Categorie: Verwachtingen

Vlinder op een zeldzame bloem

Mijn geheugen is fragiel, bijgevolg dus niet onfeilbaar. In mijn leven waarin alles zo snel gebeurt kan ik de verbanden tussen gebeurtenissen niet altijd goed begrijpen. Mijn begrip, gevoel en verstand schieten tekort. Ze raken door de tijd bedolven onder de ruis van herinneringen en onder het waas van verwachtingen, precies alsof mijn ziel erin is vastgeraakt. En ik, ik blijf maar ongevaarlijke pogingen doen om alles dichtbij te houden om het leven in een voor mij begrijpelijke dimensie te ordenen.

Herinneringen vervagen. De goede momenten, de foute keuzes, de pijnlijke vergissingen, het jammerlijk gemis, alles lijkt te vervliegen als rook in de wind. Misschien is dat maar beter zo want mocht elk detail van het verleden kristalhelder blijven, het gewicht van het leven zou ondraaglijk worden. En toch, zelfs met de fragiliteit van mijn geheugen en met vergetelheid als bondgenoot, begint het leven met zijn ondraaglijke lichtheid soms toch een beetje door te wegen.

Elk nieuw jaar belooft een frisse start, een blanco pagina in memoires die zichzelf nog moeten schrijven. Wat zal dit jaar anders maken? Deze vraag stuitert als een botsbal door mijn gedachten. Ik stel ze omdat het leven dat ik meen te kennen haar gewone, vertrouwde glans lijkt te hebben verloren, alsof een andere cadans het ritme nu bepaalt. Met dat nieuwe ritme weerklinken onzekerheden opnieuw als donderslagen. Je hebt de haast constante dreiging van oorlog en geweld.  De natuur lijkt niet blij te zijn en ook dichterbij lijken mensen steeds hartvochtiger alsof ze minder om elkaar geven, alleen nog geïnteresseerd in de persoonlijke zaakjes van hun smartphone, in snelle winst, in kortstondige zelfpromotie of in vluchtig genot.

Als ik daarover te diep na denk dreigt mijn rust en zachtheid te worden weggeduwd om te veranderen in loden lasten die als een sarcofaag mijn hart omsluiten. Ik probeer ze te bedwingen, maar lijk wel gevangen te raken in hun verstikkende greep.

Is het mijn onophoudelijke zoektocht, die vermoeiende en soms eenzame pelgrimstocht naar betekenis die me drijft met een niet te stoppen drang om orde te scheppen in de chaos van herinneringen, met de illustere hoop om grip te krijgen op alle onzekere schaduwen die door mijn dagen sluipen? Of is het net de paradox van vergeten en onthouden die als een eindeloze koorddans tussen wat was en wat kan zijn, mijn ziel blijft beroeren? Wat mag ik vergeten en wat absoluut niet? Welke herinneringen moet ik koesteren en welke kan ik beter laten vervagen in de stille nevel van vergetelheid?

En, is het wel ok om jou lastig te vallen met deze vraag aan de start van een nieuw beloftevol jaar? Want jij bent geen pelgrim van het verleden die zijn weg zoekt door de mist van herinneringen en door de wazige contouren van de toekomst en die met elke stap die hij zet een uitdaging ziet om de tijd bij te houden of om die nieuwe cadans van het leven te begrijpen?

Neen, jij bent een vlinder die door het leven fladdert. Misschien word ik in het nieuwe jaar ook een vlinder en kom ik je tegen op een zeldzame bloem.

Woorden als een storm in een fles

Woorden, onverbiddelijke krijgers met de potentiële kracht om de rijkdom van het onuitgesprokene te vernietigen en om verfijnde nuances te vervagen. Woorden, eens uitgesproken of losgelaten op papier nemen ze bezit van jouw gedachten en dwingen ze tot een eenduidige betekenis. De lagen van wat verborgen ligt, worden nooit echt onthuld, de waarheid nooit blootgelegd, naakt, eerlijk of onvermijdelijk?

Het is fascinerend hoe je, eens geconfronteerd met de grootsheid van het onzegbare of onbenoembare, bijna altijd instinctief teruggrijpt naar gekende woorden en naar bevattelijke zinnen, zelden naar gevoelens. Woorden worden dan een reddingslijn, een levensader die de illusie en complexiteit van onbegrensde gedachten en onberekenbaar gevoelens probeert te vangen in een web van letters en klanken, tot ze er zelf volledig in verstrikt raken.

Het is alsof ik een storm probeer te vangen in een fles. De waarheid echter is dat al die pogingen mijn onbegrijpelijke werkelijkheid reduceren tot een starre, gekende definitie, tot een geest die gevangen blijft in een labyrint van taal die worstelt met tegenstrijdigheden, meningen, uitdrukkingen en beperkingen.

Ik zie mijn verzonnen woorden wel op papier resoneren in de leegte van een taal die spreekt maar altijd zal tekortschieten. Ze breken keer op keer op de spiegel van mijn ziel wanneer ze mijn gedachten proberen uit te drukken.

En toch zit er in het falen van woorden en in de on-uitlegbaarheid schoonheid verborgen. Misschien verschuilt zich in de suggestie en in de zweem van de verbeelding iets dat groter is dan taal zelf, iets dat ontgaan blijft aan de heersende definities en consensus en, iets dat in de stilte na de echo de werkelijke complexiteit laat zien die alleen met jouw verbeelding kan gelezen worden, en dan bedenk ik me.

Niet alles hoeft gezegd, niet alles hoeft geschreven, niet elk woord vertaald.  Jij begrijpt me zelfs zonder woorden. Daar kan een tekst als deze zelfs niet eens aan tippen. Misschien had ik beter gezwegen!

Koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Iets meer dan tien jaar geleden, ik bevond me in woeliger water en stond lang niet zo stabiel en rustig in het leven als vandaag. Mijn dagen, destijds, waren een aaneenschakeling van eindeloze twijfel, angst en uitzichtloze schaamte waarin ik continu strijd voerde met de fles die me in haar omklemmende greep hield.

Het leven was niets minder dan een uitzichtloos gevecht dat ik dacht te winnen, maar waarvan ik elke dag opnieuw als verliezer de aftocht moest blazen. Elk glas werd een hopeloze poging om mezelf, en dat verdomde betekenisloze en storende leven te verdoven en te ontwijken.

Die waarheid durfde ik nooit onder ogen te zien, maar wie zijn leven in een andere richting wil sturen ontkomt er gewoonweg niet aan.

Een stem die zich ergens onder de oppervlakte bevond, fluisterde me, ‘Wie gelukkig wil worden en wil veranderen, verzet zich niet tegen het leven maar verzet zich tegen zijn duvels.’ Uiteindelijk besloot ik te luisteren.

Het heeft jaren geduurd voordat ik besefte dat mijn weerstand tegen veranderingen me alleen maar hadden uitgeput en teleurgesteld. Ik, een man die altijd koppig en vastberaden tegen de wind in liep, terwijl die bries me alleen maar mee wilde voeren naar nieuwe, ongekende horizonten.

Elke morgen begon met lege beloften aan mezelf, en eindigde met de overtuiging dat ik de volgende dag sterker zou zijn. Maar mijn verslaving lachte me uit, fluisterde bedrieglijke leugens en ik? Ik luisterde weerloos.

Veranderen is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt moed en volharding, twee eigenschappen waarvan ik dacht dat ik ze miste. De eerste stap was toegeven dat ik een gewoonte had die mijn leven beheerste, dat ik vastzat in een vicieuze cirkel van verslaving en ontkenning. Ik keek in de spiegel en zag de vermoeide ogen en het verweerde gezicht van een man die gevangen zat in zijn eigen dwingeland. Het was hoogtijd om de kar te keren.

Mensen met wie ik maanden later, na dat laatste glas mijn prille nuchterheid aftoetste zeiden me dat ik ongeduldig was, dat ik te snel resultaat verwachtte. En ze hadden helemaal gelijk. Ik wilde dat de verandering meteen kwam, dat ik ’s ochtends wakker werd en dat de zucht naar de fles verdwenen was, opgetrokken als ochtendnevel in de morgenzon. Maar zo werkt het niet. De tijd, dat ongrijpbare beest, heeft zijn eigen ritme en wetten. Het enige wat ik kon doen, was me er geduldig doorheen laten dragen, door de juiste mensen en vertrouwend op mijn geduld, wetende dat elke dag zonder alcohol een stap vooruit was.

De eerste weken zonder de fles, waren een beproeving op het leven. De verleiding was er constant maar ik weigerde te luisteren. De nachten waren opnieuw gevuld met eenzaamheid, zelfbeklag en angst, maar ik wist dat ik door moest zetten. Dat was mijn enige uitweg, mijn enige hoop op een beter leven. Die andere keuze had mijn ondergang betekend.

Weken, maanden zo niet jaren later begon ik langzaamaan de schoonheid van mijn nuchtere leven te zien. De ochtenden werden helderder, mijn ogen scherper en mijn doel duidelijker. Ik ontdekte dat er meer was in het leven dan de bodem van een glas. Mijn zintuigen en mijn gevoel ontwaakten als een slapende reus, ik deed weer mee.

De tijd gaat voorbij en telt al mijn hartslagen. Hij is mijn metgezel en bondgenoot. De ene dag brengt hij uitdagingen, de andere verleidingen. Soms gaat het goed en soms gaat het slecht maar ik ben sterker, stabieler en zelf zekerder om de onzekere stroom van het leven te aanvaarden, om niet langer tegen de golven in te vechten. Ik ben een man geworden die leeft in plaats van te overleven.

Het pad naar herstel was geen rechte lijn, het was een kronkelende weg met ups and downs. Maar ik weet dat ik nooit meer terug wil naar de man die ik ooit was. Ik heb geleerd dat verandering geen vijand is, maar een vriend die me de weg gewezen heeft naar een leven dat ik nooit voor mogelijk had gehouden.

En zo ga ik verder, stap voor stap, dag na dag, met de smaak van verleidingen als vage herinneringen, als een spook uit het verleden.

En ik, ik ben een ouder wordende man die het leven vastgrijpt op zijn eigen tempo en voorwaarden, zonder grote verwachtingen maar met dezelfde koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Een merel met een levensles

“Tijd druppelt langzaam weg als regendruppels op het vensterglas”, zeg ik stilletjes in mijn hoofd tegen iemand van de aanwezigen die er altijd is.  Terwijl dauw streepjes trekt op de ruiten van het tuinhuis, zit ik aan mijn vijvertje, een kop koffie binnen handbereid en met een sigaret tussen mijn vingers, de ogen doelloos gericht op de horizon van mijn hofje.

Een merel huppelt op het gazon, met zwarte veren vochtig als het gazon zelf, nog nat van de nachtelijke dauw. Ik zie dat aan de minuscule druppeltjes op zijn zwarte verenkleed. Hij zet zenuwachtige pasjes en zijn kop gaat op en neer terwijl zijn kraaloogjes schitteren met geduldig vertrouwen. Elk stapje lijkt doordrenkt te zijn met een kalmte van iemand die zichzelf de kunst van het wachten heeft aangeleerd.

Hij wacht geduldig en zijn kopje draait af en toe met aandacht die alleen gericht is op het gazon onder hem, als een jager met een prooi in het vizier.

Opeens verschijnt uit het natte gras een regenworm, duidelijk geïrriteerd door het gehuppel boven hem.  Met een bliksemsnelle beweging die zijn wachten lijkt te belonen, duikt de merel neer. Meedogenloos vindt zijn snavel het doel waarop hij al die tijd gewacht heeft. De merel vliegt weg, de buit stevig vastgeklemd in zijn snavel.

Het gazon en de toeschouwer van dit spektakel blijven achter, met de levensles van een geduldige merel en de beloning van wachten op het juiste moment.

Wachten en ongeduld, mijn twee oude vervelende metgezellen, even loyaal als storend. Ze wijken nooit van mijn zijde. Het zijn als schaduwen die nooit echt verdwijnen en zullen dat misschien nooit helemaal doen.

Ik heb op zoveel gewacht in dit leven, op antwoorden die nooit kwamen omdat de vragen niet duidelijk of te moeilijk gesteld waren of gewoon omdat het antwoord zelf te complex was om te begrijpen.

Ik wachtte bijvoorbeeld in een kille wachtkamer bij de dokter, terwijl de klok aan de muur elke seconde van de tijd liet horen als echo van mijn ongeduld en ik mijn bange gedachten afleidde met tijdschriften vol vergeelde pagina’s.

In de winters van mijn leven wachtte ik op zomerse beloften van wilde avonturen en bedwelmende vrijheid. In de zomers verlangde ik naar rust en gezelligheid van koude sneeuwdagen. Seizoenen komen en gaan en glippen als zandkorrels door mijn handen en laten me achter met verwachtingen aan de hitte of koude of met een verlangen naar meer.

Op maandagen wachtte ik op vrijdag, op werkdagen wachtte ik op vakantie. Tijdens drukte verlangde ik naar rust en als ik me verveelde wachtte ik op actie.

Op onbeantwoorde liefde heb ik ook gewacht en misschien is dat wel het zwaarste wachten dat er bestaat. Ik wachtte op haar blik, op een gesprek, op een glimlach, op hoop. Vol ongeduld, vol verlangen en spanning wachtte ik vergeefs op die ene vlinder die in mijn gedachten zou komen fladderen om op mijn hart te landen.  Wachten op vlinders die niet op je hart landen is het ergste wat er bestaat.

En toch kwam zonet dat ene moment. Waren het mijn gedachten, was het die vlinder of die merel? Het doet er niet toe maar plots kom ik tot besef dat ophouden met wachten de grootste bevrijding kan zijn. Hier zit ik, met de rook van mijn sigaret rond mijn hoofd, terugdenkend aan al die verspilde momenten en wat ze me hebben opgeleverd.

Ze worden alleen nog een deuntje dat zachtjes speelt op de achtergrond.”

“Ik wacht niet meer! Om hoe laat komt de volgende trein, maar vooral waar zal hij me brengen?

Een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset

Onder het oppervlak van Ken’s onberispelijke façade, waar perfectie slechts een dun laagje glanzend vernis is, gloeit zijn mannelijkheid als smeulende kolen met elke nieuwe dag heviger en heter.

Met een haarlijn strakker dan de manen van een ongetemde hengst en een kaaklijn scherper dan het scherpste scheermes vervloekt hij zijn uiterlijk als een heiligschennende ketter. “Wat ben ik hiermee, godverdomme.  Wat heb ik in hemelsnaam aan een roze Ferrari en aan een perfect uitgebouwd lichaam als ik gedoemd ben te leven zonder mijn traditionele gereedschapskist?”

Voor die ene perfecte Barbie, die hem adoreert voor zijn onberispelijke uiterlijk, terwijl zijn innerlijke drang het elke dag uitschreeuwt om veel verder te gaan dan haar roze pastelkleurige façade. Hij aanschouwt haar perfecte tieten zonder tepels en haar vormloos gewaxte kut zonder lippen, hetzelfde kunstmatige ideaal dat hij veracht maar waar hij zelf de verpersoonlijking van is. Wat moet hij ermee? Hij heeft niet eens een piemel, het grootste symbolische kenmerk van mannelijkheid.

Niets liever zou hij zich willen “losrukken” van zijn beperkingen om dat minstens drie keer na elkaar herhalen en zich zo te ontdoen van de kettingen van perfectie die hem aan zijn kunstmatig bestaan kluisteren. Wat zou hij graag leven met de ruigheid van een echte vent zonder zich te hoeven bekommeren over al die pastelkleurige grenzen die zijn verlangens begrenzen.

Daar staat hij dan, adonis der adonissen, gewaxt en gepolijst maar gevangen in een standbeeld op een voetstuk, met een Barbie naast hem als zijn onwetende gevangenismaatje. Op zijn pedestal is hij te bewonderen, zonder fysieke snikkel maar met nieuwe opgedrongen clichés en met andere stereotypen die even strak zitten als een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset die zijn ware aard probeert te verhullen, een mannelijke aard die verlangt naar actie, ruigheid, avontuur en pure mentale vrijheid.  

In een wereld die streeft naar verscheidenheid en identiteit en waar de traditionele grenzen tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid vervagen, wordt nieuwe mannelijkheid en nieuwe vrouwelijkheid niet gedefinieerd door uiterlijke attributen. Je persoonlijkheid of authenticiteit wordt niet meer waard of groter door een gepolijste torso, door een strakke haarlijn of een scherpe kaaklijn. Je vrouwelijkheid wordt niet afgemeten aan de grote van je rondborstige tieten, aan je getuite lippen of aan je ronde billen, maar aan de kracht om tegen de stroom in te gaan en opzoek te gaan naar jezelf.

Onder het gepolijste uiterlijk van elke Ken en Barbie schuilt een verborgen verlangen naar oprechtheid, naar tederheid of naar ruwheid, naar vrijheid of naar diepe verbinding, naar het verlangen om simpelweg jezelf te zijn.

Breek los van je beperkingen ongeacht de pastelkleurige wereld waarin je gevangen lijkt te zitten, zelfs als die wereld met alle kracht probeert je die beperkingen op te leggen.

Ze zijn niet echt!

En de waarheid dan?

Gisteren, een Belgische zomerdag van dertien in een dozijn.  De zwaarwegende vochtigheid zat als een slome kater in mijn hoofd te spinnen terwijl ik wegdroomde op een traag en stoffig pad van een dagdroom die nergens naartoe leidde, op zoek naar iets dat ik niet kon benoemen en mogelijks niet eens bestaat, de waarheid!

Was het die discussie over ‘de paradox van de waarheid’ en de gedachtenuitwisseling die we er laatst over hadden en als een vochtige bries door mijn gedachten bleef waaien die me op deze stoffige weg hadden gezet? Waren het die filosofische wijsheden of de alomtegenwoordige uitspraken die als een onzichtbare ‘Vrouwe Justitia’ met haar strenge blik overal op de loer ligt, gereed om al mijn innerlijke gedachten af te wegen en te analyseren op de weegschaal van eerlijkheid en rechtvaardigheid.

Waren het die ingebeelde filosofische rechters die als poortwachters hun vonnis vellen over mijn ingetogen monoloog en over al mijn innerlijke overwegingen, die me in deze rusteloze dagdroom hebben ondergedompeld?  Stel me de vraag niet want een antwoord heb ik niet, wat ik wel weet is dat zelfs oude, alom geprezen filosofen die ooit dicht bij de waarheid stonden, zichzelf ook wel eens tegenspraken. Neem nu Boeddha een denker die een leven lang waarheden en wijsheden uit zijn druivelaar schudde.

Gezeten onder de schaduw van een of andere kromgebogen levensboom, sprak hij ooit de gevleugelde woorden, “Verlangen is de wortel van alle lijden.” Ik laat de woorden tot mij doordringen, wie ben ik om ze te betwisten? Ik wil ze wel accepteren.  Soms is het beter een verwachting op te geven om er een verlangen mee te kunnen vervullen, bedenk ik me. Maar zoals elk onopgelost raadsel blijft knagen, duikt plots een andere uitspraak op uit de schatkist van zijn levenslessen. “Doorgrond en begrijp eerst je eigen verlangens.” Daar zat ik dan midden in de tweestrijd van mijn gedachten. Hoe kan ik mijn verlangens doorgronden als ik ze tegelijkertijd moet loslaten?

Is dat niet hetzelfde als tegen iemand zoals ik zeggen dat ik moet stoppen met hunkeren naar een glas wijn, maar tegelijkertijd moet proberen begrijpen waarom ik soms kwijl bij de gedachte eraan?” Dat is advies, waarbij de naald van mijn innerlijk kompas alle richtingen aanwijst behalve dat van het nuchtere Noorden.

Om bij de beeldspraak van dat kompas te blijven en om het allemaal nog een beetje ingewikkelder te maken, voegt Boeddha eraan toe.

“Verlangen, mijn vriend, is als een kompas zonder naald. Begrijp eerst je eigen noorden voordat je anderen de weg wijst.”

Deze zin voelt eveneens aan als wijsheid waarbij ik me als nederige onwetende gerust wil neerleggen. Tot een andere uitspraak in de lucht geworpen wordt en de oorzaak is van al mijn verwarring.

“Je identiteit en het zelf is een illusie, het zelf is een schaduw die verdwijnt in het ochtendlicht. Volg je pad, maar zwaai niet met je schaduw.”

Een frons trekt diepe groeven op mijn voorhoofd en een lach ontstaat op mijn mond wanneer ik deze wijsheden in omgekeerde volgorde lees, om niet gezegd te hebben dat mijn verstand ervan knettert tot een kortsluiting.  Hoe kan ik begrijpen wie ik ben, mijn pad volgen en mijn schaduw omarmen als mijn identiteit en mijn zelf een illusie is? Hoe kan ik zoeken naar mijn noorden en tegelijkertijd vaststellen dat het kompas er niet eens is?

Deze Belgische zomerdag van dertien in een dozijn is duidelijk niet de dag waarop de filosofische puzzels van het leven worden opgelost zelfs niet met Boeddha in persoon als partner in crime. Toch vind ik in zijn tegenstrijdige uitspraken een spiegel van mijn eigen complexiteit die ik mijn waarheid mag noemen, wetende dat zelfs de grootste verlichte geesten een vleugje menselijke sprankeling hebben en af en toe in onbegrijpelijke raadsels spreken.

En de echte waarheid dan?  Laat ons het daar een andere keer over hebben.

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Oneindig labyrint

In de kleinste uren van de nacht, terwijl de wereld vredig slaapt, dwaal ik door de gangen van mijn gedachten. Ik blijf er gekluisterd aan de verborgen schatten van mijn geest. Elke gedachte, elke keuze, klein of groot wordt ontoombaar door mijn geest ontrafeld, geanalyseerd en omgedraaid al ware het een kostbaar manuscript.

Ik ben een onrustige slaper, mijn brein weigert te rusten, ook nu weer. Het gaat op zoek naar onvindbare dingen uit het verleden of het spint garen op onzekerheden van de toekomst. Niets gebeurt zomaar of vrijblijvend, geen enkele beslissing simpel, stom, klein of groot wordt lichtvoetig genomen.  ‘s Nachts gebeurt alles weloverwogen alsof het allesbepalend is voor mijn lot. Alsof alles ervan afhangt.

De meeste mensen, zelfs diegenen die dicht bij me staan snappen er niks van. Ze noemen me besluiteloos, lui of zweverig.  Ze hebben geen idee.  Ze begrijpen niet dat die paniekerige twijfel nodig is om er elke losse rafel aan vast te maken. Het lijkt misschien niet zo, maar àls ik dan eenmaal mijn koers bepaald heb, zal geen enkele storm me van mijn pad kunnen brengen.

Overnacht zijn mijn gedachten net als stille kerkklokken die elk uur onhoorbaar luiden, alsof ze in alle stilte mijn beslissingen aankondigen.  De echo ervan weerklinkt alleen door in de ruimte van mijn grote hoofd om ze daar nog wat verder te onderzoeken.

Overdag reageer ik eerder impulsief. Omdat mijn geheugen moe is of omdat ik blindelings vertrouw op oplossingen die mijn gevoel me s’ nachts hebben ingefluisterd.

Doorheen de dag raast de wereld met snelle tred haastig voorbij terwijl ik nood heb aan vertraging. Door te leven met de voet op de rem wordt het gemakkelijker om van het moment te genieten zonder me met zinloze dingen te hoeven bezighouden. Maar mijn gedachten blijven voortdurend vooruit en achteruit reizen. Met schetsen uit het kladboek van het verleden schilderen ze scenario’s van wat in de toekomst kan zijn, terwijl hun schaduwen onzichtbaar over mijn schouders sluipen.

Telkens opnieuw blijf ik mijn innerlijke kompas ijken om bewuster te leren van de hartslag van het moment. Met die tijd kan ik mijn gedachten bevrijden van hun constante zoektocht naar antwoorden op vragen waarop geen antwoord bestaat. Misschien dat ik daarom nooit te laat kom, om beter voorbereid te zijn op datgene wat komt, om niet verrast te worden maar ook omdat ik in mijn hoofd minstens drie alarmklokken heb gezet.

Je zou het me niet nageven maar mijn onuitgesproken verwachtingen zijn hoog opgespannen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de wereld rondom mij.  Mijn streven naar de perfectie van innerlijke rust lijkt soms een vloek, maar het is mijn drijvende kracht om de juiste dingen te blijven doen.

Door die onrust maak ik relaties waarschijnlijk gecompliceerd en hoogstwaarschijnlijk moeilijk. Ik weet dat wel. Samenleven met mij zal af en toe een verschrikking zijn, omdat ik in mijn hoofd elke woordenwisseling, elk stilzwijgen of elk luider gesproken woord een andere lading geef door er een diepere of andere betekenis aan te geven dan diegene die jij eraan gaf.

Hier sta ik dan naar mezelf te kijken, als overdenker van de gedachte, elke dag op zoek naar een zandkorrel in de woestijn.  In de betonnen wereld die er vaak voor kiest om oppervlakkig te zijn blijf ik zoeken naar een klavertje vier. Het lijkt dan alsof ik gevangen zit in een oneindig labyrint, waarvan elke gang leidt naar een andere gang, naar een andere vraag, naar een nieuw inzicht of naar een ander soort begrip.

Ik geeuw, het is ondertussen zeven uur ’s morgens en jij wrijft de slapers uit je ogen, de mijne vallen dicht.

Het eeuwigdurend moment

Stel je voor, een dag als deze die eeuwig voortduurt of erger, er rest je nog maar één dag. Hoe zou je die ervaren en vooral zou je nog steeds dezelfde dingen doen? Toegegeven, het is op zich een ietwat vreemde vraag maar ze nodigt wel uit om dingen in perspectief te plaatsen. Ze dwingt me om te onderzoeken waaraan ik mijn kostbare tijd besteed en of ik me met de essentie ervan bezighoud.

Vandaag koester ik met deze hypothese het moment. Dat het een eeuwigheidlang mag duren ook al duurt het in werkelijkheid maar één enkele tel.

Toegegeven, graag heb ik het niet gedaan en veel is er niet van in huis gekomen maar ik heb gestudeerd, althans ik heb een poging gedaan. Ik deed het omdat het van mij verwacht werd, om een diploma te krijgen en om me met dat stuk papier van een job te verzekeren. Nadien deed ik mijn best om met de opgedane ervaring een betere te vinden en ik heb dat een aantal keer herhaald, soms met succes.

Ik zette braaf en gedwee noodzakelijke stappen om mijn maatschappelijke positie, wat dat ook moge betekenen, te verbeteren. Telkens opnieuw lag het ogenschijnlijk voordeel van elke carrièrezet in de toekomst. Elke stap was noodzakelijk om een volgende te kunnen zetten, hoewel elke tussenstap op zichzelf weinig of geen waarde van betekenis had. Ik zeg dat nu zo uitgesproken omdat het uiteindelijke resultaat of doel van elke zet ver in de toekomst lag en op zijn zachtst gezegd onzeker was? Haast nooit bleef ik stilstaan bij de vraag of er wel voldoende tijd zou overblijven om van dat uiteindelijke resultaat te kunnen genieten.

Dat tussenstapgedoe in het leven, eerlijk waar ik ben daarvan afgestapt. Gedaan met stappen zetten als voetafdrukken in het zand waarbij resultaat en doel te ver in de toekomst liggen en waarvan de uitkomst onzeker is. Ik probeer eerder voldoening te vinden in dingen die ik vandaag doe zelfs al is dat niet bijster veel. Maar vooral ik wil ze zetten zonder de verwachting of verborgen agenda dat ze, ‘later als ik groot ben’ misschien nog iets kunnen opleveren. Nu bijvoorbeeld schep ik er plezier in om mijn gedachten uit te wringen op dit stuk papier en stel me daarbij luidop de vraag. Wat als deze dag eeuwig duurt?

Het vooruitzicht van het eeuwigdurend moment steekt me niet onmiddellijk tegen. Betekent dit dat ik voldoening ontleen aan alles wat ik doe? Ik mag hopen van wel. Betekent dit dat ik andere dingen zou kunnen doen die me meer voldoening zouden kunnen schenken, mogelijks maar dan moet ik daar als ik dat wil ervaren nu maar mee beginnen, toch. En met die conclusie heb ik vrede.

Maar stel je een tegenovergestelde situatie voor. Beeld je in dat ik zou gruwen van het idee dat deze dag eeuwig zou duren en ik met de verkeerde dingen bezig ben of met dingen die me een vals soort voldoening geven en dat ik me daar niet bewust van ben. Misschien is die conclusie er een die zelf zou kunnen nemen als je je betrapt voelt omdat je reikhalzend uitkijkt naar die wereldreis die alleen in je dromen bestaat of naar dat langverwachte pensioen waar je nog twintig jaar moet op wachten en waartegen je misschien al vijf keer doodgevallen bent. Of kijk je misschien vol misprijzen naar vandaag omdat het weekend nog te ver weg lijkt? Kortom zie je uit naar iets wat zover in de toekomst ligt dat het onzeker wordt of dat überhaupt ooit zal plaatsvinden. Lijkt je dat geen afschuwelijke gedachte?

Wil ik nog wel, koste wat het kost ambitieus zijn of wil ik gewoon maar een klein beetje hoger klimmen en verder zorgeloos genieten van mijn weg? De kans is net zoals deze hypothese groot en onbestaande maar stel dat ik ooit een succesvol schrijver zou worden, niet dat dat tot de mogelijkheden behoort maar stel het je voor, hypothetisch. In die nieuwe rol zou ik genoodzaakt zijn om met lezers en recensenten te spreken. Ik zou lezingen moeten geven. Ik zou moeten meedraaien in een uitgeverscarrousel, enfin ik zou dingen moeten doen waarvan ik nu al zeker weet dat ze me tegensteken.

De ambitie om het onbereikbare te bereiken is me vreemd en die luxe is voor mij onbetaalbaar. Het enige wat ik ècht wil is mooie zinnen schrijven, en ik wil dat doen louter en alleen te mijner ere en ter ere van het plezier van het schrijven van mooie zinnen, ongeacht of ze graag gelezen worden of niet? Natuurlijk zou ik nog een boek kunnen schrijven met als doel om er kortstondig aanzien mee te verwerven maar eens dat doel bereikt houdt het plezier dan niet op?

Dat boek schrijven zou een wel heel resultaatgerichte handeling worden waarbij de voldoening gekoppeld wordt aan het resultaat of het boek al dan niet verkocht en gelezen wordt, terwijl mijn voldoening niet ligt in een boek met een mooi kaft maar in de handeling van het schrijven van woorden en gedachten en het beklemtonen van de juiste nuances.

Een paar jaar geleden stond ik in Kaapstad onderaan de Tafelberg. Natuurlijk wou ik naar de top van die 900 meterhoge platte berg maar als enkel de top me had geïnteresseerd had ik wel de kabelbaan genomen. Ik verkoos het kronkelige bergpad.

Wat ik probeer te zeggen is. Als je in je dagelijkse job de zin van je werk alleen maar buiten jezelf zoekt, ik zeg maar wat, in de grote van je auto, in de lengte van de titel van je functie of in het aantal mensen waaraan je leidinggeeft, is dat een doel waar je niets mee bent. Je maakt je met dat kortzichtig streven namelijk helemaal afhankelijk van het oordeel van anderen, zelfs al had je de illusie om vanop die positie net onafhankelijker te worden. Een mooi loon, een chique auto, je positie et cetera zijn allemaal dingen die enkel anderen je kunnen geven. In het beste geval verwierf je ze door een beoordeling met objectieve criteria.

Voor een leven dat maar betekenis heeft door te voldoen aan ambities en verwachtingen die geregeerd en gedirigeerd worden door anderen pas ik. Misschien wil ik nog wel een beetje hogerop, misschien wil ik zelfs ooit nog eens boven op de Tafelberg raken maar het pad ernaartoe zal belangrijker zijn dan het bereiken van de top. Stompzinnige zinnen schrijven of op mijn rug in een hangmat naar de wolken kijken is belangrijker en dat mag voor mijn part een eeuwigheid blijven duren.

Maar hoe kies ik dan wel wat ik doe? Er zijn elke dag zoveel dingen te doen. Er zijn zoveel manieren om mijn leven in te richten dat het risico bestaat om er verlamd door te raken. Wat moet ik doen? Wat wil ik doen? Soms kan keuzestress zo lastig zijn dat met uitstelgedrag alle keuzemogelijkheden uitdraaien op het realiseren van geen enkele. Mag ik bijvoorbeeld de hele dag op mijn rug liggen om mooie zinnen te bedenken terwijl het gras moet gemaaid worden? En hoe frustreet het maken van de ene keuze de beperking van het niet maken van een andere.

Hoe voorkom ik dat ik steeds blijf ronddraaien rond hetzelfde cirkeltje?

Lig ik wakker van mijn succes en is succes belangrijk? Wil ik nog wel hard werken en als ik het blijf doen, word ik er dan gelukkig van of zijn net andere zaken niet veel zinvoller? Is succes per definitie gelijk aan gelukkig zijn? Persoonlijk denk ik van niet. Geluk is fijn voor diegene die het heeft, maar even leuk voor diegene die het nog niet heeft maar er de juiste weg voor in geslagen is om het te worden.

Het streven naar meer, groter en beter of naar een status die ver buiten mezelf ligt of ver in de toekomst of me door anderen opgedrongen wordt, biedt mij geen enkele garantie voor een zinvol leven.

Dus blijf ik maar een leven leiden dat ogenschijnlijk nergens naar toe leidt en gevuld is met niets of met schone zinnen zonder ambitie. Misschien wordt ooit, als de zomer en het mooie weer samenvallen, succes dan een nevenverschijnsel van datgene wat nooit een doel is geweest.

Met dit nieuwverworven inzicht mag dit moment een eeuwigheid blijven duren ook al duurt het in werkelijkheid maar een dag of een enkele tel.



Haar eigen stinkende goesting

Ah, het is die tijd van het jaar. In weelderig versierde feestzalen van scholen vliegen Adhemar-hoedjes sierlijk door de lucht. Fiere ouders koesteren de betoverende illusie dat hun geliefde kinderen voorbestemd zijn om de nieuwe ontdekkingsreiziger te worden, of minstens die briljante denker die het denken zelf zal vernieuwen. Een selecte groep waartoe zoon- of dochterlief behoort zal evolueren tot diepgravende filosoof die alle mysteries van het leven zal ontrafelen.  Een ander gedeelte zal zich ontpoppen tot bekwaam staatsman of-vrouw, en als zodanig de wereld met vastberadenheid en visie leiden want het voorteken van dat leiderschap was al duidelijk met hun betrokkenheid in de leerlingenraad. Het overschot ervan wordt virtuoos kunstenaar die op doek of met muziek dromen tot leven zal wekken.  

Elk kind, haast zonder uitzondering bewandelt een zorgvuldig uitgestippeld pad, de ambitieus opgelegde verwachtingen van pa en ma volledig waargemaakt.

Kan ik achterblijven en wil ik mijn dochter dat aandoen?

Wil ik haar nu al belasten met een last van verwachtingen en ambitie, terwijl mijn enige wens voor haar is dat ze veerkracht en zelfvertrouwen ontwikkelt en dat ze kritisch blijft voor al datgene dat haar wordt voorgekauwd, dat ze zich leert wapenen tegen de uitdagingen van het leven, of toch tegen een aantal ervan, zelfbewust en vastberaden als het kan, nederig en dankbaar als het moet.

En misschien is dat wel het grootste geschenk dat ze zichzelf het voorbije jaar gegeven heeft.  Ze heeft geleerd om de ruimte die ze krijgt te nemen en erop te vertrouwen om haar eigen pad te ontdekken, vrij van de druk van vooraf door ons bepaalde verwachtingen en als die er waren heeft ze zich die grotendeels zelf opgelegd.

Met zelfvertrouwen dat elke dag groeide en helemaal op eigen kracht ging ze uitdagingen aan en zocht ze haar eigen weg, soms met hulp als ze dat nodig vond. Met die kostbare vrijheid volgt ze helemaal vrij haar eigen passies en interesses, zelfs al heet een ervan Harry Styles.  Ze ontdekt met vallen en opstaan wie ze werkelijk aan het worden is, zonder de last van onze eigen dromen en verwachtingen.

Noor volgt resoluut haar eigen willetje om niet te zeggen dat ze haar stinkende goesting doet en ze doet dat met een koppigheid en met een doorzettingsvermogen die me vertrouwd zijn, al is dat laatste toch eerder iets dat ze er met de borst heeft ingeslurpt.

Dat maakt me niet minder fier.

Geen pleister op een schotwonde

Zal ik voor de verandering eens met de deur in huis vallen? Van overdreven of van giftig positivisme krijg ik stenen kloten. Ik hoef geen roze bril meer om de echte kleuren van het leven te zien.  Een pleister op een schotwond helpt niet. Wanneer het leven schuurt of tegenwerkt, ‘suckt’ het even hard vanachter een roze bril als vanachter een lasbril.

Van overdoses misselijkmakend positivisme als in, ‘alles is geweldig’ of ‘denk er niet aan en blijf positief, maak je geen zorgen en wees blij met wat je hebt, alles komt goed’, echt, ik heb het er helemaal mee gehad. Telkens wanneer ik met zulk toxisch positivisme te maken heb, voelt het aan alsof mijn authentieke emotie ontkend en geminimaliseerd wordt. Ik krijg dan het gevoel dat mijn persoonlijke emotionele ervaring zo verkleind wordt dat ze ongeldig verklaard wordt. Ik krijg er ’t schijt van, maar dat hadden jullie al door.

Natuurlijk valt er iets te zeggen voor, een zonnigere kijk op het leven, maar die dagelijkse overdosis ‘alles is geweldig en alles is uitdagend’, bon, kunnen we ernstig blijven. Alsjeblief?

Wanneer mijn leven pijn deed, wanneer het moeilijk werd en het aan mijn ziel begon te schuren, werd alles pas weer de moeite waard toen ik die negatieve of lastige ervaringen recht in de ogen kon kijken. Om er eens hard mee te rammelen en het aan te pakken.  Geloof me op mijn communieziel wanneer ik je zeg dat elke poging om aan het negatieve of aan de lastigheden te ontsnappen, om ze te vermijden en de kop in te drukken of ze de mond te snoeren, dat alleen maar een averechts effect had op mijn ‘geestelijke gezondheid’. Lijden uit de weg gaan werd de ergste vorm van lijden. Het ontkennen van mijn mislukkingen werd mijn grootste mislukking en het verbergen van mijn fouten werd mijn grootste fout.

Door de wereld een heel selectief beeld te tonen van wie ik echt was, heb ik veel te lang een vals gezicht opgezet. Daardoor werd ik een publiek personage van de wereld rondom mij, in een rol die de mijne niet was. Ik onderdrukte wie ik was en beklemtoonde fel wie ik niet was. Door die valse of ogenschijnlijk positieve emotionele wereld te creëren, trok ik ‘fake-heid’ aan, wat resulteerde in meer namaak, in meer kitschrelaties en in meer oppervlakkige vriendschappen. De gevolgen daarvan zijn jullie bekend.

Als ik terugkijk op mijn leven, iets waar ik de laatste maanden heel veel tijd heb ingestoken, ben ik een paar dingen over mezelf te weten gekomen. Ik heb gemerkt dat met therapie en door veel te praten ik eindelijk de realiteit van mijn emotionele wereld heb leren erkennen. Ik heb hem onder begeleiding van een geweldige vrouw, als het ware uit mijn lijf gesleurd om er een nieuwe betekenis aan te geven. Dat heeft me van een heleboel ondefinieerbare spanningen bevrijdt. Ik werd op weg gezet in het accepteren van mezelf, van mijn verleden, van mijn heden en van een robuuster gevoelsleven.

Dat was me nooit gelukt zolang ik over mijn pijnlijke waarheid een dikke laag toxisch positivisme was blijven leggen. Het was me nooit gelukt als ik was blijven zeggen, ‘Het is wat het is. Alles komt goed of er zijn erger dingen in het leven.’

Door de negatieve dingen te zien en ze een genuanceerde betekenis te geven, ben ik authentiek met mezelf geworden en daardoor met de wereld rondom mij. Door te leren dat de relatie die ik met mezelf onderhoud de relatie weerspiegelt, die ik met anderen onderhoud, vond ik opnieuw verbinding met mezelf.

Soms is het leven klote, en dat is kut, maar ik krijg vandaag maar één kans op dit mooie, pijnlijke, onrechtvaardige, lastige en onvolmaakte leven. Als ik het vastpak en het omarm is de kans groot dat ik er de volle levendigheid mag van ervaren.

De grootste, de dikste en de langste

Mensen die in het leven staan met de illusie “het” gemaakt te hebben of “het” aan ’t maken zijn omdat ze toevallig een paar centen in hun zakken hebben, zijn sneller kwaad dan mensen die afhankelijk zijn van hulp die door anderen verstrekt wordt.  Dat feit op zich is een bijzonder vreemde vaststelling omdat ons zelfbeeld er net op gemaakt is om geen hulp nodig te hebben of te aanvaarden. Je zou dan toch verwachten dat net dat begoede deel van de samenleving iets gelukkiger door het leven stapt, niet dus.

Aan jezelf toegeven dat je hulp van doen hebt maakt je niet trots. Echt, je wordt daar niet blij van. Je zou dan toch verwachten dat net deze mensen sneller kwaad worden. Niet dus, het tegendeel is waar.

Het zijn net mensen, met de centen in hun zakken en geen hulp van doen hebben die minder dankbaar zijn, cynischer door het leven stappen en sneller boos worden. Straffer nog, in de meeste gevallen worden ze boos op de groep stakkers die met hun pree niet rondkomt.  Ze kijken erop neer, maken hen het verwijt lui te zijn, te profiteren, dat ze hier niet thuishoren of gewoon, dat ze harder moeten werken, harder moeten proberen etc. Kortom ze gaan er verkeerdelijk van uit dat het met wilskracht allemaal opgelost kan worden.  In hun ogen is groei en vooruitgang een keuze die alleen met inzet en doorzettingsvermogen kan bereikt worden. Contradictorisch is dat ze er tevredenheid en geluk niet voor in de plaats lijken te krijgen.

Toch worden ambitie en groei van jong af gepromoot en gestimuleerd. Haak je daarvoor af word je als buitenbeentje van de roedel beschouwd. Wie niet wil groeien of gewoon tevreden is met de lengte, de dikte, het loon of het leven wordt als raar of ongewoon bestempeld? Van kindsbeen af wordt het ons ingepeperd: “Ga ervoor, word slim, verbeter, verander, verdien geld en goud, koop, reis … The sky is the limit en the world is your oyster.

Voldoe je niet aan die maatschappelijk opgelegde verwachtingen hoor je er niet bij en ga je ten onder aan twijfel, onzekerheid en in ’t slechtste geval jaloezie en nog meer opgelegde verwachtingen die nog meer twijfels in de hand werken.

Deze vicieuze cirkel heb ik doorbroken. Ik gun mezelf al een tijdje het voordeel van de twijfel. Twijfel heeft een eerbiedwaardige plaats gekregen in mijn manier van zijn omdat ik geloof dat twijfel me verder brengt dan zekerheid.

Als ik schrijf, doe ik het zonder einddoel. Als ik leef doe ik het eveneens zonder einddoel en als mijn dag begint ben ik benieuwd naar wat hij me te bieden heeft, zonder al te grote verwachtingen. Dat maakt dat ik nieuwsgierig blijf rondkijken naar wat ik nog niet weet, nog niet ken of nog niet voel. Groeien doe ik er niet van, integendeel het maakt me nederig, dankbaar en klein, ver uit het zicht van onbereikbaar opgelegde ambities, kortom ver weg van de ratrace. Ik geloof zelfs dat ik door dat nieuwe inzicht al een beetje gekrompen ben. Ideaal want ik wil al een tijdje niet meer de grootste zijn.

Killerbody van de kinderboerderij

Omdat ik, zoals jullie onderhand al weten, een bijzonder complexe relatie met mijn gedachten te onderhouden heb, luister ik af en toe naar podcasts van life-coaches, psychologen, of andere zielenknijpers. Ook verslind ik gulzig essays en artikels over geestelijke gezondheid en mentale kwesties. Nu ik erover nadenk, een bezigheid waar ik bedacht moet op zijn het niet te veel of te diep te doen, vermoed ik dat ik mijn respectabele leeftijd alleen maar heb kunnen bereiken door af en toe mijn verstand te gebruiken en mijn gedachten te pijnigen.

Het idee dat mijn verstand zomaar iets is wat ik bezit, wat ik cadeau gekregen heb, vind ik zelfs een beetje beangstigend.  Ik maak me wijs dat denkvermogen, al dan niet kritisch, iets is waar ik aan kan sleutelen, iets waar ik in moet investeren om het gezond te houden. Als ik eerlijk met mezelf ben, denk ik ook zo over mijn kathedraal, mijn lijf zij het iets minder fanatiek.

Mooie lijven worden geprezen en worden nagekeken. Dat geldt zeker voor vrouwen van vijfentwintig, toch koester ik de hoop dat dit ook opgaat voor mannen van mijn leeftijd, al heb ik wat dat laatste betreft minder ambitieuze verwachtingen. Mogelijks zullen vrouwen van vijfentwintig mijn uit de band springende gedachten nog wel sexy vinden, de kans dat ze die mening ook zijn toegedaan over mijn uitzakkende lijf, schat ik iets kleiner. Het zij zo maar dat neemt niet weg dat mooie lijven in balans geen drama’s meemaken in paskamers, een gebeurtenis waar ik zelf onlangs deelgenoot van was toen ik een nieuwe broek paste in een hippe kledingboetiek die eigenlijk niet bij mijn leeftijd past.

Neemt niet weg dat een strakke body, waarover ik tussen haakjes (nog) niet beschik, doorgaans aantrekkelijk bevonden wordt omdat dat discipline, zelfzekerheid, en doorzettingsvermogen uitstraalt.  Een strak lijf in balans zorgt voor zelfvertrouwen, enfin, dat laat ik me toch graag wijsmaken door de zielenknijpers die ik beluister.

Ik ben, laat daar vooral geen twijfel over bestaan, als het op lichaamsbeweging en diëten aankomt een nationale ramp, ik eet gewoon te graag en bewegen, ja daar heb ik helemaal een broertje aan dood.  Toch heb ik mezelf, nadat ik eerst de psychologische grens van 110 kg moest overschrijden, ertoe kunnen aanzetten mijn voedingsgewoonten eens onder een vergrootglas te nemen.

De eerste dagen van mijn spartaans dieet voelden wat vreemd aan, als een soort wrange nostalgie alsof ik dit allemaal al eens doorstaan heb.

Vermageren is mijn ding niet maar wie lijdt, zal herrijzen! Ik mag en zal niet genieten, want daar gaat het niet over. Ik moet afzien om straks blij te worden van het resultaat dat deze hongersnood me zal opleveren. Lees: een gezonde geest in een strak lijf.  Het voelt aan alsof de heiland in hoogsteigen persoon in mij is neergedaald. Alleen, ik zal niet leiden voor de andere, ik moet lijden voor mezelf, met de ogen strak gericht op wat ik eet, wat ik niet eet en vooral op de weegschaal.  Het ultieme doel voor ogen houdend, een killerbody.

Na veertien dagen, sla met lange tanden te eten, op muesli te knabbelen alsof het kaviaar is en mezelf vol water te gieten, ik lijk wel een aquarium die elke dag moet gevuld worden, begin ik het stilaan op de zenuwen te krijgen. Ik verloor snel vier kilogram maar kwam nog sneller anderhalve bij omdat elke tomaat van vijftig gram die ik eet, de dag nadien anderhalve kilo lijkt te wegen wanneer ik mijn goddelijk wordend lijf op de weegschaal hijs.  Ik begin mijn boxershort te wegen en hoop erop dat als ik ze uitspeel en dan in mijn adamskostuum op de bascule sta, ze plotseling twee kilo zou wegen.

Van dat verdomde dieet begin ik stilaan te duizelen en verlang heimelijk naar een biechtstoel om mijn verstand te laten spreken. Ben ik niet te oud voor een killerlijf, in de wetenschap dat vijfentwintigjarige dames toch alleen maar voor mijn verstand in zwijm vallen?  Ik luister naar de gedachten die ik vertrouw en me influisteren dat ik gewoon op zoek ben naar het genot van een halve liter crème-glace. Waar vind ik die? “De kinderboerderij”, antwoordt mijn verstand me enthousiast nog voor ik me de vraag gesteld heb.

Wat hou ik van mijn verstand, mijn lijf kan mijn kloten kussen, de zielenknijpers die me deze onzin ingefluisterd hebben trouwens ook!

Goed slecht nieuws

Neem gerust een stoel, ga zitten en luister even. Stel je deze situatie eventjes voor, hypothetisch. Vandaag krijg je slecht nieuws. Je hebt geen idee waarover dat zal gaan of hoe hard het zal inslaan maar een ding is zeker. Het is rotslecht nieuws. Zit je neer? En zit je een beetje comfortabel op je stoel? Ik vraag dit niet zomaar. Ik doe dit omdat het een feit is dat slecht nieuws krijgen wanneer je neerzit het voordeel heeft dat je niet kan omvallen. Van slecht nieuws krijgen is bewezen dat je dat bij voorkeur krijgt in de beste omstandigheden.

Wanneer deze boodschap je grijze massa bereikt, zal je merken dat een ondraaglijke onrust zich van je meester maakt. Mogelijks ga je sneller ademen, begin je te zweten of krijg je een droge mond en word je angstig of paniekerig. Stel je hier geen vragen over want zulke nevenverschijnselen zijn perfect normaal in situaties als deze.  Omgaan met een tragedie die alleen in je verbeelding leeft is namelijk vele malen moeilijker dan omgaan met een realiteit die je al kent. Hoe hard, ingrijpend of onheilspellend die realiteit dan ook moge zijn. Het liefst van al wil je haar met open vizier onder ogen komen. Zonder franjes en zonder omwegen.

Mocht het krijgen van slecht nieuws zich volgens dit scenario voltrekken, stelt zich de vraag, hoe krijg ik dan het liefste dat slechte nieuws? “Liefste” is in deze omstandigheden natuurlijk een uiterst ongepast woord want wie houdt er nu van om slecht nieuws te krijgen, het liefste dan nog?

Zeker is echter dat de kans uitermate klein, zo niet onbestaande is, dat de slechtnieuwsbrenger bij jou een graag geziene gast wordt en je haar/hem met open armen zal ontvangen. In vroegere tijden kon hem/haar dat zelfs de kop kosten, letterlijk. Toch zal je hem/haar nu beleefd ontvangen, omdat hij/zij de enige is die je van deze ondraaglijke onzekerheid kan verlossen.

Slecht nieuws brengen heeft zijn eigen wetten en heeft iets van kosmologie. Het is soms heel lang onderweg ook al reist het met lichtsnelheid maar het slaat in als een komeet en zorgt voor onoverzichtelijke chaos.

Er bestaan zeker dingen die ons allemaal al eens overkomen zijn ook al zijn ze nog nooit gebeurd. Denk maar eens aan een belastingbrief of een overlijdensbrief krijgen waarin goed nieuws staat, ik zeg maar iets. Als je door je lief gedumpt wordt wil je niet horen dat het niet aan jou ligt want dat doet het natuurlijk wel. Wanneer je door je baas ontslagen wordt is het laatste wat je wil horen dat het niet zijn keuze is en dat het van hogerhand beslist is, want dat is het natuurlijk wel.

Maar hoe breng je dan wel goed, slecht nieuws? Bestaat er dan niet zoiets als een soort protocol, een richtlijn, zeg maar iets, zodat een slechtnieuwsgesprek niet telkens opnieuw moet uitgevonden worden? Er bestaat geen goed moment om slecht nieuws te brengen, wacht dus niet op dat moment want dat zal er nooit zijn.  Met de deur in huis vallen betekent niet dat je de deur moet inbeuken. Slecht nieuws hoeft geen thriller te worden maar verval ook niet in small-talk en luchtige praatjes. Weet dat als je de pil verguld en uitgebreid ingaat op het feit dat de nieuwe situatie ook voor jou vervelend is, dit echt de beste manier is om het helemaal te verknoeien. Jouw gesprekspartner zit echt niet te wachten op jouw emoties want hij heeft de handen vol aan die van zichzelf. Humor is nu even niet aan de orde. Hou het bij feiten. Informatie achterhouden, verantwoordelijkheid ontlopen of de dingen verbloemen zal het slechte nieuws niet beter maken, integendeel. Verberg niets, wees volledig maar doe het respectvol. Slecht nieuws gaat altijd gepaard met emotie.  Geef er ruimte aan en acht ze gerechtvaardigd. Ze zijn er niet voor niets. Kalmeren, luisteren, troosten tijd maken en vragen waar de andere nood aan heeft zijn essentieel als je net slecht nieuws gebracht hebt.

“Slecht nieuws zonder helpende hand of begrip wordt pas echt rotslecht nieuws”

Als je er de tijd voor neemt zal het iets minder moeilijk gaan maar gemakkelijk zal het nooit worden. Hopelijk is deze situatie helemaal uit de lucht gegrepen en hoef je vandaag geen slecht nieuws te geven. Al hoop ik echt nog veel harder dat je van slecht nieuws (dat je nu nog niet kent) gespaard blijft. En anders kan je er misschien een verhaaltje over schrijven. Dat lucht op.

Nieuwjaarsbrief

Omdat elke nieuwjaarsbrief moet geschreven worden, bevind ik me achter mijn computer, of wat had je gedacht. Door een paar keer op backspace te drukken wis ik ‘sfjlmie;kfoe’, letters die ik haastig maar foutief heb ingetikt omdat mijn handen zich bij het typen op de verkeerde rij van het klavier bevonden.  

Door de letterkeuze en de uitlijning te veranderen kan ik deze tekst zonder enige moeite een mooiere bladspiegel geven. Mocht het capslock ongewild vergrendeld zijn, waardoor dit tekstje onbedoeld in hoofdletters zou verschijnen, kan ik met één enkel commando datgene wat ik geschreven heb in kleine letters veranderen, zoals ik het bedoeld heb.

Met een spellingscontrole kan ik snel voor de hand liggende fouten verbeteren. Toegegeven, en tot ergernis van velen, een controle die ik dikwijls uit luiheid niet al te nauwgezet doe. Om maar te zeggen, blind typen is ongevaarlijk, tenzij deze tekst in handen zou vallen van taalpuriteinen. Zij vinden altijd wel een komma of een punt dat moet verplaatst worden, of een zin of een alinea die te lang of te kort is. Ze kunnen me wat.

Soms gebeurt het dat ik in een tekst woorden verplaats, dat ik synoniemen bedenk of dat ik zonder aanwijsbare reden tegenwoordige tijd verander in verleden tijd. Iedereen die ooit meer dan twee woorden na elkaar geschreven heeft, snapt wat ik bedoel. Wanneer je dan de zinnen herleest die net uit je pen gevloeid zijn kan het zijn dat al wat je geschreven hebt veranderd is in een onoplosbaar kruiswoordraadsel.

Op zulke momenten herinner ik me altijd die wonderbaarlijke knop die zich linksboven op de werkbalk van mijn computer bevindt. Door op die magische knop te klikken wordt alles weer normaal, zoals voorheen en precies zoals het was voor ik met mijn blunders begon. In mijn leven heb ik zulk een ongedaan-maak-functie heel dikwijls hard gemist.

“Undo” zou, wat dat betreft, een basiscommando in het leven moeten zijn. Dit jaar hadden we die ongedaan-maak-functie heel hard kunnen gebruiken.  Omdat ’21 zich als start van de ‘roaring twentie’s’ had aangekondigd, leek niets te vermoeden dat het afgelopen jaar evenveel of meer gelijkenissen zou vertonen met het voorgaande waardoor het leven opnieuw even chaotisch werd als dat aan wat eraan voorafging. Opnieuw gebeurde zoveel onbegrijpelijke of onvoorspelbare dingen die opnieuw zo hard tot reusachtige maatschappelijke ergernissen geleid hebben dat een undo-knop wel handig ware geweest. Ik ga de feiten, hoe ook jij ze aanvaardt, niet herhalen want ze komen me de strot uit. Voor sommige mensen heeft ongedaan maken van fouten nu al zijn limieten bereikt. Ze kunnen me wat.

Ik moet nu gaan want uit lompigheid stootte ik net mijn koffie om. Ik probeerde ‘undo’ maar die verwijderde alleen de laatste alinea die ik pas geschreven heb. Helaas, met de ongedaan-maak-knop van het leven kan ik dus ook niet helpen. Hij is namelijk nog niet uitgevonden en de vraag blijft of dat überhaupt ooit zal gebeuren. Zullen we de puinhoop van het leven dan niet gewoon zelf oplossen? Laat ons daar in ’22 mee beginnen. Met een klein beetje meer verdraagzaamheid, liefde en zorg voor elkaar zal het lukken. Denk je niet?