Categorie: Gepeins & Getob

Paard zonder teugel

 

Alle  amoureuze verhoudingen worden wel eens op de proef gesteld want elke relatie is een machtsstrijd, een soort van battle of sex(es). Autoriteit voor intimiteit. Iedereen wil immers toch in min of meerdere mate een beetje controle of autonomie over zijn leventje om dingen doen die hij of zij spannend of belangrijk vindt. Vanuit die verschillen en vanuit die soms tegenstrijdige persoonlijke keuzes en verwachtingen, kan een relatie wel eens onder spanning komen te staan en omgetoverd worden tot een frontlinie.

De generaties van een paar decennia geleden maakten er minder moeilijke woorden aan vuil. ‘Het is stil waar het nooit waait’, zei ons moe indertijd, toen het weer eens ‘groen hout’ was omdat onze va zijn goesting weer eens niet gekregen had en daarom naar het estaminet was getrokken. ‘Het waait wel over want een vent zonder vrouw is als een paard zonder teugel’. Hij komt wel terug straks. ‘ Met zijne steert tussen zijn benen!’

Onbegrensd mijn zin doen of straf uithalen ten koste van een andere, om gelijk te krijgen, om de mond te snoeren of omdat ik mijn goesting weer eens niet gekregen heb. Ik hoop dat ik het niet te dikwijls meer doe. Maar soms, wanneer ik in mijn grensposten aangevallen word en mijn tolerantie op de proef gesteld wordt, doe ik het toch. Op die zeldzame momenten, wanneer ik vind dat ik niet behandeld word zoals ik het graag wil of hoe ik denk dat ik het verdien, kan ik het nog. Dan loos ik verbale bagger om de vlucht vooruit te nemen.

‘Schijt op een hoop! Trek je hobbel en stik in je gelijk!’ en dan volgt soms nog ‘trut’, ‘kalf’ of ‘kutwijf’ Afhankelijk of zij me eerst haar favoriete koosnaam, ‘eikel’ of ‘luibakken lul’ naar het hoofd geslingerd had.

Op die momenten is er geen connectie of verwantschap en wordt de bedstee door rookgordijnen en afweergeschut een paar dagen lang omgebouwd tot oorlogsgebied, waar de ene mijnen zaait en de andere zich in loopgraven terugtrekt, afhankelijk van wie het meeste gelijk opeiste of wie ongepast te veel noten op de zang had.

Er mag best wel duidelijke limieten gezet worden om aan te geven waar grenzen liggen. En het hoeft niet altijd expliciet gezegd of luid uitgeroepen worden tot waar de andere mag gaan en tot waar zeker niet. Want ruzie maken doen we beschaafd.

Al vind ik maar zelden gelijk in straffe macho koppigheid want ‘stil is het waar het nooit waait’ en in de confrontatie schuilt ware intimiteit. Nadat alle potten door het huis vlogen en nadat  lakens scheurden door ze te hard naar me toe te trekken, worden harde woorden teruggetrokken en compromissen bezegeld. Zij meestal met een traan. Ik dikwijls met ongemakkelijke schone woorden. 

De mythe dat ik alleen maar persoonlijk zou groeien door maar wat  aan mezelf te sleutelen wordt dan met een snelle veeg van de tafel gekeerd.  Als ik het uiteindelijk aandurf om met de witte vlag omhoog en met ‘de steert tussen de benen’, de loopgraaf te verlaten voelt het niet als capitulatie of nederlaag maar als een dikke zode aan de dijk van toekomstige eensgezindheid.

En dan worden we door dat nieuwe vredesverdrag uiteindelijk alle twee winnaar van de battle of the sex(es). Zij met haar ondeugende glimlach, ik omdat ik nog steeds met twee snelle vingers haar bh kan los prutsen.

Versie 2.0. van de onnozelheid

 

Tot nog niet zo lang geleden kenden we het fenomeen alleen van horen zeggen of van uit Amerikaanse filmpjes die ons bereikten via het journaal of via You Tube.

Ik weet nog hoe we verbouwereerd, voor de beeldbuis gekluisterd zaten en massaal wenkbrauwen fronsten omdat we stille getuige waren hoe hysterische dames elkaar bekampten in de ‘catfight’ van het jaar. Ze vochten een gladiatorengevecht voor het juiste trouwkleed aan halve prijs, voor de laatste afgeprijsde roze i-phone of voor de grootste, platste flatscreen van het moment. ‘L(ife’s) G(reat)’ maar alleen maar als het plat is. Hoe platter hoe beter. Elke Amerikaan ging plichtsbewust op strooptocht naar de passende platte 2.0 versie van onzinnigheid en onnozelheid.

Vandaag zie ik in de Hoogstraat dezelfde verbaasde meute, massaal mee kwijlen met de kunstmatig opgedrongen Angelsaksische koophysterie die god weet hoe en god weet van waar, is binnen gewaaid. God betert want de West-Europese waardigheid is om zeep. Alle Amerikaanse onnozelheid wordt ten langen leste toch netjes met een ‘trick or treat’ gekopieerd alsof het al eeuwen kostbaar cultureel erfgoed is geweest.

Het is Black Friday en je zult het geweten hebben. De advertenties en verborgen verleiders worden via alle beeld poriën van gangbare schermen op mijn netvlies gespuwd om me ongevraagd te tonen dat alles te koop is, zelfs mijn kritische waardigheid.

Op Black Friday wordt iedereen meegesleurd in dezelfde koopjes orkaan of stormachtige solden windhoos waar je alles kunt kopen wat je wilt, niet op zit te wachten en zeker niet nodig hebt. Op deze hoogdag van koning kapitalisme wordt kopen, opdoen, inslaan, stockeren en consumeren de lijfspreuk van de dag. Het liefst kosteloos op afbetaling tot het maximum krediet bereikt is zodat je persoonlijke gegevens bij de volgende gelegenheid, schalks en leep opnieuw gerecycleerd en misbruikt kunnen worden.

Gelukkig is het volgende week Cyber Monday zodat alle overbodige of dubbel gekochte rommel on-line kan aangeboden worden op de betere E-bay shop. Enkel op die manier zal je binnen dertig dagen genoeg sollen over hebben om mee te kunnen doen  met de kersthysterie en broodnodig Nieuwjaar solden.

Pijpen en vrouwendag

 

Op een dag als deze ben ik des temeer opgelucht dat mijn seksuele identiteit helemaal overeen stemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. Mijn ochtenderectie heeft me dat daarstraks heel duidelijk gemaakt toen ik half wakker en met zandslapers in mijn ogen, mijn nog slapende vrouw in de gaten kreeg. Het dekbed was weg gewroet zodat ze ongeveer tot aan het middel bloot lag. Een spaghettibandje van haar slaaptopje was van haar schouder gerold zodat een borst zich half ontblootte. De jongeman in kwestie had niet meer nodig.

Ik was stiekem trots want mijn mannelijkheid werd bevestigd. Vanaf vijftig worden wij daar blij van geloof me. Al dient in dezelfde adem gezegd, dat ik me ‘die sta(a)t(d)us’ of ‘staat’ van dienst een paar luttele tellen beklaagde, toen ik met volgestroomde zwellichamen probeerde te pissen.

In die toestand de blaas legen, blijft een uitdaging en een hachelijk huzarenstuk want pissen terwijl de eenogige slang je recht in de ogen kijkt is geen sinecure. Het is alleen geriefelijk en bruikbaar wanneer ik een ‘Z’ in de sneeuw wil mikken maar daarvoor is het lang nog niet de tijd van het jaar.

Hoewel verpleegsters met deze plaatselijke ‘rigor mortis’ doorgaans  raad weten, durf ik dat voorzichtige hoofdstandje niet te geven. Ik wacht dus maar geduldig tot het dier terug in zijn kot kruipt. Gelukkig was er vanmorgen geen hoog water voorspeld.

Voor zo lang het nog duurt ben ik blij met mijn mannelijkheid want vandaag het is vrouwendag. Je zult het geweten hebben want newsfeeds lopen over.  Straffe vrouwen met gebalde ‘forceballen’ prijken op internettegels of in nieuwsartikels van organisaties die’ topvrouwen’ of ‘vrouwen on top’ al als vanzelfsprekend achten. Mijn mening doet er niet toe maar volgens mij zouden vrouwen, alle dagen van het jaar deze aandacht mogen krijgen want ze zijn tot meer in staat dan wij mannen. Ze kunnen bijvoorbeeld ’s morgens wel zonder problemen pissen zonder het risico dit in hun eigen gezicht te doen. Toch verkrijgen ze tot op heden nog steeds niet de aandacht, de sociale, politieke, morele of intellectuele gelijkwaardigheid, laat staan de lonen, die ze verdienen.

Zelfs leeuwin Gwendolyn Rutten klauwde kwaad.  ‘Maak daar maar heel kwaad van!’: brieste ze. Toen volgens de blauwe hofdame, de kandidaat voor het Oost-Vlaams gouverneurschap Carina Van Cauter, afgelopen week genadeloos werd geslachtofferd door mannelijke politieke afrekeningen.

Misschien dat wij mannen, de vrouw daarom vandaag zo graag betuttelen en hen met veel bravoure op een pied de stalle zetten. Om hen met een illusie kalm te houden of heel misschien om in de verf te zetten dat ze er nog lang niet zijn.

Toch is de toekomst vrouwelijk want ze hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld want het sterke geslacht dient al veel langer een veel hoger doel dan er goed uit te zien of de krant of de sloffen te brengen voor hun pijpen rokende vent.

Al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

 

.

 

 

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

De Oezbeek!

Ik heb een hoop vrienden. Een ervan kent iemand. Hij is vluchteling en is afkomstig uit Oezbekistan. Hij leert Nederlands. Het is niet mijn vriend die Nederlands leert. Neen, hij is oerdegelijk Vlaams. Hij praat zelfs een beetje zoals Geert Bourgeois. Stijf en statig en met een veel te harde “G”. Wellicht is het nog een onbewaakte gewoonte die hij aanleerde tijdens zijn studietijd. Om er zijn West-Vlaamse accent mee te verdoezelen. Omdat hij er mee werd uitgelachen. Ik vermoed het want ik heb hem nooit gevraagd waarom hij zo hard op die “G” rochelt.

‘Vriend’ is een groot woord. Ik zie hem soms en dan praten wij tegen elkaar. Gewoon maar praten, omdat mensen die elkaar kennen dat doen. Uit gewoonte, niet per force omdat we elkaar zo tof vinden of zo. We praten en produceren woorden en zinnen. Soms, zelfs wisselen we gedachten uit. Over gemeentelijke opcentiemen of over het orgasme van een varken. Wist je trouwens dat het orgasme van een zeug ongeveer dertig minuten duurt en dat er dan meer dan een halve liter varkenssperma ‘gedoneerd’ wordt? Daar kan je lang over praten, over het orgasme van een varken. Minstens een half uur. Daar ben ik zeker van. We praten dus. Over alles en over niets. Verder hebben we niet zo veel met elkaar gemeen. Misschien zal ik hem daarom en om misverstanden te vermijden maar gewoon, ‘kennis’ noemen in plaats van ‘vriend’.

Die Oezbeek ken ik trouwens ook niet. Die heb ik zelfs nog nooit gezien of ontmoet en dat hoeft voor mijn part ook niet. Ik praat namelijk geen Oezbeeks en hij niet voldoende Nederlands. Zeker te weinig om het er überhaupt over iets mee te kunnen hebben. Over het orgasme van een olifant bijvoorbeeld. Dat zal vast ook wel lang duren en er zal meer dan een halve liter olifantensperma aan te pas komen, denk ik. Maar ik zal het niet te weten komen. Niet vandaag en niet uit een gesprek met een onbekende Oezbeek.

In een van onze onbenullige gesprekken, zei mijn ‘kennis’ dat de Oezbeek, die klaarblijkelijk wel Nederlands begrijpt, zich stoorde aan hoe dikwijls wij Vlamingen het woord ‘zitten’ gebruiken. En hoe hij daar kop nog staart aan krijgt Hij heeft dat vast op een andere manier gezegd want ik kan me niet voorstellen dat een Oezbeek die Nederlands leert al zulke tekenende spreekwoorden gebruikt. Ik moest daar trouwens tijdens ons gesprek al eens even over nadenken. Over het woord ‘zitten’. Hij heeft een punt. Hoewel hij maar een paar woorden Nederlands spreekt, heeft die Oezbeek overschot van gelijk. Het woord ‘zitten’ zit zot ineen.

Nu ik thuis ‘zit’, (het gesprek met mijn ‘kennis’ ging trouwens over een niets zeggend onderwerp) ‘zit’ ik er al een uur mijn kast over op te fretten. Terwijl ik het denk, weet ik dat ik dat ook zo maar zou kunnen vertellen zonder dat ik daadwerkelijk ‘zit’ zeg. De waarheid is zelfs dat ik helemaal niet zit want ik lig in mijn sofa. Ik zou ‘zit’ dus ook kunnen zeggen terwijl ik rondloop of de afwas aan het doen ben of zo. Echt ‘zitten’ heeft daar van ver of van dichtbij iets mee te maken.

Terwijl ik door boom over het woord ‘zitten’, ‘zit’ de poes te krabben aan de lederen zetel waar ik in ben neer gevleid. “Daar mag je niet ‘aanzitten’“: roep ik op autoritaire toon, en ik gooi mijn pantoffel naar het ongedierte.

Gesteld dat mijn ‘kennis’ en de Oezbeek getuigen waren van dit tafereel en eveneens aangenomen de Oezbeek het woord ‘aanzitten’ in deze context zou hebben aangeleerd, zou een restaurantbezoek bron van smakelijke misverstanden zijn. Ik zie het zo voor me. De Oezbeek en mijn ‘kennis’ stappen binnen in een sjiek spel en de gastvrouw gebiedt hen beleefd aan de keurig gedekte ronde tafel ‘aan te zitten’. Welke gedachten zouden er op dat ogenblik door het hoofd van de Oezbeek dwalen? Mag hij zitten? Of mag hij het niet en zou hij met zijn pantoffel gooien? Want een duur sterrenrestaurant heeft iets sjieks. Daar komen geen ongehoorzame poezen aan te pas en aan de tafels wordt zonder berisping ‘aangezeten’. In de veronderstelling ten minste, dat er geen kauwgom aan mijn broek ‘zit’ doordat ik een stoel uitkoos waar een kauwgom op ‘zat’.

In duidelijke omstandigheden en in de oorspronkelijke betekenis van het woord heeft ‘zitten’ alles te doen met, ‘rustig gezeten zijn’, op je kont, op een stoel, in een zetel, of ‘op mijn vrouw’ maar dan niet in de betekenis die ik er hier wou aan geven. In die betekenis had ik wellicht net ervoor gezegd, dat het rode kleedje haar als gegoten ‘zit’. Geen Oezbeek ter wereld die eraan zou denken dat dat kleedje op die stoel zou ‘zitten’ of ik op mijn vrouw.

Het houdt me bezig. Waarom is ‘zitten’ zo ingeburgerd? Zegt het iets over mijn ‘zittend’ bestaan? Wanneer ik in mijn zetel ‘zit’, of wanneer ik ‘zittend’ op mijn krent deze onzin schrijf? ‘Zit’ ik er dan aan vast? En hoe komt die Oezbeek er trouwens op? Omdat hij al jaren op de vlucht is en daarom struikelt? Omdat hij nooit eens vijf minuten rust vond en daarom valt over ‘zitten’? Misschien moet ik het hem maar eens vragen. Misschien moet ik hem eens uitnodigen bij mij thuis zodat we het kunnen hebben over het orgasme van de olifant of over de gemeentelijke opcentiemen.

Op de achtergrond brult de televisie. Holland scoort 1 – 1.

Hij ‘zit’!

Emo vs ratio

Doe ik het te niet dikwijls en veel te verregaand vraag ik me af. Stel ik me niet steeds veel te veel vragen? Over mezelf, over het leven in het algemeen of over mijn intieme beslommeringen? Ben ik met mijn publiek gedachtengespin dan een zielsverwant of eerder een rare zonderling die solitaire speelt met zijn private zielenroerselen? 

Als ik haar die kwestie voor de voeten gooi, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen hoort donderen! Ze wikt en weegt woorden, om te reageren maar buiten stilte die lawaai maakt, komt er niet veel. 

Met die plotse diepe frons op haar anders zo strakke voorhoofd, verraadt ze dat ze me niet begrijpt. Alsof we opeens een anders soort taal spreken. Ze geeft indruk niet te vatten wat ik probeer duidelijk te maken. Soms is praten moeilijk, alsof we op twee sporen koersen aan verschillende snelheden, in tegenovergestelde richting.

Soms wil ik een van mijn netelige kronkels begrijpelijk maken. Het gaat dan meestal over persoonlijke hindernissen, waar ik tegen aan bots. Kwesties waar ik loop op te bijten of waar ik mijn geweten mee aan de waggel houd. Op die momenten wordt mijn uitleg, of wat daar moet voor doorgaan, eerder een obstakel voor verduidelijking dan een poging tot toenadering. Ik voel dan te veel. Daar staan we dan, emo versus inzicht.

Met geargumenteerde ratio redeneert ze dan, alsof het geen moeite kost, mijn veel te gevoelsmatige benadering stuk. Hoewel ik voelsprieten heb die te vertrouwen zijn, of die ik vertrouw, mis ik meestal toch alle harde bewijs om mijn punt te maken, en dan voel ik me stom en stupide. Niet in staat om op te tornen tegen te veel beredeneerde argumenten.

“Je bent te verstandig voor mij” denk ik dan want vleierij is peper en zout in de relatie. Al zou ik om die te proeven, die paar woorden, de volgende keer gewoon beter ridderlijk en luidop uitspreken zodat haar blazoen ook opgeblonken blijft. 

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Alles wat ik weet

 

Toen ik klein was, amper een duim hoog, deed ik het al. Ik blufte, sprak groot en hakte op, tegen andere snotapen die het beter wisten. Tegen de juf of tegen ons ma en bij uitbreiding tegen iedereen van wie ik vermoedde dat ze me zouden zeggen hoe het moest. Hoe het hoorde, om er te komen. Ik deed het om meer man te zijn. Althans meer man voor de centimeters die ik maar groot was. Ik wist het allemaal al en veel beter dan de rest. Het was maar het begin, daar ergens in de lente van het leven. Wist ik veel dat ik nog moest rijpen om zoet te worden.

Op 17 was ik overtuigd het wel te weten. Zeker!  Deze keer wel. Nu zag ik het in. Ik kon beseffen en ik kon bevatten. Ik dacht te weten wat het leven in voor mij in petto had. Nu zou het lukken want ik had al eerste zachte eelt op mijn ziel. Ze zouden me niet opnieuw vangen, voor dat zelfde gat.  Ik had mijn lessen goed geleerd en ging het maken. Recht op mijn doel af, hongerig en bezeten.

Als ik me nu soms terugtrek in mezelf en ik kijk naar de wereld waar ik miljoenen passen in zette, snap ik nog steeds niet hoe hij draait. Hoe hij steeds verandert, snel gaat en soms stopt. Hoe wetten ervan omslaan en er nieuwe in ontstaan. Negenentwintig was ik. Dan wist ik alles. Alles over de liefde en hoe het niet werkt. Over rozen met doornen en over het leven. Over vrouwen en geld en over hoe ik van beide steeds te kort had. Ik dacht echt dat ik alles al had gedaan. Ik had gereisd en al een stukje wereld gezien. Ik had verspild, gehoerd en geboerd. Ik had harten gebroken en gelijmd. Ik wist het nu wel. Hoe het in elkaar steekt, dat leven. Maar ik had mijn korsten nog niet op. Wist ik veel, daar in de helft van mijn leven. Maar misschien leerde ik dan wel wat het belangrijkste is. Ik schrijf het hier snel op in vier, vijf woorden. Om het nooit te vergeten. De dag dat je iemand ontmoet waar het mee klikt, is de mooiste. Ik geloof niet dat ik het beter kan zeggen. Het is de mooiste. Nachten van stil verdriet raak je kwijt. Die vervagen en worden gewist in een logica die ik niet begrijp. Maar nooit de ochtenden. Die vroegtes van intense, verliefde tederheid. Die blijven plakken. Voor altijd. Zoals de zoute lijven in de lakens gedraaid waarin ze ontwaakten.

Gans mijn jeugd, en tot gisteren wou ik jullie overtuigen dat ik het wist. De waarheid is dat hoe langer ik er achter zocht des te minder ik vond. Des te minder ik er van af wist. En nu ik in het blauwe van mijn scherm staar weet ik het wel. Ik weet dat ik het nooit zal weten. Dat ik er niets van begrijp. Van het leven, van geld, van vrienden en van vrouwen. Van de liefde of van de kleur van rozen. Dat is alles wat ik weet. Maar dat, dat weet ik wel zeker!

Midwifecrisis.

 

Wat haat ik dit gevoel.  Ik kan het niet eens precies benoemen al is het er zeker wel. Het sluimert langzaam en het neemt over. Het adopteert me en het zich vast zet als een teek in een pels.  Ik weet niet exact wat het is of wanneer het zich manifesteerde en onopgemerkt binnen sijpelde maar nu voelt het aan alsof het zich me helemaal heeft toegeëigend. Opgeëist. Zonder verwittiging en zonder herkenbaar symptoom voel ik me op de een of andere manier geannexeerd aan een regime met verwachtingen waar ik niet vertrouwd mee ben.

Doe ik er nog toe? Ben ik nutteloos overbodig, maak ik nog verschil? Ik ben niet meer overtuigd. Ik kan mezelf niet afdoende bepraten om tot andere invalshoeken te komen. Met al dan niet gespeelde zelfzekerheid kon ik vroeger wel lakens naar me toe trekken. Ik kon doortastend spreken en overtuigend overreden. Ik kon mijn dag vullen hoe ik er zin in had. En als de goesting ontbrak was, liet ik me die niet ontvallen. Ik kon ze koesteren, die momenten van tijdelijk pensioen. Desnoods languit op mijn bed of in de zetel. En opeens lijkt het alsof daar niets van over schiet. Vandaag voelt die zo geheten vrede aan als een beklemming en een drukkende benauwdheid. Als een leegte die niet opgevuld raakt. Bodemloos schuif ik door in een hellebron waarin ik die ongemakkelijkheid niet van me afgewassen krijg.

Is het gewoon wat ontspoord zelfbeklag of deed die vijf misschien meer dan dat ik aan mezelf wil toegeven? Met elk begin van een nieuw persoonlijk millennium lijkt wel een nieuw soort puberteit aanvang te nemen. Met nieuwe en ongerepte onzekerheid. Alsof ik opnieuw, verloren, loop te zoeken naar juiste houdingen en passend gedrag. Ga ik juist om met die 2 nieuwe cijfers? Ben ik nu oud of nog jong? En doet dat er eigenlijk toe?

Liep ik niet altijd te brullen dat leeftijd geen label is waaronder alle gedrag mag geordend worden? Toeterde ik niet altijd luid dat leeftijd maar een cijfertje is een getalletje? Dat het vandaag te doen is.

Mijn overmoedige driestigheid haalde weer even bovenhand. Net zoals dat wel vaker gebeurd op mijn levenswandel.

Zal ik anders een was in steken en de strijk al doen? Dan kan ik met zekerheid straks aan mijn stoere mannelijkheid ook beginnen twijfelen. En is dat dan midWife-crisis?

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Zat gezegd is nuchter gepeinsd.

Soms denk ik, “ik wou dat ik zat was”. Niet een beetje tipsy of in de wind maar zo fel in de olie dat remmen geen grip meer vinden. Dan wil ik zo ver boven mijn water zijn dat ik het nog eens goed en straf kan zeggen zonder me in bochten hoeven te wringen. Zonder bekommerd te zijn hoe ik bij jou over kom. Om me er dan de dag nadien, beschaamd voor te kunnen verontschuldigen. Dat het niet zo bedoeld was.

“Zat gezegd, is nuchter gepeinsd”, zegt het spreekwoord. En dat zal wel kloppen anders was het geen spreekwoord.

Hoe gemakkelijk was dat niet. Om me tot aan mijn slikker vol te gieten. Om dan met bloed doorlopen waterogen bagger te kunnen lozen. Om verdronken onzin uit te kunnen kramen of fel overdreven zatte waarheden te lallen. Met gemakzucht zo hard schofferen om de dag nadien te kunnen zeggen: “Het spijt me maar ik had te veel gezopen, ik was de controle even kwijt. Ik heb het zo niet bedoeld”.

Maar, ik ben ook niet poederdroog geworden om me opzij te laten zetten omdat ik nu wel beheersing vind om het niet te doen. Te schofferen en te lallen om gelijk te halen.

Vroeger had ik dan misschien geen recht van spreken omdat er altijd wel wat goed te maken viel. Of om punten te verdienen waarvan er altijd veel meer uitgegeven werden dan dat ik er gespaard had. Toen moest ik dikwijls zwijgen en de ronde laten voorbij gaan om te passen met de beste kaarten. Nu zou ik wel kunnen spreken en op tafel slaan. Gelijk halen omdat ik denk dat ik het heb. Misschien dat ik het daarom nu net niet doe. Omdat ik wat gematigder ben en wat rustiger. En dan peins ik…

Gelukkig heb ik niet gezopen en heb ik gezwegen. Want anders moest ik nu weer met een houten kop achter straffe excuses zoeken, en schoon woorden geven om het weer min of meer op orde te krijgen. Met holle woorden en inhoudsloze beloften waarvan ik niet helemaal zeker zou zijn of die überhaupt wel zouden binnenkomen.

Gelukkig heb ik niet gezopen!

Verleden als schatkist voor de toekomst.

 

 

Deze nacht is niet zo donker als de meeste andere nachten want de volle maan kleurt de zwarte duisternis grijzer. De slaapkamer is broeierig zwoel en ik proef de zilte warmte die de opgedroogde zweetparels achterlaten op mijn lippen. Tussen twee zuchten door deemster ik weg. Slapen kan je het niet noemen. Ik draai mijn hoofdkussen nog eens om in de hoop dat de andere kant wat koeler is. Het valt tegen. De ramen staan wijd open en donderwolken die onderling strijd lijken te voeren voor het wijdste luchtruim, doen me opschrikken uit mijn deemstering. Als er al een vlaag in zit zal ze niet voor hier zijn, denk ik slaperig wakker. Ik wil de drukkende warmte negeren maar het lukt me moeilijk.

“Als ik een probleem zelf niet kan oplossen, neem ik er afstand van”. Is dat niet wat ik steeds opnieuw kwek wanneer ik anderen probeer te overtuigen om dingen los te laten. Want, je bezig houden met zaken waar je geen impact op hebt is tijdverspilling. Dat brengt toch geen zode aan de dijk. Dat predik ik toch steeds overtuigd en vastberaden!

Maar mijn eigen levenswijsheden lijken in het niets te vervallen wanneer het zwoel en plakkerig is. Dan tellen ze niet. Of toch?

Niets is zo langzaam en kostbaar als persoonlijke ervaringen. Geen enkel schrander mens zal ooit beginnen te experimenteren als hij het met kans van slagen, kan leren van iemand anders? Toch? Dus doe ik maar wat me door anderen is wijsgemaakt of opgedragen. Omdat zij het al met succes gedaan hebben.

Vroeger zou ik opstaan. Om te drinken, om te roken of om te gaan plassen omdat ik te veel gedronken had. Niet dat het me hielp. Want uren later had lag ik nog te rollen en te puffen.  Nu niet. Ik houd me stil en denk aan gesprekken die in de dag passeerden. Aan de gesprekken met mensen die vruchteloos de dingen naar hun hand probeerden te zetten om ze te controleren of om ze te veranderen. Het was hen niet gelukt en het zou hen niet lukken. Nooit. Ze blijven met frustraties, woede of verdriet achter. In die val trap ik niet meer want anders worden fouten uit het verleden geen schatkist voor de toekomst!

Om zeven uur werd ik gewekt door de klokradio en het weerpraatje van Sabine die waarschuwde dat het vandaag nog zwoeler zal worden. Ik geeuw de plakkerigheid van me af en neem een duik in een plonsbadje dat veel te warm is om er in af te koelen. Maar dat zal ik ook wel overleven.

Overmorgen geven ze regen!