Kak, kut en klote

Alleen al de suggestie dat ik me enkel maar op één bepaalde dag van het jaar, namelijk vandaag, slecht zou mogen voelen, is een farce en een mythe. Misschien is het meer sociaal aanvaard om het vandaag meer te zijn dan op andere dagen aangezien ik me op deze derde maandag van januari achter een collectieve dagdepressie mag verschuilen. De beperking tot vandaag beschouw ik echter als een ernstige beperking van mijn persoonlijke vrijheid. Op andere dagen van het jaar kan het blauwe maandag-monster immers even hard of nijdiger uit de kast springen om me te achtervolgen, om controle te nemen over mijn humeur en om mijn dag helemaal naar de kloten te helpen, daarvoor is soms minder nodig dan het winterdipje van vandaag. Een dinsdag in mei of een vrijdag in oktober kan dan zomaar, zonder aanwijsbare reden veranderen in een blijf-uit-mijn-buurtdag of in een ik-blijf-in-mijn-bed-liggendag. Indien je op die dagen mijn denkbeeldige schutkring betreedt en je je in mijn persoonlijk territorium waagt, heb je van Jan. Natuurlijk zijn medische experts het er roerende over eens, dat de winterblues te wijten is aan een gebrek aan zonlicht, een combinatie van de post-kerstblues, koude donkere nachten en een overvloed aan nog te betalen creditcardfacturen en dat deze rotperiode zich vandaag het hardst manifesteert. Ik ben zeker niet geneigd om hun klinische expertise niet in twijfel trekken en wil al dat gedoe nog wel aanvaarden maar dat geeft hen nog niet het recht om me alleen vandaag humeurig, ongelukkig, kak of klote te mogen voelen. Ik geef ze, de medische en psychische bollebozen, alle vrijheid zodat ze vandaag wreed hun best kunnen doen om me op andere gedachten te brengen maar ze zullen me, begot mijn vrijheid niet ontnemen om me op andere dagen van het jaar even kut te voelen als vandaag… en dan moet het nog valentijn worden.

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

Suf gerukt.

Hoe zal ik dan de verpletterende alledaagsheid op een afstand houden wanneer ik straks meer dan honderd jaar zal worden en gespaard zal blijven van depressies, ziektes of fysieke ongemakken? Welk soort mens zal ik dan worden? Wat voor iemand zal ik zijn indien ik helemaal gespaard zal blijven van leed, kommer, verlies of ontij en op welke manier zal ik dan naar de dingen kijken, wetende dat ik het nu soms al lastig heb met de ondraagelijke lichtheid van dit bestaan. Nu ik hier in de diepte van mijn alledaagsheid staar vraag ik me af of het net niet de fysieke en mentale ongemakken geweest zijn die mijn biografie een beetje de moeite waard gemaakt hebben? En dan bedoel ik natuurlijk niet die dodelijke kanker of die die andere levensbedreigende aftakelingsziekte maar de gewone alledaagse tegenslagen of verdriet. Waren zij niet verantwoordelijk om anders te kijken en hebben zij net wel de inzichten verschaft om dingen in vraag te stellen en het leven anders aan te pakken? Vormden die ongemakken mijn menselijke geest niet meer of beter dan gezondheid en blijheid? Ik vraag me dat af. Is lijden aan persoonlijke fysieke of mentale begrenzingen niet een soort lijden dat de ziel scherpt en waar je beter van wordt? Als aftakeling geen glijbaan naar het einde meer is en we straks moeiteloos honderdvijftig of honderdtachtig jaar kunnen worden, wat zullen we elkaar dan nog te vertellen hebben en hoe zal schoonheid er dan uitzien uitzien als alles zomaar kan uitgesteld worden naar morgen, naar volgend jaar of naar nog later? Zal ik dan niet nog meer reiken naar de toekomst en nog vaker weemoedig terugblikken op gisteren om te vergeten dan vandaag de enige dag is die bestaat?

Misschien denk ik te veel aan de eindigheid omdat mijn persoonlijke lichaams- en geesteserosie niet te stoppen is, maar ik vecht niet meer met het idee dat mijn toekomst met elke nieuwe dag korter wordt dan mijn verleden. Ik ga dus niet wachten tot het zomer is en het veertig graden is en mijn persoonlijke levensruimte weggesmolten is. Neen, ik ga mezelf die décadente coupe brésilienne nu gunnen, met drie bolletjes vanille, drie bolletjes mokka en chocolade en gebrande nootjes en zoute caramel. Volgende week trek ik naar het zuiden om te lezen en te schrijven, om saboteurs een hak te zetten en om me intellectueel zo hard te masturberen tot ik helemaal suf gerukt ben. En ik ga verder met sloten koffie te zuipen en peuken te paffen tot alles zo dicht dichtgeslibt is als de Antwerpse ring in de avondspits want honderddertig of honderdvijftig jaar worden lijkt me de hel op aarde.

Schaamrood

Schaamrood

De ingebeelde schijngevechten tegen schaamte die ik al mijn hele leven voer, kennen duizend gezichten. Ze ontwrichten al zo lang ik het me kan herinneren mijn innerlijke zijn, ziel en rust. Gêne is volgens mij de laatste belangrijke, nog uit te vinden geestelijke aandoening waarmee ik kamp. Of moet ik stoornis zeggen omdat diegenen die ermee belast zijn anders kwaad zullen worden omdat ik dat geladen woord in de mond durf te nemen. Dat nijd, wrok of razernij volgens mij even, zo niet ernstigere geestelijke afwijkingen kunnen zijn, wil ik hier niet met zoveel woorden gezegd hebben al kunnen die dingen je leven ook behoorlijk lastig maken. Als ik me schaam, en dat gebeurt dus nog steeds vaker dan ik wil, ervaar ik de onmogelijkheid om het leven te leiden dat wenselijk of sociaal aanvaard is. Hoe hard ik op dat moment ook aan mijn ingebeelde kettingen trek, alles blijft dan aanvoelen alsof ik onbestaande of absurd morele grenzen overschrijd. Schaamte wordt bangigheid of een soort innerlijke vijand waartegen maar één afdoend kruid gewassen is: ouder worden. Mannen die ik ken en die vijvenveertig waren toen ik vijvendertig was zijn nu vijvenvijftig. Ze bezoeken om de zoveel tijd dokterspraktijken omdat ze wanneer het erop aan komt piemels te slap blijven, te slap om te vossen maar te stijf om te pissen. Dokters, meestal jonge vrouwelijke artsen onderzoeken met welgemikte vingers prostaten, analyseren bloedwaarden en hebben hun patienten, indien de resultaten bevredigend genoeg waren viagra voorgeschreven. Dat het pilletje dat altijd paal en perk zet, dezelfde hoofdpijn geeft die bij hun bedpartners sexdroogte veroorzaakt, is een ongepaste nevenwerking die ze ten allen tijde zullen ontkennen, net zoals de schaamte om er openlijk over te praten, tenzij tegen jonge vrouwelijke dokters. Voor ze die vrouwelijke kwakzalvers bezochten werd hun kloppende erectie hoofdzakelijk veroorzaakt door het eten van waterkers, pastinaak, artisjokken, koolraap, asperges, aardbeien, selder, gember, sjalotten, schaaldieren en verscheen ze het meest op maandagen, zaterdagen, zon -en feestdagen, op werkdagen en op elk uur tussen zeven uur ‘s morgens en twee uur ‘s nachts. Ooit zei iemand, van wie ik de naam steeds opnieuw vergeet (vergeten: nog zo een vervelende bijwerking die me doet inzien dat aftakeling en dood op een gevaarlijk zichtbare afstand genaderd zijn) dat naarmate de leeftijd vordert het enige wat nog stijf wordt gewrichten en spieren zijn. Voor die schaamteloosheid en openhartigheid heb ik die man steeds bewonderd en benijd. De schaamte die ik persoonlijk voel en waarvan ik volgens mij de onrechtmatige eigenaar ben, is toch iets anders dan de door moraal opgegde maatschappelijke schaamtecultuur. Ik vermoed dat omdat ik door mijn levensstijl zelf schuld tref. Als ik in mijn adamskostuum voor die jonge dokteres sta, voel ik het schaamrood gloeien en pleit ik schuldig aan het toonbeeld van verval waarmee ik me aan haar presenteer. Niet dat ik me voor mijn naaktheid schaam want vroeger hebben wel meer vrouwen mijn kleinste kantjes op hun netvlies gekregen maar nu het is de losbadigheid en de gevolgen ervan die de schroom voeden. ‘Uw BMI is te hoog, daardoor is je bloeddruk te hoog. Door foute eetgewoontes en te roken, is je cholesterol alarmerend en gaat je hartslag te snel. Eigenlijk gaat alles te snel waardoor alles rapper kapot zal gaan.” Als ik haar zeg dat ze gelijk heeft en dat ik mijn levensstijl zal veranderen, berispt ze me dat ik haar dat de vorige keer ook al plechtig beloofd had. Mocht schaamte tot leugens leiden, is elk woord dat ik hier neerpende een aanfluiting van de waarheid, maar voor die openhartigheid schaam ik me te diep om dat ridderlijk toe te geven. Want de schaamte van te hoeren en boeren, van lief te hebben en van te haten is maar een mentale afwijking die net zoals mijn appendix (en ik had bijna piemel gezegd) toch maar een nutteloos aanhangsel is geworden. Mezelf schamen doet er dan ook al langer hoe minder toe en hoef ik ze misschien niet langer meer ernstig te namen al mag er misschien wel een kilootje af, al hoop ik wel dat mijn kathedraal dan geen parochiekerk wordt.

Vel…

Het was laat op de morgen dus zat ik daar zoals dat de laatste tijd wel vaker gebeurt, verborgen achter een leesbril, een krant en een kop koffie, de dag in gedachten weg te dromen en mijn rug te warmen aan een terrasvuurtje. De krantenkoppen die me voor de ogen schoven konden mijn aandacht niet vangen. Misschien omdat die dingen me steeds opnieuw opstandig maken of omdat het nieuws dat ik onder ogen krijg bijna nooit met mijn humeur overeenstemt. Dat blad was dan ook niets meer of minder dan een handige dekmantel om ongestoord en onopvallend naar mijn kleine wereldje te kijken. Waarom het gebeurde weet ik niet meer precies maar opeens vielen mijn handen me op. Ze lagen beiden met de palmen naar beneden op de tafel en verhinderden de gazet om weg te vliegen. Mijn handen vertoonden kleine rimpels en groeven alsof de poriën met de tijd groter en dieper geworden waren. Aan handen zie ik eerst dat mensen ouder worden, dan pas aan denkrimpels of kraaiepootjes. Mijn handen waren even snel oud geworden of waren aan hetzelfde tempo verschrompeld als de rest van mijn lijf. Dat is nu eenmaal zo, bij mij is het niet anders, ik kon daar niks aan veranderen dus berustte ik erin terwijl ik de vuurkegel van mijn sigaret even gloeiend heet trok als de vuurtjes die mijn rug verwarmden. Mijn lijf, kennelijk moest ik er een lange tijd in doorbrengen als personages waar ik niet op leek alvorens ik kon zijn wie ik echt ben. Soms denk ik dat ik ze allemaal te lang ben geweest, de vreemde heerschappen waar ik me van moest ontdoen en me helemaal moest van bevrijden, alvorens ik toegang kreeg tot mezelf, een beetje zoals een slang zich elk seizoen ontdoet van haar dode huid. De ergste bijwerking van ongelukkig zijn is niet zozeer het ongelukkig zijn op zich maar wel het gevoel dat mijn zorgeloosheid langzaam verdween zodat ik geen slappe lach meer kon krijgen en ik me niet meer kon verliezen in lachbuien die me deden hijgen en waarvan ik buikkrampen kreeg. Ongelukkig zijn is echt oeverloos serieus maar ik bleef het niet! Telkens opnieuw en tot mijn verbazing merkte ik ook dat eens ik me in een nieuwe huid kon wurmen, ik naast de gave van tristesse ook een ongekend gezond talent bezit om gelukkig en vrolijk te zijn en terwijl ik naar mijn handen stond te gapen kreeg ik opeens de onverwachte neiging om te lachen en lichtzinnig te zijn. Het vel dat ik nu draag vertoont diepe rimpels en jeukende littekens die ik nooit meer kwijt raak maar ondertussen is het ongemerkt 2020 geworden en hoef ik mijn twijfels niet meer zo ernstig te nemen, gelukkig! Zit ik dan eindelijk toch in het juiste vel of zal ik het opnieuw ruilen voor een ander?

%d bloggers liken dit: