinste uren van de nacht, terwijl de wereld vredig slaapt, dwaal ik door de gangen van mijn gedachten. Ik blijf er gekluisterd aan de verborgen schatten van mijn geest. Elke gedachte, elke keuze, klein of groot wordt ontoombaar door mijn geest ontrafeld, geanalyseerd en omgedraaid al ware het een kostbaar manuscript.

Ik ben een onrustige slaper, mijn brein weigert te rusten, ook nu weer. Het gaat op zoek naar onvindbare dingen uit het verleden of het spint garen op onzekerheden van de toekomst. Niets gebeurt zomaar of vrijblijvend, geen enkele beslissing simpel, stom, klein of groot wordt lichtvoetig genomen.  ‘s Nachts gebeurt alles weloverwogen alsof het allesbepalend is voor mijn lot. Alsof alles ervan afhangt.

De meeste mensen, zelfs diegenen die dicht bij me staan snappen er niks van. Ze noemen me besluiteloos, lui of zweverig.  Ze hebben geen idee.  Ze begrijpen niet dat die paniekerige twijfel nodig is om er elke losse rafel aan vast te maken. Het lijkt misschien niet zo, maar àls ik dan eenmaal mijn koers bepaald heb, zal geen enkele storm me van mijn pad kunnen brengen.

Overnacht zijn mijn gedachten net als stille kerkklokken die elk uur onhoorbaar luiden, alsof ze in alle stilte mijn beslissingen aankondigen.  De echo ervan weerklinkt alleen door in de ruimte van mijn grote hoofd om ze daar nog wat verder te onderzoeken.

Overdag reageer ik eerder impulsief. Omdat mijn geheugen moe is of omdat ik blindelings vertrouw op oplossingen die mijn gevoel me s’ nachts hebben ingefluisterd.

Doorheen de dag raast de wereld met snelle tred haastig voorbij terwijl ik nood heb aan vertraging. Door te leven met de voet op de rem wordt het gemakkelijker om van het moment te genieten zonder me met zinloze dingen te hoeven bezighouden. Maar mijn gedachten blijven voortdurend vooruit en achteruit reizen. Met schetsen uit het kladboek van het verleden schilderen ze scenario’s van wat in de toekomst kan zijn, terwijl hun schaduwen onzichtbaar over mijn schouders sluipen.

Telkens opnieuw blijf ik mijn innerlijke kompas ijken om bewuster te leren van de hartslag van het moment. Met die tijd kan ik mijn gedachten bevrijden van hun constante zoektocht naar antwoorden op vragen waarop geen antwoord bestaat. Misschien dat ik daarom nooit te laat kom, om beter voorbereid te zijn op datgene wat komt, om niet verrast te worden maar ook omdat ik in mijn hoofd minstens drie alarmklokken heb gezet.

Je zou het me niet nageven maar mijn onuitgesproken verwachtingen zijn hoog opgespannen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de wereld rondom mij.  Mijn streven naar de perfectie van innerlijke rust lijkt soms een vloek, maar het is mijn drijvende kracht om de juiste dingen te blijven doen.

Door die onrust maak ik relaties waarschijnlijk gecompliceerd en hoogstwaarschijnlijk moeilijk. Ik weet dat wel. Samenleven met mij zal af en toe een verschrikking zijn, omdat ik in mijn hoofd elke woordenwisseling, elk stilzwijgen of elk luider gesproken woord een andere lading geef door er een diepere of andere betekenis aan te geven dan diegene die jij eraan gaf.

Hier sta ik dan naar mezelf te kijken, als overdenker van de gedachte, elke dag op zoek naar een zandkorrel in de woestijn.  In de betonnen wereld die er vaak voor kiest om oppervlakkig te zijn blijf ik zoeken naar een klavertje vier. Het lijkt dan alsof ik gevangen zit in een oneindig labyrint, waarvan elke gang leidt naar een andere gang, naar een andere vraag, naar een nieuw inzicht of naar een ander soort begrip.

Ik geeuw, het is ondertussen zeven uur ’s morgens en jij wrijft de slapers uit je ogen, de mijne vallen dicht.

De laatste twijfelaar

Twijfelende passanten en verdwaalde reizigers zonder duidelijke bestemming lopen af en aan. Ze verschijnen onverwacht en verdwijnen op dezelfde manier als ze gekomen zijn, onverwacht. Af en toe blijven ze eventjes of iets langer, meestal echter niet. Is het dat ongevaarlijke en onuitgesproken oordeel waarvoor ze vluchten? Is het besluiteloosheid of angst voor het onbekende waarvoor ze weglopen of is het misschien omdat ze verandering in hun leven niet toelaten waardoor die noodzakelijke stap niet kan worden gezet? Ik vraag me dat af.  In mijn hoofd kijk ik naar hen, hoe ze doelloos in gekwetste lichamen hun voetstappen volgen, hoe ze het verleden verbergen en de toekomst vertrappen met hun ogenschijnlijk zorgeloos getreuzel.

Even hoopvol als achterdochtig sta ik op uitkijk en bekijk de vele maskers waarmee ze de ware kleuren van hun gelaat en ziel verbergen. Voor elk bal masqué hebben ze het passend mombakkes waarachter ze zich kunnen verschuilen en waarmee ze onzichtbaar willen worden in de massa van het gedruis. Het idee alleen al doet me huiveren. Hoe is het mogelijk om die maskerade vol te houden?

Hun leven verkleind tot beklemmende machteloosheid of tot een aaneenschakeling van ogenschijnlijk hippe feesten en nietszeggende vieringen die tegengewicht moeten geven aan de wankele bascule waarop ze balanceren, vechtend met de onmacht om het leven recht in de ogen te kijken en het te nemen zoals het is.

Ik wil hen bespelen maar de tijd blijft me verbazen. Hij slingert onverbiddelijk door, haast cynisch. Hoe ik er ook door beweeg of hoe harder ik hem wil vertragen des te harder hij lijkt te willen versnellen, alsof hij me uitlacht. Het is al midzomer, gisteren was het nog winter. Elk jaar speelt zich af in de verschillende cycli van wisselende seizoenen. Een maand schuift door in de cycli van voorbijdrijvende weken, een week in dagen en een dag in uren. Die tijd begeleidt me naar de cijfers van mijn leeftijd en brengen me helemaal naar dit moment, alsof ik traag geracet heb naar een beetje evenwicht.

Mijn onuitgesproken en milde oordeel over mensen wees me de juiste richting om te volgen. Het toonde me zonder medelijden mijn spiegelbeeld en vertelde mij dingen die ik moest leren over mezelf, om ze te aanvaarden of te veranderen. Het waren zaken die me verhinderde om te zijn. Weifelende stemmen bleven me bevrijden en toonde me de bewegende beelden van de wereld waarin ikzelf een veilige plaats moest zoeken en daar ben ik dankbaar voor.

Soms wil ik zo graag zeggen wat nog nooit gezegd is, laten voelen wat nog niet gevoeld is en schrijven wat nog niet geschreven is. Om slapende levens wakker te schudden opdat ze eindelijk zouden doen wat ze best zouden doen, maar de weerstand is te groot, het onvermogen te dwingend en de tijd te kort. Hij gaat te traag of te snel voorbij en zal dat zolang doen tot de laatste twijfelaar met een oordeel alleen overblijft.

Ik hoop dan maar dat ik het niet zal zijn.

Het eeuwigdurend moment

Stel je voor, een dag als deze die eeuwig voortduurt of erger, er rest je nog maar één dag. Hoe zou je die ervaren en vooral zou je nog steeds dezelfde dingen doen? Toegegeven, het is op zich een ietwat vreemde vraag maar ze nodigt wel uit om dingen in perspectief te plaatsen. Ze dwingt me om te onderzoeken waaraan ik mijn kostbare tijd besteed en of ik me met de essentie ervan bezighoud.

Vandaag koester ik met deze hypothese het moment. Dat het een eeuwigheidlang mag duren ook al duurt het in werkelijkheid maar één enkele tel.

Toegegeven, graag heb ik het niet gedaan en veel is er niet van in huis gekomen maar ik heb gestudeerd, althans ik heb een poging gedaan. Ik deed het omdat het van mij verwacht werd, om een diploma te krijgen en om me met dat stuk papier van een job te verzekeren. Nadien deed ik mijn best om met de opgedane ervaring een betere te vinden en ik heb dat een aantal keer herhaald, soms met succes.

Ik zette braaf en gedwee noodzakelijke stappen om mijn maatschappelijke positie, wat dat ook moge betekenen, te verbeteren. Telkens opnieuw lag het ogenschijnlijk voordeel van elke carrièrezet in de toekomst. Elke stap was noodzakelijk om een volgende te kunnen zetten, hoewel elke tussenstap op zichzelf weinig of geen waarde van betekenis had. Ik zeg dat nu zo uitgesproken omdat het uiteindelijke resultaat of doel van elke zet ver in de toekomst lag en op zijn zachtst gezegd onzeker was? Haast nooit bleef ik stilstaan bij de vraag of er wel voldoende tijd zou overblijven om van dat uiteindelijke resultaat te kunnen genieten.

Dat tussenstapgedoe in het leven, eerlijk waar ik ben daarvan afgestapt. Gedaan met stappen zetten als voetafdrukken in het zand waarbij resultaat en doel te ver in de toekomst liggen en waarvan de uitkomst onzeker is. Ik probeer eerder voldoening te vinden in dingen die ik vandaag doe zelfs al is dat niet bijster veel. Maar vooral ik wil ze zetten zonder de verwachting of verborgen agenda dat ze, ‘later als ik groot ben’ misschien nog iets kunnen opleveren. Nu bijvoorbeeld schep ik er plezier in om mijn gedachten uit te wringen op dit stuk papier en stel me daarbij luidop de vraag. Wat als deze dag eeuwig duurt?

Het vooruitzicht van het eeuwigdurend moment steekt me niet onmiddellijk tegen. Betekent dit dat ik voldoening ontleen aan alles wat ik doe? Ik mag hopen van wel. Betekent dit dat ik andere dingen zou kunnen doen die me meer voldoening zouden kunnen schenken, mogelijks maar dan moet ik daar als ik dat wil ervaren nu maar mee beginnen, toch. En met die conclusie heb ik vrede.

Maar stel je een tegenovergestelde situatie voor. Beeld je in dat ik zou gruwen van het idee dat deze dag eeuwig zou duren en ik met de verkeerde dingen bezig ben of met dingen die me een vals soort voldoening geven en dat ik me daar niet bewust van ben. Misschien is die conclusie er een die zelf zou kunnen nemen als je je betrapt voelt omdat je reikhalzend uitkijkt naar die wereldreis die alleen in je dromen bestaat of naar dat langverwachte pensioen waar je nog twintig jaar moet op wachten en waartegen je misschien al vijf keer doodgevallen bent. Of kijk je misschien vol misprijzen naar vandaag omdat het weekend nog te ver weg lijkt? Kortom zie je uit naar iets wat zover in de toekomst ligt dat het onzeker wordt of dat überhaupt ooit zal plaatsvinden. Lijkt je dat geen afschuwelijke gedachte?

Wil ik nog wel, koste wat het kost ambitieus zijn of wil ik gewoon maar een klein beetje hoger klimmen en verder zorgeloos genieten van mijn weg? De kans is net zoals deze hypothese groot en onbestaande maar stel dat ik ooit een succesvol schrijver zou worden, niet dat dat tot de mogelijkheden behoort maar stel het je voor, hypothetisch. In die nieuwe rol zou ik genoodzaakt zijn om met lezers en recensenten te spreken. Ik zou lezingen moeten geven. Ik zou moeten meedraaien in een uitgeverscarrousel, enfin ik zou dingen moeten doen waarvan ik nu al zeker weet dat ze me tegensteken.

De ambitie om het onbereikbare te bereiken is me vreemd en die luxe is voor mij onbetaalbaar. Het enige wat ik ècht wil is mooie zinnen schrijven, en ik wil dat doen louter en alleen te mijner ere en ter ere van het plezier van het schrijven van mooie zinnen, ongeacht of ze graag gelezen worden of niet? Natuurlijk zou ik nog een boek kunnen schrijven met als doel om er kortstondig aanzien mee te verwerven maar eens dat doel bereikt houdt het plezier dan niet op?

Dat boek schrijven zou een wel heel resultaatgerichte handeling worden waarbij de voldoening gekoppeld wordt aan het resultaat of het boek al dan niet verkocht en gelezen wordt, terwijl mijn voldoening niet ligt in een boek met een mooi kaft maar in de handeling van het schrijven van woorden en gedachten en het beklemtonen van de juiste nuances.

Een paar jaar geleden stond ik in Kaapstad onderaan de Tafelberg. Natuurlijk wou ik naar de top van die 900 meterhoge platte berg maar als enkel de top me had geïnteresseerd had ik wel de kabelbaan genomen. Ik verkoos het kronkelige bergpad.

Wat ik probeer te zeggen is. Als je in je dagelijkse job de zin van je werk alleen maar buiten jezelf zoekt, ik zeg maar wat, in de grote van je auto, in de lengte van de titel van je functie of in het aantal mensen waaraan je leidinggeeft, is dat een doel waar je niets mee bent. Je maakt je met dat kortzichtig streven namelijk helemaal afhankelijk van het oordeel van anderen, zelfs al had je de illusie om vanop die positie net onafhankelijker te worden. Een mooi loon, een chique auto, je positie et cetera zijn allemaal dingen die enkel anderen je kunnen geven. In het beste geval verwierf je ze door een beoordeling met objectieve criteria.

Voor een leven dat maar betekenis heeft door te voldoen aan ambities en verwachtingen die geregeerd en gedirigeerd worden door anderen pas ik. Misschien wil ik nog wel een beetje hogerop, misschien wil ik zelfs ooit nog eens boven op de Tafelberg raken maar het pad ernaartoe zal belangrijker zijn dan het bereiken van de top. Stompzinnige zinnen schrijven of op mijn rug in een hangmat naar de wolken kijken is belangrijker en dat mag voor mijn part een eeuwigheid blijven duren.

Maar hoe kies ik dan wel wat ik doe? Er zijn elke dag zoveel dingen te doen. Er zijn zoveel manieren om mijn leven in te richten dat het risico bestaat om er verlamd door te raken. Wat moet ik doen? Wat wil ik doen? Soms kan keuzestress zo lastig zijn dat met uitstelgedrag alle keuzemogelijkheden uitdraaien op het realiseren van geen enkele. Mag ik bijvoorbeeld de hele dag op mijn rug liggen om mooie zinnen te bedenken terwijl het gras moet gemaaid worden? En hoe frustreet het maken van de ene keuze de beperking van het niet maken van een andere.

Hoe voorkom ik dat ik steeds blijf ronddraaien rond hetzelfde cirkeltje?

Lig ik wakker van mijn succes en is succes belangrijk? Wil ik nog wel hard werken en als ik het blijf doen, word ik er dan gelukkig van of zijn net andere zaken niet veel zinvoller? Is succes per definitie gelijk aan gelukkig zijn? Persoonlijk denk ik van niet. Geluk is fijn voor diegene die het heeft, maar even leuk voor diegene die het nog niet heeft maar er de juiste weg voor in geslagen is om het te worden.

Het streven naar meer, groter en beter of naar een status die ver buiten mezelf ligt of ver in de toekomst of me door anderen opgedrongen wordt, biedt mij geen enkele garantie voor een zinvol leven.

Dus blijf ik maar een leven leiden dat ogenschijnlijk nergens naar toe leidt en gevuld is met niets of met schone zinnen zonder ambitie. Misschien wordt ooit, als de zomer en het mooie weer samenvallen, succes dan een nevenverschijnsel van datgene wat nooit een doel is geweest.

Met dit nieuwverworven inzicht mag dit moment een eeuwigheid blijven duren ook al duurt het in werkelijkheid maar een dag of een enkele tel.



Lach clown, lach dan

De tragikomedie van mijn bestaan wordt met de dag lachwekkender, zeker nu ik al zes weken vanuit mijn grijze ligzetel naar mezelf staar als hoofdpersonage van een absurde deurenkomedie. Zonder auditie te moeten doen schitter ik als rijzende ster op dit tijdelijke podium.

Toch, en zelfs nu mijn bestaan grotendeels beperkt is tot deze grijze ligzetel van waarop ik naar ’t plafond kijk, blijf ik zoeken naar de diepere betekenis van dit lot. Wat wil de wereld mij leren?  Ik stel me die vraag oprecht, terwijl dat wereldje misschien alleen nog maar bestaat om me te leren lachen met mijn eigenwijze, dwaze zoektocht naar betekenis.

In een wirwar van gedachten wankel ik als een dronken clown op krukken, balancerend op de dunne koord tussen waanzin en luciditeit. Mijn geest heeft de afgelopen dagen alles weg van een circusattractie van ontspoorde emoties en waanzinnige gedachten zonder logica. Ze sleuren me mee door labyrinten van verwarring en onzin.

Waarom denk ik wat ik denk? Waarom voel ik wat ik voel, maar vooral waarom schrijf ik wat ik schrijf? Zijn het marsmannetjes in mijn hoofd die onafgebroken en onzichtbaar, aan een stuk door tokkelen op hun buitenaardse klavieren om zo hun onbegrijpelijke symfonieën van de nonsens te componeren. Ben ik een personage in een absurd filosofisch toneelstuk dat geleid wordt door een gestoorde regisseur of worden mijn gedragingen georkestreerd door een onzichtbare dirigent met een wel heel erg grillige smaak voor dramatiek? Of zitten er dan toch spaghettislierten in mijn brein die helemaal in de knoop geraakt zijn en mijn gedachtewereld veranderd hebben in een hilarisch onbegrijpelijke chaos?

Wat er ook van zij, op dit moment is het alsof ik elke handeling uitvoer als een marionet aan touwtjes in handen van een onhandige poppenspeler waarbij beweging het resultaat lijkt van een willekeurige loterij waarbij mijn beslissingen worden bepaald door een dobbelsteen met veel te veel zijden. Het leven geleefd als in een surrealistische droom waarin ik deels blootvoets rondren op krukken en achter mijn andere schoen aan hol, zonder te weten waar ik naartoe ga.

Als ik niet oplet word ik straks ècht mijn eigen tragikomische vertoning, als manke held in een film waarin ik alle personages tegelijk speel, het slachtoffer, de schurk, de bijrol en het publiek, allemaal tegelijkertijd en vooral zonder plot.

Zal ik anders mijn eigen absurditeit omarmen? Om me ècht te zien als een clown in het circus van het leven, als een figuur die met humor en zelfspot zijn eigen ongelukkige lot viert? Ligt daar dan de sleutel. Om mezelf met een knipoog en grijns te aanschouwen.

Ik blijf nog even op deze ingebeelde scene staan als clown van mijn eigen dwaze circus, lachend om de groteske komedie waarin ik ben aanbeland. Ik smijt een denkbeeldige hoed in de lucht, vang hem op met mijn bilnaad en geef me over aan absurditeit die me wapent tegen dit ondraaglijk licht bestaan.

Met deze absurde cirkelredeneringen van dit tijdelijke leven, ontvouw ik dit paradoxaal inzicht en omarm het met de humor van een paljas.

Lach clown, lach dan.

Dierbaar België, den ezel kakt nog niet

Of België over 7 jaar zijn tweehonderdste verjaardag viert zal nog moeten blijken. De huidige federale coalitie heeft er namelijk veel voor over om het antwoord op die vraag onmogelijk te maken. Om een toekomstig scenario over de toekomst van dit leuke land voorspelbaar te maken en om het onwenselijke tegen te gaan, zitten er in de knokploegen van de federale boksring van De Cro namelijk meer slachtoffers uitgeteld naast de ring dan erin.

Dat komt ervan wanneer onwil, onkunde en kortzinnig ‘eigen belang’ van de boksers het haalt over het algemeen belang van ‘natie en volk’. Een voor een en zonder weerga worden ze zonder pardon uit de politieke arena gemept. Of ze definitief ko zijn zal de toekomst uitwijzen, voor sommigen onder hen heeft het er echter alle schijn van.

Terwijl de bokshandschoen tot nog niet zo lang geleden het uitgelezen symbool was van uiterst rechts hoeft die knokploeg bij uitstek zich niet te mengen in de strijd om er als winnaar uit te komen. In het huidige politieke ‘catfight-klimaat’ zijn zij het die altijd als overwinnaar zonder vechten uit de strijd zullen komen.

Misschien zelfs halen centrum rechts, gematigd rechts en uiterst rechts op de volgende zwarte zondag hun gram en valt België vanzelf als los zand uit elkaar, al lijkt het Scheldewater voor die paleisrevolutie op dit ogenblik nog te diep en zitten er langs deze en gene kant van de oevers van de Schelde nog te veel foute figuren die worstelen met hun eigen ‘salonfähigheid’ om die natte droom mogelijk te maken.

Of een nieuwe eensgezinde Vlaamse tirannie een beter antwoord kan bieden op de politieke en maatschappelijke uitdagingen is maar zeer de vraag, gelet op hoe huidig palliatief Vlaanderen vandaag omspringt met bevoegdheden als zorg, onderwijs en mobiliteit en hoe ze het als eensgezinde Vlamingen zelfs niet eens kunnen raken over de definitie van stikstof. Misschien is het huidige resultaat van die Vlaamse knokploeg met hun verworvenheden zelfs nog een grotere puinhoop dan die van de federale straatvechters.

Belg zijn is geen gemakkelijke opdracht. Vele mensen uit het Noorden lijken met hun superioriteitsgevoel op zelfbeschikking aan te sturen terwijl de mensen uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het zelfs alsof België alleen nog maar bestaansrecht kan hebben bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen.

Vooralsnog en zolang er nog voldoende zotte konijnsocialisten met knaldrang in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, zal afhangen waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of Vlaanderen in Brussel een Berlijnse muur kan optrekken.  

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond dan Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, ‘t zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is de onverdraagzame samenleving naar de welke we aan het evolueren zijn, gelijk welke naam we daaraan geven.

Totop vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid nam voor welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite beluister, moeten we evolueren naar een participatiestaat, naar een nieuw soort België waar een in tweeën gesplitste samenleving van burgers verwacht wordt om voor elkaar verantwoordelijkheid op te nemen en hadden we vroeger zoiets dan niet? Ik vraag het me zomaar af.

O dierbaar België den ezel lijkt nog altijd niet te kunnen kakken.

De Bijsluiter Van Een Alcoholist.

Jan Pultau's avatarHersenspinsels

Josph. L Kellermann, een klinisch psycholoog die mensen met een onbeheersbare verslaving bijstaat, heeft talloze wijze boeken geschreven. In een van zijn belangrijkste boeken ‘A Guide for the Family of an Alcoholic‘, legt Kellermann uit dat een doorwinterde alcoholist die gestopt is met drinken en opnieuw in de verleiding komt, onder bijna geen enkele voorwaarde die hij zelf onder controle heeft, kan stoppen met drinken.

Toen ik dat las was het alsof ik in een spiegel keek want ik ben, als ik me zo mag uitdrukken, nog steeds onderworpen aan de uitzichtloosheid van de ziekte die alcoholisme heet. Als ik zou overwegen om opnieuw te drinken, loop ik hetzelfde risico om te veranderen in dat ongeleide projectiel dat alles verwoest wat op mijn pad komt, net zoals dat vroeger het geval was.

Simplistisch voorstellen wat het betekent om alcoholverslaafd te zijn is eenvoudig, mijn rem kapot is. De gevolgen begrijpelijk…

View original post 1.218 woorden meer

De lengte doet er (niet) toe

Soms, wanneer een achillespees het voor bekeken houdt en ik op een festivalweide ben aanbeland om aldaar vanuit kikvorsperspectief, noodgedwongen gezeten in een rolstoel, naar de wereld te kijken en moet toezien hoe half blote vrouwenbillen, een occasionele kamelenteen of fel behaarde mannenbenen in mijn blikveld voorbijschuiven, begeef ik me wel eens op een rolstoelplatform.  

In wezen is dat iets voor ècht invalide mensen, maar als marginaal schrijvertje met een gescheurde pees leed ik toch niet al te erg om vanop dat plekje naar feestvierende mensen te kijken. Sterker, vanop een meter boven de begane grond op die festivalweide is het goed om naar een wereld te kijken, een wereld die ik iedere dag een beetje minder begrijp, misschien omdat ik er vanop dat plekje opnieuw vanuit de hoogte naar kon kijken.

Een hobby, noem het een gewoonte die ik van mijn vader heb geërfd. Niet dat hij bij mijn weten ooit een achillespees scheurde of op een rolstoelplatform van een festival heeft gestaan, toch niet dat ik het me kan herinneren, maar hij kon met zijn aangeboren kikvorsperspectief, hij was ten andere maar een meter zeventig, ook heel hard ‘neerkijken’ op grotere mensen. Op zich geen probleem, of misschien wel want ik heb hem die onhebbelijke gewoonte dikwijls verweten.

“De kleine zijn niet geboren om in de grote hun gat te kruipen, en ikzelf, ik ben niet echt klein eerder een valse lange”, zei hij dan. Woorden werden door hem dan met zo’n ingehouden razernij uitgesproken alsof hij kwaad was op iedereen die een paar centimeter groter was dan hijzelf.

Ik begrijp hem en besef nu pas wat hij bedoelde en waarom hij soms razend werd omdat hij zijn wereld vanuit de laagte moest aanschouwen. Ik ondervond het namelijk zelf, dit weekend toen ik me een meter lager vanuit mijn rolwagen in een gesprek probeerde te mengen en vast moest stellen hoe mensen die wat groter van gestalte zijn over hoofden van kleinere mensen heen praten, alsof ze niet bestaan.

Zijn gestalte niet, maar die boosheid heb ik vast en zeker van hem geërfd. Ik zal voortaan dan ook iedereen kleiner dan een meter zeventig op mijn heup zetten zodat ze tijdens een discussie met grote mensen kunnen meespreken.

De lengte doet er (niet) toe!

Al wat ik weet

Vooruitgaan en stappen zetten in het leven betekent soms achteruitblikken en terugkijken naar het verleden en naar zaken waaraan ik kostbare tijd heb verprutst. Als ik dat eerlijk en onbevangen doe, een onplezierig werkje waar ik nu af en toe tijd durf voor uit te trekken, moet ik bekennen dat ook ik lange tijd verstrikt zat in de valkuil van zelfpromotie en oppervlakkige glans.

Het grootste gedeelte van de tijd was ik bezig met het opvullen van mijn eigen onverzadigbare ego. Met elke nieuwe dag begon mijn jacht naar externe erkenning alsof dat de enige betekenisvolle bestemming was geworden, met torenhoge verwachtingen, die als ik er nu naar kijk helemaal buiten mezelf lagen.

In deze kunstmatige glitter- en glamourwereld, waarin ik ogenschijnlijk leek te aarden, was het verwerven van macht, aanzien en status het enige hogere doel waarnaar ik elke dag streefde. Ik was geconditioneerd om te geloven dat uiterlijke of vluchtige successen de enige maatstaf waren voor waarde, geluk en zelfbevestiging.

In deze rauwe, kunstmatige wereld, gedomineerd door zelfoverschattende ego’s, zag ik waarden als bescheidenheid en nederigheid eerder als obstakels die mijn persoonlijk ‘succes’ heel hard in de weg stonden. Ik had helemaal niet door dat kwetsbaarheid en dienstbaarheid geen zwaktes hoeven te zijn maar juist wegwijzers naar vervulling en betekenis.

Het was in het besef van mijn beperkingen dat ik me kon openstellen voor de mogelijkheid van groei, herstel en verandering. Het was in het erkennen van deze beperkingen dat ik ruimte kon creëren voor persoonlijke ontwikkeling en voor iets dat naar wijsheid en innerlijke rust begon te neigen. Stilaan begon ik te begrijpen dat het waarderen van eenvoudige dingen en het naar waarde schatten van mijn nietigheid geen gebrek aan trots hoeft te betekenen maar net de deur opende naar een realistische kijk op mezelf en naar de kleine waardevolle wereld waar ik deel van uitmaakte.

Nuchter en realistisch begon ik kleine successen te vieren zonder te vergeten waar ik vandaan kwam. Ik dwong me ertoe om mijn ego opzij te zetten, te luisteren naar verhalen, ervaringen en wijsheden van anderen en leerde zo opnieuw mijn kleiner wordende wereld met kinderlijke verwondering en nieuwsgierigheid te benaderen en te ontdekken.

Telkens werd ik eraan herinnerd dat ik nooit uitgeleerd ben en dat er altijd ruimte is voor andere inzichten zelfs op de meest triomfantelijke of triestige momenten. Ik dwong me ertoe om een nieuwe definitie van succes te omarmen, door mijn eigen weg te volgen, ongeacht de verwachtingen van anderen.

Telkens werd ik eraan herinnerd dat grootsheid niet wordt afgemeten aan de hand van materiële rijkdom of erkenning, maar aan de impact die ik had op de levens van anderen en op die van mezelf. Grootsheid schuilt in eenvoudige handelingen van vriendelijkheid, mededogen, dienstbaarheid en aan het bieden van een helpende hand aan diegenen die het nodig hebben, zonder er iets voor terug te verwachten.

Wees nederig. Wees moedig. Wees blij en dankbaar maar vooral wees bereid om te leren het leven op een andere manier te bekijken, zelfs als je denkt dat je er alles al vanaf weet, zoals ik.

Want ik weet dat ik niet veel weet, nooit veel zal weten, maar dat… dàt weet ik zeker!

Haar eigen stinkende goesting

Ah, het is die tijd van het jaar. In weelderig versierde feestzalen van scholen vliegen Adhemar-hoedjes sierlijk door de lucht. Fiere ouders koesteren de betoverende illusie dat hun geliefde kinderen voorbestemd zijn om de nieuwe ontdekkingsreiziger te worden, of minstens die briljante denker die het denken zelf zal vernieuwen. Een selecte groep waartoe zoon- of dochterlief behoort zal evolueren tot diepgravende filosoof die alle mysteries van het leven zal ontrafelen.  Een ander gedeelte zal zich ontpoppen tot bekwaam staatsman of-vrouw, en als zodanig de wereld met vastberadenheid en visie leiden want het voorteken van dat leiderschap was al duidelijk met hun betrokkenheid in de leerlingenraad. Het overschot ervan wordt virtuoos kunstenaar die op doek of met muziek dromen tot leven zal wekken.  

Elk kind, haast zonder uitzondering bewandelt een zorgvuldig uitgestippeld pad, de ambitieus opgelegde verwachtingen van pa en ma volledig waargemaakt.

Kan ik achterblijven en wil ik mijn dochter dat aandoen?

Wil ik haar nu al belasten met een last van verwachtingen en ambitie, terwijl mijn enige wens voor haar is dat ze veerkracht en zelfvertrouwen ontwikkelt en dat ze kritisch blijft voor al datgene dat haar wordt voorgekauwd, dat ze zich leert wapenen tegen de uitdagingen van het leven, of toch tegen een aantal ervan, zelfbewust en vastberaden als het kan, nederig en dankbaar als het moet.

En misschien is dat wel het grootste geschenk dat ze zichzelf het voorbije jaar gegeven heeft.  Ze heeft geleerd om de ruimte die ze krijgt te nemen en erop te vertrouwen om haar eigen pad te ontdekken, vrij van de druk van vooraf door ons bepaalde verwachtingen en als die er waren heeft ze zich die grotendeels zelf opgelegd.

Met zelfvertrouwen dat elke dag groeide en helemaal op eigen kracht ging ze uitdagingen aan en zocht ze haar eigen weg, soms met hulp als ze dat nodig vond. Met die kostbare vrijheid volgt ze helemaal vrij haar eigen passies en interesses, zelfs al heet een ervan Harry Styles.  Ze ontdekt met vallen en opstaan wie ze werkelijk aan het worden is, zonder de last van onze eigen dromen en verwachtingen.

Noor volgt resoluut haar eigen willetje om niet te zeggen dat ze haar stinkende goesting doet en ze doet dat met een koppigheid en met een doorzettingsvermogen die me vertrouwd zijn, al is dat laatste toch eerder iets dat ze er met de borst heeft ingeslurpt.

Dat maakt me niet minder fier.

Verdriet heeft geen onrechtmatige eigenaar

Een jaar is geruisloos voorbijgeschoven sinds je uit dit leven stapte.  Nog steeds liggen de vragen als onoplosbare puzzelstukjes in mijn hoofd verspreid. Ik krijg ze niet op de juist plaats gelegd. Dat blijft knagen en schuren aan mijn ziel. “Jouw vriend is er niet meer.” Zes woorden in de nacht, uitgesproken door een politieman, ze blijven een wazige, troebele verdoofde herinnering.

Hoe kan ik dat gevoel beschrijven, maar ook, wat is het toegestane bereik van mijn emotie als ik terugdenk aan wat je hebt gedaan? Die dualiteit houdt me bezig. Mijn gedachten worden nog steeds overspoeld met een ongrijpbare machteloosheid. Met een onverklaarbare schuld die me soms besluipt al weet ik dat die niet gerechtvaardigd is. Het is dan alsof ik gevangen zit in een emotionele achtbaan, waarbij elke bocht en elke duikeling een nieuwe golf van verwarring veroorzaakt.

Is het nog steeds boosheid, of eerder medelijden? Soms lijkt het alsof ik nog steeds niet kan geloven wat er gebeurd is.

Ik moet het opschrijven, op de manier hoe jij het zou doen, onwetend en stuntelig, zonder juiste uitkomst, vruchteloos zoekend naar begrip en verheldering. Ik wil troost bieden, maar wil ook de harde waarheid niet uit de weg gaan, want die is voor eeuwig overschaduwd met onbeantwoorde vragen die iedereen die je achterliet blijven achtervolgen.

Maar mijn woorden en emoties hebben ook hun beperkingen. Ze worden helemaal nietig wanneer ik probeer in te schatten hoe diegenen die het dichtst bij jou stonden en jou graag zien en zagen zich vandaag moeten voelen.

Ik kan onmogelijk volledig inschatten hoe zij zich nu voelen, al die mensen die jou graag zagen en die het dichtste bij jou hebben geleefd? Hoe kan ik me inbeelden wat het betekent om een broer te moeten missen of een zoon of papa te moeten begraven?

Daarom voelt het alsof ik een beetje op afstand sta, als een toeschouwer in een tragedie die ik niet volledig kan bevatten. Het is een gevoel van nietigheid en onvermogen, terwijl ik worstel met de juiste woorden om recht te doen aan jouw leven en aan de gapende leegte die je achterliet.

Ondanks deze twijfels en beperkingen, wil ik proberen om dit te delen, om een glimp van troost, begrip en nederigheid te bieden. Misschien kan ik door mijn eigen verwarring te delen, een kleine brug bouwen tussen mijn eigen hart en de harten van degenen die het dichtst bij jou stonden.

Dus hier zit ik, met mijn pen in de hand, struggelend om jouw verhaal te vertellen met de hoop dat mijn woorden, hoe beperkt ook, een beetje verlichting brengen aan diegenen die vandaag ook rouwen omdat je er al een jaar niet meer bent. Dat is mijn manier. Ik weet niet of het de juiste is. Verdriet en rouw heeft geen onrechtmatige eigenaar. Verdriet treft geen schuld. Verdriet is universeel.

Het blijft hard te weten dat ik jouw verhaal nooit volledig kan vertellen, noch dat ik de leegt van jouw afwezigheid helemaal juist kan beschrijven. Ik deed een poging met woorden, als eerbetoon aan jouw leven en aan de mens die je was tot de donkere demonen het van jou afnamen.

Hopelijk bieden ze een beetje troost.

Yannick, Ik ben je nog niet vergeten.

Museum van verloren bewegingen

De ochtend gloort stormachtig en een nieuwe dag breekt aan, al lijkt hij amper te verschillen van die van gisteren. Terwijl ik hier in mijn vervloekte leunstoel vastzit, geketend aan onveranderlijke stilstand wordt mijn cynisme geprikkeld om er zinvolle betekenis aan te geven. Het lukt amper. In een poging om mijn sarcastische storm toch ietwat te bedwingen grabbel ik naar een pen en zoek ik verlossing in het gekras van inkt op papier.

Enkele dagen geleden onderging ik een operatie aan mijn achillespees. Genereus als ze was besloot ze vriendelijk om af te scheuren, alsof ze moet gedacht hebben: “Laten we het leven van deze arme ziel wat interessanter maken.” Alsof ik er zat op te wachten. Mijn pees misrekende zich want nu rest niets dan me vast te klampen aan de ‘ijzige’ realiteit van mijn stille onveranderde lot alsof het universum een macabere en ironische wals danst en ik enkel mag toekijken.

Op een bizar fascinerende manier, zoals een herinnering uit het verleden, dwingt deze onverwachte situatie me opnieuw te staren naar de vier muren van mijn gevangeniscel, voorheen ook bekend als woonkamer. Tien jaar geleden bevond ik me in een vergelijkbare toestand, maar toen was ik gevangen in een andere soort beperking. Toen leek het alsof het leven met mij een groteske grap wilde uithalen. Nu word ik hoofdzakelijk geconfronteerd met de fysieke beperkingen ervan in plaats van de mentale, toch voel ik dezelfde vreemde mengeling van ironie en van verontrustend besef dat de cirkel zich rondom mij aan het sluiten is.

Het leven is werkelijk een aaneenschakeling van hoogtepunten, is het niet?

Ik hoor mezelf dikwijls spreken over de geneugten van het rustig aan doen, over de zin om het leven te vertragen en over het nut van te ontspannen en te ontsnappen. Ik kan je vertellen, op dit moment heb ik genoeg vertraging en rust om er een heel leven mee te vullen. Verveling grijpt me bij de keel en houdt me stevig vast. Ik kan me niet verplaatsen, tenzij ik een vreugdeloze en pijnlijke hobbeltocht wil maken op mijn krukken. Het is alsof het universum verwacht dat ik hier mijn tijd doorbreng, als een moderne Sisyphus, veroordeeld tot een leven achter een steen van zittende verdoemenis, zijn eigen lijf omhoogduwend. Alleen blijft de vraag, wat heb ik de goden misdaan?

Ondersteund door stelten pikkel ik naar het openstaande raam. Daar beneden gaan ze, de gelukzalige zielen, zonder enige zorg in de wereld. Het liefst van al zou ik hen bespotten en hen naroepen hoe gelukkig ze zouden moeten zijn met hun gezonde, ongeschonden achillespezen. Maar in plaats daarvan zit ik hier, vastgeplakt aan deze zetel, als een onbetekenend standbeeld in een museum van verloren bewegingen.

Ik probeer mezelf wel bezig te houden met boeken en films, maar het is alsof de wereld zijn beste ontspanning heeft weggenomen en me heeft achtergelaten met de afgewezen onbeduidende restjes. De plotwendingen zijn voorspelbaar en de grappen geforceerd.

De komende weken blijf ik veroordeeld tot herhaling en voorspelbaarheid. Het is niet eens dat soort herhaling die je meeslepend vasthoudt, zoals een aanstekelijk deuntje dat in je geest blijft rondzingen. Neen, het is onophoudelijk zoutloos gezeur dat mijn ziel irriteert en mijn verlangen naar avontuur verstikt, terwijl ik net uitkijk naar de bevrijding van iets nieuws, iets opwindends, iets dat de saaiheid van mijn dagen doorbreekt.

Dus hier zit ik, stevig vastgebonden aan mijn zetel, wachtend tot de dag voorbij is. En morgen zal het niet anders zijn, en de dag daarna evenmin, maar wie heeft behoefte aan variatie als in deze ogenschijnlijk eindeloze routine een verborgen schoonheid en een diepere betekenis schuilt die alleen diegenen met open ogen kunnen zien. Het leven, in zijn onvoorstelbare eenvoud, helemaal onthult.

Het is de kunst om de kleinste momenten te leren waarderen, om de rustigheid van het alledaagse te omarmen. En ik? Ik ben vastbesloten om een levenskunstenaar te worden die in deze schijnbaar eentonige cadans sereniteit probeert te ontdekken die zijn ziel blijft sussen met een rust en met een kalmte die ik nooit in mezelf had durven vinden.

Dus ja, het leven heeft altijd iets betekenisvol, op zijn eigen bescheiden, onverwachte manier.

‘Janchilles’, Trojaanse held!

Hier lig ik dan, in een ziekenhuisbed, even onbeholpen en verslagen als de moderne versie van Achilles, eigenaar van zijn onfortuinlijke pees. Gekluisterd aan dit bed, ben ik omringd door knappe, meestal blonde verpleegsters die getooid in smetteloos witte uniformen als Trojaanse godinnen op me neerkijken met een mix van medelijden en beroepsernst.

Ze geven me medicijnen, verschuiven mijn kussens, doen allerlei handelingen die alleen verpleegsters kunnen en geven me alle aandacht die ik nodig heb.

Toch vraag ik me af of ook zij me zien als dezelfde tragische Trojaanse held die ik me op dit ogenblik voel of ze me eerder zien als een zoveelste willekeurige patiënt met een onwillig weerspannige pees?

Bij elke intrede in mijn kamertje vragen ze mijn naam en geboortedatum terwijl deze info met een eenvoudige oogopslag af te lezen is van het label dat aan dit bed kleeft of van het bandje dat ik al twee dagen rond mijn pols draag.  

Terwijl ik hier lig en pijn voel bij elke beweging die ik maak, kan ik niet anders dan me afvragen waarom juist ík dit weer moest ondergaan. Zou het omdat ik in mijn jongere jaren te veel riskante avonturen heb beleefd en daar mijn straf voor ontlopen ben. Is dit dan mijn finale boetedoening voor al die jaren van losbandigheid en onbezonnenheid? Het lijkt erop dat het universum me straft voor al mijn dwaasheden.

Omringd door mensen zonder echte connectie, verlang ik ‘als gewoonte’ zelfs nu naar diepere verbinding, maar mijn situatie maakt dat wat moeilijk. Daarom probeer ik tegenover de verpleegsters al mijn heldencharmes in te zetten, met stomme grapjes en nog stommere opmerkingen. Hoe kan een man met een gescheurde pees anders indruk maken? Ze lijken niet onder de indruk.

In de gang worden patiënten die zich in nog erbarmelijkere toestanden dan ik bevinden in ziekenhuisbedden voortgeduwd op weg naar hun ingreep. Toch overwint mijn zelfbeklag en mijn drama. Zij zijn vandaag mijn enige metgezel want ik voel me als een geknakte bloem in een veld vol lentebloemen.

“Jan Pultau / 13 september negentienachtenzestig en veertien minuten!”, zeg ik misschien iets norser dan een kwartier geleden nog voor ze me de vraag kan stellen. De blonde ziekenzuster glimlacht want ze ziet de absurditeit van de situatie ook wel in. “We hebben interne audit en moeten vandaag echt aandacht geven aan alle protocols en procedures, zelfs al zijn ze wat onnozel”, antwoordt ze een beetje verontschuldigend. “Ik ben net naar het toilet geweest, naar het kleine en het grote, dat mocht toch?”, vroeg ik bijdehand. Dat mocht gelukkig!

De dag kruipt tergend langzaam vooruit. Elk uur voelt als een kleine triomf die alleen gevallen Trojaanse helden kunnen ervaren, al lijkt deze weg naar het einde van de dag eindeloos te duren. Ik stel me voor hoe ik straks weer kan stappen als een onverschrokken avonturier, maar nu moet ik het alleen doen met mijn pijnlijke pees en met mijn zielig zelfbeklag.

Straks word ik ontslagen uit dit ziekenhuis en zal ik bevrijd zijn van dit bed en van de knappe verpleegsters. Ik zal hen inruilen voor mijn vertrouwde sofa en mijn knap zorgzaam lief. Zij kent mijn geboortedatum uit het hoofd.

Ik hoop dat ik dit tragische figuur uit de Griekse mythologie en gevangen zit tussen lachen en huilen en als een schaduw van zelfmedelijden achter me aansluipt hier in dit ziekenhuis kan achterlaten.

Want ook al heb ik de looks, ik ben echt geen Trojaanse held. Ik heb alleen dezelfde pijnlijke pees!