Categorie: Vertelsel

Proppen of vouwen?

 

Wezenloos staar ik voor me uit. Naar een witte muur in een veel te kleine kamertje. “Nooit zal ik nog naar de pijpen dansen van een vrouw”, lees ik in Dag Allemaal die hier al een paar weken rond slingert want de Rode Duivels moeten nog wereldkampioen worden.

Chris Van Tongelen was de pijpen of het pijpen (daarover is het artikel niet sluitend) van zijn ex-vrouw Brigitte blijkbaar grondig beu en is opnieuw op de markt.

Mooi! Denk ik en ik betrap me erop dat de ex-stiefvader van de Vlaamse Justin Bieber het bij mij aan respect aan het winnen is. Even verder in het “artikel” laat de Familieman er met zijn uitspraken, geen spaander van heel en verhakselt hij mijn prille waardering tot schriele houtkrullen.

“Een onenightstand moet wel kunnen”, staat er schaamteloos, al wil hij zich tegelijkertijd ook wel voor de volle 100% smijten in een nieuwe, romantische “coup de foudre”. Maar hij lijkt ook blij te worden van nieuwe vriendinnen waar hij af en toe eens mee kan gaan eten of een goed gesprek mee kan hebben. Ja ja… een goed gesprek? Dat zal wel.

“Van Tongelen, stielbederver! Je bent Romeo-onwaardig”, prevel ik tegen het boekje. “Wees eens een vent, word duidelijk en red de tijger! ”Wat wil je nu precies? Wil je de midlifecrisis van je gat vogelen? Ga je voor die fladderende buikvlinders die je weer naar pijpen zullen doen dansen of is het dat goede gesprek waar je cupidopijlen aan wil verschieten?

“Soms is het beter om je mond te houden en dom te lijken dan hem te openen en alle twijfels weg te nemen”, zeg ik tegen mijn witte muur. Hij antwoordt niet. “Zwijgen is instemmen”, prevel ik tegen het super de luxe toiletpapier, maar ook daar krijg ik geen gehoor.

De oudste Romeo moet het ontgelden. Opeens ziet hij er met zijn bloeddoorlopen oog uit alsof hij een dik pak slaag kreeg van Brigitte. Al was het maar omdat de mug die zich vannacht volzoog met mijn bloed nu op de voorpagina prijkt van s’ lands onbenulligste stukje roddelpers. Zo ongeveer ter hoogte van Van Tongelens’ rechter oog. Nu ziet de goedlachse Puttenaar er helemaal niet meer uit.  Hoe hij er nu uit ziet, zal hij met zekerheid niet aan die onenightstand raken en al zeker niet als hij zijn mond open doet.

Tegen zoveel vrolijkheid kan ik niet op en richt mijn blik opnieuw op die witte muur. Mijn 2 slapende billen halen me plots uit mijn ochtendlijke nonsens en brengen me abrupt weer tot de orde van de dag? Zal ik proppen of vouwen?

Des goûts et des couleurs

 

Mijn ballen staan zachtjes te rimpelen op het zachtste vuurtje. “Een uurtje sudderen op het kleinste bekken”, zo had Jeroen Meus het voorgedaan voor kokend Vlaanderen in zijn dagelijkse digitale kookboek kwartiertje van de boerinnenbond. Niet dat ik Meus nodig heb om balletjes te kneden, ze vorm te geven en ze in tomatensaus te zwieren. Helemaal niet maar toch wankelt het zelfvertrouwen van deze would-be-kok in kwestie, toch even nu ik ze dansend in mijn kookpot zie wiebelen. De stengels fijngehakte dragon en oregano kwamen niet voor in het recept. Daarom dat ik niet zeker ben of die twee aromaten wel een culinaire meerwaarde zullen bieden. Zelfs tegenover Jeroen Meus ben ik eigenwijs. De smaakpapillen van mijn proevers zullen straks wel beoordelen of deze keuze een geniale ingeving was dan wel een onvergeeflijke gastronomische blunder. Het kookluchtje waarmee de keuken zich vult, doet alvast het beste vermoeden. Af te wachten!

Koken op zich is rustgevend, tenminste als ik het alleen kan doen. Dan is het fijn tijdverdrijf. Toch maakt het op een vreemde manier die slapende macho weer in mij wakker. Eens is sta te roeren in een pot metamorfoseer ik een zichzelf veel te hoog inschattende, snobistisch koksidioot. Ik word dan een autistische maniak die tiert, vloekt in mezelf roep en me veracht omdat ik die beetgaar geachte mise-en -plats weer veel te plat gekookte. Of wanneer de, in mijn ogen verfijnde snijtechniek toch niet van dien aard blijkt te zijn om me uit te roepen tot sterren chef die ik in het bijzijn van machosoortgenoten soms pretendeer te zijn. Zeker niet wanneer ik stukken vinger mee verwerk in het snijwerk.

Buiten een keukenrobot, een snijplank, een scherp keukenmes en wat gamellen laat ik het liefst geen andere pottenkijkers toe. Toeschouwers zouden op die momenten alleen maar te beurt vallen aan mijn minachtende blik of aan de te pikante amuse-gueule van een halve zot die zich Gordon Ramsay waant.

Een gelijkaardig fenomeen doet zich voor wanneer mannen zich scharen rond een zomerse barbecue. Eens het vuur heet en grijs is, ontpopt het zwakke geslacht zich tot cuisson-specialist of gaartijd-fetisjist. Dit terwijl ze de overige 364 dagen de keuken mijden alsof ze er een prostaatonderzoek in moeten ondergaan. Het testosterongehalte rond de grill is vaak nog groter dan het hormonenvlees dat een kwartier later zwartgeblakerd wordt af geserveerd.

Koken, ondanks de persoonlijkheidsveranderingen die me ermee te beurt vallen doe ik het graag. Ik doe het zeker niet alle dagen maar ik doe het wel graag. Of ik het goed doe laat ik aan de smaak over van mijn lief, mijn huisgenoten en de occasionele gasten die ik straks weer zal willen imponeren met een rib-eye of een geroosterde sardine.

Maar ik kom er altijd mee weg want “des goûts et des couleurs on ne discute pas!”

Ik wil ook zo iets!

 

Laat er vooral geen twijfel over bestaan. Vrouwen die lippen vuurrood kleuren, het zet iets in gang bij een vent. Daar hoeven wij, minderbedeelden der natuur, niet flauw over te doen. Zelfs antropologen zijn het roerend eens. Hoe roder de lippen hoe vruchtbaarder de vrouw. 

En ze weten het verdomd goed. Die van het sterke geslacht.  Mannen associëren getuite rode lippen nu eenmaal, ongewild met sex, met paren en met voortplanten. Zo beweren diezelfde menskundige wetenschappers toch. Hoewel ik van dat laatste maar moeilijk te overtuigen ben. Dat zullen die er zeker wel bij gesleurd hebben om al die vrouwen met hun rode lippen gerust te stellen.

Maar is het dan te kort door de bocht te stellen dat vrouwen met felrode mondcontouren bronstige, op sex beluste, hete manverslinders zijn? 

Zijn zij dan niet die ogenschijnlijk hulpeloos ogende prooien waarvoor wij mannen hen sinds Darwin aanzien?  Zijn zij dan de “gedoodverfde” medogenloze jagers bij uitstek? De roofdieren die met hun rode vettigheid mannen om de tuin weten te leiden omdat zij de associatie aan flapperende schaamlippen niet kunnen weerstaan waardoor automatisch de werking van de rest van hun neo-cortex wordt stil gelegd? Want daar zijn diezelfde antropologen het ook nog over eens. Bij fel rode lippen denken wij verdorven, zieke mannen zowizo eerst aan rupsje rimpel! Dat beeld floept bij rode lippen bij ons mannen als eerste binnen. Als close-up van de flamoes. Van de vochtspelonk en als oester op de ijsberg.

Zien jullie dames dan niet in en kunnen jullie de gevolgen dan niet inschatten van wat jullie met die rode verf allemaal aanrichten in ons brein? Ici-Paris-XL wordt een pornofilm. Een catwalk van venusheuvels, schaamdriehoekjes en wandelende gleuven.

Jullie moesten beschaamd zijn!

Vrouwen zijn dus al eeuwen in staat om alleen met rode verf het verleidingsspel en de paringsdans in gang te zetten! Een ritueel dat bij ons venten altijd het startschot is om ons gelijk halve zotten beginnen uit te sloven om op die manier in de gratie te vallen van een stel bedriegelijke rode lippen? 

Hoe oneerlijk is dat niet? Zeg? Ik wil ook zo iets…

Heb je ze zien kijken?

De sfeer was anders. Het decor ook, de zonnenbril niet. Minstens 3 keer per jaar gebeurt het. Spontaan. Zonder grote plannen of moeilijke afspraken in overvolle agenda’s. Dan hebben we opeens, zonder dat we er ‘s morgens bij stil hebben gestaan rendez-vous. We krijgen dan even elkaars volle aandacht om bij te praten. Ergens op een gezellig terras. Half in de zon half in de schaduw.

Zij met koffie verkeerd ik met de juiste. Pikzwarte met zoetjes. Om de compagnie compleet te maken waren er mini boules de Berlin bij. Niet om ons te verschuilen achter zweemzoete vettigheid of oude koeien maar gewoon omdat die wat luchtigheid brachten bij ons filosofisch geladen gespin.

De zon scheen flauw op haar gelaat, zodat ze zich, zoals ze wel vaker doet, veilig kon verbergen achter grote donkere glazen. De anders, altijd aanwezige denkrimpels waren verdwenen en haar brede glimlach zorgde voor 2 lachkuiltjes die me helemaal opgewekt maakte. De overvloedige cafeïne zal er ook nog wel voor iets tussen gezeten hebben.

Ze heeft iets met zonnebrillen. Altijd al gehad. Toen ik haar lang geleden voor het eerst ontmoette had ze er ook een op. Maar toen spraken uilen nog wartaal. Ze had een zwarte ray-ban die ze meestal in het haar droeg. Die deed haar wat weg hebben van Madonna. Ze zal het niet toegeven maar diegenen die haar kennen zullen beamen dat ze er destijds veel moeite in stak om er even cool uit te zien als die Material girl.
“Like a virgin” is ze niet meer, dat weet ik zeker. Ze zal destijds zeker “Papa don’t preach” gedacht hebben toen haar vader haar met een bedenkelijke blik taxeerde, wanneer ik een paar dagen later met gespeeld zelfvertrouwen de eerste keer aan haar voordeur belde.

Nooit zijn we elkaar uit het oog verloren. Niet als het goed ging maar ook niet als het met een van ons heel slecht ging.

Als ik nu zeg dat we stilaan oud worden, spreekt zij me met veel elan tegen. Dan overtuigt ze me dat we gewoon eindelijk in balans raken en we stilaan eindelijk van volwassenheid mogen verdacht worden. Voor de overschot zijn we het meestal wel roerend met elkaar. Over zowat alles. Over kinderen of over relaties en partners of over oude bekenden en hoe die soms opdringerig of onverdraagzaam jaloers kunnen zijn. Meestal eensgezind dus, behalve over gekleurde lichaamsverieringen maar daar hebben we het dan ook niet over.

35 jaar lang al passeert ze zo nu en dan. Vroeger wel meer dan nu maar dat kwam omdat ik toen even de juiste San Pedro was. Nu is er een geschiktere San die mee reist naar een of ander “la isla bonita.”

Het is altijd leuk om zomaar even bij te babbelen om te zien en te horen dat het goed met ons gaat. Dat we stilaan in balans raken. Ik wil dat echt nog wel 35 jaar blijven doen. Die babbels en die koffie al hoop ik wel dat ik daartegen gewend kan raken aan die veel te luide schaterlach.

Heb je de mensen zien kijken?

Ik ben hoer! We kunnen fisten.

 

< “He ik ben al hoer, ik zie je zo aan het ontbijtbuffet. Noor is ook al hoer. Ze is bij mij. Tot zo.. en haasten jullie zich een beetje?”

We waren met zijn vieren in Parijs.  Om er cultuur te snuiven en ons culinair te laten overmeesteren. Een bezoek aan het kasteel van Versailles stond op de planning en mijn lief wou met dit tekstberichtje laten weten dat ze fris gewassen was en dat ze helemaal klaar was voor een culturele hoogdag. 

Versailles was mijn idee. De logies zijn steeds haar rayon. Ze had twee ruime kamers geboekt in een leuk pension vlakbij het kasteel. Noor had bij mijn vrouw geslapen en Dries had mij gans de nacht wakker gesnurkt.

Toen het, ik-ben-hoer-smsje, de gsm in mijn broekzak deed trillen kon ik een grijns maar moeilijk onderdrukken.  De radertjes in mijn hoofd draaiden helemaal gek en een snood plannetje ontspon zich razendsnel. Zoals een spin rag spint rond een vastgekleefde vlieg.

> “Hoer? En dat met onze dochter in de buurt, wat schuift dat? Kijk je eens even snel of er viagrabrood is of vaginacrème en vers fluit”: Antwoordde ik met de voorbedachtheid om haar helemaal tureluurs te teksten.

< “Hier”, bedoelde ik zot. Viagrabrood en vaginacrème? Maak eens dat je beneden bent, snul. Wij hebben honger”

> “Schreef ik viagrabrood? Ik bedoelde ciabattabrood en vanillecrème. Damn..  autocarrosserie, ik bedoel autocapitalistion… grrrrrr… autocorrect!” “Kont in orde hoor! Ik ben me aan het afdrogen.”

< “Neen hier hier is geen ciabatta, wel brioche en baguettes, en ik weet dat mijn kont in orde is. Ben je er?”

> “Komt in orde”:  Had het moeten zijn maar je hebt gelijk, je kont is nog in orde en ik kan het weten want op elk potje past een deksletje.” 

< “Deksletje… haha .. je doet het er om”

> “We zijn er hoor. Ga al maar. Ik loop gewoon nog even langs de balie voor onze tickets. Naar welke maitresse heb je die gestuurd?”

< “Hu?”

> “Maitresse… haha! emailadres. Naar welk emailadres?”

>“Het jouwe. Laat je ze voor de zekerheid printen? Als ze daar geen scanner hebben      aan de ingang kunnen we nog een uur in de rij staan.”

<“Kont in orde hoor! alles is afgerukt en nog goed nieuws we hoeven niet te stappen. Ik ben ook hoer en we kunnen fisten”

 

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

Ochtendgeluiden

Opgesloten in de stilte in mijn hoofd die alleen opgevuld raakte met luide ochtendgedachten ontwaak ik uit mijn veel te lichte slaap. Ik ben nog moe. Moe opstaan haat ik. Daar heb ik een bloedhekel aan. De nacht was te kort. Veel te warm en veel te vochtig. De eerste muggen waren er ook. Ze beten en zoemden. Te vroeg voor de tijd van het jaar denk ik. . De beten zijn de dag nadien pas erg. Als ze veranderd zijn in grote, rode, jeukende bobbels. ’s Nachts is het enkel het gezoem rond mijn hoofd waar ik zo horendol van word.

Het is half zes. Merels roepen om regen. Andere vogels roepen om iets anders. Ik weet zeker dat merels roepen om regen. Omdat ze dan na de bui door hun getrappel op het gazon de pieren naar boven kunnen pesten. Die verdragen de regen al moeilijk maar van die trillingen van merelvoetjes boven hun hoofden krijgen ze het hélemaal op de heupen. Al ben ik niet overtuigd of pieren hoofden hebben of heupen. Als ze zich dan met hun hoofd (dat ze dus waarschijnlijk niet hebben,) eerst uit het grasperk wurmen worden ze opgepikt. Door de merels. Slimme beesten toch die merels. Niet die pieren want die hadden misschien beter gewoon wat dieper in de grond gekropen. Maar daar was het te nat. Door de regen. Ze hadden geen keuze. Pech. Voor de pieren.

Tortelduiven laten het niet aan hun hart komen. Niet het lot van de pieren, niet de nacht die broeierig zwoel was houdt hen van hun bezigheid. Ze doen in de dakgoot gewoon waar wij het gisterenavond veel te warm voor vonden. Zij hebben blijkbaar weinig last van het vocht of warmte. Ze vogelen maar wat rond en storen zich niet aan andere vogels of gevogel. Omdat het per slot van rekening nog altijd maar mei is en ze misschien nog niet aan ei raakten. Of gewoon omdat ze andere dingen aan hun hoofden hadden. Ook pieren pesten misschien? Al heb ik ze nog nooit op het gazon zien dansen. Een hoofd hebben ze wel daar ben ik wel zeker van.

De eerste vroege auto’s in de straat duwen de natuur naar de achtergrond. In de verte zoemt de file van de rijksweg. De facteur duwt mijn bus vol ongewenste post.

Ik ben wakker.

Het beloofd weer een spannende dag te worden.

Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

Een kamelenteen en oxytocine.

 

Evy Gruyaert is opnieuw mijn heldin want zij weet hoe ik gelukkig word in 21 dagen.

Van eigens. Telkens ik haar op het scherm tegen het lijf bots, slaat mijn hart minstens een slag over. Dat is zonder twijfel nog een gevolg van toen ze met haar veel te sensuele stemgeluid: “Nu,! Sneller! Harder! Je bent er bijna!” in mijn oor hijgde. Al was ik telkens wel blij dat ik na 3 minuten mocht wandelen.  Wanneer die eerste ellendige kilometers achter de rug waren.

Als ik Evy mag geloven hoeven de kilo’s er niet af te vliegen door aan gewichten te sleuren of door als een gek te sporten. Om me 100% begenadigd te voelen, word ik ook niet gedwongen om mijn lijf in onmogelijke kronkels plooien op een yoga mat. Al zou ik  niet ongelooflijk ongelukkig worden om vanop dat plekje naar perfecte vrouwen te staren. Naar vrouwen van wie de rondingen in hun niets verhullende, te strakke spandex geprangd zit, zodat hun verticale glimlach mij uitdagend tegemoet lacht.  Al hoeft die occasionele kamelenteen niet zo nodig. Die heeft geen meerwaarde in de setting en belemmert uiteindelijk alleen maar de suggestie.

Wat moet ik dan wel precies doen om die zweverige gelukzaligheid in al mijn vezels gewaar te worden? Volgens Evy moet ik zoveel als mogelijk mensen vast grabbelen. Bekenden en onbekenden. Hen knuffelen en fijn knijpen. 21 dagen lang, minstens 10 minuten per dag. Daar word je blij van, al  wordt dat een opgave want ik voel me oprecht ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Knuffelen dus en dat met Jan en alleman, het wordt nog wat!

Hoewel deze activiteit ver uit mijn comfortzone ligt ga ik het er toch op wagen.  Evy oogt immers ook altijd opgewekt en opgetogen. Misschien heeft het op mij wel het zelfde effect. Daarbij de comfortzone is niet het plekje “where the magic happens”. Dat heb ik ooit ergens gelezen. In een boekje bij de psychiater denk ik.

Knuffelen schijnt onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot de hormonen die ik ken en die het maandelijkse onheil bij mijn vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel al verlagen met een paar punten. Als ik Evy mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik nog meer zelfzeker en socialer.

Dus verschiet niet als ik je een van komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid.

Ik laat je ook nog weten hoeveel toeken ik tegen mijn bakkes gehad heb als ik die nietsvermoedende voorbijganger heb vast gegrepen.

 

 

Betrapt.

 

Laat één ding duidelijk zijn. Vrouwen hebben ook vreemde gewoonten. Ze houden zich soms ook bezig met opmerkelijke activiteiten. Met zaken die ze angstvallig proberen achter te houden. Zelfs voor hun soortgenoten.
Hun lotgenoten daarentegen confronteren ze er dan weer wel graag mee wanneer ze er ongevraagd getuige van zijn. Zo zijn ze dan weer wel.
Het lijkt een soort van natuurlijk verstopgedrag dat ogenschijnlijk plaats vindt in een vlaag van onweerstaanbare drang.
Hoewel de vrouw in kwestie er zich diep over schaamt zal ze het bestaan van ervan ten allen tijde ontkennen. Zelfs wanneer ze ermee op heterdaad betrapt wordt. Hoewel dit slechts uiterst zelden gebeurt omdat ze deze bedrijvigheid meestal in het geniep uitoefent.
Geen vent die het begrijpt. Niemand die er ook ooit aan gewend raakt of zich afvraagt waarom ze het doen. Zelfs de meest geëmancipeerde vrouwen niet vermoed ik.
Wij mannen kunnen die zaken ongebruikelijk of ongepast vinden maar zullen nooit kunnen achterhalen hoe vrouwen in het algemeen er over zelf denken of hoe zij er zelf tegenover staan. Hoewel uit de feiten of omstandigheden dikwijls kan blijken dat enig zelfbesef of een redelijk vermoeden van dit afwijkend gedrag hen toch bezighoudt of parten speelt.

Mannen heb ik er nog nooit aan weten ruiken. Aan hun ondergoed. Snuffelen om te achterhalen wat nog draagbaar is en wat niet. En wanneer is het dat dan niet meer? Waar ligt de geurgrens? En wat hopen vrouwen (niet) te ruiken? Zichzelf of de andere?
Voor mannen zijn strepen en zweetvlekken of het ontbreken ervan, doorgaans voldoende en afdoende bewijs om zelfzeker uit te maken of een slip of T-shirt nog toonbaar is of niet. Daarom moeten we die toch niet besnuffelen?

Vrouwen berispen ons ook heel fel als we er te diep in zitten. Als we er zo ver in lurken dat we er onze hersenen mee lijken te aaien. Maar wij voelen ons niet betrapt. Mannen zitten in hun neus. Dat doen wij. Venten peuteren, en dan? Maar we eten er tenminste niet uit wanneer we aanschuiven in de file. We draaien er ook niet in het geniep bolletjes van. Wij ontdekken ze wel hoor. De door de tijd hard geworden keuteltjes, vastgekleefd of weggeschoten wanneer ze niet meer aan de nagelgelakte vingers bleven plakken en zo een nieuwe bestemming kregen. Onder de autostoel bijvoorbeeld of op de mat van de passagiersplaats.

En dan heb ik het nog niet eens over stiekem geloste winden in de lift. De angstig met billen toegeknepen, geruisloze stinkers die de te kleine ruimte vullen met walm van slechtverteerde quinoa.

Laat het los. De schaamte en gêne want ze dienen geen meester. Integendeel. Het wordt zelfs ongeloofwaardig wanneer je de volgende keer je vent betrapt en hem met veel lawaai de mantel mantel uitveegt omdat hij weer eens aan zijn kruis ligt te krabben. Of dacht je misschien dat ik het niet gezien had.

 

Meedoen of winnen?

 

De komende weken zullen we van uit Pyeongchang kennismaken met 15 sporten die alleen maar in de vrieskou beoefend worden. De Olympische winterspelen zijn namelijk begonnen. Let the games begin.

De populairste sport van de winterspelen is ongetwijfeld het skiën. Deze discipline is onderverdeeld in 5 onderdelen waarvan de afdaling er één is. Afdalen is logisch bij skiën. Al doet deze naamgeving mogelijks verkeerdelijk vermoeden dat de overige disciplines zoals de Super G of de Reuzeslalom bergop dienen afgelegd te worden.

Het onderdeel langlaufen of Cross country dekt dan weer wel helemaal wel de lading en verklaart zich helemaal zelf. Het is gewoon heel lang lopen op dunne latten. Bij biatlon is de lading zelfs een essentieel onderdeel van de discipline aangezien je moet schieten terwijl je glijdt. Verder glijden alsof er niets gebeurd is na een trefzeker schot lijkt mij het meest lastige aan die sport. Gezien de terreurdreiging vind ik die sport wat vreemd. Ook wel een beetje gevaarlijk zelfs. Raar dat deze sport nog steeds kan beoefend worden zonder militaire bewaking. Al is het maar om de verliezers in het Noorse kamp in de gaten te houden. Er moest nog maar eens eenzelfde halve gek tussen zitten die bij waterspelen ook al eens zijn noorden verloor.

Voorlopig werd de biatlon nog niet uitgebreid tot triatlon, pentatlon of tienkamp. Wellicht omdat er problemen zijn met wapenvergunningen bij deelnemende landen of omdat de leden van het Olympisch Comité nog discussiëren of een bommengordel al dan niet op de lijst van verboden producten thuishoort. Er zit nog rek op de Olympische gedachte.

Snowboarders maken de spelen ook steeds spectaculairder en gewaagder. In de Kicker doen ze behendig hun Ollies en Nollies, ook al hangen ze met hun backflip of rodeoflip meer ondersteboven in de lucht dan dat ze glijden. Vroeger dacht ik dat ze zo dikwijls per oefening over kop moesten hangen om hun broek op te houden. Iets waar hun collega’ s op wielen in een ramp in het skatepark zich minder zorgen over maken.

En dan is er schaatsten. Schaatssport bestaat uit hockey, lange afstand rijden en kunstschaatsen. Bij lange afstand rijden komt het er op aan om met één hand op de rug  in een strakke-rubberen-niets-verhullende-spandex  zoveel mogelijk rondjes te toeren tot de bel gaat. Vanaf dat moment moet men zich beginnen haasten.

Olympisch ijshockeykampioen wordt je door heel gemeen, hard vals te spelen of door tegenspelers zo ruw mogelijk tegen plexiglazen boarding te kwakken. Het spel draait eigenlijk om een zwarte puck. Maar die is te onzichtbaar en verder compleet overbodig om er de rest van het spel mee te beoordelen.

De puntenverdeling bij kunstschaatsen blijft ook raadselachtig onduidelijk. Ik vermoed dat met één voet boven het hoofd pirouettes draaien zonder duizelig worden door de jury beter beoordeeld wordt dan over de bloemen van de vorige deelnemer te struikelen. Toch vraag ik af of de glitter op de schaatsjurken en de lijmsteentjes die op de oogleden van de vrouwelijke deelnemers geplakt worden ook mee tellen voor de punten.

En dan rest nog curling. Deze ijs-petanque is mijn favoriete sport. De huisvrouwen van elke ploeg doen wat ze beste kunnen en waarvoor ze betaald worden. Met hun borstels moeten ze voorkomen dat houten kaasbollen vuil worden wanneer ze naar hun doel geschoven worden. Dit is zonder twijfel de properste sport die ooit werd uitgevonden. Dit is mijn Olympisch winter hoogtepunt. De letterlijke grote kuis naar dopingmisbruik. Daarom wellicht dat de Russen hiervoor passen.

Winterspelen zijn leuker dan de Zomerspelen. Want hier is meedoen echt belangrijker dan winnen. Want wie kan exact  beoordelen welke kaasbol de properste is? In Pyeongchang wordt nog gesport volgens de edele Olympische gedachte en dat is de kern van de Olympische Spelen.  Al is het optellen van medailles misschien toch wel waar het echt en alleen maar om te doen is. De gouden, zilveren en bronzen.  Ook al zijn de gouden en zilveren medailles allebei van zilver toch lijkt een gouden beter te smaken wanneer winnaars er hun tanden inzetten om te zien of ze wel echt zijn.

 

 

Cadeau voor Valentijn.

 

Maak ik me er niet heel gemakkelijk van af door te denken dat haar verwachtingen voor Valentijnsdag door de band aanzienlijk lager liggen dan al het geen is uitgestald in etalages van dure merkwinkels?

Willen de meeste vrouwen niet gewoon een beetje spontane romantische aandacht?

Natuurlijk is ze niet zoals de meeste vrouwen. Die insinuatie zou een grove denkfout zijn. Het vermoeden dat die gedachte bij me binnen floept, zou ze absoluut niet weten appreciëren. Ze zou er kwaad van worden. Ze wil namelijk niet zijn zoals de meeste vrouwen. Ze is uniek. Dat hoort ze me graag zeggen. Telkens ik dat zonder bijbedoelingen benadruk wordt ze blij en gewillig en komt daar uiteindelijk seks van. Dikwijls toch. Misschien moet ik daar iets mee? Het is per slot van rekening Valentijn.

Mijn originele Valentijnscadeau verschilt van jaar tot jaar en varieert tussen bloemen en een juweeltje. En alles wat zich daar tussen bevindt. Het kan ook lingerie zijn maar dat is iets delicater.

Moet ik dit jaar eigenlijk wel een cadeau kopen? Misschien moet ik gewoon maar eens op een speciale manier uitdrukking geven aan mijn gevoelens? Met iets origineels? Met iets wat ik zelf maak en wat geen geld kost? Dat werkt toch ook zo bij mijn dochter. Op Moederdag. Wanneer zij komt aandraven met een schroef in een geschilderde plank en een wazige foto van zichzelf.  Dan houdt ze het nooit droog. Waarom zou mij dat niet lukken? Zal ik anders dit jaar een romantische boodschap op de spiegel schrijven of tekenen? Met lippenstift. Met een rood gekleurd hartje er onder. Maar dan zeker niet gezet met die dure van vorig jaar want die kostte me 159 €.  Die verspil ik er niet aan?

Of zal ik een attent briefje achterlaten? Een soort geparfumeerde liefdesbrief die ik achter haar ruitenwisser klem. Dat zal wel een leuke verrassing zijn want de meeste andere boodschappen die ze daar normaal vindt zijn boetes van parkeerwachters.

Chocolade kan natuurlijk ook want dat is een afrodisiacum. Dat zet onmiddellijk sfeer. Maar is dat niet te suggestief en te expliciet? Te geforceerd voor de avond waarop normaal gezien alles spontaan gebeurt? En geldt datzelfde argument niet voor lingerie? De kruis loze slip van drie jaar geleden had niet het verhoopte resultaat. Dat heb ik al eens geprobeerd.

Rozen? Maar die verwelken zo stel en liefde mag nu wel wat langer na deinen na zo een avond.

Is het niet gewoon het gebaar dat telt? Moet het zo nodig schitteren en zal het wel fel genoeg blinken? Moet zij zich er per se naakt mee kunnen inpakken? Zal er wel voldoende stof en kant aan zitten om er de verkeerde dingen mee te verdoezelen en er de juiste mee te accentueren?

Valentijn. Het blijft een dilemma.

Misschien is een romantisch etentje wel het veiligste. Dan verspil ik al geen dure lippenstift aan een klef rijmpje. Of loop ik het risico dat ik met een te dure en te grote cup maat mijn dromen of wensen voor werkelijkheid neem?

Iets decoratiefs dan maar. Voor in huis? Iets dat niet moet afgestoft worden of dat ik naar mijn hoofd kan geslingerd krijgen bij een volgend hoogoplopend misverstand. Een kussen of zo, uit zelfbescherming?

Cupido

2 jaar geleden besliste mijn vrouw om een stukje keukenmuur te beschilderen met magnetisch verf. Het was een esthetisch verantwoorde keuze want het was of verf ofwel een prikbord in kurk. Aangezien je op een kurken bord meestal te weinig punaises vindt om er alle post mee op te hangen kozen we voor verf. Geen klachten over de verf trouwens.  Al blijkt de aantrekkingskracht ervan lang niet zo sterk als ze in de verfwinkel deden geloven. Bovendien heb ik nog steeds evenveel magneten te kort dan dat ik vroeger punaises miste.

Alle papieren rommel die anders op tafel blijft slingeren wordt nu met magneten tegen de muur geplakt. Facturen met een vervaldatum in de toekomst hangen daar ook. Om me eraan te herinneren dat het saldo op mijn zichtrekening zwaar overschat is.  Op dure maanden lijkt die keukenmuur wel een bedevaartsoord waar alle rouwrekeningen waarmee we ons dagelijks leven bekostigen daar om medeleven smeken.

Mijn oog valt op een stukje kalender dat goed verborgen zit onder een lijvig energiefactuur, een schoolrekening, en een aanmaning ter betaling van onze schuldsaldo verzekering. “Februari is een dure maand, neen februari is een waardeloze maand”: zeg ik tegen het prikbord. En ik voeg er nog aan toe: “Al zou het allemaal nog veel erger klinken indien ik de r niet zou kunnen uitspreken.”

Wat voor een soort maand is februari eigenlijk? Lang voor deze werd uitgeroepen als maand van de soberheid was ze al niet te pruimen. Er zitten gewoon te weinig dagen in om een kalender volwaardig mee op te vullen.

Elke vijfde vrijdag van elke andere maand staat steevast aangekruist met een rood hartje. Dat maandelijks kattenbelletje op de almanak geeft aan dat we het niet mogen vergeten. Die bewuste vrijdag zit namelijk altijd in de juiste week van de menstruatiecyclus. Maar deze maand is er dus geen vijfde vrijdag. Hij valt er af. Tenzij om de vier jaar maar dan alleen maar op die momenten dat februari ook op een vrijdag begint. Dat had ik al uitgerekend.

Misschien net dat daarom Sint-Valentijn er tijdens deze maand ergens halverwege is tussen geschoven. Om met de overschot van de rode kaarsen van nieuwjaar de romantiek wat aan te wakkeren.  Al kan het even goed zijn dat poeperkesdag gewoonweg niet in de zomermaanden gepland werd omdat dan alle chocolade hartjes zouden smelten. Of omdat het dan toch te warm zou zijn om dat nieuwe bunnypakje aan en uit te trekken?

Gelukkig is er de weerspreuk van 14 februari. “Zonneschijn op Sint-Valentijn, geeft goede wijn!”  Al zal cupido wel andere pijlen op zijn boog moeten toveren om er de harten van de tournee minerale aanhangers mee te treffen. Maar we zullen maar niet zeuren zeker? Dat hadden we toch ook beloofd?

Zwarte vogels

Ik sta in de keuken en drink koffie. Zwart want zo heb ik hem graag.  Dan proef ik de bitterheid het sterkste. Van achter het glas kijk ik in de tuin. Het is windstil. Dat zie ik aan de bomen. Blad loze takken hangen doods af. “Treurwilg”, die naam is niet slecht zo gekozen. Het grijze wolkendek is rimpelloos strak gespannen en lijkt roerloos. Zonder het geritsel dicht bij de composthoop zou ik denken dat de wereld stilstaat.

Een kwartier al speur ik naar fladderende vleugels. Tot nu toe telde ik 2 Spreeuwen, een Merel, een koppel Pimpelmezen en een zwarte vogel. Dat blijkt een Kauw te zijn maar om daar zeker van te zijn moest ik dat opzoeken. Er bestaan veel zwarte vogels. Zelf kende ik het verschil niet tussen een Kraai of een Kauw. Nu dus wel. Er blijken meer verschillen dan overeenkomsten te zijn. Alleen het roepen en krijsen, dat hebben ze met elkaar gemeen. Er vliegen meer vogels over de dorre Buksus dan dat dat ik er op een andere zaterdagmorgen aandacht voor heb. Ik noteer de soorten en het aantal vliegende passanten netjes op een velletje papier zodat ik straks mijn telling kan doorsturen naar Natuurpunt. Ze hadden dat gevraagd. Vraag me niet waarom.

2 zwarte Kauwen, want ze hebben een dikkere kop en zijn grijzer van kleur dan Kraaien of Raven, krijsen luid. Ka-ka roepen ze tegen elkaar. Ook al zien ze er net eender uit, lijken ze elkaar hun kleur wel te verwijten. Zwart en lawaaierig dat zijn ze alle twee. “De pot verwijt de ketel”: lach ik in gedachten. Ik denk dat het mannetjeskauwen moeten zijn want hun wijfjes zullen wel andere zaken aan hun kop en cloaca hebben, zo een paar weken voor het broedseizoen.

Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Ook al vind ik dat ka-ka-roepen niet veel uitstaan heeft met lied of vogelzang. Toch maakt hun scheer-je-weg-gejoel maar weinig indruk op de andere vogels. De Spreeuwen en de kussende Pimpelmezen gaan gewoon verder waarmee ze bezig waren. De ijverige merel trappelt zenuwachtig een pier uit het zompige gazon. Zijn morgen kon slechter beginnen want op deze tijd van het jaar zitten doorgaans niet veel pieren in het gazon. Die vind je eerder op een warme mesthoop. Vreemd dat die Merel dat niet weet.

Deze week weerde ik bewust alle mediaberichten uit mijn dagelijks dieet. Geen nieuws, goed nieuws! Mijn humeur werd de afgelopen 7 dagen niet bezoedeld door droevige of ergerlijke berichtgeving. Of door haantjesgedrag van menselijke zwarte vogels.

Wat een onbeschrijfelijke luxe, wat een rust! Ik werd er niet door geïndoctrineerd of beïnvloed. Ook niet door de mediamannen of madammen die met hun versie van de feiten hun gelijk wilden halen van diegenen waarvoor ze het opschrijven of uitroepen. Ze hadden geen vat op mij. Ik heb ze niet gehoord want ik heb niet geluisterd. Ik hoef dus geen partij te kiezen want ik heb geen benul over welke onderwerpen de meningen uit elkaar getrokken werden.

Ik kijk verder naar mijn tuin. Naar het gevrij van de Mezen en naar het getrappel in het gazon.

Er vliegt een grote zwerm zwarte vogels over. Spreeuwen denk ik.  Ze zijn terug van Spanje of van Catalonië.  Dat kan ook. Ze komen in elk geval uit het zuiden. Sommigen vliegen links anderen rechts. Een aantal kiest gewoon voor rechtdoor. Een paar 100 meter verder komen ze mooi in harmonie terug bij elkaar en vliegen verder. In één grote zwerm.

De mannelijke zwarte vogels geven luid commentaar met hun enerverende ka ka kreten. Om aandacht te trekken, om af te schrikken of om indruk te maken.

Verder gebeurt er niet veel. Behalve dan dat de andere vogels geen aandacht geven aan het gekrijs. Ze doen gewoon verder. Met hun pier of met hun paringszang. Zo eisen ze ook beetje tuin-ether op.

Elk vogeltje zingt zoals hij gebekt is.

Het gaat nog goed komen.

 

Mijn eerste keer.

Waren we hier al wel aan toe?
Waren we echt al zo ver en ging het allemaal niet wat te snel?

Ik kan het me nog precies voor de geest halen.  Alsof het gisteren was. Buiten was het ijskoud. Het vroor dat het kraakte en we waren ingeduffeld als ijsberen.
De eerste keer is voor iedereen een bijzonder moment. Spannend ook wel want je kunt net voor dat ultieme moment niet juist voorspellen wat te verwachten. We hadden er al een tijdje naar uitgekeken maar de omstandigheden hadden tot dan toe nog nooit meegezeten.

Tot op dat moment. Voor de eerste keer leek het er op dat het er die dag eindelijk ging van komen. Het ging gebeuren. We hadden het er al een paar keer klungelig over gehad en waren allebei opgehitst. Hoewel we alle voorzieningen hadden getroffen en we er op dat moment allebei dachten echt klaar voor leken te zijn, stak twijfel toch de kop op. Zou het wel lukken van de eerste keer? Of eerder met vallen en opstaan zoals dat steeds het geval is bij mij?
Mijn twijfels waren heviger dan die van haar. Jonge mannen zijn daar anders in denk ik. Altijd met een grote mond maar als het er op aan komt?

We waren nog groen achter de oren en alles was nog pril. Dan ben je nooit klaar voor een grote stap. Glad ijs!

Laagje je per laagje ontdekten we hoe we er voor stonden. Spannend was het zeker. Opwindend ook. Dat konden we niet langer wegsteken.

Stuntelig en onhandig snel deden we onze schoenen uit want zo hoort het. Anders zou het nooit lukken.
Is het niet te snel? Zijn de omstandigheden echt wel de juiste?
Is het dik genoeg? Niet te nat of te glibberig glad?

De eerste keer. Ik zal het nooit vergeten.
Onzeker, niet goed wetend hoe of wat namen we een volgende stap en gingen iets verder. Houterig en onbehouwen gingen we op verkenning tot hoe ver moeder natuur ons zou brengen.

Langs de zijkanten was het nog nat en vettig maar in het midden was het glad en klaar om bereden te worden.

De eerste keer schaatsen op natuurijs. Onze pa had ons goed gewaarschuwd. Niet onder de bomen want daar zijn wakken. Daar zak je door.