Als je stopt begin het pas

Het was laat of vroeg.  Dat hangt af van hoe je naar tijd kijkt. In elk geval, ik was op tijd om te zien hoeveel leven je in een uur kunt proppen en hoeveel leegte in tien jaar. Mensen die dicht bij me staan, weten dat. Ik kan dagen vullen met niets zonder dat het tijdverspilling is. Dat lijkt misschien gemakkelijk maar ik heb het moeten leren. Vroeger leefde ik snel of niet. Dat hangt af van hoe je ernaar kijkt.

Ik zit op een plaats, waar de lucht droog is maar de koffie sterk. Hij is sterk genoeg. De troebele herfstzon staat laag en werpt licht over de tafel alsof ze mijn gedachten wil wegvegen.

Mensen glijden voorbij. Ze passeren in mijn blikveld. Bekende mensen, collega’s, allen zijn ze gehaast, en ernstig. Hun ruggen onder een denkbeeldige last gekromd, de ogen ergens opgericht waar ze nooit zullen aankomen maar dat weten ze nog niet. Sommige spreken, anderen luisteren. De sprekers spreken, de luisteraars luisteren, de zwijgers zwijgen of knikken instemmend alsof ze het eens zijn. Bijna nooit is het andersom. Het is precies een film die ik te vaak heb gezien, en waarin ik veel te dikwijls en veel te lang de hoofdrol had. Ikzelf was ooit spreker, één die niets te vertellen had, ook al dacht hij toen van wel.

Ik was niet alleen spreker, ik gaf ook alles weg. Mijn tijd, mijn aandacht, mijn geld, mijn liefde… mijn eigenwaarde. Ik strooide het rond alsof het nooit op kon raken. Dat deed het toch, op een dag. Mensen pikken op wat ze nodig hebben en verdwijnen nadien om nooit terug te keren. Buiten enkele uitzonderingen waren de meeste geen verrijking, eerder een beperking. Beperkers van geluk, van ademruimte en van vrijheid. Niet dat het slechteriken waren, ik geloof niet in slechteriken.

Het zou een ongemakkelijke keuze kunnen zijn om mijn dagen met hen te vullen, met gesprekken die niets zeggen en met gezichten die niets geven, zelfs als ze meer vragen dan ze bieden. Alleen ik heb het te lang gedaan. Ik besef dat sommige connecties maar blijven bestaan als je ze blijft voeden. Toen ik stopte met geven, begon ik pas te ademen.

Leven is lastig, maar sterven is lastiger, denk ik. Leven is volhouden. Loslaten wat je moet loslaten en vasthouden wat je nodig hebt, wat je completer maakt. Doe je dat niet, dan dreig je jaren te verliezen. Niet letterlijk, maar erger want je merkt het pas later, als je terugblikt en ziet hoeveel tijd je verspild hebt aan zaken die het niet waard waren. En ik spreek voor mezelf want ik stond te vaak stil waar ik had moeten lopen, ging door waar ik had moeten stoppen en zweeg te dikwijls waar ik had moeten roepen.

De kunst van het leven is volgens mij dat je leert wanneer je moet stoppen. Dat je leert om te durven veranderen en dat je geen slingers bij anderen moet hangen als je eigen muren nog kaal zijn. Ik had recht op ademruimte. Ik verdiende een dag die gevuld is met niets zonder tijdverspilling en een leven dat echt van mij is.  Misschien was ik ermee aan de late kant, maar laat is beter dan nooit.

Misschien komt mijn wens voor het nieuwe jaar te vroeg of te laat. Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Toch komt hij recht uit mijn hart, met ruimte en moed om het leven te pakken zoals het voor jou goed voelt, zonder druk van buitenaf, zonder opgedrongen verwachtingen van anderen, met lessen uit het verleden en hoop voor de toekomst maar vooral met de juiste keuze, voor jezelf, omdat niemand anders het voor jou gaat doen.

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Als je naast de rimpels kijkt

Net zoals altijd bij uitbundige feesten, sta ik een beetje op de achtergrond, kijkend naar mensen, als een vlieg op de muur. Vijftigers, de meeste toch zijn halverwege. Een handvol, een minderheid lijkt zich al bij het einde te hebben neergelegd, anderen zijn duidelijk op zoek naar een tweede jeugd alsof ze in een oude jas nog een vergeten briefje willen vinden.

Zelf ben ik al een tijdje niet echt meer helemaal één van hen, je weet wel, toch voel ik me hier vreemd genoeg thuis. Ik ben hier, niet jong genoeg om nog naïef te zijn, niet oud genoeg om al wijs te zijn. Halfweg dus, net als zij.

Ik sta een beetje aan de kant, losgeweekt van de uitbundigheid, met een glimlach die niet helemaal in de stemming past. Deze generatie lijkt alles te hebben, tijd, geld maar ook rimpels waarin ervaringen verborgen zitten die niet veel daglicht kunnen verdragen. Net als iedereen draag ik ook duidelijke sporen van de jaren.  Ik ben hier, niet jong genoeg om nog onrealistisch groots te dromen, niet oud genoeg om het niet te kunnen laten. Halfweg dus, net als zij.

Even waan ik me onzichtbaar voor de oppervlakkige blikken toch ben ik duidelijk zichtbaar, wie goed kijkt, ziet me. Even kijken we het met dezelfde blik die vraagt, “Wat nu?”

De muziek is luid, iets te luid voor mij. Buiten mij lijkt het niemand anders te storen. De laatste show band speelt nummers die we dertig jaar geleden al meebrulden. De zanger, ook een vijftiger zoals de rest van ons, probeert een noot te raken die al jaren niet meer bereikbaar is. Iemand speelt luchtgitaar de andere waant zich Céline Dion, maar de betere versie. Iedereen applaudisseert. We klappen allemaal even luid en uitbundig. Hier gaat het al lang niet meer over perfectie maar om de illusie ervan. De perfecte avond is halfweg. Net zoals wij.

Mijn generatie in het midden, samengepakt op een paar vierkante meter. De avond halfweg, een fractie waarop alles lijkt te kloppen. Deze generatie, niet oud genoeg om al stil te staan, niet jong genoeg om nog te rennen maar nog steeds gek genoeg om twintig te blijven, al is het maar in ons hoofd en je naast de rimpels kan kijken.

Al is het maar een seconde

Herfst, zondagmiddag. Grijze lucht hangt neer met een mistige stilte, zo stil dat ik haar bijna kan aanraken. Alles voelt versteend alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. Toch zie ik in de dreef van het bos nogal wat mensen slenteren. Hun uitdrukkingsloze gezichten vertellen me niets. Hun passen zijn hetzelfde, stap na stap, alsof ze allemaal aanvaard hebben dat er op deze weg geen zijsprongen meer zijn, alleen dit ene pad.

Als ik naar ze kijk, lijkt het alsof ik zelf leef op automatische piloot.  Ik stel me de vraag wanneer ik voor het laatst iets gedaan of gelezen heb dat mezelf of iemand anders in beweging heeft gezet. En bedoel ik niet de alledaagse dingen of de gewone woorden die gemakkelijk inwisselbaar zijn met woorden van gisteren.  Ik bedoel woorden die blijven hangen alsof ze de moed hebben gehad om belangrijk genoeg te zijn, om hun eigen weg te gaan en voor altijd te blijven. Woorden die niemand hardop durft uitspreken en slechts een enkeling durft te schrijven.

Daarstraks sprak ik mijn jongste zoon. Hij is in Nepal om daar zijn wereld te veranderen. Na ons gesprek voelde ik een steek, althans ik denk dat het er een was. Misschien ben ik vergeten hoe het voelt om iets wezenlijks of zinvols te doen zoals hij, of om iets te lezen dat verschil maakt, iets te denken dat niet per se veilig hoeft te zijn. Even voel ik me met deze gedachte alsof ik drijf in een stroom van ideeën waarin de oevers nooit veranderen en het uitzicht altijd hetzelfde blijft.

Misschien ervaar je het ook soms, dat gevoel dat je met de stroom wordt meegedreven en dat je zonder logische verklaring gedachten van anderen in je opneemt zonder je af te vragen of ze wel echt van jou zijn. We lezen snel en vluchtig wat ons wordt voorgekauwd en worden de gedachten die anderen ons opdringen.  We zijn niet meer kritisch over onze acties en doen gewoon wat men van ons verwacht, netjes in het gareel, veilig en ogenschijnlijk comfortabel.

Maar ergens in die stroom, zitten gelukkig nog mensen die tegen de stroming in bewegen. Mensen die zich herinneren dat ze eigen gedachten hebben, een eigen wil of een eigen, onduidelijk plan. Soms vraag ik me af of ik daar nog toe behoor, tot die groep die er liever voor kiest om vergeten te worden door de meerderheid dan hun eigen ideeën en gedachten in een mal te laten persen. Misschien herken je dat gevoel wel, dat je soms onbewust of uit gemakzucht meegevoerd wordt met de stroom zonder echt stil te staan bij datgene wat je beweegt?

Als het zo is, en je hebt even haltgehouden bij deze gedachten of je hebt ze misschien heel even hebt gedeeld, dan voelt het dat ik je niet helemaal kwijt ben en dat ik niet echt verdwenen ben.

Mocht je er morgen ook nog aan denken, zelfs al is het maar een seconde, maakt het voor mij niet zo veel meer uit dat de rest van de hoop me vandaag al vergeten is.

Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.

De hel van het jargon

Het moet gezegd, mensen die ik in het wild kan verdragen, ze lopen niet dik gezaaid. Ze zijn eerder schaars maar ze bestaan. Zelfs op kantoor ken ik er een paar. Het zijn meestal gezellige zielen, vriendelijke types met wie ik bij een koffie moeiteloos een gesprek kan voeren over het weer, vakanties en hoe die altijd te kort zijn of over de nieuwste Netflix-serie en waarom ik vind dat die absoluut niet te missen is.

Maar zet ze bij elkaar in een vergaderruimte en voor je het goed en wel doorhebt, zijn ze getransformeerd in jargon spuwende, terminator-achtige wezens. Zelfs AI-robots verbleken bij elke vergelijking. Ik zie de verandering onmiddellijk. Hun ogen beginnen fel te glimmen en hun mondhoeken krullen zelfvoldaan omhoog of omlaag.  

Zodra ze een whitebord naderen, raken ze, de ene na de andere, zelfgenoegzaam in hun “zone”. Eenmaal ze in hun “vibe” zitten, beginnen ze onophoudelijk nietszeggende woorden uit te braken. Precies die “vibe en zone” is de plek waar ik absoluut niet wil zijn, om niet te zeggen dat het mijn persoonlijke hel op Aarde is.

Deze mensen lijken ogenschijnlijk normaal, ze doen geen vlieg kwaad, zijn soms zelfs een beetje saai maar altijd beleefd. Toch transformeren ze bijna allemaal in taalexorcisten, vastberaden om normaal taalgebruik uit te drijven en uit te roeien, met wortel enal.

De wekelijkse stand-up meeting is de ultieme hoogmis van de onzin. “We moeten KPI’ s drillen en de synergiën upscalen,” zegt iemand terwijl hij diep in z’n laptop staart alsof hij net de geheimen van het universum heeft ontrafeld. Ik knik slaperig, niet omdat ik er iets van begrijp, maar omdat ik een heel zwakke poging wil doen om te overleven in de jungle van het corporate-gebrabbel. “Zorg aub dat de “deliverables aligned” zijn met onze Q4-goals,” hoor ik in de verte. “Vanzelfsprekend”, prevel ik onhoorbaar, “wie wil nu deliverables die níet aligned zijn?”

Dan heb je x (naam en adres bekend bij de redactie), buiten het kantoor is het een vriendelijke geitenwollen-sokken-vrouw met een voorliefde voor yoga, groene thee en vegan-koekjes maar met een grondige hekel aan mensen die op het voetpad fietsen of die in een zin haar, hun en het niet bij het juiste gender plaatsen. Zodra ze de vergaderzaal betreedt, verandert ze in een wandelende Van Daele vol corporate buzzwords. “We moeten de “stakeholders re-engagen”, zodat we de “buy- in” van onze “communities” optimaliseren voor de vernieuwde “agile implementatie.” En ze voegt er met een dooddoener aan toe, “We zitten nu eenmaal midden in een “transformation journey.”  Mijn gedachten zijn ondertussen al ver afgedwaald naar mijn laatste journey, het strand.

Bijna iedereen doet een gooi naar de titel van ongekroonde koning(in) van de bullshitbingo.  Ze doen het met passie, “out of the box” en met een jargon alsof hij of zij de eerste mens op aarde zijn die deze woorden-bullshit ooit hardop heeft durven uitspreken. Een verhaal is geen verhaal meer maar een “narratief”.  Dat is voor mij een eye-opener en het juiste signaal om mentaal de ruimte te verlaten en me terug te trekken in mijn “inner-space”.  Terwijl ze klassikaal een “paradigm shift” maken en een “value proposition maximaliseren” voel ik het respect voor het vermogen om begrijpelijke, coherente zinnen te vormen heel snel op mijn mentale grafiek naar links verschuiven.

Ik gok dat niemand in de kamer precies begrijpt wat al die onzin betekent, toch knikt iedereen hevig en instemmend.  Wie wil er nu betrapt worden om niet te maximaliseren? Iedereen lalt en zwamt verder met alle ingrediënten van het beste jargonfeestje en doet alsof elk duurder klinkend woord een Nobelprijswaardige doorbraak is in pak weg borstkankeronderzoek.

Waarom toch verandert een ogenschijnlijk normaal mens in een jargonmachine zodra ze een vergaderruimte binnenlopen? Is het angst of ambitie, ik vraag het me zomaar af.

Of misschien een collectieve onzekerheid want niemand wil de domste van de kamer zijn.  Luljargon is toch het beste rookgordijn? Hoe meer ingewikkelde termen je gebruikt, hoe meer het lijkt dat je weet waarmee je bezig bent. Jargon als beste bescherming tegen ontmaskering. “Oh, ze hebben het over synergiën, dan zullen ze vast en zeker weten wat ze doen!”

Hoe meer jargon, hoe hoger op de corporate ladder. Althans zo lijkt het. Gebruik je termen als “leverage”, “scalability” en “value chain” dan suggereer je dat je op een strategisch verantwoord niveau meedenkt. Je speelt het spel mee en wie niet meedoet, blijft achter als muurbloem die niets bijdraagt aan ‘de strategische conversatie’. Jargon als statussymbool, alsof je een geheime taal spreekt die alleen de elite begrijpt, terwijl eigenlijk niemand het snapt.

Jargon is angst om door de mand te vallen en zit verpakt in woorden die geen mens zonder migraine begrijpt.

Het slechte nieuws is dat in tegenstelling met het dodelijke marburgvirus uit Rwanda een vaccin niet onmiddellijk in zicht is.  Het enige wat je dus te doen staat, is proberen te overleven door in stilte te lachen en dat net zo lang vol te houden, tot iemand in de vergaderzaal oppert dat we dringend moeten “level setten” voor het volgende kwartaal.  

Spoiler alert: Niemand heeft enig benul wat dat betekent, niet jij, niet de lezers van deze tekst, laat staan de mensen die aanwezig waren in de vergaderzaal!

Golven van gedachten

Mensen gaan hun gang zoals ze altijd doen, sommigen met veel lawaai anderen zonder woorden. De afgelopen jaren heb ik geleerd om niet van iedereen te verwachten dat er iets gezegd wordt. Soms heb ik de hoop op een gesprek laten varen, ook al leek dat noodzakelijk. Als mensen willen spreken, zullen ze dat doen, tenzij ze het niet de moeite waard vinden.

Op café, hoewel ik daar haast niet meer kom, zit ik meestal alleen. Ik kies dan een plek uit waar ik mezelf kan zijn zonder te hoeven praten. Ik bestel koffie en een glas water, en observeer en luister. Er is altijd wel iets te zien, een man in een hoek met zijn krant als zat hij op een eiland in een zee van lawaai. Een jonge vrouw achter de toog, die glazen spoelt en klanten bedient, als een danseres elegant bewegend op haar podium. Iedereen is druk of juist minder druk bezig met zijn eigen leven, met zijn eigen gedachten, ik ook. Op zulke momenten heb ik geen woorden nodig. Dan voel ik nauwelijks behoefte om te spreken en helemaal geen drang om te schrijven.

Vroeger fantaseerde ik meer over waaraan mensen denken, wat ze willen zeggen, wat ze voelen of waar hun gedachten naartoe dwalen. Dat doe ik nu minder. Nu kijk ik gewoon. Dat is gemakkelijker en kost minder moeite. Als iemand wil spreken, zal hij of zij dat wel doen. Als ik voor iemand belangrijk ben, vinden ze me wel. Ik hoef niet meer zo nodig te trekken en te sleuren en voel al helemaal niet meer de noodzaak om een gesprek te forceren. Controle heb ik namelijk alleen over mijn eigen daden en woorden, nooit over die van een ander. Dat besef is een opluchting. Het maakt me vrij, op een bepaalde manier.

De wereld om mij heen is groot en luidruchtig. Ik hoef van al dat lawaai niet altijd deel uit te maken. Ik mag kiezen om stil te zijn, om te wachten en te zien wie naar me toe komt. En als niemand dat doet, is dat ook goed.

Vroeger voelde ik me ongemakkelijk bij die stilte. Het voelde als een afwijzing, als een schaduw die het licht bedekte. Nu zie ik het anders. Stilte werd mijn oase, mijn plekje om na te denken, te observeren, te voelen en te groeien. Ik ken veel mensen die alleen maar praten omdat ze hun eigen stilte niet kunnen verdragen. Dan smijten ze hun woorden eruit als netten, in de hoop om iets of iemand te vangen.

Er zit veel waarde in woorden maar niet elk woord heeft betekenis of waarde. Niet elk gesprek moet gevoerd worden. Soms is het beter om af te wachten, te zwijgen en te zien wie mijn stilte kan verdragen.

In die rust van mijn gedachten, ben ik tevreden met mij rol als toeschouwer van het levenstheater. Niet iedereen hoeft te spreken. Niet iedereen hoeft te luisteren. Maar als iemand wil en denkt dat ik iets waard ben, zullen ze wel komen om me te vinden. Het enige wat ik moet doen is geduldig wachten. Als ze niet spreken zegt dat niets over mijn waarde.

Meer en meer voel ik dat mijn eigenwaarde niet afhangt van de woorden of van goedkeuring van een ander. Zo breng ik veel tijd in stilte door, alleen maar niet eenzaam. Soms alleen maar luisterend naar geluiden die ik wil horen en waar ik aandacht aan wil geven, het gerinkel van glazen, het gefluister van de wind.

Maar als iemand wil spreken, zal ik luisteren. En zo niet, dan is dat ook goed. Als niemand spreekt zegt dat ook iets. In dat geval luister ik wel naar de golven van mijn gedachten.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Lore

Liefste Lore,

Je had iets ongrijpbaars. Je was jong ook al leek je al een getekend leven achter de rug te hebben. Je stem was zacht en vastberaden, je lach helder, maar de wisselingen in je stemmingen, zo plotseling, zo intens en zo verwarrend.

Op goede dagen leek je enthousiast, gemotiveerd en onoverwinnelijk, zelfbewust en vastberaden. Er waren echter ook dagen dat donkere wolken over je gezicht trokken waardoor je helemaal in jezelf verdween, haast onbereikbaar voor de buitenwereld en voor de vele mensen om je heen.

Je oogde levenslustig met een glimlach die de zon leek op te roepen, maar met stralen die je hart nog maar zelden konden bereikten. Achter die glimlach schuilde iets mysterieus donkers, iets wat ik niet echt begreep. Vrienden hoor ik zeggen hoe goed je was voor anderen, hoe slim je was, hoe je altijd klaarstond en altijd doorging, zelfs, met je gepijnigde gedachten. Je wou het zo graag zo goed doen. Alleen, het wou maar niet lukken.

Ik denk dat de avonden je vijand werden waarbij je troost zocht in dingen waar je beter geen troost in zoekt. Onze gesprekken werden stiller en minder frequent. Soms maakte je nog plannen voor morgen, sprak je nog over dromen die je wilde waarmaken, alleen jij wist dat deze nooit zouden uitkomen.

Je leefde alsof je in een constante strijd verwikkeld was, een gevecht tussen de helderheid van goede dagen en de diepe, duistere afgrond van de slechte. Waarom toch zag je zelf niet wat voor uitzonderlijk iemand je was?

In een van onze laatste gesprekken, maanden geleden zag ik je balanceren op de rand van iets onpeilbaars. We konden je niet meer terug naar boven trekken, althans niet voor lang. Niemand kon dat. Dat besef is er nu pas. Ik probeerden je op te beuren, je perspectief te tonen, je te laten lachen je te zeggen dat geduld en tijd je grootste bondgenoot is, maar de leegte in je ogen bleef dof en vooral onuitgesproken. Misschien dacht je dat je de controle nog had, dat je de balans nog zou vinden. Maar die balans was verdwenen, onzichtbaar voor jezelf maar ook voor degenen die dicht bij jou stonden. Je had het zo graag anders gewild maar het lukte niet.

Daarstraks hoorde ik dat je er niet meer bent. De stilte en het verdriet en de wanhoop en onmacht is haast ondraaglijk. Ik herken het nu allemaal in jouw stilzwijgen.

Het besef drong onmiddellijk door dat je de strijd had verloren of dat je hem niet langer meer wou voeren. Het besef sijpelt door dat jouw onuitputtelijke kracht om door te gaan is verdampt. Nu is er alleen nog die stilte, en de schrijnende waarheid dat je jouw demonen niet langer meer wou verdragen en dat je de moed en de kracht bent kwijt gepeeld om jezelf even graag te zien als die vele mensen om je heen dat doen.

Jouw strijd is voorbij. Rust nu maar zacht lieve Lore.  Jouw innemende lach zal zo hard gemist worden.

Een brief aan mijn zestienjarige zelf

Jan,

Als ik nu naar je kijk, voel ik een soort melancholie die jij onmogelijk kunt vatten. Ik ben namelijk jouw veertig jaar oudere zelf. Het voelt vreemd om je aan te spreken, maar ik geloof dat ik iets belangrijks te zeggen heb. Wat je ermee doet, laat ik aan jou over. Maar ik verwacht niets anders van jou, ik ken je.

Het is 16 augustus 2024, en ik lig languit in een doorgezakte zetel waarin ik noodgedwongen veel van mijn tijd doorbreng. Maak je geen zorgen, ik ben helemaal oké. Het is avond, het miezert buiten, en de kamer om me heen is gevuld met getemperd licht en omgeven met talloze herinneringen aan een leven vol hoogte- en dieptepunten.

Je bent zestien, Jan. Je denkt dat je al iets van de wereld kent, maar eigenlijk weet je van toeten of blazen. De enige waarheid van vandaag is dat de wereld voor je openligt en helemaal klaar is om door jou ontdekt te worden. Ik zie je voor me liggen in dat bed dat feitelijk veel te klein geworden is voor dat grote lijf van jou. Alleen ik weet dat je je eigenlijk veel kleiner en nietiger voelt dan dat grote lijf waarin je ronddraaft.

Wat zie je, Jan, wanneer je naar de horizon kijkt? Zie je avontuur dat je zo gretig najaagt, of begin je ook al de valstrikken te zien die ik niet kon vermijden?

Het is vreemd om jou te schrijven, want de weg die voor je ligt, is er één die ik al heb bewandeld. Ik ken hem. Hij kronkelt, is bochtig en zit vol diepe dalen, bezaaid met wolfijzers en schietgeweren, maar ook met momenten van puur geluk. Mag ik je verklappen dat die weg verraderlijk is? Je zult struikelen en vallen. Je zult jezelf verliezen en terugvinden, misschien vaker dan je nu voor mogelijk houdt. Je zal het wel doen.

Je zult liefhebben en geliefd worden, Jan. Met een vurigheid die alleen jij zult voelen, zoals je voor het eerst de hitte van de zon op je huid voelt branden en je hart doet ontploffen. Ja, er zullen vrouwen zijn die je hart sneller zullen laten slaan en die je zullen laten geloven dat de wereld alleen voor jullie tweeën bestaat. Je zal ontdekken dat liefde niet altijd een vriend is. Ze zal je ook verpletteren, je hart in duizend stukken breken en je achterlaten in een leegte waaruit je niet meteen weet te ontsnappen, waardoor je je zult afvragen of het allemaal wel de moeite waard is geweest.

Maar er is die ene, Jan. Degene die je hart voor altijd zal beroeren, zelfs op de lastigste momenten dat je het niet meer wil erkennen. Je zal haar leren kennen in een tijd waarin je van niets meer zeker bent en van nog minder iets begrijpt. Ze zal in je hoofd kruipen en onder je huid, om er te blijven, ook al wil je soms dat je haar nooit had ontmoet. Ze zal je rechthouden, en samen in de diepste afgronden afdalen. Ze is het licht en het donker ineen.

Soms, Jan, zul je merken dat het gemakkelijker lijkt om dingen diep in jezelf te verbergen, om ze weg te stoppen in een kluis diep in je hoofd, om te doen alsof ze er niet zijn. Jezelf voorliegen lijkt zo ogenschijnlijk een gemakkelijke manier om te overleven. Maar het is een vlucht die je uiteindelijk kan doen bezwijken onder het gewicht van je eigen gedachten en demonen. Je zal niet volhouden. Je zal je geheime brandkast openen en je zal vechten om niet te verdrinken in alles wat je probeerde te vergeten en te verdoven. Het zal je lukken.

Je zal schrijven, zoals ik nu doe. In die woorden op papier zal je mensen terugvinden en kwijtraken. Je zal verhalen schrijven over jezelf en over anderen, zelfs als je hun naam niet meer op papier wil zetten. Nostalgie zal in je verhalen doordringen en zal in elke zin weerklinken. Leer schrijven zoals je graag ziet met alles wat je in je hebt. Ik denk dat je dat nu al kan.

Daarom, schaam je niet voor wie je bent, of waar je vandaan komt, voor datgene wat je diep vanbinnen voelt of voor de verkeerde redenen niet durft loslaten. Zoek geen voldoening in luchtkastelen en jaag geen dromen na die de jouwe niet zijn. Wees rebels en tegendraads zoals je vandaag al bent en zoek geluk in kleine dingen, de dagelijkse.

Nu je jong bent, denk je dat je met iedereen een connectie moet hebben en dat iedereen jou graag moet zien. Je gelooft dat de wereld een open boek is waarvan elke pagina gevuld moet zijn met mensen die je begrijpen en je met schouderklopjes overladen. Het is niet zo, Jan. Diepgewortelde vriendschappen zijn zeldzaam. Je zal ontdekken dat je die band slechts met enkelen blijvend zult onderhouden. Je komt er vanzelf achter met wie je dat zal doen.

Er komt een dag waarop je zult begrijpen dat het leven niet die epische roman is die je je nu voorstelt. Het leven zit immers in hele kleine momenten, in onuitgesproken woorden, in een blik die je toegeworpen krijgt en die je met een glimlach beantwoordt. In die hand die je niet hebt durven vasthouden en in die keuze die je niet hebt durven nemen. Met het ouder worden zal je die momenten met je meedragen als een last, maar ook als een dierbare schat.

Het leven zal je leren dat spijt waardeloze pasmunt is. Toch zul je die in overvloed bezitten, om je er af en toe leeg mee achter te laten. Gooi die muntjes tijdig weg, ze wegen zwaar maar je koopt er niks mee. Ook dat zal je leren.

Op een dag als deze zal je je herinneren wat het betekende om jong te zijn, om te geloven dat alles mogelijk is en dat het leven zich wel zal uitvouwen zoals jij het wil. Alleen, Janneke, het leven houdt zich niet aan jouw regels. Je zal moeten leren buigen, zoals een plataan in de wind, anders zal je breken. Je zal het niet doen.

Dus, aan jou, mijn zestienjarige zelf, zeg ik met wijsheid van nu, wees niet zo hard voor jezelf.  Fouten zal je maken, sommige daarvan zullen je blijven achtervolgen tot je je laatste ademtocht uitblaast. Maar onthoud heel goed dat het juist die fouten zijn die je zullen vormen en je zullen maken tot de man die je uiteindelijk zal worden, ik dus, en jij natuurlijk.

Jan, je oudere zelf

Duister gezelschap

Hij is een vreemd en duister gezelschap, een genadeloze vijand en een ongewenst heerschap waarvan ik wenste dat ik hem niet had ontmoet. Soms sluipt hij ongevraagd binnen in de vroegste uren van de ochtend wanneer de wereld nog stil en rustig is. Dan weer verschijnt hij diep in de nacht om mijn rust te verstoren door mijn schouder en rug met denkbeeldige messteken te doorboren. Hij heeft vele gedaanten en evenveel namen, maar zijn gezicht blijft onveranderlijk en onverzettelijk. Hij ziet er afschuwelijk uit.

Zoals gisterennacht, hij verscheen langzaam in de stilte van de nacht, eerst als een storend gefluister. Dan werd het een troebele nachtmerrie die snel uitgroeide door zijn alles verterende aanwezigheid. Hij is geen oppervlakkige verkenner die komt en gaat. Neen, hij neemt de gedaante aan van een diep wortelende zeurende last die zich vastzet in elke beweging, in elke kuch en in elke ademstoot. Hij komt zonder uitnodiging en weigert te vertrekken, hoe vaak ik het hem ook vraag of smeek.

Pijnstillers bieden nauwelijks of slechts tijdelijke verlichting en ze zijn een dubbelsnijdend zwaard. Aan de ene kant dempen ze wel de felste pijnscheuten en maken ze dragelijker. Langs de andere kant dragen ze gevaren met zich mee die nog angstaanjagender zijn dan zijn aanwezigheid zelf.  Verslaving, afhankelijkheid en de voortdurende dreiging van gewenning maken me angstig en onrustig. Het wankele evenwicht tussen verlichting en de risico’s van verslavende pijnmedicatie blijft een ongelijke strijd die ik liever niet aanga.

Het ergste zijn niet de gekneusde botten en kapotte gewrichten, maar niet kunnen doen en laten wat ik wil, niet kunnen bewegen en voelen hoe mijn pijnlijk lijf beperkingen oplegt die ik zo vroeg nog niet had verwacht. Dat is een nieuwe gewaarwording. Vannacht werd hij een constant dreigende schaduw die bij me blijft en heel aanwezig is, bij elke beweging en bij elke gedachte.

Er is weinig troost want hij verlengt deze onverdraaglijke nacht die ik niet bewust wens te beleven. Hij maakt elke minuut zwaarder en elke seconde langer.

Hij is onlosmakelijk verbonden met mijn bestaan en al een tijdlang mijn persoonlijke metgezel. Soms vrees ik zelfs dat hij zolang zal blijven tot het moment dat ik mijn laatste adem uit zal blazen. Hij, een donkere wolk die me achtervolgt, heel aanwezig en dreigend, als onwelkome gast die mijn plezier en vreugde verstikt en hoop in de weg staat of zelfs in de kiem smoort.

In plaats van zijn aanwezigheid te aanvaarden schrijf ik hem nu weg in de duisternis van deze lange nacht. Hopelijk kan ik zo eventjes uit zijn genadeloze greep ontsnappen.

Pijn, die gemene, genadeloze klootzak die terwijl ik dit schrijf elke druppel vreugde uit de nacht zuigt tot er niet veel meer overblijft dan een schrale herinnering aan hoe die ooit was, rustig en kalm, tot hij onverwacht opdook.

Ik haat hem, maar hij zal me er altijd aan helpen herinneren van het gevaar wanneer ik de volgende keer besluit om met een slaapkop en badslippers als schoeisel de trap af te komen.