Categorie: Lachen

Op mijn gemak!

Hypochondrie is een ernstige psychische aandoening waaraan ik zeker sterf! Als het vandaag niet gebeurt dan zeker morgen, ten laatste overmorgen. De gedachte aan mijn nakende einde, maakt me plotseling ‘kortademig’ en ‘draaierig’. Uiteraard weet ik dat ‘kortademigheid’ en ‘misselijkheid’ belangrijke symptomen zijn. Ze mogen absoluut niet genegeerd mogen. Ik weet dat want ik volg sinds het begin van de epidemie de gezondheidsrichtlijnen die Marc Van Ranst en Steven Van Gucht me op het hart drukken nauwgezet op. Met die plichtbewuste burgerzin redde ik trouwens al vele levens want wekenlang al doe ik minstens vier keer per uur ook de ‘check, check, check’ die Siska Schoeters en Ann Lemmens er zorgvuldig elke dag inpeperen. Ik waste het vel van mijn handen, verschool me achter maskers en gedroeg me zo ‘sociaal distant’ dat zelfs mijn eigen schaduw me tegenwoordig ontwijkt uit vrees dat ik hem zal besmetten.

Ondanks deze rigoureuze voorzorgsmaatregelen, lijk ik mijn eigen leven niet te kunnen redden. Haastig en min of meer in paniek ga ik op zoek naar iemand die me kan helpen. Niemand kruist mijn blikveld en even lijkt het alsof de hele menselijke soort is uitgestorven. Ben ik de laatste dino op deze planeet? Mijn ongecontroleerd in- en uit te ademen wordt met elke seconde die verstrijkt zo hevig en zo onbeheersbaar dat de vruchteloze poging om er opnieuw grip op te krijgen een beklemmende druk op mijn borstkas veroorzaakt. Mijn hart lijkt uit mijn borstkas te willen springen.

‘Het is van dattum, ik heb het ook vlaggen. The End is Nigh’. Door de ‘hyperventilatie’ en de ‘kortademigheid’ waartegen ik me fel verzet maar nu ook door de druk op mijn borst, word ik nog ‘kortademiger’ en nog ‘hypersensitiever’.  Mijn keel wordt dicht gesnoerd en koud of warm zweet loopt over mijn ruggengraat. Ik voel plots een priemende steek boven mijn slapen die me nog meer doet duizelen. Als ik niet dringend zuurstof krijg toegediend zal ik zeker bewusteloos vallen en met een kwalijke val aan mijn einde komen.  Mijn leven flitst aan mij voorbij en een paar ogenblikken later sterf ik door ademnood op de intensive-care-afdeling van ziekenhuis rivierenland een afschuwelijke dood.

Niet dus… ik moest me gewoon snel reppen omdat ik heel dringend ‘moest’ en er niet onmiddellijk een ‘passend huisje’ beschikbaar was maar geloof me dat die symptomen enorm veel gelijkenissen vertonen met covid19.

Gelukkig gaat het weer beter. Ik zit op mijn gemak en kan weer ademen!

Patiënt 1!

In een of ander onbeduidend artikel, in een nog onbeduidendere gazet las ik dat het Coronavirus in de eerste fase van de besmetting de geur- en smaakzin aantast. Eveneens zou een van de primordiale symptomen extreme vermoeidheid zijn. Wetenschap drijft op voortschrijdend inzicht, en laat dat groeiend besef bij virologen, artsen of andere wetenschappers nu net datgene zijn waar ik mijn persoonlijk leven in deze onzekere tijden tracht op af te stemmen. Want als door de wetenschap vandaag over het Coronavirus iets met zekerheid verkondigd wordt, zal dat morgen of overmorgen toch niet tegengesproken worden? Toch! In onzekere tijden doet de mens dat niet!

Vermoeidheid, geur- en smaakzin dus. Van nature ben ik vrij snel moe. Indien mijn dokter zich louter en alleen op het symptoom vermoeidheid zou baseren om bij mij Covid19 vast te stellen, ik was al jarenlang patiënt 1 zonder ziektebeeld. Vermoeidheid is voor mij dus een hoogst onbetrouwbare parameter om een mogelijke besmetting mee te bevestigen of uit te sluiten.  Maar stel dat ik plots slecht zou beginnen ruiken of dat ik niet zou proeven wat ik achter mijn kiezen steek dan pas zouden al mijn Corona-alarmen tegelijk afgaan. Om mijn medemens veilig te stellen en om mezelf en mijn huisgenoten helemaal van ziek zijn uit te sluiten, at ik vandaag dus al een handvol blauwe bessen, een boterham met fondant chocolade, tweehonderd gram aardbeien, veertien blokjes jong-belegen Gouda met een snuifje selderijzout, een half pak ribbeltjes-chips van Lays met pickles-smaak, een droge worst en acht Jaffa-koekjes met sinaasappelsmaak, dronk ik acht koppen koffie, twee cola’s en één milkshake met vanille. Tot nader order had enkel het plakje fricandon bij de krieken een vreemd smaakje maar wellicht was dat het geval omdat ik me bij de bereiding ervan vergist had en vooraf-gekruid varkensgehakt gebruikt heb, in plaats van het gebruikelijke varkens- en rundsgehakt waar ik zelf wat peper en zout over strooi.

Vooralsnog, tot dusver en zonder voorafname aan de testen van morgen mag ik me voorlopig nog steeds Covid-vrij verklaren.

Lelijk ding!

Je kent ze wel de bullebakken. Iedereen heeft er minstens een in zijn nabije omgeving. Soms duikt hij (m/v) op als dwarse collega met een vuil blad, dan weer als zure buur met een grote smoel. Anders is het een verre, nukkige nonkel die op familiefeestjes met een vunzige, ongepaste vloek de vriendelijkere tantes het zwijgen oplegt. Ik ken maar weinig mensen die er van gespaard zijn gebleven en er geen last van hebben.  Ze (m/v) zijn zo vol van zichzelf dat ze zich minstens tien keer per dag moeten opblazen als een pad omdat ze anders ontploffen. Meestal kwaken ze dan hels lawaai omdat het hen aan de woorden ontbreekt die voor nuance kunnen zorgen. Sommigen wanen zich God de vader of zijn van mening dat zij het minstens even goed zullen doen als Jezus, Geest of opperwezen. Daarom gedragen ze zich in de meeste gevallen als expert van de zaak, eigenaar van de waarheid of erger, als extremistische fundamentalist van de tent.  Luisteren doen ze nooit of met een half oor. Of, omdat ze het echt niet kunnen of, omdat ze het verleerd zijn toen ze van hun eigen brutaal geblaf zelf potdoof werden. Maar geen nood!  Hoe groter het lawaai des te onschuldiger ze (mv/v) door de band genomen, zijn. Het overbluffende, luide getoeter waarmee ze de ether verstoren, staat meestal omgekeerd evenredig aan de vastberadenheid en de intelligentie waarmee ze het brullen. De waarheid is dat ze met getier hun persoonlijke onzekerheid en onwetendheid willen verdoezelen. Dat is hun enige drijfveer. Daarom, wees niet boos maar omarm deze eigenzinnige lastposten en koester hen als onaangepaste onruststokers. Het zijn maar angstige hazen zijn die wild in het rond springen omdat het gras te hard aan hun poten kietelt of omdat ze bang zijn van de wolf die hen zou kunnen oppeuzelen. Hoewel ze vaak het tegenovergestelde bereiken van hetgeen ze beogen hebben ze soms toch ongewild een positieve invloed wanneer ze door hun asociaal gedrag en geschreeuw de sociale harmonie en verouderde conventies verstoren. En dat is wel waardevol ook al hebben ze er een niet gewild aandeel in.

Als je je dus afvraagt hoe je straks een doorwinterde en luidruchtige roeptoeter of bullebak (m/v) wordt, hier zijn een paar tips:  

  • Maak je absoluut geen zorgen over je reputatie en focus vooral niet op het probleem maar wel op jezelf en het gelijk dat je meent te hebben. Dat is het enige wat je wil bekomen!
  • Doe het tegenovergestelde van wat je morele kompas je ingeeft. Vraag je absoluut niet af of datgene wat je zegt slim of het beste is want nadenken zal je blikveld verbreden. Dit wil je niet!
  • Gebruik nooit de zin: ‘ik weet het niet of ik heb geen idee, jij hebt altijd een idee’. Lieg en overdrijf zo hard je kan, maar doe het luid zo vermijd je kwetsbaarheid en ontloop je de illusie menselijk te zijn.
  • Gedraag je als een kind. Wees een losgeslagen projectiel of nukkige etter die door zijn constant gemekker het liefst achter het behang geplakt wordt. Hoe meer lawaai, hoe meer ergernis en chaos en dat is je ultieme doel!
  • Vermijd ruimere context en denk klein. Mocht je in de verleiding komen om groot te denken zal men je terecht verdenken van constructiviteit. Hierdoor verlies je de pole-positie van de ergernis.
  • Blijf halsstarrig trouw aan je eigen ideeën en stommiteiten. Modder aan met wat je bezig bent en waarmee je al duizend keer het deksel op de neus kreeg.  Deze activiteit zal je geloofwaardig bullebak-gehalte alleen maar ten goede komen.

Wees dus niet bevreesd voor rare kronkels en gestoorde invalshoeken van je kritische medemens. Hij zal je verdraagzaamheid er alleen maar mee aanscherpen. Hij zal je creativiteit prikkelen om selectief doof te worden en hij zal je huid dikker en veerkrachtiger maken. Na verloop van tijd zal je merken dat je rug en schouders breder geworden zijn. En mocht je het geluk hebben dat er toch geen brulaap in je buurt verscholen zit, geniet dan van de rust vooraleer hij (m/v) ze weer komt verstoren, maar vooral wordt er nooit zelf een want het is een bijzonder lelijk ding!

Quarantaine.

Aan diegene in quarantaine die tijdelijk gebruik maakt van deze kamer,

Weet dat ik erg uitkeek naar je bezoek en dat ik alles in het werk wil stellen om jou tijdelijk, verplicht verblijf hier zo aangenaam mogelijk te maken. Er zijn een paar dingen die je over deze geïmproviseerde spoeddienst dient te weten alvorens je hier je intrek neemt. Ik zou het erg op prijs stellen mocht je deze richtlijnen lezen en zich aan onderstaande afspraken te willen houden.

De grote tv die aan de muur hangt werkt niet.  Jammer genoeg kan je daarom de heruitzending van de Ronde van Vlaanderen van 2015 die zondag wordt uitgezonden dan ook niet live bekijken.  De computer op het bureau echter vervangt de flat screen en doet dienst als tv. Als je deze opstart mag je de boodschap ‘login to pornhub’ negeren. Deze website wordt alleen nog sporadisch door de jongste zoon gebruikt voor zijn artistieke en culturele interesses. Mocht er bij de opstart toch voor onduidelijke redenen een creditcardnummer gevraagd wordt mag je deze boodschap eveneens naast je neerleggen.

Wanneer het in dit huisgezin te druk wordt, trekt de vader van de familie zich ook soms terug in deze kamer. Dan leest hij er de tijdschriften die zich in de onderste lade van het bureau bevinden. Voel je vrij om hetzelfde te doen, tenminste als de bladzijden van de boekjes niet te hard aan elkaar kleven.

Oorspronkelijk behoorde deze de kamer aan de zonen van de familie. Dit merk je aan de goudvis en het konijn. De goudvis is doorgaans vrij rustig tenzij je hem voedert uit het kleine plastiek pakje, groene geperste droogvoer dat zich achteraan in de schuif bevindt. Doe dit niet want dan wordt de vis helemaal onvoorspelbaar. De ene keer gaat hij ervan op zijn rug zwemmen dan weer gaat hij tekeer als onvervalste Michael Phelps en zwemt hij zo snel rondjes dat hij er scheel van gaat kijken en twee dagen slaap nodig heeft om te bekomen.  Het konijn maakt op zich geen lawaai en wordt het liefst gerust gelaten tenzij je ‘s nachts tijd wil doden door in de tijdschriften te lezen. Dan wordt het onrustig en durft het je bemoeiziek aankijken alsof je op dat moment de grootste doodzonde begaat. Je kan dit gedrag negeren of je kan een deken over het hok gooien zodat je niet langer gestoord wordt en je je verder kan concentreren op je lectuur.

De reddingsboei in de vorm van een vrouw die zich in de grote kast bevindt, wordt in de zomer door de dochter gebruikt als speeltje in het zwembad.  Omdat ze de levensgrote vrouwelijke redder steeds zelf opblaast, zal je merken dat er nog een beetje condenswater in het hoofd zit. Gelieve daarom de lucht uit deze redding band niet af te laten, anders zal het plastic verduren waardoor ze volgende zomer niet meer bruikbaar is. Uiteraard staat het je vrij om ter afwisseling van het bed deze boei gebruiken als luchtmatras te gebruiken.

De hond die zich doorgaans onder het bed bevindt zal je niet vaak zien. Hij is van de moeder en is zoals de moeder zelf een beetje neurotisch en onberekenbaar. Soms snuffelt hij aan je kruis.  Als je hem dan negeert of niet genoeg aandacht schenkt, kan het gebeuren dat hij een ongelukje heeft. Gelieve dit op te kuisen met de rol keukenrol en de plastic zakjes die zich in de tweede lade van het bureau bevindt.  

Mochten er zich nog schoenen, kousen, onderbroeken of zakdoeken onder het bed bevinden mag je deze in een grote vuilzak aan de andere kant van de deur plaatsen.

In deze revalidatieruimte worden voorlopig geen lockdown-feestjes gehouden en bezoek is niet toegestaan.  

Wanneer na een tiental dagen de ergste symptomen en de koorts verdwenen zijn en het opnieuw toegestaan is om deze quarantaine te verlaten mag een uitstap naar de badkamer of een trip naar de tuin zeker niet op je planning ontbreken. Daar kan je bijvoorbeeld genieten van het postmodernistisch kunstwerk oorlogsgebied in een tuinkot.  

Spoedig herstel en geniet van uw verblijf.

Kak, kut en klote

Alleen al de suggestie dat ik me enkel maar op één bepaalde dag van het jaar, namelijk vandaag, slecht zou mogen voelen, is een farce en een mythe. Misschien is het meer sociaal aanvaard om het vandaag meer te zijn dan op andere dagen aangezien ik me op deze derde maandag van januari achter een collectieve dagdepressie mag verschuilen. De beperking tot vandaag beschouw ik echter als een ernstige beperking van mijn persoonlijke vrijheid. Op andere dagen van het jaar kan het blauwe maandag-monster immers even hard of nijdiger uit de kast springen om me te achtervolgen, om controle te nemen over mijn humeur en om mijn dag helemaal naar de kloten te helpen, daarvoor is soms minder nodig dan het winterdipje van vandaag. Een dinsdag in mei of een vrijdag in oktober kan dan zomaar, zonder aanwijsbare reden veranderen in een blijf-uit-mijn-buurtdag of in een ik-blijf-in-mijn-bed-liggendag. Indien je op die dagen mijn denkbeeldige schutkring betreedt en je je in mijn persoonlijk territorium waagt, heb je van Jan. Natuurlijk zijn medische experts het er roerende over eens, dat de winterblues te wijten is aan een gebrek aan zonlicht, een combinatie van de post-kerstblues, koude donkere nachten en een overvloed aan nog te betalen creditcardfacturen en dat deze rotperiode zich vandaag het hardst manifesteert. Ik ben zeker niet geneigd om hun klinische expertise niet in twijfel trekken en wil al dat gedoe nog wel aanvaarden maar dat geeft hen nog niet het recht om me alleen vandaag humeurig, ongelukkig, kak of klote te mogen voelen. Ik geef ze, de medische en psychische bollebozen, alle vrijheid zodat ze vandaag wreed hun best kunnen doen om me op andere gedachten te brengen maar ze zullen me, begot mijn vrijheid niet ontnemen om me op andere dagen van het jaar even kut te voelen als vandaag… en dan moet het nog valentijn worden.

Schaamrood

De ingebeelde schijngevechten tegen schaamte die ik al mijn hele leven voer, kennen duizend gezichten. Ze ontwrichten al zo lang ik het me kan herinneren mijn innerlijke zijn, ziel en … Lees verder Schaamrood

Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Een kreeft die niet kan vliegen.

Als verveling me verdooft, droom en fantaseer ik, dat is dan wat ik doe. Dan ijl ik, over alles en over niets. Contemplatie en meditatie mogen dan voor onbekende filosofen en voor koeien die naar een trein kijken een geschenk uit de hemel zijn, ik slaag er niet in om mijn hersenfabriek volledig lam te leggen en zo rust te vinden in het niets of iets wat daar heeft naast gelegen. Mijn radarwerk blijft als maar doordraaien, klokvast, als dat van een Zwitsers horloge en dat doet het net zolang tot de slingers ervan stilvallen om haar te bevrijden van het storende ritmische getik.  Stupide gedachten kunnen me zolang gijzelen tot ik er in uitgesponnen zinnen kan over beginnen filibusteren. Dan pas vluchten ze weg, die gedachtenschimmen, als ze me ingefluisterd hebben dat schrijven voor mij de meest efficiënte manier is om het leven dat me aan het kapot maken is, een beetje te begrijpen of om het te negeren, al draag ik daardoor wel de storende littekens mee van al die heldhaftige gevechten die ik daarmee uit de weg ging.  Toen ik vannacht knobbelde in een van die absurde ingebeelde fantasieën, realiseerde ik me plotseling, als in een intieme lichtflits, dat ik eigenlijk een niemendal ben, dat ik dat altijd al geweest ben en dat ik dat altijd zal blijven, dat ik daardoor niet veel meer voorstel dan een kreeft die niet kan vliegen. Ik realiseerde me ook dat ik nooit veel meer zal voorstellen dan een niet-vliegende kreeft omdat elk soort van ambitie me vreemd is. Vanmorgen nam opstaan, net zoals elke ochtend van elke andere dag van de week tijd in beslag omdat ik nooit echt helemaal klaar lijk te zijn voor de realiteit van het leven, ook al heeft die me daarstraks wel gevonden toen ze me duidelijk maakte dat kreeften niet kunnen vliegen en dat wellicht nooit zullen kunnen omdat hun pantser daarvoor te zwaar is. Zoals zo vaak kom ik er met koffie en een peuk achter dat ik eigenlijk van niets weet en dat ik van niets zeker kan zijn. Als de cafeïne en de nicotine dan eindelijk in mijn bloedbaan geraakt zijn en daar een paar zenuwen een trap onder hun kont gegeven hebben, vraag ik me af of ik datgene wat ik nu voel wel moet voelen en of hetgeen ik nu denk wel moet denken. En dan lijkt het telkens opnieuw dat ik in die onwetendheid plezier lijk te scheppen terwijl ik veel liever iets anders zou willen doen. Kreeften laten vliegen bijvoorbeeld maar dat zal me wellicht nooit lukken en die nederlaag vier ik met de vlag van de overwinning en met een boterham met krab sla.

Haar.

Ik ben zeker dat je daar op muziekkamp al lang niet meer wanhopig zit te wachten op een stom briefje of op advies van een vijftiger, ook al is die vijftiger jouw vader die met elke nieuwe dag een dagje ouder wordt. Het zal je misschien verbazen maar ik was ook ooit dertien, weliswaar dertien in de mannelijke versie van een meisje, maar toch dertien. Negentien eenentachtig was het dan. De grootste gebeurtenis van juli eenentachtig, was dat prins Charles van Engeland trouwde met prinses Diana, ook van Engeland al werd ze door haar huwelijk ‘gedegradeerd’ tot prinses van Wales. Vraag me niet waarom dat zo is, waarschijnlijk omdat die Engelsen rare tradities hebben.  In die dagen konden uilen nog spreken en er was nog geen internet daarom zat de hele wereld die bewuste dag voor de tv gekluisterd, om een glimp op te vangen van de bruidsjurk van de sprookjesachtige prinses. Ik weet niet waarom ik je dat nu zeg misschien omdat ik toen ook dertien was en ik jaloers was op die lelijke aap.

Hou je vast aan de takken van de bomen, binnenkort ga je tot besef komen en aan je lijf ondervinden dat hormonen je willen veranderen. Ze gaan je proberen te overtuigen dat ik niet meer de grappigste man in je leven ben. Ze zullen je ook influisteren dat je ma een oude zaag geworden is omdat ze je dingen wilt laten doen die saai en ouderwets zijn of omdat je volgens haar te vaak op je gsm zit. (Wat wellicht het geval is.) Die hormonen zullen je meer met je ogen doen rollen en je meer laten zuchten en blazen dan je zelf wil maar ze gaan er ook voor zorgen dat je gat, je billen en hopelijk nog andere dingen, dikker worden. Ze zullen zorgen voor haar onder je oksels en op nog andere plekken waar dat nog gênanter is. Die hormonen zullen er ook verantwoordelijk voor zijn dat je (tijdelijk) een hele slechte smaak zal ontwikkelen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat je helemaal zot zal worden van pak weg, Justin Bieber of erger van Daniel Portman, omdat die toevallig een sexy schildknaap mocht spelen in Game of Thrones. Zit er niet mee in want het zijn tijdelijke randfenomenen die samengaan met groter worden. Uiteindelijk zal je toch tot de conclusie komen dat er maar één man echt belangrijk is in je leven en dat ik dat ben omdat ik nu eenmaal nagenoeg perfect ben, zowel uiterlijk als verstandelijk.

Veel van de dingen waarvan je nu denkt dat ze je ooit zullen gelukkig maken zullen dat niet doen. Maar ik weet ook dat het nul komma nul zin heeft om je daarvoor te waarschuwen, want jij wil meer dan wie ook zelf achterhalen hoe het leven werkt. Jouw leven is een feest en de wereld een wonder en iedereen die je zal willen proberen te overtuigen van het tegendeel, zit er helemaal naast. Je zou eens moeten weten wat er nog allemaal op je af komt, voor de eerste keer. Ik kan het weten want ik was ooit dertien.  Dus doe maar op! Krijg maar wat meer haar, ook op je tanden. Het mag! Wees eigenzinnig en test het maar allemaal uit. ‘Don’t worry and enjoy the ride’ want alles komt altijd goed. Neem geen genoegen met sarcasme en cynisme en wees niet beschaamd voor vriendschap. Probeer het maar, doe maar op, dat mag want het loont om eigenzinnig te zijn en om uit te proberen wat je allemaal wordt verteld. Maak je dus geen zorgen want alles komt altijd goed. En wanneer je het even niet meer weet, kom dan maar af want ik weet het allemaal want ik was ook ooit dertien en ik heb ook al een gsm, eelt op mijn ziel en haar op mijn tanden.

Vader van zijn zoon

Ik ben niet zeker of iemand het opmerkte dat mijn ogen een beetje vochtiger staan te blinken dan anders. Niet dat ik me daarvoor zou schamen moest dat wel het geval zijn omdat ik bijna zeker weet dat de meeste mensen die zich in deze zaal bevinden in min of meerdere mate ook met dezelfde emoties aan het vechten zijn. De jongsten in de menigte zijn of opgelucht of uitgelaten of trots en blij of iets dat zich daar tussenin bevindt al bespeur ik hier en daar wel wat weemoed of spijt omdat ze hier nu een belangrijk tijdperk komen afsluiten. Op sommige plaatsen word ik lichte angst, spanning en onzekerheid gewaar omdat de oudsten van nu straks als nieuwe piepkuikens op ongekend terrein een nieuwe weg zullen moeten zoeken. Sommige uitverkorenen genieten zichtbaar van de aandacht wanneer ze achter het spreekgestoelte mogen plaatsnemen om daar hun zwanenzang voor te dragen, terwijl anderen zich door hun schuchterheid of door hun stuntelige lijf, dat nog niet helemaal in proportie geggroeid is, geen juiste houding weten aan te meten bij dit laatste publieke examen. Opgetut zijn ze wel allemaal. Jonge vrouwen hebben voor de spiegel met elkaar een ingebeelde onderlinge strijd gevoerd, voor het juiste kapsel, voor de hipste jurk of voor de duurste halsketting die ze van hun moeder in bruikleen kregen om aandacht van hun operaspleet af te leiden. De meeste van de jonge mannen weten zich ook niet echt een juiste houding te geven in hun gesteven maatpakken omdat de afgedragen sneakers of de adidaskousen die ze er onder dragen hen net iets te veel van een clown doen weg hebben of misschien is het gewoonweg omdat in die strakke kostuums de afgelopen weken mondelingse examens moesten afleggen. Hier en daar bespeur ik nog een zeldzame puist terwijl sommige onder hen al lopen te pronken met een volle baard of met een borstelige knevel. Op de ingebeelde catwalk defileren ze één voor één naar voren. De ene achter de andere om daar van oudere wijzen met wie ze de afgelopen zes jaar lief en leed gedeeld hebben, kussen en een eerste belangrijke adelbrief in ontvangst te nemen.

“… hebben hun diploma secundair onderwijs richting Latijn-Moderne-Talen behaald.” Met die laatste woorden worden hij en zijn klasmaten door de directeur, met een stem die minstens evenveel trilling vertoonde die van de sprekers van daarstraks, afgezwaaid. De onderdrukte emoties, die door de bewogen toespraken van de jonge schouders waren gevallen, worden door mij allemaal geabsorbeerd. Hoewel ik zelf geen lauweren aan dit meesterwerk verdien, voel ik me een pauw die zijn staart wil tonen maar ik doe het niet omdat hij die pluimen allemaal zelf mag opstrijken, één voor één om ze op zijn eigen hoed te steken. Voor deze grote stap is hij zeker klaar maar wat zijn vader betreft.. ach die zal ook wel goed terecht komen hij is per slot van rekening toch de vader van zijn zoon.

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

De tetten van de premier.

Persoonlijk denk ik dat ik hoogst geschikt ben om geld uit te geven dat ik niet heb. Mijn vrouw weet dat ook maar zegt het anders, die zegt,  ‘Soms denk ik dat gij een gat in uw hand hebt, somtijds doet ge maar op alsof dat ge peinst dat ge Rockefeller zijt.’

Rond de pot draaien kan ik ook gelijk de besten. Dat kan ze ook getuigen. Ik kan namelijk zo hard uit mijn nek leuteren om de essentie van een probleem te mijden dat ik mij haast uit elke benarde situatie kan bevrijden, Houdini is er niks tegen.

Waar ik ook meester in ben is in beloftes doen zonder dat het resultaat moet afgedekt worden. Dat kan ik misschien nog het beste.  

Ok, ik heb geen 8 miljard schuld en ik word niet elke dag opgezadeld met tienduizend nieuwe gepensioneerden. Daar heb ik ook niet echt een oplossing voor, net zoals ik voor het opwarmende klimaat, de migratiegolf, de economische situatie, het drama in justitie, de pensioenen en de achteruitgang van het onderwijs me geen enkel zinvol gedacht kan vormen wat ik er mee zou aanvangen…

Ik zou precies wel een goede politicus kunnen zijn, al moet ik misschien nog beter worden in ruzie maken, in mijn gezin in tweeën splitsen en in anderen de schuld te geven van dingen waar ik zelf oorzaak aan heb maar eens ik dat helemaal onder de knie krijg dan word ik het misschien. Op een schone dag als de zomer en het mooi weer samenvalt, zodat ik eindelijk op mezelf kan stemmen en het niet meer zal moeten stellen met het Vlaemsch Belang of met de marxisten van de PVDA en al de rotzooi dat tussen deze twee uitersten een positie tracht te bemachtigen zodat ze nog even mee aan de pot kunnen likken.

Een ding is zeker, zondag stem ik voor een vrouw met de dikste tetten en ik wens haar het premierschap toe zodat de al aandacht van de heren van de macht tijdens de parlementaire zittingen zo is afgeleid dat ze alleen maar bezig zijn met de boezem van de premier zodat ze geen ander, groter onheil kunnen aanrichten.

Jan de oerman.

Er was geen bezit, geen onderlinge competitie en geen sociale ongelijkheid zodat eenzaamheid, depressie en burn-out niet of nauwelijks bestonden. In die tijd liep er wel wat minder volk rond zodat iedereen in het nu leefde en er geen aandacht besteed werd aan overbodige zaken. De belangrijkste levensvragen in die tijd waren, ‘Waar ga ik slapen? Wat ga ik eten? Weegt mijn knots wel zwaar genoeg om er die sabeltandtijger de hersens mee in te slaan en met wie ga ik praten’, en zelfs dat hoefde niet zo nodig want met dierlijk gegrom raakte je toen al een heel eind op weg? Met die zaken vulde Jan de oermens het grootste gedeelte van zijn dag. Het resterende gedeelte ervan lag hij op de rug in zijn grot of zat hij aan een vuurtje, aan een bot van een sabeltandtijger te peuzelen. Als de dag tegenzat en wanneer een regenbui zijn vuur had gedoofd, mocht hij dagenlang aan stokjes draaien om er opnieuw vlam in te krijgen, en zelfs daar maakte Oerjan niet al te veel spel van. Met overschot van de tijd bedacht hij slinkse plannen om madam de oermens uit haar tijgervel te krijgen of schilderde hij muren vol met heroïsche jachttaferelen.

In een poging om de gelukzaligheid en de onbezonnenheid van dat vervlogen leven te benaderen trekt de hedendaagse homo erectus er twee weken van het jaar in de zomer op uit. Het liefst van al verkast hij dan gans zijn hebben en houwen naar het zuiden om daar, op een overvolle camping, wat te lanterfanten of om op een kunstmatig vuurtje voorverpakte spareribs te roosteren, of slooft hij zich veel te hard uit om zijn verslonsde vrouw nog eens in en uit dat tijgervelletje te krijgen. Het mannelijk oerinstinct om die activiteit op te leuken is hij helemaal vergeten zodat de vrouwelijke homo erectus haar oerman met wat dierlijk gegrom indruk zal geven een goede beurt gemaakt te hebben.

Antropologen en andere mensenkenners die erover gestudeerd hebben, maken er onderling geen ruzie over want ze zijn het er meestal roerend met elkaar over eens dat het met deze kluit dramatisch achteruit is gegaan vanaf het ogenblik dat de mensheid is beginnen te werken en wanneer de inhoud van de portefeuille de wereld is beginnen regeren. De club werd daardoor opgedeeld in twee soorten, een minderheid die het goed heeft en een meerderheid die het met wat minder moet doen. Vandaag draait het boeltje helemaal in de soep omdat die minderheid beslist voor de meerderheid en de meerderheid zich druk maakt over die minderheid. Veel goeds kan daar niet van terecht komen, mijn gedacht.

Die oermensen waren zo lomp nog niet want je moest slim zijn om lui te kunnen zijn. Als de zon wat meewil en als mijn vuurtje niet uitgeregend wordt ga ik ook nog eens op mijn rug liggen, om aan een bot te knagen. Misschien bedenk ik wel een plan om haar nog eens in dat tijgervelletje te krijgen. Hopelijk kan ik dan nog rekenen op mijn oerinstincten zodat ik me niet tevreden moet stellen met wat dierlijk gegrom. Ik had een prima oermens geweest.