De (soms) ondraaglijke lichtheid van… mijzelf

Soms denk ik dat ik te zwaar of te licht ben om vast te houden of vastgehouden te worden. Dat ik door vingers glip, zoals zand op een strand. Ik lach, ik schrijf, ik slaap, ik speel, niet noodzakelijk in die volgorde. Maar onder die lichte tred zit oud gewicht. Niet dat jij het kan zien. Ik ben niet zeker of iemand het kan zien.

Wat jij ziet is een man die lijkt alsof hij het heeft gehaald. Een man die niet meer drinkt, die langs buiten rustig lijkt, terwijl wat hij voelt of denkt, verborgen blijft onder zorgvuldig uitgekozen woorden. Je ziet of leest alleen mijn ritme, ogenschijnlijk kalm en behoedzaam maar niet de barsten van waaruit dat ritme is geboren.

Ik weet trouwens niet of ik besta zoals jij mij ziet. Misschien besta ik zelfs alleen maar uit extreme contrasten. Of als een onduidelijke projectie tegen een muur van onuitgesproken zinnen. Onze pa kon ook zwijgen alsof hij iets wist wat de rest van de wereld niet mocht weten. Liggend op zijn rug op de zetel of zittend met zijn rug naar mij, keek hij naar het plafond. Als kind vulde ik stille leegtes met een angstige fantasie, en later, met drank. Ik had hem misschien, moeten vragen waar hij met zijn gedachten zat, misschien ook niet.

Vroeger, toen drank mijn toevlucht geworden was, werd ik zwaar en met elk glas werd ik zwaarder. Letterlijk en figuurlijk.  Met een hoofd zwaar als lood en de roes als mijn anker, de ketting ervan strak rond mijn lijf gespannen. Hij trok me onder als ik dreigde te ontsnappen. De ketting was net lang genoeg om me niet helemaal onder te trekken, om te blijven ademen maar ze was niet lang genoeg om echt te leven. Nu is er geen ketting en geen anker. Ik ben lichter. Te licht soms, denk ik. Ik laveer door het leven met een lichaam dat niet meer weerspannig stampt, maar sluipt. Soms kom ik ergens binnen en vergeet ik waarom ik er ben. Ik weet wel dat ik er nog ben.

Mensen praten, ik antwoord. Mensen lachen, ik volg. Maar in de kern van die momenten weet ik, ik ben er niet helemaal bij. Zo was er een verjaardagsfeestje, ergens in een tuin vol lachende mensen. Iemand vroeg me, “En jij, hoe gaat het met jou?” Ik glimlachte en ontweek de vraag met een mop als antwoord. Die was veiliger dan stilte.

Herstel, zo beweert men, is een terugkeer naar stevigheid naar vastigheid. Voor mij is het net het tegenovergestelde. Het is loskomen van de illusie van dwangmatige houvast. Want niets blijft. Niets is permanent, alles schuift. Soms lijkt het alsof mijn dag begint in snelvaart en met richting, en dan, ergens halverwege de dag, sta ik stil met de koelkastdeur open, zoekend naar iets dat er niet meer is. Misschien is dat mijn definitie van herstel, ik val niet meer zelfs al weet ik niet altijd waarom ik nog rechtsta.

In mijn lichtheid schuilt ook een soort medelijden. Ik zie mensen worstelen met hun rollen, met hun maskers en al hun gewichtige plannen. Ze hechten betekenis aan agenda’s, aan materiele overbodigheden, aan oppervlakkigheid. Ik knik, niet omdat ik het eens ben, maar omdat ik het begrijp. De wereld houdt van gewichtige plannen, van strakke lijnen en ambitieuze doelen en van harde cijfers. Wat als we gewoon maar mensen zijn die elkaar toevallig raken, zonder te weten waarom, zonder te snappen wat het doet, met broosheid in onze bedoelingen en met onhandigheid in al de rest?

Ik geloof niet meer in redding. Wel in het feit dat ik, ondanks alles, overeind blijf en steeds weer opsta als ik onderuitga. Dat ik schrijf, spreek of luister en dat ik, ook al voelt het alsof ik geen diepe voetsporen nalaat, soms toch nog opgemerkt word. Door een kat, een vogel, door een lezer of door iemand die, net zoals ik ook lichter geworden is, ondanks de zwaarte van het bestaan.

Misschien is het geen kwestie van kiezen tussen lichtheid of zwaarte, maar van vrede sluiten met dat tussengebied, waarin alles ok is. Ik ben niet genezen en ik ben niet kapot. Ik ben onderweg. Als een ballon aan een losse draad. Naar waar hij vliegt? Dat weet ik niet.  Soms verdwijn ik even uit het zicht. Soms kom ik onverwacht terug. En als iemand mij vraagt hoe het gaat, dan antwoord ik, “ik weet het niet maar ik ben er nog”

En soms is dat, voor iemand zoals ik, net genoeg.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

Braakland

Er zijn dagen die vanzelf verdwijnen. Als je even omkijkt, zijn ze er niet meer. Deze dag moet nog beginnen, dus ik sta op, drink koffie, rook een sigaret aan de vijver en kijk naar het gazon. Hij ligt er schraal bij, met kale plekken die eruitzien alsof er nooit iets heeft gegroeid. Veel meer is er niet. En toch, ik ben wakkerder dan ooit. Ik adem en voel dat ik leef, zonder dat er iets moet gebeuren.

Mijn laptop ligt op de tafel, op zijn vaste plaats, precies waar hij hoort te liggen. Ik raak hem aan, klap hem open en kijk naar het witte scherm, onschuldig en stil. Ik klap hem weer dicht, schuif hem opzij en doe niets. Het is een dagelijkse beweging geworden, bijna een ritueel. Zoals ik soms ook nog oud visgerei schoonmaak dat ik al jaren niet meer gebruik. Maar het weggooien zou ook aanvoelen als een soort verraad aan het loze vissertje dat ik ooit was.

Er is geen gevoel van schuld want niets is dringend. Geen haast, er is alleen die zachte, volstrekt neutrale stilte. Het is geen matte leegte die zuigt of een sluimerende zwaarte die drukt, eerder een onbelangrijke afwezigheid. Het is als de lucht vlak vóór de regen, wanneer alles even stilvalt en de bomen in mijn hof hun adem inhouden. Dat moment waarop mijn gazon weet dat hij regen krijgt, alleen nog niet wanneer.

Schrijven heeft me zeker geholpen. Het maakte dingen helderder. Wat te groot was om vast te houden in mijn hoofd, werd kleiner op papier.  Alles kreeg een vorm, verhoudingen en grenzen. Maar nu is er al een tijdje niets meer om te verkleinen of te begrenzen. Er woedt geen storm en het is geen oorlog in mijn hoofd. Er zijn geen gedachten die schreeuwen om aandacht. Wat overblijft is de zachte leegte van deze kamer alsof er net iemand is opgestaan en is vertrokken. De geur hangt er nog en de indruk zit nog in het kussen van mijn grijze sofa, als een laatste herinnering die weigert mee te vertrekken.

Ik denk aan verhalen, aan gezichten van mensen die ooit belangrijk waren.  Ze vervagen en doen dat op dezelfde manier als de dag die vanzelf verdwijnt, heel langzaam. Wat blijft zijn de details, de toon van hun stem, de onhandige gebaren, de manier waarop ze mijn naam uitspraken. Niet de drama’s, niet de scherpe randen. Wel de vluchtige, belangrijke momenten die blijven hangen als stof in een zonnestraal.  Ik denk aan plekken waar de zomer ooit sprak maar de zon ook traag stierf. Ik denk eraan, maar schrijf niets.

Toen het nog stormde in mij en de gedachten zich opstapelden tot iets dat veel groter was dan mezelf, hielpen woorden. Ze waren mijn zandzakken tegen de gedachten die overstroomden. Ze maakten het draaglijk, lichter.  Ze reduceerden de chaos en maakten hem kleiner. Nu is er niets dat verkleind of verlicht moet worden. Wat betekent het als ik even niks te verwerken heb? Is dat rust of is het gewoon leegte met een strik errond?

Ik blader door oude boeken. Titels waarvan ik het einde al ken. Ik blader verder want ergens zit iets troostends in het voorspelbare. Ik word vanzelf rustig als woorden en zinnen zich herkenbaar gedragen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik herken mezelf in hun ritme denk ik. Soms is dat genoeg.

Mijn gazon ziet er niet uit. Stukken ervan lijken wel braak te liggen, met dorre plekken en hier en daar wat koppige pisbloemen.  Zoals elk jaar opnieuw rond deze tijd. Maar ik weet dat er iets gebeurt. Iets zit te kiemen, iets zit te wachten. En geduldig wachten is geen leegte, dat weet ik ondertussen beter dan wie ook. Misschien is dit geen schrijfstilstand, maar is het een soort van tussenruimte, een verbindende witruimte tussen twee paragrafen zoals mijn gazon die rust neemt, maar nog niet dood is.

Ik zal weer schrijven. Ja zeker, maar niet vandaag. Misschien morgen, misschien over een jaar. En misschien doe ik het zelfs pas als de stilte me niet meer kan troosten en ze me opnieuw langzaam begint te kwellen, zoals woorden niet willen blijven liggen en opnieuw naar boven willen kruipen.

Tot dan ben ik hier. Op mijn braakland. In rust. In de leegte die geen vijand meer is.


En dat is genoeg.

Geen dag van dertien in een dozijn!

Dertien, een getal dat vroeger nauwelijks betekenis had. Tijd en dagen kwamen gewoon voorbij. Ze waren even vloeibaar als wijn en het bier in mijn glas, ik telde ze niet.  Het bier en de wijn, even koud als mijn hart, het glas in mijn hand, net zo zwaar als mijn gemoed. Ik dronk om te vergeten, om niet te voelen, om de voortdurende ruis in mijn hoofd te dempen. Op het einde dronk ik om te vergeten dat ik leefde en sliep om te vergeten dat ik dronk. Ik had geen plan om te stoppen.

Op dertien maart, 2013 sneeuwde het hevig. Het was geen dag van dertien in een dozijn. De wegen waren verraderlijk glad. Wat moest gebeuren, gebeurde. Ik gleed uit en brak mijn knie. Daar lag ik, roerloos op een ijskoude parking. Een zielige man zonder richting, geveld in de sneeuw die alles bedekte, zoals drank dat jaren met mij had gedaan.

De maanden nadien werden mijn hel op aarde. Toen een week na die val mijn schouder het begaf, kromp mijn wereld in elkaar tot de vier muren van mijn living, met zelfbeklag als enige gezel. Mijn alcoholmisbruik ontspoorde totaal. Glas na glas, dag na dag, van s’ morgens tot s’ avonds. De drank verdoofde de pijn van mijn knie en schouder, maar niet de leegte in mijn kop. Buiten draaide de wereld door en ik draaide nog harder door!

Mijn knie genas, ik niet. Ochtenden begonnen met een kater.  Avonden eindigden in eenzame duisternis, soms in bed, soms op de zetel. Op een dag keek ik in een glas en zag niets meer, geen bodem, geen licht, geen uitweg, alleen een onbeschrijfelijke leegte. Nog één glas, nog één slok en ik zou voorgoed verdwijnen.

Maar ik zette het neer, en dronk het niet. Niet uit overtuiging, niet uit kracht, maar gewoon omdat ik wist, doe ik dit niet dan blijft er niets meer over. Het zou nog een half jaar duren tot mijn laatste glas, maar ik weet zeker, mijn herstel begon dan. Wat nodig was, gebeurde!

Vandaag, zoveel jaren later kan ik erover schrijven met een heldere blik en met een heldere geest. Ik doe het nederig maar met een heel klein beetje trots.

Nuchter worden, is zelden een heldenverhaal. Het is geen epische strijd met een duvel die eindigt in een triomf. Het is opstaan en niet drinken, gaan slapen en niet drinken en daartussen de leegte uitzitten die de drank heeft achtergelaten. Maar het is ook een verraderlijk, donker, gapend gat dat onophoudelijk roept om gevuld te worden. Als je aan het geroep blijft weerstaan, wordt het langzaamaan vaste grond, hard en ongenaakbaar, een rustige plek waar opnieuw iets kan groeien.

De eerste jaar was het zwaarst. Mijn handen zochten onophoudelijk naar een glas, mijn gedachten naar zachtheid van de roes, mijn geweten naar proberen te vergeten. Tijd was een vijand die een vriend moest worden. Alle uren die ik verspild had aan drinken en plannen, aan het kopen en aan het verbergen van katers, lagen nu opeens open en bloot voor me. Ik wist niet wat ik ermee moest aanvangen. Stoppen deed de dagen te lang duren, alsof ik iets essentieels was kwijtgeraakt.

Mijn verziekte alcoholbrein bleef schreeuwen naar een snelle oplossing. Alcoholisten zijn allemaal ongedurige wezens, ik was daar geen uitzondering in.  Nog steeds zocht ik een uitweg, een manier, een verdoving, een wonder. Verandering moest van buitenaf komen en onmiddellijk voelbaar zijn, maar er kwam niets, alleen minuten die langzaam voorbijkropen.

Ik miste de structuur van mijn eigen ellende, denk ik, het vaste patroon van drinken, spijt hebben, beloven om te stoppen en opnieuw drinken. Toen dat allemaal wegviel, bleef alleen dat gapend gat over dat moest gevuld worden, maar waarmee?

Ik bleef nuchter met de hulp en inzicht van lotgenoten die het glas ook noodgedwongen hadden neergezet. Ik leerde de ellende van me af te schrijven zonder de mist van de drank. Mijn woorden werden scherper, rauwer maar eerlijker. De waarheid over mezelf onder ogen zien kostte moeite, soms was dat wreed en meedogenloos, maar nooit zo leugenachtig of verraderlijk als alcohol.

Ik verloor vrienden, drinkbroeders die mijn nuchterheid als verraad zagen. Er kwamen er anderen in hun plaats. Mensen met een beschadigde ziel maar met heldere ogen, een groot hart en een vastberaden blik. Mensen die weten wat het betekent om uit een dal omhoog te klauteren. Maar vooral, ik vond mezelf terug, of beter ik ontdekte wie ik diep van binnen ben, niet de man die ik was, maar de man die ik kan worden.

Mensen vragen me soms of ik het niet mis, of ik niet af en toe een glas wijn wil drinken, gewoon voor de smaak of voor de gezelligheid. Ze begrijpen er niets van. Voor mij is er geen soms of af en toe, geen juiste gelegenheid. Eén slok, dat weet ik, en mijn wereld kantelt opnieuw en mijn monsters keren terug. De drank zelf mis ik niet meer. Soms mis ik de illusie van de eenvoud die hij me gaf wel. Maar eenvoud of betekenis zitten niet verborgen in een fles. Het zit in de manier hoe ik mijn dagen vul.

Twaalf jaar is een lange tijd. Lang genoeg om te beseffen dat nuchterheid geen uitzonderlijke prestatie is, geen eindpunt, geen finish. Het is gewoon iets dat bij me is gaan horen en dat ik onderhoud, elke dag opnieuw. Een beetje zoals schrijven.  Ik zet woorden op papier en ga door, zelfs als ik geen inspiratie heb. Ik heb geleerd erop te vertrouwen dat de volgende zin wel komt, dat deze dag eindigt en dat morgen een nieuwe begint.

Lang geleden zette ik het glas neer, niet voor één dag, niet voor één jaar. Ik heb het simpelweg nooit meer opgepakt en ik heb niet de intentie om dat opnieuw te doen. Omdat ik verdomd goed weet dat mocht ik het doen, er simpelweg geen morgen meer zal zijn.

In ruil voor die keuze kreeg ik het enige waar ik ooit echt heb naar gezocht, mezelf en een leven dat echt is, ongefilterd, onverbloemd, rauw, hard maar van mij alleen.

Boterhammen met kaas

Ik sta al een kwartier naar mijn telefoon te staren. Ik weet precies wat er gaat gebeuren, maar tegen beter weten in doe ik het toch. Ik bel.

De telefoon gaat over, één keer, twee keer. Op de vierde keer drink ik een halve liter water, alsof ik mezelf eerst helemaal moet hydrateren voor dit gesprek.

Ik heb geluk, ze neemt op en het gesprek begint zoals elke dag met een simpele vraag: “Wat eten we straks?” Op zich niet direct de meest existentiële vraag ter wereld, ook geen filosofische zoektocht naar de waarheid of naar de omvang van het universum. Het is gewoon een simpele vraag die, in een normale samenleving onder mannen, een rechtlijnig, duidelijk antwoord krijgt.

Op alles ben ik voorbereid: op pasta, op rijst, op patatten… op sla met lange tanden. In het slechtste geval ben ik zelfs bereid om een doodgewone boterham met kaas te eten. Ik ben namelijk de moeilijkste niet.

Ik hoor haar diep ademhalen alvorens ze zegt: “Ik heb vanmiddag spaghetti gegeten.”

Wat moet ik in godsnaam met deze informatie? Dit is gewoon een los statement, een feit, een nutteloze historische voetnoot in het leven van mijn vrouw, waar ik niet wijzer van word. Ze heeft vanmiddag spaghetti gegeten, en dan? Is dit antwoord een herinnering dat we afgesproken hadden om pizza te eten? Is het een waarschuwing of een aankondiging dat de voorraad spaghetti in de Colruyt is opgebruikt? Misschien een filosofische oefening die ze wel vaker met me doet omdat ze denkt dat ik jong-dement aan het worden ben? Moet ik uit haar antwoord iets leren? Zit er misschien een verborgen boodschap in?

“Dus… we eten spaghetti,” vraag ik met de voorzichtigheid van een archeoloog die net een nieuwe archeologische site heeft ontdekt.

“Nee,” en ze laat dat antwoord klinken alsof ik de grootste domme kloot ben van het westelijk halfrond. En daarmee voel ik me ineens zoals die man uit de film Jumanji die in huis per ongeluk een geheime deur ontdekt waarachter alle realiteit en redelijkheid oplost.

“Okee… Maar wat eten we dan wel?” probeer ik nog voorzichtiger.

“Ik weet het nog niet.” (stilte)

Meer heb ik niet nodig om helemaal opgeslokt te worden door het zwarte gat van onze communicatie. De grote nihilistische klap in mijn gezicht betekent het einde van mijn zoektocht. Er komt nooit een antwoord. Het is duidelijk, vandaag blijft het universum koud en onverschillig.

Een simpele vraag, mijn ene arme, onschuldige, simpele vraag heeft het niet overleefd. Ze implodeerde en werd verpletterd om nadien helemaal opgezogen te worden door het ondoorgrondelijke mysterie van de dingen, ook wel ‘conversaties met mijn vrouw’ genoemd.

Ik slik en vraag: “Hoe laat ben je ongeveer thuis?”

“Ik ben nog in een call…” (stilte)

Ik haak op. 56 ben ik ondertussen. Dit spel speelt zich al jaren af. Je zou denken dat ik na al die jaren de codes ondertussen wel gekraakt heb, maar nee, ik word nog steeds met open ogen in de val gelokt. Ergens in de verte hoor ik een zucht van verbazing, van het universum.

Volgende keer geef ik haar van hetzelfde laken een broek. Als ze me woensdag vraagt of ik de vuilniszakken heb buitengezet, zal ik haar diep in de ogen kijken en zeggen dat het lichtje van de ijskast niet brandt als de deur dicht is. Alleen is de kans groot dat ze gewoon met haar ogen knippert en vraagt hoe het komt dat het spoelmiddel voor de vaat op is en of ik morgen bloemkool wil.

In communicatie met mijn vrouw ben ik de amateur. Ik kan deze mindfuck nooit winnen. Maar ik zal blijven spelen, tot de dood ons scheidt.

Trouwens, ik eet graag boterhammen met kaas, dus wat is het probleem?

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

Jupilerman

Vandaag is een dag waarop ze me kunnen wijsmaken wat ze willen. Bijvoorbeeld dat liefde in een doos pralines zit of schuimt in een glas champagne.  Dat passie spant in een veel te duur lingeriesetje dat na vijf minuten op de grond ligt of erger nooit aangetrokken wordt omdat ik de maat van dat kanten niemendalletje niet wist.

Ze verwacht niks, want ze vindt het allemaal maar platte commerce. En net dat maakt het verraderlijk. Als ze iets verwachtte, kon ik het zo laten maar nu gaapt er een vacuüm, een zwart gat van stilzwijgende hoop dat ik moet vullen en waar al mijn mannelijkheid in verdwijnt. Vandaag moet het met oesters, rozenblaadjes, kaarslicht, een ritueel en een bankkaart.

Ik ken ze hoor, de mannen die aan dit circus ontsnappen. Ze blijven onbewogen bij dit commercieel gelul. Het zijn mijn idolen want ze laten zich niet meeslepen door hormonale wervelstormen of schreeuwende marketing. Zij zitten morgen in hun marcelleke, met hun voeten op de salontafel, een Jupiler in de hand te staren naar een scherm alsof dat de enige liefde is die er echt toe doet.

Ergens ben ik stront jaloers. Ik denk dat vervloekt ben want ik ben geboren met een ziekte die romantiek heet, een aandoening die me dwingt tot gedempt licht en dure zoetigheid in de hoop dat het in godsnaam ooit iets oplevert. Dat zij, als ze de chocolade smaakt, niet alleen de chocolat proeft, maar ook mij. Dat als ze haar glas heft, ook toost op mij. Dat als ze haar lingeriesetje uitpakt, ze niet alleen aan haar eigen lijf denkt, maar ook aan mijne.

Het is toch allemaal een grote leugen? Al die kostelijke attributen die ons nog eens vel tegen vel moeten krijgen, terwijl het gewoon een jaarlijkse realitycheck is waarin het pijnlijk duidelijk wordt dat we geen idee meer hebben hoe we liefde kunnen voelen zonder dat iemand ons vertelt hoe die er dan moet uit zien of hoe duur ze moet zijn.

De ironie is dat ik het weet. Ik zie de marketingmachine, de illusie en de absurde commedia dell’arte en toch speel ik mee. Omdat niets doen nog erger is. Omdat een vrouw die niks verwacht nog gevaarlijker is dan een vrouw die op rozen rekent. En omdat ik de hoop niet opgeef dat jupilerman verkeerd zit en dat liefde, ook al is het maar een beetje, nog te koop is.

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Mijn duistere muze met het laatste woord!

Ik werd alleen wakker en kwam een beetje bij mijn zinnen, de slaapkamer was stil. Hoewel het al laat was die ochtend, hing de nacht nog als een donkere sluier in mijn hoofd. Mijn mond kurkdroog, mijn handen koud. Een sloophamer hamerde in mijn hoofd. Alles voelde als de dag ervoor en de dag daarvoor. Alles voelde altijd hetzelfde.

Ik keek in de spiegel, mijn ogen ontweken me. Het gezicht dat me aanstaarde oogde moe en leek ouder dan het zou mogen zijn. Dat gezicht, doordrongen van wroeging en zelfbeklag had veel gezien, maar weinig geleerd. De man in de spiegel leek op me. Hij had bekende trekken, maar was niet wie ik wilde zijn. Ik zuchtte diep. Ik wist het al langer. Dit kon niet zo doorgaan. Dit moest stoppen.

Met het glas in mijn hand, en altijd met het laatste woord. Alcohol, mijn muze maar een muze heeft altijd een prijs. Ze eist je lichaam op, neemt je ziel en steelt je wil. Ze zat overal in, in avonden, in ochtenden en in de uren daartussen, in onbelangrijke woorden die ik zei en in belangrijke die ik niet uitsprak. Ze zat in dingen die ik niet durfde voelen of durfde te denken. Kortom, de muze was mijn glas, één glas om te vieren, tien om te ontsnappen, een fles om te vergeten. Elke dag dronk ik om te drinken, als excuus om niet te voelen, niet te zijn. Het werkte. Tot het dat niet meer deed.

Ik kon niet langer vluchten, niet voor mijn gedachten, niet voor mijn zwakte, niet voor mezelf. Ik wilde veranderen, maar wist niet hoe. Nu, terugkijkend, weet ik, willen stoppen, was genoeg om te starten, en starten met stoppen was wat ik nodig had om door te zetten.

Vanaf die dag maak ik mijn koffie zelf, sterk, bitter, geen suiker en geen melk. Zoals het moet. Zoals ik hem nodig heb, straf. De stiltes vielen niet mee. Ik was ze niet gewend maar liet ze wel toe. Geen radio, alleen gelijkgestemden en zeker geen geratel en gedoe van andere mensen. Alleen mijn schaamte, mijn spijt, de zwijgende getuigen en ik. Spijt en schaamte, het zijn vreemde dingen, ze knagen aan je ziel, maar wijzen ook de weg. Als je luistert.

Ik begon met schrijven. Het voelde vreemd, alsof ik het verleerd was. Maar ik schreef en bleef het doen, over avonden die ik me niet of maar half kon herinneren, over woorden die ik had gezegd maar niet had gemeend, over gedachten en gevoelens die ik had maar niet durfde uitspreken. Over die keren dat ik iedereen had weggeduwd. Over schuld, wroeging en schaamte, over mezelf. Het was soms lelijk wat ik allemaal schreef. De realiteit was nog lelijker. Mijn woorden sneden. Er zat weinig schoonheid in, maar maakten de scherpe randen zachter. Dingen die je niet onder ogen ziet, worden groter, dus schreef ik, tot mijn ziel pijn deed en mijn hart bedaarde en de chaos in mijn hoofd kalmeerde.

Dagen gleden voorbij, één voor één. Eén week zonder drank, dan twee. Een maand werd een jaar, een jaar werden er elf. Het was alsof ik opnieuw moest leren leven, leren zien en leren voelen en dat elke dag opnieuw. De avonden werden moeilijk. Stiltes die op het eerste gezicht rust leken, werden een storm. En ik kan het laten stormen, geloof me. Ik doe het soms nog.  Door dat te doen leerde ik dat pijn niet dodelijk of fataal is, dat ik sterker was dan ik dacht te zijn en dat herstel soms moeite kost.

En dan, plotseling uit het niets, iets nieuws. Iets dat leek op trots en voldoening. Het was nog pril, klein, broos en breekbaar, maar het was er. Ik pakte het vast, voorzichtig om het nooit meer los te laten. Het is gebleven en het groeit nog elke dag een beetje. Ik koester het!

Tournée Minérale is een test. Een maand zonder alcohol. Voor sommigen is het een spel, voor mij een noodzaak. Toen ik stopte, leerde ik dat mijn wereld niet instortte zonder glas of fles. Integendeel, hij werd helderder, zachter, eenvoudiger, mooier, complex-chaotisch-rustiger!

Nu leef ik, adem ik en kijk op een andere manier naar de lucht en naar de bomen. Ze waren er altijd al, maar zag ze niet. Nu wel. Kleine dingen worden groot als je ze toelaat en aandacht geeft, denk ik. Het lijkt misschien niets, maar het is alles.  De muze heeft mij niet verlaten.  Zij is gebleven, maar ze is ook veranderd, net als ik. Ze fluistert niet meer vanop de bodem van een glas, maar roept naar mij vanuit het diepste van mijn ziel.

Elf jaar later, ik zie mezelf opnieuw in de spiegel. Het gezicht dat me aankijkt, is hetzelfde maar mijn ogen staan anders. Ze kijken en vermijden me niet meer. Ik ben niet genezen en zeker niet perfect. Over het leven heb ik nog veel te leren maar niets meer te bewijzen.  Nu word ik meestal wakker zonder dat de nacht in mijn hoofd spookt. Ik besta en leef nog. Dat is genoeg. Voor nu, morgen bestaat nog niet.

Dit nog. Als je worstelt, blijf dan staan. Als je valt, sta dan op! Stop als je denkt dat het nodig is maar doe het onvoorwaardelijk. Luister goed naar jezelf, hoe rauw je stem ook klinkt. Er is altijd een weg, maar jij alleen kan hem nemen. Jij alleen kan beginnen.

Tournée minérale is misschien het begin!

Met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De wereld met zijn harde lijnen, zijn onbegrijpelijke wetten en zijn scherpe randen die schuren. Kortom, die snelle wereld die al mijn pogingen om zacht te bestaan meer en meer lijkt te minachten, ik draag hem als een versleten jas. Hij zit niet meer juist. Toch trek ik hem nog aan, tegen mijn goesting.

Te veel meningen zonder feiten. Te veel zelfpromotie zonder diepgang. Te veel algoritmes die me sturen zonder dat ik het wil.  Te veel reclame, te veel kopen, te veel pulp en te weinig verhalen. Alles lijkt glanzend en sparkelend maar als je kritisch durft te kijken is alles hol en oppervlakkig, bedrieglijk bijna. Met zoveel AI dat zelfs echt en nep haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Het wordt veel, tè veel, voor deze zoekende ziel. En toch, in al die chaos bestaat er een plek. Het is er ook chaotisch, rommelig zelfs maar ook stil. Ik moet er niet efficiënt zijn, niet perfect, niet snel.  Onwetend? Dat mag! Mijn littekens, twijfels en gebreken, ik moet ze niet verstoppen. Ze mogen blijven hangen, als bewijs van het leven zelf, mijn leven. Deze plek heb ik zelf gemaakt. Ze dient niet om te volgen, niet om in te passen maar om gewoon te bestaan.

Ik herinner me bijlange na niet alle woorden die ik ooit heb opgeschreven. Ik schreef ze als mijn waarheid, meestal eenvoudig, een beetje ruw, soms zwaar, zoals ik ben.

Ik weet hoe het voelt om gevangen te zitten in verwachtingen, van anderen en van mezelf, om strijd te voeren, om sterk te blijven, om te voldoen. Te lang verdroeg ik het leven als een opdracht, met perfectie als ultieme doel. Tot ik besefte dat perfectie een illusie is, een gevangenis die ik met mijn eigen handen heb gebouwd. Mijn littekens, mijn kapotte gewrichten, mijn rimpels, mijn eindeloze overpeinzingen, mijn eeuwige twijfels, het werden onuitwisbare sporen van een leven dat niet stil heeft gestaan.

Toch blijft het een opdracht, niet toe geven aan die wereld die enkel glans en gladde oppervlaktes lijkt te waarderen. Maar hier, in mijn hoofd, waar ik veel tijd doorbreng, laat ik me niet van mijn stuk brengen. Hier wordt mijn verhaal verteld. Je mag meelezen als je wil.

Als ik je ooit ontmoet en we praten, zal ik zeggen, “toon me je kleuren maar, laat me zien wie je ècht bent en waar je vandaan komt”. Niet omdat ik iets van je verwacht, maar omdat ik weet hoe het voelt om dingen van jezelf mee te dragen waarvan je niet weet wat je ermee moet aanvangen.

Het zijn stukken die niet passen in je puzzel, ze hebben geen glans, maar zijn wel echt. Het zijn die stukken die ik van jou wil zien, niet de opgeblonken versie die de wereld accepteert. De echte, de rommelige, de onvolmaakte waar je niet trots op bent. Laat het ons daar over hebben.

Mijn lijf en littekens, ik accepteer ze niet altijd. Soms jeuken ze, en herinneren me aan een tijd waarin ik dacht dat kwetsbaarheid en openheid een zwakte was, toch probeer ik ze nu te dragen als een medaille van een strijd die ik voer. En zo kijk ik naar jou, niet naar wie je probeert te zijn, maar naar wie je werkelijk bent.

De wereld is luid, altijd bezig, altijd veeleisend. Maar hier mag ik ademen. Hier mag ik rusten. Hier mag ik mezelf zijn, zonder druk om iets te bewijzen.

Misschien is dat wat ik probeer te zeggen.  Je bent welkom. Niet die versie van jou die de wereld goedkeurt, maar de echte, de kritische en pretentieloze, met al zijn scherpe randen en zachte lijnen, met twijfels en hoop.

Hier vinden mensen hun weg en zijn op hun gemak als ze dat begrijpen. De anderen stoppen halverwege of blijven gekluisterd aan verwachtingen die ze amper zullen waarmaken.

Dus kom, maar als je komt, dàn zoals je bent, met al je wilde imperfecties, met je vragen die geen antwoorden vereisen en met je stille dromen. Hier, op deze plek die ik helder voor me zie, hoef je alleen jezelf mee te brengen. Misschien, is dat genoeg, gewoon bestaan met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Er was eens in Bethlehem

Die nacht was het redelijk fris in Bethlehem. De halve maan stond glimlachend aan de hemel, alsof ze wist wat er op het punt stond te gebeuren.

Maria, hoogzwanger en op het randje van een zenuwinzinking, strompelde naast een oude ezel die beladen was met huisgerief. Jozef, eveneens een ezel en ook over het randje van hysterie liep een paar passen achter haar, ook radeloos en duidelijk zwaar over zijn toeren.

In einde en verre was geen herberg te bespeuren.

“Marjake maar serieus, moet gij nu alweer pissen? Gij zijt het laatste uur al drie keer naar de koer geweest,” reclameerde Jozef die zijn aangroeiende irritatie niet langer meester was.

“Jef, zwegt!” krijste Maria fel als een hysterische furie. Haar stem deed zelfs de schapen en de herders met schrik recht veren, een beetje verder aan een bouwvallige stal.

 “Gij zijt ni in positie, hé Jef. Ik voel begot mijne rug al drie dagen ni meer. Die kleine zit op mijn blaas te sjotten, mijn voeten doen zeer en mijn uierzalf en mijn kompressen zijn op!”

Jozef stopte en keek haar ietwat vragend met gefronste wenkbrauwen aan. “Kompressen, uierzalf? Waarom hebt gij nu, in de naam van uw ongeboren kind, (godsnaam) uierzalf en kompressen vandoen?”

“Voor die striemen op mijn buik, he Jef en voor mijn tetten. Ja, voor mijn tetten, Jef. ’t Zijn precies kapotte ballonnen, ze lekken langs alle kanten!” Maria’s stem was zo luid en schel dat de oude ezel luid begon te balken en er met schrik van doorging, op de hielen gevolgd door de kudde schapen.

Jozef mompelde onverstaanbare woorden over horens dragen die versierd waren met kerstlichtjes en over een complot, maar hij besloot wijselijk om verder zijn mond te houden. Hij was ten andere nog steeds niet bekomen van het ‘goddelijke ingrijpen’ waarmee Marja in positie was geraakt. “Den Heilige Geest, mijn gat ja,” snoof hij binnensmonds, “als ik hem ooit tegenkom, ik snij zijn fluit eraf. Met een bot mes.”

“Oh nee, Jef”, permitteerde Maria ineens.

“Wat is ’t nu weer”, zuchtte Jozef.

“Mijn water is gebroken!” Maria gilde, de ogen angstig gericht op de natte plek van haar kleed.

“Serieus Marjake, hoe moet ik dat hier nu allemaal oplossen? Ik ben maar ne simpele timmerman, he zeg, geen vroedvrouw”, riep Jozef, wanhopig met zijn handen in het haar.

Maria keek hem woest met vlammende ogen aan. “Misschien had ge daar maar eerder aan moeten denken voor ge mij naar dit godvergeten gat sleepte. Daarbij ’t is nu niet het moment om ambras te maken!”

Op het moment dat de situatie helemaal uit de hand dreigde te lopen, verscheen er boven hun hoofden plotseling een felle lichtflits. Een stem galmde door de lucht. “Vrede, op Aarde beste mensen! Hier ben ik, de Heilige Geest!”

Maria en Jozef keken elkaar met grote ogen aan. “Zie je wel”, riep Maria ontroerd, “Eindelijk! Ik wist wel dat hij zou komen, de vader van mijne kleine.”

“Hoe zit dat hier feitelijk, is de Heiland al geboren”, vroeg de Heilige Geest nieuwsgierig, terwijl hij nonchalant van zijn wolk neerdaalde. Hij droeg een witte, doorschijnende toga met het provocerende opschrift ‘Ik doe wonderen’.

“Gij smeerlap! Gij hebt dit gedaan,” tierde Jozef, wijzend naar Maria’s buik. “Kon gij uw goddelijke fluit ni thuishouden. Kom hier da’k hem eraf snij?”

“Wacht, Jef,” zei de Heilige Geest met trillende stem. “Ik ben maar één van de drie. Dit is allemaal onderdeel van een goddelijk plan. Ik kan het allemaal uitleggen. Het is echt niet wat je denkt.”

“Wat? Eén van de drie? Sloerie, alsof één nog niet genoeg is, kom hier”, riep Jozef hysterisch.

“Een goddelijk plan?” Maria wierp haar handen in de lucht. “Wat is dees eigenlijk voor een goddelijk plan? Heb je misschien ook een plan voor mijn zere voeten, mijn lekkende tetten, en voor die stomme ezel die al drie dagen naar uierzalf riekt, een vroedvrouw misschien, toevallig?”

Net toen de Heilige Geest wilde antwoorden, klonk er luid getrappel van paardenhoeven. Vier figuren kwamen aanstormen, vanuit het Oosten.

“Wacht nu eens even,” zei Jozef stomverbaasd. “Zijn hier nu ineens ook vier koningen?”

De grootste van de vier, een rijzige man met een gouden kroon op zijn hoofd, kwam van zijn paard en haalde zijn schouders op. “Melchior kon ni meekomen, die heeft zijn knie zeer gedaan bij een kamelenrace. Dus hebben we den Barry meegenomen. Hij is een verre neef maar ’t kan ook een nicht zijn.”

Barry zwaaide enthousiast en riep met een opvallend hoge verwijfde stem, “En ik heb koekskes meegebracht!”

Maria keek Barry woest aan. “Koekskes, ‘k ga hier direct bevallen, waarom heb je geen vroedvrouw mee?”

Barry keek een beetje beteuterd naar de grond, en zei, “euh neu geen vroedvrouw, maar wel een thermos kamillethee, voor bij de koekskes.”

Toen de chaos een hoogtepunt dreigde te bereiken en ze het allemaal op de heupen kregen, Maria nog het meeste, kon ze het niet meer houden. Ze begon met persen en puffen. Onder geschreeuw, zweet, bloed en tranen werd er een klein, krijsend kindje geboren. Jezus trok zijn aureool recht en keek om zich heen, alsof hij zich ook afvroeg hoe hij hier terecht was gekomen.

De Heilige Geest glimlachte tevreden, “ziede wel, Jef. Alles komt altijd goed.”

Jozef keek met grote ogen. Eerst naar het pasgeboren kind, dan naar Maria en vervolgens naar Barry, die vroeg, “Waaroem hee die kleine na agelak-fatelak een talloor op zijne kop, die kleine zijn fontanelleke is nog nie eens oneengegroeid.”

Maria, helemaal aan het einde van haar latijn gilde hysterisch in ’t plat Nazareths, “zwegt na is efkes allemaal en houd allemaal ulle bakkes. “Ik zen hie vanonder hielemaa ingescheurd en mijn foef is ontploft, ik eis een mirakel en wel nu”, waarna ze plots ook een witte talloor op haar hoofd kreeg.