Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toe ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

De Bijsluiter Van Een Alcoholist.

Josph. L Kellermann, een klinisch psycholoog, die mensen begeleidt die kampen met een torenhoge verslaving en wanhopig zoeken naar hulp, heeft boeken vol wijsheid geschreven. In een van zijn werken ‘A Guide for the Family of an Alcoholic ‘, legt Kellermann uit hoe een doorwinterde alcoholist die gestopt is met drinken maar opnieuw in de verleiding valt, bijna onder geen enkele voorwaarde die hij zelf onder controle heeft, kan stoppen met drinken. Toen ik dat las was het alsof ik in een spiegel keek want ik was en ben, als ik me zo mag uitdrukken, nog steeds hopeloos en slaafs onderworpen aan de uitzichtloosheid van de ziekte die alcoholisme heet. Want mocht ik uit overmoed overwegen om opnieuw te drinken, loop ik even groot risico om opnieuw te veranderen in dat ongeleid projectiel dat ik vroeger was en dat alles verwoest wat op zijn pad komt, net zoals dat het geval is bij de mensen die hij beschrijft in zijn boek. Om het voor jou begrijpelijk te maken kan ik niet eenvoudiger uitleggen wat het betekent om alcoholverslaafd te zijn door te zeggen dat mijn rem kapot is. Dat was acht jaar geleden zo en dat is, mocht je er twijfels over hebben vandaag nog altijd het geval. Aan het einde van mijn lijdensweg, nu bijna acht jaar geleden, was het enige wat ik nog voelde, de ijskoude muur waar ik met mijn rug tegenaan stond. Ik kon geen kant meer op. Alcohol had me zo hard in zijn omklemmende greep dat de enige emotie die ik nog gewaarwerd, de opluchting was wanneer ik mezelf de zekerheid kon geven dat ik voldoende flessen in voorraad had om er de dag mee door te komen. Drank had controle en alcohol was de baas. Al datgene wat een normaal leven zijn kleur en glans kon geven, was betekenisloos, overbodig en vooral storend geworden. Door overmatig en oncontroleerbaar drankmisbruik had ik me helemaal alleen op een eenzaam eiland geïsoleerd en was het bankroet van mijn menselijk bestaan helemaal compleet.

Wanneer ik op mijn gebruik of beter misbruik terugblik, kom ik altijd bij jou uit.  Om je voor mij te waarschuwen, denk ik. Even hypothetisch nu, kan jij het je voorstellen dat ik zou uitschuiven, dat ik zwaar zou hervallen en opnieuw machteloos naar jouw steun zou uitreiken? Mag ik je even meesleuren in die horror?

Mocht dat ooit gebeuren, mag ik je dan vragen me niet langer te vertrouwen.  Weet dat jij dan niet de helpende hand zal zijn die ik nodig heb. Als ik je dan nog dierbaar zou zijn, mag jij mijn laatste reddingsboei absoluut niet proberen zijn.  Zou je het evenwel toch overwegen weet dan dat jij opnieuw die knecht en slaaf wordt waartoe ik je door mijn verslaving zal dwingen. Misschien maakt deze veronderstelling je angstig, wanhopig of benauwend en zelfs nog meer bevreesd dan ikzelf, maar eerlijker dan hoe ik het hier zeg kan ik het niet uitleggen. Beloof me dus dat, als ik ooit naar de fles zou teruggrijpen, om alstublieft niet tegen mij te leunen want als drinker ben ik een te zwakke muur. Dan ben ik niets meer dan een krottige bouwval die je helemaal meesleurt in de puinhoop die ik word als ik uiteindelijk helemaal in elkaar stort.

Misschien wil je me met mijn schuivers wel opnieuw ruw de les lezen zoals je dat voeger deed toen je mij weer eens zat betrapt had en je mij volledig verdoofd en los van de wereld gezopen, aangetroffen had. Je zou ervoor kunnen kiezen om me diep aan te wrijven wat voor een waardeloze klootzak ik ben. Je zou razend kwaad kunnen worden. Je zou me zelfs kunnen slaan. Maar mag ik je de vraag stellen of je dat ook zou doen mocht ik je haarfijn kunnen uitleggen dat mijn gedrag het gevolg is van een hopeloze ziekte waaraan ik lijd en waardoor ik steeds opnieuw dat op voorhand verloren gevecht aanga omdat elke vezel in mijn lijf me dat oplegt? Zou je me de rug wijzen wanneer ik je zeg dat ik ziek ben maar vooral zou je die uitleg begrijpen?

Maak me dan ook geen bittere verwijten, kleineer me niet, noem me niet ‘waardeloze loser’ of ‘lafaard zonder karakter’ want al die woorden die je me naroept, treffen hard en bevestigen alleen maar het weerzinnig lage beeld dat ik van mezelf al had. Verstop mijn flessen niet en gooi mijn blikjes niet weg. Laat je door jouw liefde en jouw wanhopige bezorgdheid niet verleiden om dingen te doen die ik zelf moet doen. Weet dat telkens jij verantwoordelijkheid opneemt voor de gevolgen van gebeurtenissen waaraan ikzelf schuld tref, je me mij de kans ontneemt om zelf verantwoording op te nemen. Doe je het echter wel zal ik mezelf nog kleiner maken dan ik al was en ik zal ik me mijn eigen schuldgevoel zo hard verwijten dat het de grootste trigger wordt voor een nieuwe fles.

Sla absoluut al mijn beloftes in de wind want geen enkele ervan heeft waarde. Ook al lijk ik oprecht, eerlijk en oog ik gemeend, hecht geen geloof aan wat ik je zweer, want mijn eed is niets waard.  Vertrouw mijn tranen niet. Ze stellen niets voor en zijn niets meer dan een slinkse poging om de gevolgen van mijn daden te verdoezelen. Vertrouw niet op wat ik je zeg want de kans is groot dat het een leugen is. Door de drank word ik namelijk meester in het ontkennen van de waarheid en versta ik als geen ander de kunst om jou het gevoel te geven dat jij oorzaak bent van de uitzichtloze situatie waarin ik beland ben.  Bovendien ben ik geneigd om respect, of wat daar moet voor doorgaan, te verliezen voor mensen die het dichtst bij mij staan maar die ik al te gemakkelijk met mijn leugens om de tuin kan leiden. Deze uiterst gemene achterkant toont mijn bezoedelde persoonlijkheid en de schabouwelijke symptomen van de ziekte waaraan ik leid. De symptomen en de bijwerkingen vind je allemaal in deze bijsluiter die mijn ziekte illustreert. Sta niet meer toe dat ik misbruik van je maak of dat ik je op gelijk welke manier financieel uitbuit of emotioneel chanteer. Liefde of genegenheid mag zulke onrechtvaardige voorwaarden niet toestaan, nooit! Je bent veel meer waard dan dat. Neem me dus niet in bescherming en vertel geen leugens om bestwil om voor anderen te verbergen wie ik geworden ben. Laat mijn openstaande rekeningen onbetaald en neem mijn verplichtingen tegenover anderen en tegenover mezelf niet op jou. Doe je dit toch, weet dan dat die crisissituaties die je probeerde te vermijden, voor mij ultieme kansen waren om in te zien wie ik daadwerkelijk ben en om hulp te zoeken. Door steeds mijn vangnet te zijn en me een gemakkelijke uitweg te bieden, zal ik vastberaden doorgaan met het ontkennen van mijn drankprobleem. Mijn eigenwaarde hangt niet af of jij me accepteert of niet maar het helpt me niet als je mij voor anderen verstopt. Keur mijn verslaving niet goed, ga er niet voor opzij maar uit geen loze dreigementen die je nooit tot uitvoering zal brengen. Ze bevestigen alleen maar mijn overmoedig idee dat het allemaal zo erg niet is.

Informeer je over alcoholisme en verslavingen en hoe die in relatie staan met mij en met ons. Wees niet beschaamd om hulp te vragen wanneer je er zelf niet meer uitkomt. Kijk vriendelijk naar jezelf, wees mild en oordeel niet te fel over jezelf.  Jij bent het probleem niet. Jij bent het slachtoffer. Wees moedig genoeg en leer je eigen grenzen te bepalen en bewaak deze alsof het je eigen kinderen zijn. Jouw grenzen zijn ook noodzakelijk voor mij om te groeien. Zorg goed voor jezelf en maak het je, wat mij betreft, zo gemakkelijk mogelijk. Ik ben jouw probleem niet. Hou van jezelf, maak keuzes en wijs me de weg zodat ik kan leren hoe ik met mezelf moet omgaan. Als ik je lief ben, zoek dan mee naar waar en naar wie maar vooral naar hoe ikzelf kan leren om mezelf liever te zien dan mijn verslaving.

Maar, als ik dat niet doe, loop dan keihard weg. Laat me in de steek en kijk niet meer naar me om. Bekommer je niet langer meer om mij en vergeet me.  Ga weg en stop maar als je zeker genoeg bent dat ik helemaal en voor altijd uit je zicht verdwenen ben want als ik zelf niets aan mijn probleem doe weet jij niet tot welk onheil ik nog in staat ben… wanneer ik niet definitief stop met drinken!


Grens van de waanzin.

‘April lacht met de lente.’ Het zou zomaar de titel van een klimatologische essay van Greta Thunberg kunnen zijn waarin ze me in een lang betoog waarschuwt dat het klimaat ons voor de gek houdt. Vier seizoenen zoals we ze al lang kennen, werden in deze korte week met recordcijfers helemaal door elkaar gehaald. Zomerse zon, storm, sneeuw, hagel, onweer en vorst, het zat er allemaal in. Vroeger was dat niet zo. In mijn prilste herinnering was het altijd zonnig en warm met Pasen. Ik moest in de tuin dan ook dikwijls naar choco zoeken in plaats van naar paaseieren. Daarom lijkt het me, de winterse koude in gedachten dat Greta Thunberg minstens veertig jaar te laat komt met haar klimatologische essay over de opwarming van de Aarde. Die gesmolten paaseieren van het jaar negentien zesenzeventig zijn daar trouwens een mooi voorbeeld van. Buiten chocolade en uitzonderlijke weersomstandigheden, zou ik het ook over interessante dingen kunnen hebben.  Ik vrees alleen echter dat ik mezelf ondertussen dermate goed ken dat wanneer ik de onderwerpen waar ik verstand van zou kunnen hebben op dit blad papier zou neerschrijven, het helemaal leeg zou blijven.  De dagelijkse niet ter zake doende waarnemingen die door mijn pen in woorden veranderd worden, zijn daar het sprekende bewijs van. Ze zijn net zo overbodig en onbenullig als ikzelf.  Daarom voelt schrijven op een rare manier hetzelfde aan als praten tegen bomen. Twee dingen waar ik zeker van ben dat ik ze nooit onder de knie zal krijgen. Niet dat schrijven een onaangename bezigheid is, of dat praten tegen bomen een onprettige ervaring zou zijn, integendeel want van bomen weet ik zeker dat ongeacht wat ik tegen hen zeg, ze altijd even goed luisteren. Bomen zijn wat dat betreft gemakkelijker dan mensen. Ze luisteren altijd, althans ze geven toch die indruk. Mensen daarentegen, luisteren nooit. Meningen hebben ze wel. Die hebben ze zelfs los van het feit of ze überhaupt hoorden of begrepen wat je te vertellen hebt.

‘Er is een vis dood’, zei ik daarstraks tegen een steeneik in mijn tuintje. ‘Wellicht problemen met het metabolisme’, verzon ik omdat ik geen enkele andere reden kon bedenken voor het plotse heengaan van de vis in kwestie maar ook omdat ik hem gisteren droogvoer gegeven had en dat mogelijks te vroeg op het seizoen was. Weet ik veel. De steeneik vond er helemaal niks van. Hij wiegde zonder commentaar gewoon rustig verder mee met de wind. Even leek het wel alsof hij zijn takken op een andere manier had gevlochten dan toen ik hem vanmorgen vroeg, hoe de vier seizoenen van Vivaldi nu zouden klinken mocht de componist de onstuimigheid van de afgelopen week op dezelfde manier beleefd hebben zoals ik, maar dat kan ik me natuurlijk ingebeeld hebben. Ik ben namelijk niet zo goed in de non-verbale communicatie van een steeneik.

Het is niet zo, omdat ik van mezelf denk dat ik bomen- en mensenkennis heb, dat ik er ook in slaag om te leven alsof ik daadwerkelijk mensen- en bomen kennis bezit. Ik weet namelijk bijna niets, maar dat zei ik al. Zo weet ik bijvoorbeeld niet waarom ik hier in mijn tuin tegen bomen loop te praten. Misschien is het gewoon omdat zij me af en toewel indruk geven wel te luisteren. Al is het voor hetzelfde geld gewoon omdat, eens ik een lange tijd in eenzaamheid verhuld ben, ik het best kan demonstreren hoe dun de grens is die me van de waanzin scheidt.

Het meisje met de parel

Ik wacht geduldig op de stilte van de nacht en observeer mezelf hoe ik naar de dingen kijk. Ik ben te beschaamd om op te schrijven wat ik zie. Niemand zou me geloven. Stapelzot zou men mij verklaren. Veel aandacht kan ik aan mijn nachtelijke beschouwingen niet besteden, want naast mij ligt iemand die op het punt staat om mijn gedachten met een stil gesproken betoog te onderbreken. Nu ja stil, het is maar wat je stil noemt. Ondersteund door ongeveer vijf kussens waarvan er zich minstens twee tussen haar benen bevinden, is de betere wederhelft van mezelf zonet luidop aan een onverstaanbaar gesprek begonnen. Op ongeveer dertig centimeter verwijderd van mijn rechteroor prevelt ze wartaal die alleen door uit haar mond kan uitgesproken worden. Ik versta er dan ook geen woord van.

Het zal vast wel een ontspannende gedachte zijn te dromen dat je altijd gelijk hebt.  Niet dat ze zich daarvoor per se in dromenland moet bevinden om dat te denken, maar dat terzijde. Ik geloof dat ze droomt over een reclamespot van vanillepudding waarin ze de hoofdrol heeft. In vanillepuddingreclamespots zijn vrouwen namelijk altijd goed gezind en geduldig. Neem bijvoorbeeld die reclame van La laitière. Kan je haar voor de geest halen?  Dat door Vermeer geschilderde melkmeisje wie in een middeleeuws tafereel, roerend in een kom van volle melk luchtige vanille feuilleté maakt. Volgens gaat haar droom daarover, en anders poseert voor Vanmeer als meisje met de parel, dat kan ook. Met die ongedwongen glimlach, lijkt ze vrolijker en praat ze minder dwingend dan wanneer ze zich ten volle bewust is van de woorden die ze spreekt. Niet dat wij ruzie maken hoor, ver van en misschien is dat feit op zich nog angstaanjagender. Waarom zou je ruzie maken met iemand die je even koud laat als stijf geworden vanillepudding als je in plaats daarvan voor onverschilligheid kan kiezen?

Ik laat mijn gedachten verdampen in de nacht en besluit ze uit te stellen naar later. Misschien verdwijnen ze vanzelf of worden ze alsnog overvleugeld door vrolijkere waanzin. Eenzaamheid in je hoofd is op zich best wel een fijne gewaarwording tenminste als je het niet te dikwijls moet voelen. Overdag versta ik als geen ander de kunst van ongebalanceerd nietsdoen maar eens het licht opgeslokt werd door het duister kwel ik mezelf met de gedachte dat ik liever uit een raam zou springen. Voor alle duidelijkheid, uit een raam dat zich op het gelijkvloers bevindt. Ik ben namelijk geen held, of wat dacht je? Ik verklaarde die laatste verzonnen intentie, niet omdat ik eraan twijfel dat de mensen mij niet begrijpen maar gewoon omdat ik niet met zekerheid kan zeggen dat ik dat zelf doe.

Toen ik vanmorgen wakker schoot en ik het slib uit mijn ogen gewreven had, bekeek ik haar met de ogen van een vreemde vis die ikzelf niet graag zou vangen. Heb ik gesnurkt vroeg ik? Neen antwoordde ze, je hebt gedroomd. Een nachtmerrie denk ik. Iets over Vermeer en vanillepudding?  

Hoe?

Als het leven van mij verwacht dat ik me er constant aan aanpas en ik bijgevolg vandaag niet meer ben wie ik gisteren was, hoe kan men dan verwachten dat ik het morgen doe, zoals ik het eergisteren beloofd heb?

%d bloggers liken dit: