Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak.

Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen.

Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde.

Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde.

Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel.

‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was.

Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden.

Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben.

Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.


Bootcamp

Sinds mijn vrouw er voor koos om sportiever door het leven te gaan, is mijn leven ingrijpend veranderd met als gevolg dat mijn persoonlijke levenskwaliteit er drastisch is op achteruit gegaan. Af en toe trekt ze loopschoenen aan, gaat ze spinnen of zit ze aan gewichtjes te trekken in een hippe fitnessclub maar helemaal wild wordt ze van bootcamp op zondagmorgen. Daar kan ze zo overenthousiast over doen dat het me af en toe een beetje op de zenuwen werkt. Of ze dan eerder kwijlt op de rek -en strekoefeningen zelf, dan wel op die bruin aangebrande fitness macho die in te klein onderlijfje eerst alle oefeningen voordoet, doet niets ter zake.

Feit is wel dat ze zichzelf elke zondag, rond de klok van tien, plichtbewust in een iets te strak sportpakje wurmt. In een soort van fluo duikpak dat  zo aanspannend is dat het geen enkele ronding onbesproken laat. Aangestoten als modellen, trekken ze even later de vrije natuur in om er samen met nog andere lotgenoten stramme gewrichten los te gooien of dat overtollig rolletje weg te sporten.

Doet ze het om er die wat overdadige levensstijl mee te compenseren en om van dat extra kilootje af te raken? Voelt ze zich verplicht omdat iedereen van haar generatie het doet? Of zoekt ze eerder naar de bevestiging dat haar lijf, met de kilometers op de teller, er nog niet zo slecht aan toe is? Zeker niet in vergelijking met dat van haar collega-masochisten, van wie het tenue soms al iets strakker rond de billen spant dan rond die van haar. Ik weet het niet. Ze doet maar.

Met: ‘Je zou beter ook wat bewegen en mee gaan’, begeeft ze zich voor de eerste keer die zondag op mijn terrein. Het zal de laatste keer niet zijn. Met wekelijks terugkerende, ongepaste terechtwijzingen probeert ze me telkens opnieuw een schuldgevoel aan te praten. Met die geraffineerde charge wil ze me een slecht gevoel geven, omdat ik er nu eenmaal voor kies om gewoon lamlendig in de zetel te blijven hangen en dingen te doen die er ogenschijnlijk voor haar niet toe doen. Veel succes hebben die intimidatiepogingen niet want in tegenstelling tot haar ben ik wel redelijk tevreden met het lijf waarmee moeder natuur mij bedeelde.

Twintig is ze niet meer en dat vergeet ze soms. In haar enthousiasme gaat ze dan wel eens over een grens en worden de gewrichten en spieren die ze met haar hard labeur wou versoepelen, pijnlijker dan voor ze aan die wekelijkse marteling begon. Wanneer haar pijnlijke rug, schouder en knie dan echt beginnen op te spelen zodat ze niet anders kan dan ook een stuk van de zetel op te eisen, is dat precies het kantelmoment waarop mijn lui lekker leven radicaal verandert. Dat is het ogenblik waarop ik ongewild maar ingrijpend aan levenskwaliteit begin in te boeten.

Nu ze door koppigheid opgezadeld is met een zeer lijf en noodgedwongen doet wat ik de hele morgen gedaan heb, word ik door de omstandigheden subtiel geforceerd om een totaal ander bestaan te leiden dan toen ze nog op eigen benen kon staan. Toen kon ik liggen, hangen, zitten, en van hier naar ginder zappen. Ik kon het pand verlaten om koffie te gaan drinken. Kortom ik reilde en zeilde hoe het me uitkwam.

Nu sist ze op kordate toon van op haar troon: ‘Waarom heb je die borden van het ontbijt niet onmiddellijk afgewassen? En die pan?’

‘Waarom?’: mor ik terug?

‘Omdat dat spekvet aankoekt en je dat eigeel er nu moeilijk af kan wassen’, gaat ze verder.

Dik tegen mijn zin slof ik naar de keuken en laat water lopen in de gootsteen. Toen we indertijd over de indeling van onze leefruimte nadachten, hadden we om ‘communicatie te bevorderen’ geopteerd voor een open sfeer. Daardoor vormen keuken, salon en eethoek één grote ruimte. Dat blijkt een keuze die ik me nu beklaag.

‘Mettenoorenvertekken’,roept ze veel te luid omdat die schijtmuziek veel te hard in de oortjes van haar i-pad galmt.

 Zo klinkt het althans en ik doe teken dat ze haar oortjes even moet uitnemen.

‘Wat zei je juist’, vraag ik op een toon die behulpzamer klinkt dan dat ik het bedoel.

‘Messen en vorken ook afwassen. In de afwasmachine worden die bot’, antwoordt ze met een licht bevelende intonatie.

Ik slenter opnieuw naar de keuken en begin aan de afwas. Het te hete water zorgt er voor dat ik met twee vorken de afgewassen borden uit het water moet vissen. Trots en een tikkeltje provocerend, toon ik één voor één de borden, de pan en het bestek zodat ze zich er van kan vergewissen dat ze properder zijn dan dat zij ze ooit laat worden.

‘Laat je die twee Tupperware plastieken boterhammendozen eerst uitlekken, anders krijg je die niet droog en dan heb ik straks weer kringen in mijn kasten. Neem zeker proper water en doe er een scheutje azijn in als je aan de glazen begint, dat ontvet beter. En nu je toch bezig bent, zou je de filters van de dampkamp straks ook te week willen leggen. Dat is ook al een tijdje geleden dat die nog proper gemaakt zijn.’ ‘Ja, en neem je zeker een propere handdoek als je die glazen afdroogt? Anders blijven daar duimen op staan.’

Ik zucht en terwijl ik dat doe schuift de pan uit mijn handen omdat de steel nog nat was.

‘Wat gebeurt daar allemaal? Je bent toch geen brokken aan het maken want elke keer als jij in de keuken staat en zoals altijd dingen laat vallen zijn er stukken uit de vloer.’‘Jij maakt meer kapot dan dat we kunnen verdienen.’

‘Je moet niet zo roepen hoor’, probeer ik.  ‘Je zou die oortjes beter uitdoen. Dat is slecht voor je gehoor het is bovendien enorm asociaal. Weet je dat radiopresentatoren daar op termijn doof van worden? Trouwens het lijkt wel, alsof ik niet mag weten naar welke muziek je luistert. Kan je niet gewoon de radio aanzetten?

‘Let maar niet op mij ik ben mijn Spaanse les aan het studeren. Jij hoeft daar toch niet naar te luisteren. Je zou daar alleen maar zotter van worden.’ ‘Is er nog koffie? Eén suikertje alstublieft.’

Zei ik al dat ik het van sporten en bootcamp moe word en het er van op mijn zenuwen krijg?

Pofmaïs

Om kwart voor twaalf komt ze de trap naar boven opgelopen.Het is zaterdagmiddag. Elke week komt ze omstreeks dat uur thuis. Met zakken vol boodschappen. Wat niet expliciet op het boodschappenlijstje opgeschreven is, wordt niet gekocht. Wellicht daarom dat ik bijna elke week, ongeveer een kwartier later opnieuw naar de supermarkt ga om datgene te kopen wat zij vergeten is. Steevast ontstaat dan discussie over of zij die dingen vergeten is of ik ze niet opgeschreven heb. Die woordenwisseling is meestal het startschot om samen in de kasten te duiken en uit te vissen wat nog ontbreekt zodat even later eensgezind een nieuw boodschappenlijstje geboren wordt. Het blijft vooralsnog een raadsel waarom dat ritueel zich wekelijks niet een uur vroeger afspeelt, maar daarom is het een raadsel natuurlijk.

‘Ik moest je de goeie dag doen’, zegt ze terwijl ze een bokaal schorseneren in de proviandkast zet.

‘Ah van wie’, vraag ik oprecht geïnteresseerd. Hoewel deze vraag me redelijk defensief lijkt. Ik stel ze per slot van rekening alleen maar  om  te weten te komen wie ze zonet ontmoet heeft, kijkt ze me toch met lichte irritatie aan. Ze had ondertussen haar rode pumps uitgetrokken en begon aan de rits van haar jas, die ze nog steeds aan had, te frunniken.

‘Ja, van wie? Dat is het nu juist. Wie was het ook al weer? De naam ligt op het puntje van mijn tong, maar het komt niet. Dat heb ik tegenwoordig meer en meer. Gezichten vergeet ik nooit maar namen kan ik niet onthouden.’

‘Ik heb daar ook meer en meer last van. Was het een man, een vrouw?’, probeer ik behulpzaam.

‘Een vrouw natuurlijk!’

‘Is dat zo natuurlijk? Het is toch niet omdat driekwart van de wereldbevolking vrouwelijk is dat je daarom een vrouw ontmoette. Hoewel de kans statistisch gezien kleiner is kon het toch ook een man zijn?’

‘Maar ik heb haar toch met mijn eigen ogen gezien.’

‘Ja, maar ik toch niet? Wat voor vrouw? Van waar moet ik haar kennen dan?’

‘Wel, toen we vroeger nog samen gingen winkelen en dan nadien in het dorp gingen aperitieven, was ze daar ook altijd. Donker haar. Iets groter dan ik. Ze rookte gelijk een Turk. Bastos, denk ik. Nu zal ze een jaar of vijftig zijn, schat ik. Hoewel ze ook vijfenvijftig zou kunnen zijn. Want sigaretten roken veroudert. Je krijgt daar oud vel van.’ ‘Ik ben niet zeker of ze nu nog rookt.Ik heb haar dat niet gevraagd, want zulke vragen stel je niet in de supermarkt aan de kassa.  Tenzij er een farde Bastos in haar karretje zou liggen, maar dat was niet het geval.’

‘Vijftig, dat is te oud om jeugd te zijn en jeugdig om oud te zijn’, antwoord ik bijdehands, in een poging om het gesprek een andere richting te laten uitgaan zodat ik eindelijk kon vertrekken om de overige “vergeten” boodschappen te gaan kopen.

‘Waar slaat dat nu weer al op? Wat is dat nu weer voor een opmerking. Dat is weer zo een uitspraak uit een van je verhaaltjes zeker?’

‘Ze was meestal alleen, hoewel er soms een man bij was maar die kennen we niet.’ Ze dronk pinten in zo’n sierlijk lang glas, van s’ middags al’.

‘Zo wordt het moeilijk. Een vrouw van vijftig die sigaretten rookt gelijk een Turk en lange fluiten drinkt.  Een verrimpelde madame met donker haar, van wie je de naam vergeten bent en die soms vergezeld was van een man die we niet kennen.’ ‘Daar kom ik niet verder mee.’ ‘Weet je er niet meer van?’

‘Deodorant, keukenrol en pofmaïs’, zei ze plotseling alsof die nieuwe informatie me zou doen inzien van wie ze me de groeten moest doen.

‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’

‘Deodorant, omdat je zonder, muf onder je oksels ruikt. Keukenrol omdat die er niet meer is en ik je rommel niet blijf op deppen met toiletpapier want dat plakt daar in.  Pofmaïs omdat er morgen een vriendinnetje van ons dochter komt slapen, ze naar een film willen kijken en ik hen popcorn beloofd heb’, zei ze nu echt geïrriteerd.

Het gesprek eindigde even onduidelijk dan dat het begonnen was. Het nachtlampje werd aangeklikt, het dekbed werd weg getrokken en mijn vrouw ging aan de rand van het bed zitten. Met een kartonnen tong en ogen vol slapers trachtte ik te achterhalen wat er aan de hand was. ‘Wat scheelt er aan?’

‘Ik had haar bijna. Jac… Nath… damn ik ben het weer kwijt.’’Haar naam!’

 ‘Doe het licht uit en ga slapen, het belangrijkste is dat we de groeten hebben. En dat ik deodorant en pofmaïs gekocht heb.’

‘En keukenrol? Je bent die keukenrol toch niet vergeten?’

Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


Oorkonde van deugdzaamheid

Onbezonnen groot worden, wat een voorrecht. In mijn kuikens-jaren bleef ik grotendeels gespaard van eeltvorming op mijn ziel toen ik uit me uit mijn schelpje bevrijdde. Ik mocht lichtvaardig en onbesuisd groeien als een kool zonder me over al te veel grote zorgen hoeven te maken. Pijnlijk leed hoefde ik niet te negeren want het was er gewoonweg niet. Toch niet in de leefwereld onder mijn kerktorentje. Ik was geprivilegieerd en rijk geboren. Wat een luxe.

Al weken lang volg ik de één productie kinderziekenhuis. Zonder tussen beiden te kunnen komen krijg ik inkijk in het leed, in emotie en vertwijfeling maar ook in hoop moed, veerkracht en doorzettingsvermogen van jonge patiëntjes en hun ouders. Ik hoef het onzekere lot van een ziek kind niet uit handen te geven aan dokters of verpleegsters in een kinderziekenhuis. Ik moet niet dagelijks in onzekerheid leven en wachten op een onheilspellende diagnose die het leven van een van mijn kinderen door de willekeur van het lot, ingrijpend zou kunnen veranderen. De verhalen en de getuigenissen van gekwetste zielen komen hard binnen. Met een kramp in mijn maag en met natte ogen kom ik tot besef. Ik ben bevoorrecht met mijn gezonde kinderen.

 Een uurtje later kom ik zappend aan in Jemen, een land zich op de rand van de afgrond bevindt. Het ondergaat de grootste mogelijke menselijke crisis ter wereld. Elf miljoen kinderen worden dagelijks geconfronteerd met geweld, ontbering ziekte of ondervoeding en zijn er onrechtvaardig groot slachtoffer van. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ondervoede schimmen van wie de buik aan de rug kleeft komen, smekend om een aalmoes of een korst, de huiskamer binnen gestrompeld. Ik krijg de beelden ervan niet gecensureerd en ik besef. Ik ben bevoorrecht met mijn land, met mijn afkomst en met patatten in de kelder.

 Vandaag bestel ik koffie, zoals gewoonlijk. Ik speur rondom mij naar wat levendigheid. Vier mannen, gezegend met jaren zitten langs mij. Ze drinken trappist, de ene blonde de anderen donkere. Door hun uitlatingen en gebaren geven ze indruk elkaar te vervloeken. De ene omdat hij voor zijn beurt speelde. De andere omdat hij vergat troef te volgen. Elke week zitten ze hier in elkaars gezelschap de namiddag door te brengen. Ze klagen niet want ze zijn bezig met wat zij op dat ogenblik het belangrijkste vinden.Vrouwen worden in dat gezelschap niet getolereerd. Hen maak je niets meer wijs hoor ik mezelf denken. Zij weten al beter. Op een speciale manier zijn ze ook geprivilegieerd. Door leeftijd en door jaren en omdat ze voor even verlost zijn van hun vrouwen die het beter weten.

De krant die ik vastneem staat bol met slecht nieuws. Ze is gevuld met artikels over politiekers van wie het ego groter is dan de toren van Babel. Reportages van gore figuren die het in de wereld voor het zeggen hebben. Met onze centen bekampen ze elkaar voor persoonlijke doelen die ze over veertig dagen willen behalen. Zij zijn ook bevoorrecht maar op een vieze manier. Ze zijn geprivilegieerd om, met een alleenrecht en het voorwendsel van een betere wereld, persoonlijke ambities die met rode bolletjes ingekleurd worden, te realiseren. Op de kap van arme zielen zoals wij.

 Rode neuzen, ze zijn maar pas van het scherm verdwenen en de warmste week springt al in beeld. Otto-Jan Ham, Eva De Roo en Michèle Cuvelier zullen ons proberen met het juiste goede doel en met het gepaste hippe verzoeknummer een geweten te schoppen. Terwijl de rest van de wereld naar de kloten draait.

En dan denk ik, ‘Ik ben bevoorrecht om me zorgen te kunnen maken over problemen en vast te stellen dat een probleem maar een probleem is wanneer ik er zelf geen last van heb’.

Ik bestel nog een koffie. Een van de oudjes heeft een solo verloren. Hij zal zich straks vast ook niet bevoorrecht voelen. Wanneer de rekening moet vereffend worden.

%d bloggers liken dit: