Helemaal steriel.

Raak me aan. Raak me asjeblieft aan, doe het met je ogen en vertel me veilig over vroeger. Vertel me dingen van voor ik besefte dat alles anders zou worden.

Het liefst van al zou ik je kussen en je hartelijk begroeten maar ik ben bang dat ik mij of jou in die omhelzing zal dood-ademen.  Mijn hart wil open maar blijft noodgedwongen op slot of angstig op een kier omdat dezelfde sluipmoordenaar kan binnenglippen wanneer ik je erin laat. Ik zou je willen aanraken en je willen voelen en ik wil het jou laten voelen dat ik het meen. Ze zeggen dat vaak ‘jij bent een gevoelensmens’. Maar ik wil dat niet horen, niet nu.  Ik wil het ook niet in vijf gekrulde woorden zeggen of opschrijven ik wil het je verdomme laten voelen.

Zolang ik het me kan herinneren plakt de wereld al aan mijn lijf, eerst met modder en slijk van plassen waarin ik speelde dan met sappen van lijven die ik begeerde. Vandaag mag ik enkel kijken, vanop afstand met minstens anderhalve meter tussen wat ik wil en wat ik mag. En zo wordt het leven langzaamaan een fantoompijn van een tijdelijk geamputeerd leven dat vervlogen herinneringen toont die jeuken. Het volle leven van voelen en proeven bestaat niet meer tenzij in pixels en galerijen verzameld achter een scherm. Het voelt alsof mijn zintuigen opgesloten zitten achter plexiglas en me afschermen van de lijfelijkheid die ik al gans mijn leven even noodzakelijk acht als lucht die ik in- en uitadem. Nu was ik zelfs een toevallige aanraking af met een alles-dodende substantie uit een of ander flacon.

Wanneer mag het eindelijk terug, dat voelen vooraleer ik helemaal steriel geworden ben.

Onzichtbare belagers

De grijsgewassen korte broek en de grasgroene pull die ik in zeven haasten aangeschoten heb, vloeken zo hard met elkaar zoals alleen duivels uit de hel dat kunnen. ‘Precies een tang op een varken’, zou ons ma gezegd hebben, mocht ze nog geleefd hebben en onze pa zou daar dan aan toegevoegd hebben, ‘Die kleren? Daar wil ik nog niet in begraven worden’. Temeer omdat ik besloten had om onder mijn vestimentaire kakafonie ook nog eens Noorse sokken en bruine bergbottines te dragen.  Met de kladder wax die ik nonchalant door mijn warrige calotte gewreven had, waardoor ik nu tien centimeter groter lijk, gun ik mezelf zelfs nog de illusie er hipper uit te zien dan hoe ik het bedoeld had.  Althans dat maakte ik mezelf wijs al is de waarheid hoogstwaarschijnlijk dat ik gewoonweg potsierlijk voor de dag kom. Dat gaat zo in Coronatijden, dan gelden er andere schoonheidswetten. Het laat me koud. Niemand ziet me en niemand kijkt naar mij om dus wat kan het me schelen. En als ik dan al iemand tegenkom loopt die me toch klakkeloos, met de neus op de schoenen voorbij.  Er is haast geen levende ziel te bespeuren, laat staan dat die dan de moeite zou nemen om zich aan mijn clowneske outfit te storen. Zelfs die oude bes niet die net mijn pad kruiste ook al is het even waarschijnlijk dat ik haar net zo achteloos probeerde te omzeilen als zij mij. Zonder opkijken en zonder haar een blik te gunnen, vervolg ik doelloos en zonder vastberaden tred mijn weg, de ene stap na de andere. Even voel ik me als een gedetineerde die met zijn dagelijkse verplichte verluchting een uurtje frisse lucht mag snuiven om de geur van pis en kak van zijn cel uit zijn neus en uit zijn kleren te wassen.

De mensen die ik wat verderop in de Kasteeldreef op hun dagelijkse wandeling tegenkom, lijken me ietsje rustiger en ontspannen, mogelijks omdat de kans daar kleiner is om een potentiële vijand tegen het lijf te lopen.  Als we mekaar voorbijlopen in een tred die veel wegheeft van een soldatenpas, begluren we elkaar stiekem vanuit onze ooghoeken. Als onze blikken elkaar dan kruisen wenden we hem ook onmiddellijk weer even snel af alsof we betrapt zijn met een doodzonde en op het punt staan neergebliksemd te worden. Af en toe bemerk ik bij sommigen toch een vluchtige glimlach of een voorzichtige aanblik en dan beantwoord ik die blik of glimlach met dezelfde ontwapende grijns. Anderen knikken dan weer. Maar als ze dat doen is dat met een korte, haast onmerkbare knik vanachter hun mondmaskerbarricade. Ik knik dan beleefd terug alsof ik met die beweging een ingebeelde witte vlag hijs. Zelf snuif ik de lucht nog niet door een mondmasker omdat ik daar in mijn bovenkamer precies nog niet helemaal klaar voor ben. Als we dan, zij met een partizanenknevel voor de ademhalingsorganen en ik nog zonder, door het bos patrouilleren, zijn we op onze qui-vive voor die schalkse hinderlaag van onze gemeenschappelijke onzichtbare belager die het heel slecht met ons voorheeft. En dan heb ik nog niet eens boodschappen gedaan!

Gouddroom

Waarschijnlijk ben ik een man van vele stemmingen en bevliegingen. Mogelijks is dat de reden waarom ik zonder enige moeite onrealistische waanideeën of overmoedig romantische plannen in één nacht bij elkaar kan dromen. Soms wint de ene fantasie, dan weer de andere. Wat ik ’s nachts droom bepaalt dan hoe ik me overdag voel, of is het omgekeerd? Aangezien ik aan mezelf het antwoord op deze vraag schuldig moet blijven, kan ik vandaag mijn humeur, dat niet al te best is zomaar verdacht maken voor wat er zich vannacht in mijn dromerige zinsbegoocheling heeft afgespeeld, ook al kan ik me daar helemaal niets van herinneren. Handig, of is het toch net iets complexer en liggen er misschien andere dingen aan de basis van mijn waanideeën en bijgevolg aan mijn gemoedsgesteldheid overdag? Misschien ligt het pijnlijk gemis aan connectie met de juiste lui wel aan de oorzaak van de wildgroei van mijn spookgedachten.  Misschien ben ik na vijf weken isolement zo onthecht geraakt van mezelf en van de buitenwereld dat mijn hoofd ’s nachts één grote zoemende bijenkorf wordt waarin ik niet meer kan ontwarren welke gedachten waardevol zijn en welke helemaal overbodig of te belemmerend om er mijn dag mee door te komen.

Ik kan niet puren uit ervaring om uit te sluiten wat het niet is en ik weet te weinig om te achterhalen wat het wel is, maar dat verontrust me niet. Ik lig er niet verder wakker van omdat ik net voldoende jaarringen op mijn bast heb om te weten dat het geheugen van het hart, straks als deze nachtmerrie geluwd is, de ergste herinneringen zal elimineren en de goede als een ballon zal opblazen. Misschien slaag ik erin om met deze psychische kunstgreep te verdragen wat vandaag nog allemaal zal gebeuren en anders droom ik er vannacht maar een nieuwe overmoedig romantische gouddroom over.

Wat met de jijrbees?

Nu ik een zee van tijd heb en ik me er met onzichtbare kluisters aan vastgeketend heb, kan ik het me nog meer dan anders veroorloven hem helemaal te verschijten met gedram. Gelukkig! Zonder dat iemand er aanstoot kan aan nemen, mag ik mezelf in deze gedwongen retraite helemaal suf piekeren of ik van deze artificiële ballingschap straks beter dan wel slechter zal worden. Mocht je in hetzelfde vel zitten als ik, zou je ook zomaar kunnen beginnen nadenken over werk en weelde of over de relatie of het verband tussen armoede en rijkdom.  Je zou mogelijks tot de snelle conclusie komen dat deze twee begrippen ogenschijnlijk elkaars tegenpool zijn. Je zou misschien tot de slotsom komen dat in dit land de statistische kans op echte armoede relatief klein is. Immers, met een beetje goede wil en wanneer je hard genoeg je nikkel afdraait is er aan plastiek overvloed nooit gebrek.  In deze economische gereduceerde welvaartsstaat komt het gros van de bevolking dan ook ogenschijnlijk niets te kort. En voor rampspoed en ontij werd een sociaal vangnet opgezet dat moet behoeden tegen persoonlijke of collectieve tegenslagen. Zolang de grootste hoop van de kudde kan werken om te consumeren zal de Westerse kommer en kwel tot een minimum beperkt blijven. Zolang de economische wind uit de juiste richting blaast, zal goedkoop, zwaar of vuil zorgwerk uit het Oosten geïmporteerd worden en zal duur en belangrijk werk uitgevoerd worden naar het Westen.  In de luxe van dezelfde waanzin zullen we elk jaar in de veilingen van Limburg tonnen overschotoogsten fruit en groenten vernietigen, zullen we met melkplassen morsen en zal de landbouw Europese subsidies kunnen slurpen wanneer ze akkerlanden weer een seizoen braak laten liggen.  In dezelfde waanzin van de omgekeerde wereld zullen we in december gretig bonen kopen uit Kenia en Egypte en zullen we in februari smakeloze aardbijen uit Marokko of Spanje op ons bord willen. Met die intellectuele economische masturbatie en met de welvaartsmythe als Playboy-prent zullen we de illusie in stand houden dat we armoede de baas kunnen blijven en zullen we ervoor zorgen dat we wereldeconomisch een verschilmaker kunnen blijven.

Wanneer armoede dan ogenschijnlijk helemaal uit ons gezichtsveld verdwenen is en wanneer politici door wetenschappers op hun geflipte hoogmoed gewezen wordt als er een verloren pandemie binnen waait, blijkt pas echt hoe wankel, nietig, afhankelijk en straatarm we als samenleving geworden zijn. We krijgen zelfs vandaag, onze witte wereldtrots, de asperge niet meer zelf uit de grond gestekt. Gelukkig is het witloofseizoen voorbij maar wat straks met de jijrbees?

Lelijk ding!

Je kent ze wel de bullebakken. Iedereen heeft er minstens een in zijn nabije omgeving. Soms duikt hij (m/v) op als dwarse collega met een vuil blad, dan weer als zure buur met een grote smoel. Anders is het een verre, nukkige nonkel die op familiefeestjes met een vunzige, ongepaste vloek de vriendelijkere tantes het zwijgen oplegt. Ik ken maar weinig mensen die er van gespaard zijn gebleven en er geen last van hebben.  Ze (m/v) zijn zo vol van zichzelf dat ze zich minstens tien keer per dag moeten opblazen als een pad omdat ze anders ontploffen. Meestal kwaken ze dan hels lawaai omdat het hen aan de woorden ontbreekt die voor nuance kunnen zorgen. Sommigen wanen zich God de vader of zijn van mening dat zij het minstens even goed zullen doen als Jezus, Geest of opperwezen. Daarom gedragen ze zich in de meeste gevallen als expert van de zaak, eigenaar van de waarheid of erger, als extremistische fundamentalist van de tent.  Luisteren doen ze nooit of met een half oor. Of, omdat ze het echt niet kunnen of, omdat ze het verleerd zijn toen ze van hun eigen brutaal geblaf zelf potdoof werden. Maar geen nood!  Hoe groter het lawaai des te onschuldiger ze (mv/v) door de band genomen, zijn. Het overbluffende, luide getoeter waarmee ze de ether verstoren, staat meestal omgekeerd evenredig aan de vastberadenheid en de intelligentie waarmee ze het brullen. De waarheid is dat ze met getier hun persoonlijke onzekerheid en onwetendheid willen verdoezelen. Dat is hun enige drijfveer. Daarom, wees niet boos maar omarm deze eigenzinnige lastposten en koester hen als onaangepaste onruststokers. Het zijn maar angstige hazen zijn die wild in het rond springen omdat het gras te hard aan hun poten kietelt of omdat ze bang zijn van de wolf die hen zou kunnen oppeuzelen. Hoewel ze vaak het tegenovergestelde bereiken van hetgeen ze beogen hebben ze soms toch ongewild een positieve invloed wanneer ze door hun asociaal gedrag en geschreeuw de sociale harmonie en verouderde conventies verstoren. En dat is wel waardevol ook al hebben ze er een niet gewild aandeel in.

Als je je dus afvraagt hoe je straks een doorwinterde en luidruchtige roeptoeter of bullebak (m/v) wordt, hier zijn een paar tips:  

  • Maak je absoluut geen zorgen over je reputatie en focus vooral niet op het probleem maar wel op jezelf en het gelijk dat je meent te hebben. Dat is het enige wat je wil bekomen!
  • Doe het tegenovergestelde van wat je morele kompas je ingeeft. Vraag je absoluut niet af of datgene wat je zegt slim of het beste is want nadenken zal je blikveld verbreden. Dit wil je niet!
  • Gebruik nooit de zin: ‘ik weet het niet of ik heb geen idee, jij hebt altijd een idee’. Lieg en overdrijf zo hard je kan, maar doe het luid zo vermijd je kwetsbaarheid en ontloop je de illusie menselijk te zijn.
  • Gedraag je als een kind. Wees een losgeslagen projectiel of nukkige etter die door zijn constant gemekker het liefst achter het behang geplakt wordt. Hoe meer lawaai, hoe meer ergernis en chaos en dat is je ultieme doel!
  • Vermijd ruimere context en denk klein. Mocht je in de verleiding komen om groot te denken zal men je terecht verdenken van constructiviteit. Hierdoor verlies je de pole-positie van de ergernis.
  • Blijf halsstarrig trouw aan je eigen ideeën en stommiteiten. Modder aan met wat je bezig bent en waarmee je al duizend keer het deksel op de neus kreeg.  Deze activiteit zal je geloofwaardig bullebak-gehalte alleen maar ten goede komen.

Wees dus niet bevreesd voor rare kronkels en gestoorde invalshoeken van je kritische medemens. Hij zal je verdraagzaamheid er alleen maar mee aanscherpen. Hij zal je creativiteit prikkelen om selectief doof te worden en hij zal je huid dikker en veerkrachtiger maken. Na verloop van tijd zal je merken dat je rug en schouders breder geworden zijn. En mocht je het geluk hebben dat er toch geen brulaap in je buurt verscholen zit, geniet dan van de rust vooraleer hij (m/v) ze weer komt verstoren, maar vooral wordt er nooit zelf een want het is een bijzonder lelijk ding!

%d bloggers liken dit: