Categorie: Verwachtingen

Slaaptrein

Op de grote kubus die dienst doet als nachttafel, staat een klokwekker naast de nachtlamp. Hij lijkt me met zijn felle rode cijfers spottend te begluren. Alsof hij me hypnotiseert en me zo tot ongecontroleerde nutteloze gedachten dwingt. Ik probeer de verspringende nummertjes te negeren maar het gaat niet. Elke minuut zie ik passeren. In mijn hoofd malen scenario’s. Ze gaan over niets, maar het is pas wanneer niets zich ontrafelt tot oneindig spingaren dat dit ontaardt in het einde van mijn wereld.

Over één minuut is het precies vier uur. Ik heb nog niet geslapen. Telkens ik er dreig van tussen te vallen en er zich mogelijks voorzichtig een droom aankondigt, springt er vanuit het duister onheil binnen. Dwingend en oncontroleerbaar. Hoewel ik op dit moment over het beste alibi beschik, om van elke kronkel een wereldprobleem te maken, kwel ik mezelf toch alleen maar met mijn eigen onbenullige perikelen.

Het moet twaalf uur geweest zijn. Hoogstens half één. Hoewel ik dan eigenlijk al te moe was om mijn slaap nog veel langer uit te stellen, heb ik mijn slaaptrein toch laten passeren. Op mijn perron hoefde hij nog niet te stoppen. Ik zou wel aansluiten bij de volgende slaapprocessie. Temeer omdat zij ook nog geen aanstalten maakte om onmiddellijk al de dag voor de nacht te willen ruilen maar ook omdat ik het romantische plan in gedachten had om er samen met haar tussen te kruipen. Voor erotiek en intimiteit kan ik immers dagen wakker blijven. Seks hoeft daar niet altijd van te komen al zal ik wel ridderlijk toegeven dat ik daar nog nooit paskaarten op heb ingezet. Toen echter, een half uurtje later, mijn voorzichtig voornemen, om vel tegen vel de nacht te verwelkomen, werd weg gegeeuwd, bleef ik klaarwakker liggen. Alle slaaptreinen waren ondertussen richting dromenland vertrokken. De laatste zag ik ook nog voor mijn neus vertrekken.

Twee uur lang al lig ik in de nacht te staren. Eerst op mijn rug dan op mijn zij. Eerst op mijn linker dan op mijn rechter. Met en zonder kussen tussen mijn knieën. Wanneer zal het nu eindelijk lukken? Als ik de achterflap van het dekbed dat opgespannen zit onder de matras heb los getrokken? Zodat mijn voeten ontbloot worden en de hitte kan ontsnappen? Of wanneer ik het dakraam heb open gezet zodat alle gedachten die de rust verstoren geruisloos kunnen ontkomen? Ik blijf draaien en keren en woel me verder klaarwakker. Koudere voeten helpen niet.

Even overweeg ik op te staan maar doe het niet. Tegen beter weten in wacht ik maar gewoon verder af tot ik het niet meer hoef te doen. Misschien begin ik wel een hulplijn of ga ik van start met een nachtelijke praatgroep. Zodat we tijdens ons verstoord slaapritueel elkaar kunnen uitlachen met verhaaltjes waarmee we elkaar in slaap praten.

Jan en Jantelov

Vraag me niet hoe het komt of waarom het ooit mijn aandacht opeiste en het sinds dan aan mijn vel is blijven plakken. Ik kan me het niet meer precies voor de geest halen.

Misschien was het wel mijn verre Deense vriendin die me er in een hoog opgelopen politieke discussie over links en rechts op alludeerde. Wellicht heeft ze me het toen voor de voeten gegooid. Ik weet het niet meer precies maar sinds ik er lucht van gekregen heb, heeft het me nooit meer helemaal losgelaten.

‘Janteloven’ zo wordt het in het Noorden genoemd.  Het zijn eigenlijk maar tien regels die me iets duidelijk willen maken:

  1. Je moet niet denken dat je wat bent.
  2. Je moet niet denken dat je even veel bent als wij.
  3. Je moet niet denken dat je slimmer bent dan wij.
  4. Je moet je niet inbeelden dat je beter bent dan wij.
  5. Je moet niet denken dat je meer weet dan wij.
  6. Je moet niet denken dat je meer bent dan wij.
  7. Je moet niet denken dat je deugt.
  8. Je moet niet om ons lachen.
  9. Je moet niet denken dat iemand om je geeft.
  10. Je moet niet denken dat je ons wat kunt leren.

Jantelov is Scandinavisch dat is zeker. Het lijken tien arrogante vingerwijzingen die bedoeling hebben om kort te houden. Om spiegel voor te houden en me in te peperen dat ik eigenlijk niet al te veel voorstel zodat ik niet te hoog van de toren ga blazen. Maar is dat wel zo? Klopt dat wel? Ik ben al even op zoek naar wat er precies tussen de regels te lezen staat. Ik vraag het me af, of het wel geschreven is als gedragscode of als reglement om initiatief te beknotten en om volgzaamheid te cultiveren. Of is het net het omgekeerde en moet het net daarom beschouwd worden als kritiek op dit soort van denken en handelen?

Het is geleden van de godsdienstles uit mijn humaniora dat tien regels me nog zo bezig hielden maar dat was omdat ik ze toen van buiten moest leren.

Toen ik deze nieuwe tien geboden voor de eerste keer las, was ik inderdaad van mening dat het maar brute kritiek was die tien keer krachtig gespuid werd op een bekrompen manier van denken. Als een soort berisping of waarschuwing van de ‘champignonmaatschappij’, die me er moest doen aan herinneren dat, eens mijn wit kopje in de mest is uitgekomen, het toch onmiddellijk zal afgemaaid worden. En dat ik daarom maar best, gewoon met de stroom mee kan stromen zoals dode vis die meedrijft in een rivier. Niet te weerspannig maar gedwee en mak om klakkeloos en zonder nadenken mijn lot te aanvaarden.

De tekst kreeg plots een hele andere betekenis toen ik met de persoonlijke voornaamwoorden begon te spelen. In de ik-vorm worden de regels opeens een uitdrukking van bescheidenheid en nederigheid. ‘ ik moet toch niet denken dat jij van mij wat kan leren.’ In de jij-vorm werd het dan weer een ode aan gelijkwaardigheid tussen mensen waar de ene niet beter of slechter is dan de andere. Al zou ‘Jantelov’ evengoed kunnen geïnterpreteerd worden op de manier zoals ik het de eerste keer deed, om mensen te beknotten en te betuttelen.

Hoe ik het ook wend of keer ‘Jantelov’ is nog zo onnozel niet. Op de een of andere manier vind ik er wel een boodschap in waar ik verder mee aan de slag kan. Om dingen te relativeren, om me met mijn voeten op de grond te houden wanneer ik wat hoogdravend word of om me er mee onder mijn kont te trappen als ik ingedommeld raak.

En dan hoop ik maar dat de grootsprekers in de politiek, in het bedrijfsleven of in de financiële wereld ook een beetje ‘Jantelov’ worden zodat dat de machtswellust of de zelfverheerlijking een beetje getemperd wordt en bescheidenheid wat bovenhand krijgt.

Want of je nu wereldleider, top politicus, minister of staatssecretaris bent: ‘Je moet niet denken dat je wat bent!’

Kauwgom en een hondendrol

 

Wanneer mijn humeur overslaat, en dat overkomt me soms meer dan dat ik het graag heb, probeer ik wel eens stil te staan, om er achter te komen, wat het is dat deze ‘moodswings’ uitlokt.

Wanneer wordt goed slecht en wanneer wordt slecht goed of beter?

Ik ben er gaandeweg, met vallen en opstaan achter gekomen dat het kleine dingen moeten zijn want aan de grote hecht ik überhaupt niet zoveel waarde. Die zullen het verschil niet maken. Dure auto’s, een groot huis, carrière, overvloed, geld, reizen of status zijn niet onmiddellijk zaken die mij druk bezighouden of die me contenter of ambetanter zullen maken.

Ik ben redelijk zeker dat het meeste wat ik nodig heb om normaal gelukkig en comfortabel door te dobberen, al bezit. Ik leef mijn dagelijks onbezonnen, niet al te ongezond leventje met huis, tuin en boom, kabbelend en rustig verder. Maar hoe komt het toch dat ik me soms plotseling en zonder grote aanleiding precies in een doodlopende steeg waan, zoekende. Naar iets dat ik niet vind. Alsof ik reik en streef naar iets dat onbereikbaar is of naar iets dat misschien zelfs niet eens bestaat.

Sommigen beweren dat tevredenheid in het alledaagse kan gevonden worden zonder te vergelijken met anderen. Dat zal zo wel zijn en het zal zo wel horen te zijn. Maar moet ik daarvoor dan dankbaar zijn? Moet ik daarvoor dan dank-u zeggen omdat er altijd wel een groter sukkelaar op deze aardkluit zal rondlopen die er slechter aan toe is dan ikzelf? Om er dan gevuld van schuldgevoel achter te komen dat ik me eigenlijk alleen maar druk aan het maken ben omdat ik dik, oud, lelijk en met de dag senieler aan het worden ben. Terwijl ik het tot nu toe alleen maar gewend ben geweest om jong en hip door het leven te dartelen. Is het dat dan en zet dat besef me dan op een dwaalspoor? Ik zal weer maar eens met mezelf lachen en dankbaar zijn dat ik dat nog kan. Dat ik mezelf nog kan relativeren tot een slechte mop.

Moet ik mijn persoonlijke voldoening dan voortaan niet eerder zoeken in een groene grasspriet en in het gesjirp van een vogel? Of in een zonsopkomst of –ondergang zodat ik op die momenten ga beseffen dat ik voor die momenten geen eurocent hoef te betalen. Om daarmee dan tot inzicht kom dat niemand zich dat tafereel ooit zal kunnen veroorloven. Zelfs niet met al het geld van de wereld.

Zal ik me dan maar gewoon maar een beetje verder blijven ergeren aan mijn omgeving, mijn werk en mijn vrienden? En aan mijn vrouw die wellicht op dit ogenblik met net hetzelfde bezig is als ik. Of zal ik voortaan trachten me niet meer te storen aan de onzekerheid van het leven en aan de dingen ervan zodat ik me wat tijd kan gunnen om te beslissen wat ik er verder mee wil aanvangen? Zodat ik bij elke fout die ik zeker nog zal maken misschien dankbaar wordt omdat ik er altijd iemand anders de schuld kan van geven. Mijn vrouw, het weer, of de Walen en de Sossen.

De belangrijkste dingen in het leven zijn gratis en voor niets en dat is een zegen want op die manier kan de rest van mijn vermogen besteden aan het op één na belangrijkste.

Van die gedachte word ik blij en bijzonder dankbaar omdat ik het op een andere manier geworden ben dan dat ik het verwachtte. En dan wordt plots die kauwgom en die hondendrol waar ik zonet in trapte het hoogtepunt omdat die me er aan herinneren dat perfectie niet bestaat. De rechtse rijstrook van het leven wordt op die manier een perfecte vluchtweg voor de bumperklevers die me van het linkse willen duwen. En met die gedachte leer ik eindelijk de dingen te zien zoals ze misschien ooit zouden zullen worden. Wanneer ik zot genoeg geworden ben en mezelf geen tijd meer gun om me er zorgen over te maken wanneer het weer  niet loopt zoals ik het verwacht had.

En als je denkt dat ik wartaal uitkraam of ongelijk heb, wil ik toch voorzichtig proberen jou van het tegendeel te overtuigen. Door me hier het recht toe te eigenen te zeggen wat ik denk, zelfs al is het niet eens de moeite waard om het te zeggen, laat staan om er deze woorden aan te verspillen.

Dank u.

Paard zonder teugel

 

Alle  amoureuze verhoudingen worden wel eens op de proef gesteld want elke relatie is een machtsstrijd, een soort van battle of sex(es). Autoriteit voor intimiteit. Iedereen wil immers toch in min of meerdere mate een beetje controle of autonomie over zijn leventje om dingen doen die hij of zij spannend of belangrijk vindt. Vanuit die verschillen en vanuit die soms tegenstrijdige persoonlijke keuzes en verwachtingen, kan een relatie wel eens onder spanning komen te staan en omgetoverd worden tot een frontlinie.

De generaties van een paar decennia geleden maakten er minder moeilijke woorden aan vuil. ‘Het is stil waar het nooit waait’, zei ons moe indertijd, toen het weer eens ‘groen hout’ was omdat onze va zijn goesting weer eens niet gekregen had en daarom naar het estaminet was getrokken. ‘Het waait wel over want een vent zonder vrouw is als een paard zonder teugel’. Hij komt wel terug straks. ‘ Met zijne steert tussen zijn benen!’

Onbegrensd mijn zin doen of straf uithalen ten koste van een andere, om gelijk te krijgen, om de mond te snoeren of omdat ik mijn goesting weer eens niet gekregen heb. Ik hoop dat ik het niet te dikwijls meer doe. Maar soms, wanneer ik in mijn grensposten aangevallen word en mijn tolerantie op de proef gesteld wordt, doe ik het toch. Op die zeldzame momenten, wanneer ik vind dat ik niet behandeld word zoals ik het graag wil of hoe ik denk dat ik het verdien, kan ik het nog. Dan loos ik verbale bagger om de vlucht vooruit te nemen.

‘Schijt op een hoop! Trek je hobbel en stik in je gelijk!’ en dan volgt soms nog ‘trut’, ‘kalf’ of ‘kutwijf’ Afhankelijk of zij me eerst haar favoriete koosnaam, ‘eikel’ of ‘luibakken lul’ naar het hoofd geslingerd had.

Op die momenten is er geen connectie of verwantschap en wordt de bedstee door rookgordijnen en afweergeschut een paar dagen lang omgebouwd tot oorlogsgebied, waar de ene mijnen zaait en de andere zich in loopgraven terugtrekt, afhankelijk van wie het meeste gelijk opeiste of wie ongepast te veel noten op de zang had.

Er mag best wel duidelijke limieten gezet worden om aan te geven waar grenzen liggen. En het hoeft niet altijd expliciet gezegd of luid uitgeroepen worden tot waar de andere mag gaan en tot waar zeker niet. Want ruzie maken doen we beschaafd.

Al vind ik maar zelden gelijk in straffe macho koppigheid want ‘stil is het waar het nooit waait’ en in de confrontatie schuilt ware intimiteit. Nadat alle potten door het huis vlogen en nadat  lakens scheurden door ze te hard naar me toe te trekken, worden harde woorden teruggetrokken en compromissen bezegeld. Zij meestal met een traan. Ik dikwijls met ongemakkelijke schone woorden. 

De mythe dat ik alleen maar persoonlijk zou groeien door maar wat  aan mezelf te sleutelen wordt dan met een snelle veeg van de tafel gekeerd.  Als ik het uiteindelijk aandurf om met de witte vlag omhoog en met ‘de steert tussen de benen’, de loopgraaf te verlaten voelt het niet als capitulatie of nederlaag maar als een dikke zode aan de dijk van toekomstige eensgezindheid.

En dan worden we door dat nieuwe vredesverdrag uiteindelijk alle twee winnaar van de battle of the sex(es). Zij met haar ondeugende glimlach, ik omdat ik nog steeds met twee snelle vingers haar bh kan los prutsen.

Superheld in de gouden kooi

 

Het liefst van al zou ik de wereld redden. Mocht ik een beetje moediger zijn,  ik zou een onbevreesde voorvechter zijn. Een soort superheld van rust en geluk, die elke dag nobele doelen na streeft, spannende dingen doet en mensen begeestert om ze juiste keuzes voor te leggen zodat ze gemaakt worden. Maar ik ben het niet. Ik vlieg niet zo door het leven. Ik mis er de ambitie en de eerzucht voor of ik ben er te bescheiden voor.

Carrière en aanzien, houden me weinig of zelfs helemaal niet (meer) bezig. Ik leef eerder met mijn ‘juist’ idee dat vrijheid, geluk en plezier het hoogst bereikbare level van succes is. De overschot is een illusie van opgedrongen levensdoelen die verpakt zitten in uitgedokterde loopbanen en strategische promoties.

Ik loop ze dagelijks tegen het lijf, de uitslovers, de loonslaven of statusgijzelaars, de strebers die tot eer en glorie van onbereikbaar aanzien en nutteloze status, in de gouden kooi geketend zitten. Om daar op zoek te gaan naar het hoogst ‘onhaalbare’ met klein geluk dat dient als onderpand om het net niet te kunnen verwezenlijken. Omdat de wortel te ver hangt.

In een enquête geeft een op vijf van alle werkenden voor zijn persoonlijk werkgeluk niet meer dan een zes of scoort zelfs onvoldoende, terwijl één op vijf, minimum een zeven scoort op de vraag hoe werkdruk ervaren wordt.

In mijn hoofd zie ik haastige of duffe mensen die zich geïrriteerd voortslepen in een file waar nauwelijks nog beweging in zit. Ze torsen gewicht op schouders en manoeuvreren met noeste arbeid of met ellebogenwerk naar een denkbeeldige top, net zo hard tot ze denken dat ze er zijn. Ze worden voortgedreven door de illusie van macht, status of promotie en opslag. Tegen beter weten in trekken ze verder. In slierten en lange rijen, naar kantoor of een ‘chantier’ om daar in hun hoofden aan planmatige carrières te prutsen om rijker en beter te worden, terwijl ze snakkend naar verlof, uren en dagen af tellen. Naar de avond en het weekend om daar dan zonder groot resultaat proberen te recupereren wat onderweg verloren raakte, in de jachtigheid van de ratrace.

‘Niets lijkt zo flexibel als ambities’ Want ze passen zich in hetzelfde tempo aan naar mate ze bereikt worden om uiteindelijk ongrijpbaar te worden of te duur. Tenminste als men de prijs durft te bekijken die er uiteindelijk voor betaald werd.

En dan denk ik: ‘Carrière en rijk, dat is voor idioten’ al zal het wel leuker zijn om ongelukkig te zijn in een Mercedes dan in Lada.

Boekenbal

 

Halverwege de trappen houd ik even halt en kijk voor me uit. Ik was hier eerder. Vorig jaar en alle voorgaande jaren ook maar dan alleen als bezoeker en toeschouwer. Vandaag is het anders.

Aan deze ingang hoef ik niet aan te schuiven. De aarzeling in mijn tred verraadt zenuwachtigheid. Iedereen kan dat van ver zien. Een handvol hostessen die bezoekers verwelkomen, staan op de hoogste trede. Ze dragen allemaal dezelfde lichtblauwe anorak en rode T-shirt. Een ervan scant mijn toegangsbadge en begroet me hartelijk. “Welkom, het is langs hier. Volgt u maar.” Ik ben niet zeker of ik zelf “hallo, goedemorgen” of iets anders vriendelijks terug zei. Mocht ik op mijn gemak zijn, ik zou dat nooit vergeten, al was het maar uit beleefdheid. Nu is me dat door de omstandigheden en door mijn nervositeit ontgaan. Ik ben zeker dat ze me door mijn ongewilde boertigheid een verwaande, arrogante eikel vindt. Ik twijfel even of ik terug zou gaan om het haar uit te leggen. Om te zeggen dat ik het niet zo bedoelde en dat ik doorgaans wel manieren heb maar ik bedenk me.  Wellicht omdat vandaag al grotere ego’s haar trap bestegen hebben. Ik laat het goed bedoelde voornemen verder voor wat het is want vandaag heb ik andere katten te wassen.

Zweetdruppels lopen langs mijn bilspleet en voel de boxershort ter hoogte van mijn liezen klam worden. Onwennig duw ik de glazen deur open. Uitgesproken verwachtingen heb ik niet en ik heb al helemaal geen idee hoe de namiddag verder zal verlopen. Toch begin ik me stilaan lichter en opgeladen te voelen. Ik besluit katten uit bomen te kijken en af te wachten wat de dag verder voor mij in petto heeft.

Eens binnen scannen mijn ogen jachtig de omgeving en speuren naar iets bekend of veilig. Een vrouwelijke figurant die verkleed is als Jommeke gesticuleert met veel gebaar en tracht de aandacht van kinderen op te eisen. We hebben oogcontact en zij bemerkt mijn hulpeloze onzekerheid. Snel probeer ik uit te maken of ze me ermee uitlacht of ze eerder tracht me op mijn gemak te stellen. Ik vermoed het tweede dus zwaai ik slungelachtig terug en prijs me gelukkig dat ik niet een ganse dag in zulk een jommekes-harnas moet rond dartelen en dat ik hier maar wat hanenpoten mag komen zetten. Wellicht zal haar slip natter zijn dan die van mij, maar ik verban die gedachte snel naar mijn mentale prullenbak.

In de eerste grote hal lopen mensen als zenuwachtige mieren door elkaar. Ze slenteren in min of meer geordende rijen achter elkaar, als werksters of verkenners van de kolonie, op zoek naar een interessante prooi die in hun blikveld valt. De ene mier achter de andere, kop tegen gat. Of ze schuiven aan en drummen voor een glimp van, of een kort praatje met hun idool die ze persoonlijk kennen van Tv. Iedereen sjouwt met tassen en zakken.  De meeste ervan puilen uit, met folders, kranten en tijdschriften of ander leesvoer dat allemaal verpakt is in hetzelfde bruine inpakpapier. De draagtassen zijn ook allemaal eender. Wall street van de boeken draait op volle toeren.

Achter hoge tafels zitten de ijdele hogepriesters of de gladiatoren van de boekenarena. Sommigen zie ik genoegzaam glunderen en genieten van de aandacht die hen te beurt valt. Andere dan weer verbergen hun gezicht achter de stapels boeken en houden zich er schuchter en bedeesd schuil voor de opdringerige attentie van het plebs waarvoor ze het geschreven hebben. Schrijvers zijn een vreemd volkje.

Als de nieuwbakken koningin van de kolonie arriveert, schuift de mensenmassa snel als een modderstroom naar zaal 3. Uit Pure-borden en Pure-kommetjes serveert de voedselmaker van de mierenhoop minutieus gestylde gerechten.  Voedsel zonder koolhydraten, zonder suiker en zonder smaak. Maar de menigte lust haar pure pap wel en “la Naessens-Jambers”, geniet zienderogen van de warme spotlights van waaronder zij haar voedselevangelie predikt. Zij kan zich niet verschuilen achter stapels boeken omdat die even snel slinken als overtollig vet dat even snel smelt als je de eetstijl overneemt die ze neerschreef in haar recepturen.

Hopelijk worden niet al de euro’s gespendeerd aan voedselrages van ouder wordende taarten of aan voetbalpraatjes van stotterende sportjournalisten en rest er nog een duit in de beurs voor literair verantwoorde dingen of voor andere leuke boekjes, van stuntelige auteurs, die zich verstoppen achter hun stapel omdat ze te verlegen zijn of te onzeker of omdat ze nog niet doorhebben hoe het boekenbal precies in elkaar zit.

Ik raak stilaan rustig. Wie schrijft die blijft en ik vis de vulpen uit mijn binnenzak.

 

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

Emo vs ratio

Doe ik het te niet dikwijls en veel te verregaand vraag ik me af. Stel ik me niet steeds veel te veel vragen? Over mezelf, over het leven in het algemeen of over mijn intieme beslommeringen? Ben ik met mijn publiek gedachtengespin dan een zielsverwant of eerder een rare zonderling die solitaire speelt met zijn private zielenroerselen? 

Als ik haar die kwestie voor de voeten gooi, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen hoort donderen! Ze wikt en weegt woorden, om te reageren maar buiten stilte die lawaai maakt, komt er niet veel. 

Met die plotse diepe frons op haar anders zo strakke voorhoofd, verraadt ze dat ze me niet begrijpt. Alsof we opeens een anders soort taal spreken. Ze geeft indruk niet te vatten wat ik probeer duidelijk te maken. Soms is praten moeilijk, alsof we op twee sporen koersen aan verschillende snelheden, in tegenovergestelde richting.

Soms wil ik een van mijn netelige kronkels begrijpelijk maken. Het gaat dan meestal over persoonlijke hindernissen, waar ik tegen aan bots. Kwesties waar ik loop op te bijten of waar ik mijn geweten mee aan de waggel houd. Op die momenten wordt mijn uitleg, of wat daar moet voor doorgaan, eerder een obstakel voor verduidelijking dan een poging tot toenadering. Ik voel dan te veel. Daar staan we dan, emo versus inzicht.

Met geargumenteerde ratio redeneert ze dan, alsof het geen moeite kost, mijn veel te gevoelsmatige benadering stuk. Hoewel ik voelsprieten heb die te vertrouwen zijn, of die ik vertrouw, mis ik meestal toch alle harde bewijs om mijn punt te maken, en dan voel ik me stom en stupide. Niet in staat om op te tornen tegen te veel beredeneerde argumenten.

“Je bent te verstandig voor mij” denk ik dan want vleierij is peper en zout in de relatie. Al zou ik om die te proeven, die paar woorden, de volgende keer gewoon beter ridderlijk en luidop uitspreken zodat haar blazoen ook opgeblonken blijft. 

Midwifecrisis.

 

Wat haat ik dit gevoel.  Ik kan het niet eens precies benoemen al is het er zeker wel. Het sluimert langzaam en het neemt over. Het adopteert me en het zich vast zet als een teek in een pels.  Ik weet niet exact wat het is of wanneer het zich manifesteerde en onopgemerkt binnen sijpelde maar nu voelt het aan alsof het zich me helemaal heeft toegeëigend. Opgeëist. Zonder verwittiging en zonder herkenbaar symptoom voel ik me op de een of andere manier geannexeerd aan een regime met verwachtingen waar ik niet vertrouwd mee ben.

Doe ik er nog toe? Ben ik nutteloos overbodig, maak ik nog verschil? Ik ben niet meer overtuigd. Ik kan mezelf niet afdoende bepraten om tot andere invalshoeken te komen. Met al dan niet gespeelde zelfzekerheid kon ik vroeger wel lakens naar me toe trekken. Ik kon doortastend spreken en overtuigend overreden. Ik kon mijn dag vullen hoe ik er zin in had. En als de goesting ontbrak was, liet ik me die niet ontvallen. Ik kon ze koesteren, die momenten van tijdelijk pensioen. Desnoods languit op mijn bed of in de zetel. En opeens lijkt het alsof daar niets van over schiet. Vandaag voelt die zo geheten vrede aan als een beklemming en een drukkende benauwdheid. Als een leegte die niet opgevuld raakt. Bodemloos schuif ik door in een hellebron waarin ik die ongemakkelijkheid niet van me afgewassen krijg.

Is het gewoon wat ontspoord zelfbeklag of deed die vijf misschien meer dan dat ik aan mezelf wil toegeven? Met elk begin van een nieuw persoonlijk millennium lijkt wel een nieuw soort puberteit aanvang te nemen. Met nieuwe en ongerepte onzekerheid. Alsof ik opnieuw, verloren, loop te zoeken naar juiste houdingen en passend gedrag. Ga ik juist om met die 2 nieuwe cijfers? Ben ik nu oud of nog jong? En doet dat er eigenlijk toe?

Liep ik niet altijd te brullen dat leeftijd geen label is waaronder alle gedrag mag geordend worden? Toeterde ik niet altijd luid dat leeftijd maar een cijfertje is een getalletje? Dat het vandaag te doen is.

Mijn overmoedige driestigheid haalde weer even bovenhand. Net zoals dat wel vaker gebeurd op mijn levenswandel.

Zal ik anders een was in steken en de strijk al doen? Dan kan ik met zekerheid straks aan mijn stoere mannelijkheid ook beginnen twijfelen. En is dat dan midWife-crisis?

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Gelukkig is de strijk gedaan.

 

De zwoele zomeravond doet traag zijn intrede. Er deunt zachte muziek uit de box en eerste vleermuizen flirten door de donkere schemerzone. Ze zit vlak voor mij en kijkt me indringend aan maar alleen wanneer ze denkt dat ik het niet merk. Als afleidingsmanoeuvre blader ik achteloos door mijn smartphone maar mis geen enkele beweging in de achtergrond.

Als ze me stiekem gadeslaat, houdt ze het hoofd schuin en ondersteunt het met haar rechterhand. Met haar wijsvinger draait ze voorzichtige denkbeeldige krulletjes, net boven haar oor. Laconiek gooit ze haar lokken achteruit zodat haar hals ontbloot wordt. Ze denkt dat ik het niet merk of misschien zoekt ze op die manier wel aandacht waar ik strategisch probeer aan te weerstaan.

In de andere hand houdt ze sierlijk maar nonchalant een halfvol tulpglas vast. We lijken op hetzelfde tempo te drinken. Zij witte wijn ik water, met ijsblokjes. We nippen en ademen in hetzelfde ritme, alsof ze me imiteert. Haar lichtgrijze ogen zoeken vluchtig contact. De lichtgrijze kijkers lijken donkerder en blinken vochtiger alsof er pretlichtjes in fonkelen. Wanneer ze zich met haar indringende blik betrapt voelt, kijkt ze kort weg. Het lijkt alsof ze het laatste greintje spanning, met een diepe ademstoot uit haar lijf zucht. Na elk slokje wijn gaat ze verleidelijk met haar tong zacht over de lippen. Haar mond kleurt roder en voller. De blosjes op haar wangen lijken plotseling veel minder onschuldige gedachten te verraden. Ze is ver in gedachten verzonken en glimlacht. Ze bijt op haar lip. Haar denkwereld fluistert haar zachtjes toe. Ze luistert en kijkt op zo een manier dat ze elk woord en elk beeld lijkt op te nemen om het nooit meer te vergeten. De ondergaande zon stuurt nog een paar laatste stralen alvorens te verdwijnen achter een horizon die eveneens rustig afwacht.

Gelukkig is de was, de strijk en de afwas gedaan zodat ze daar nu niet kan door worden afgeleid.

Kleuren van bloemen

 

De kinderen gaan binnenkort opnieuw naar school. Dan is de vakantie voorbij. De meesten onder ons gaan ook terug werken om er haastig te leven van de ene dag in de andere. De ene snel gevolgd door de andere. Het einde van de vakantie is dan het startschot om ons weer achter gesloten deuren en ramen op te sluiten, in onze dagelijkse sleur. Sommigen worden er zwaarmoedig van anderen lichten op en genieten van die geregelde drukte om weer indruk te kunnen maken of om levenswerken af te maken. Of er aan te beginnen.  Het maakt niet uit. Houd ervan, van het leven dat je leeft! En doe het met vuur en hartstocht.  De balans van het leven is zo subtiel omdat we leven op breedtegraden waar zelfbeschikking grotendeels bepaald wordt door onze omgeving en diegenen waarvoor we werken. In plaats van het heft zelf, in eigen handen te nemen. Begin er anders aan. Nu dan?

 

Hoewel ik van nature eerder pessimistisch ben, heb ik toch geleerd te leven met een relatief positieve geest. Met hoop en vertrouwen. Hoewel ik ook soms kan wegzinken in het duistere logboek van mijn leven. Om daar dan vast te stellen dat ik de cursus ervan slecht onthouden heb en gebuisd ben met onderscheiding! Stress en twijfel zijn docenten waar ik constant aan vraag hoe het verder moet. Hoe ik de dag, de week en de maand het beste indeel om er niet door opgeslokt te worden. Ze lijken wel eeuwige levenspartners in een moeilijke driehoeksverhouding. De relatie is ingewikkeld!
Hoewel ik beschik over een solide overlevings-gen en door wel wat dingen begeesterd raak pers ik mijn citroen soms ook wel veel te ver uit.  Tot er geen druppel meer in zit. Ik houd op zo veel manieren van mijn nieuwe leven, waar ik zelf architect van ben, dat ik het soms allemaal wil. Alles en ineens.  Als ik dan niet alert ben, wint de duivel op de ene schouder het van de engel op de andere. Op die momenten heb ik rust nodig zodat ik de duisternis van de herfst nog even kan uitstellen. Zodat de bloemen nog eventjes mooie kleuren sturen en ik de geur van mijn pad kan blijven volgen. Op de rechte weg. Met de juiste richting en dezelfde koers.  Met vaste tred zodat ik eindelijk die cursus vind en kan afmaken waar ik aan begonnen ben om er oude deuren te sluiten er er nieuwe te openen.

Op een dag is alles veranderd. Het is nooit te laat om te leren leven op de landweg van ons leven. Op die wegel die bezaaid is met wolfijzers en schietgeweren maar ook met kleuren van de bloemen!

Als je ze ziet staan, tenminste!

Verleden als schatkist voor de toekomst.

 

 

Deze nacht is niet zo donker als de meeste andere nachten want de volle maan kleurt de zwarte duisternis grijzer. De slaapkamer is broeierig zwoel en ik proef de zilte warmte die de opgedroogde zweetparels achterlaten op mijn lippen. Tussen twee zuchten door deemster ik weg. Slapen kan je het niet noemen. Ik draai mijn hoofdkussen nog eens om in de hoop dat de andere kant wat koeler is. Het valt tegen. De ramen staan wijd open en donderwolken die onderling strijd lijken te voeren voor het wijdste luchtruim, doen me opschrikken uit mijn deemstering. Als er al een vlaag in zit zal ze niet voor hier zijn, denk ik slaperig wakker. Ik wil de drukkende warmte negeren maar het lukt me moeilijk.

“Als ik een probleem zelf niet kan oplossen, neem ik er afstand van”. Is dat niet wat ik steeds opnieuw kwek wanneer ik anderen probeer te overtuigen om dingen los te laten. Want, je bezig houden met zaken waar je geen impact op hebt is tijdverspilling. Dat brengt toch geen zode aan de dijk. Dat predik ik toch steeds overtuigd en vastberaden!

Maar mijn eigen levenswijsheden lijken in het niets te vervallen wanneer het zwoel en plakkerig is. Dan tellen ze niet. Of toch?

Niets is zo langzaam en kostbaar als persoonlijke ervaringen. Geen enkel schrander mens zal ooit beginnen te experimenteren als hij het met kans van slagen, kan leren van iemand anders? Toch? Dus doe ik maar wat me door anderen is wijsgemaakt of opgedragen. Omdat zij het al met succes gedaan hebben.

Vroeger zou ik opstaan. Om te drinken, om te roken of om te gaan plassen omdat ik te veel gedronken had. Niet dat het me hielp. Want uren later had lag ik nog te rollen en te puffen.  Nu niet. Ik houd me stil en denk aan gesprekken die in de dag passeerden. Aan de gesprekken met mensen die vruchteloos de dingen naar hun hand probeerden te zetten om ze te controleren of om ze te veranderen. Het was hen niet gelukt en het zou hen niet lukken. Nooit. Ze blijven met frustraties, woede of verdriet achter. In die val trap ik niet meer want anders worden fouten uit het verleden geen schatkist voor de toekomst!

Om zeven uur werd ik gewekt door de klokradio en het weerpraatje van Sabine die waarschuwde dat het vandaag nog zwoeler zal worden. Ik geeuw de plakkerigheid van me af en neem een duik in een plonsbadje dat veel te warm is om er in af te koelen. Maar dat zal ik ook wel overleven.

Overmorgen geven ze regen!

Bladzijde 1

 

Bladzijde 1 ging vanzelf. Dat weet ik nog goed. Ik schreef en schrapte, herschreef en schrapte opnieuw. Als een bezetene ging ik te keer. Ik zocht naar woorden, synoniemen en een juiste invalshoek op een foute gedachte of een foute invalshoek op een juist idee. Tot het min of meer naar mijn zin was. Ik schreef in Times New Roman lettergrootte 14 want dat schiet aardig op. Die keuze leek me de juiste omdat de tekst dan nog kan gelezen worden zonder leesbril. Een voordeel, leek me voor het leespubliek dat ik beoogde. Mezelf.

Woorden, zinnen en alinea’s werden netjes horizontaal centraal gealigneerd want dat maakt een overzichtelijke indruk. Door voor tussenlijn 1,5 te kiezen leek het blad sneller vol dan dat het in werkelijkheid was. Een tekst-fata-morgana die het opstel er langer doet uitzien dan dat het in werkelijkheid is. Luiheid en gemakzucht zijn handige zonden die een beginnend schrijver niet vreemd zijn. Toen het eerste blad geschreven was telde ik 441 woorden. Bij het 442ste werd automatisch een nieuwe bladzijde beschreven. Hoe handig. Pagina’s vullen gaat automatisch.

Op de voetnoot van mijn wit blad staat onderaan rechts, in een wazig grijze font, pagina 268 en dan voel ik het in al mijn vezels. Ik wil over alles schrijven. Niet in het klad maar direct in het net, zodat het puur blijft en onversneden.  Over mannen en vrouwen of over grassprietjes. Over ogenschijnlijke alledaagsheid die me opvalt en me in het nu trekt zodat ik niet kan afdwalen naar kunstmatige grootsheid waar ik geen rol in heb. Ik kijk dan en voel of luister, zonder hoeven na te denken over wat nog komen zal of over wat al voorbij is en probeer het proper te verwoorden zodat jij het ook voelt. Of kan zien of proeven. Op die manier blijf ik scherp en attent op grote onbenulligheden die er toe doen. Wakker en bij de pinken voor non-valeurs die vandaag verschil maken, omdat ik, als ik dan later groot ben niet meer op dezelfde manier verbaasd zou kunnen zijn over dingen waar ik vandaag aan voorbij liep.

Als het steentje dan verlegd is stroomt de beek weer even wat sneller of trager. En sneller of trager is altijd goed.