Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Kunst met grote C, Cultuur met grote K!

Aan het drukke kruispunt van de Stationsstraat staat een schalkse, oude grijsaard al minstens vijf minuten krom gebukt over zijn rollator geduldig te wachten tot hij de straat kan oversteken. Auto’s en fietsers rijden druk af en aan, voetgangers passeren maar gunnen de oude snaak geen blik.  Aan zijn looprek op wielen bengelen zeker twintig sleutelhangers, minstens evenveel beertjes en drie ballonnen, een gele, een rode en een zwarte. Met het rode verkeersbord, maximum 30 dat aan zijn rollator is vastgemaakt, steekt hij subtiel zijn middelvinger op naar de haastige mensenstoet die ongedurig voorbijraast.

‘Zal ik even helpen’, vraag ik enigszins bemoeiziek aan de verhakkelde rollatorvriend.

‘Met wat? Gaat ge me mijn jonge benen teruggeven, of gaat ge mijn geld afpakken misschien’, antwoordt hij niet-gespeeld brutaal. Ik neem de koddige oude snuiter onder de ene arm, steek mijn andere in de lucht om de aanrijdende auto even te stoppen en help hem rustig naar de overkant van de straat.

‘Waar heb ik dees aan verdiend’, zei hij hijgend, met trillende stem en met een tongval die me deed vermoeden dat hij uit de streek afkomstig is. Met zijn glazige ogen die dankbaarder keken dan de dienst die ik hem maar bewees, grijnst hij een glimlach zo breed dat de twee nog resterende tanden van zijn eetkamer zichtbaar worden.

‘Teneuste maand word ik 93 en dees heb ik nog nooit van mijn leven meegemaakt en ik heb zelfs nog in den oorlog gediend.  Zal ik U om U erkentelijk te zijn, in de rapte een boerreke betalen, hier op den hoek, als ge er den tijd voor hebt tenminste’, en hij wees naar een café dat minstens even oud was als hijzelf en dat misschien ook nog dienst had gedaan in dezelfde oorlog als waar hij kwam uitgewandeld. Witte Cyriel, want zo bleek hij te heten, deed zolang over zijn geribbeld glas bier dat het schuim van zijn kraag al lang verdwenen was om er nog met enige smaak van te kunnen van genieten. Zijn oude ratel stond geen twee seconden stil en hij vertelde onophoudelijk over de oorlog, over de zwarte hand en over het verzet waar hij naar eigen zeggen deel, had van uitgemaakt.  Als hij van zijn pintje nipte leek het alsof hij alleen maar zijn lippen bevochtigde om zich zo telkens opnieuw met heimwee een zoete hopkus te gunnen.

De toevallige verhalen van Witte Cyriel waren even warrig en gammel als actueel maar ik hoorde en zag gelijkenissen met wat zich deze week onder onze neus voltrok. Haast machteloos en met lede ogen kijk ik toe hoe een nieuwe autoritaire orde zich opnieuw installeert. Een nieuwe autoritaire orde die met strikte regels zoals kleur, afkomst en gedacht en met verwerpelijke termen zoals IS-kinderen, vreemdelingen of illegalen, kunstenaars of echte Vlamingen beslist wie tot te hunnen mag gerekend worden en wie niet. Wie niet voor is, is tegen en wordt beschouwd als verrader van de goede zaak en zal het zwijgen worden opgelegd. In die nieuwe orde en met een passende Culturele Canon zal voortaan bepaald worden wie de rechtmatige verdediger mag zijn van de juiste Vlaamse Belangen en van de utopische waanideeën voor een zuivere Vlaamse Natie. Dat de kracht van culturele diversiteit verreikend is en dat die een ruime maatschappijvisie kan versterken, en bovendien winstgevend is, is een realiteit die miskend wordt en als bedreigend wordt aanschouwd. Censuur is geen censuur, maar met stemmingmakerij en afkalving kunnen tegenstanders van de unitaire natie ook gemuilkorfd worden en kunnen ze via de sociale media propaganda ook subtiel geportretteerd worden als subsidie-slurpende geldverspillers of als een niet legitieme elite die de nieuwe autoritaire orde bedreigen als ze niet vernietigd worden. De pleitbezorgers van die nieuwe orde eigenen zich dan nog het recht toe, al dan niet legitiem verworven in naam te mogen spreken van een volledig machteloos en bedreigd volk.

Maar in alles zitten scheuren, scheuren die af en toe een beetje licht binnenlaten zodat we nog zien wat we zeggen zodat we eindelijk inzien dat de realiteit een mogelijkheid is die we ons niet kunnen permitteren om ze te negeren. Als miserie en rottigheid helemaal gegist is ontstaat er misschien een schok die zich verderzet en zich vernieuwt zodat de retoriek van de politieke vijandigheid eindelijk kan plaats maken voor een beetje culturele vriendelijkheid. En anders worden we met zijn allen maar schizofreen in een onbekende dictatuur die de openbare stem helemaal verbiedt en ze het zwijgen oplegt maar dan zal ze ondergronds als een furie spreken tegen oren die wel zullen luisteren.

Kunst en cultuur zijn het bewijs van leven… als je dat doodt dan dood je het!

Zomer in de winter.

Acht heb ik er en nadat ik al diegene die niet automatisch terug gedraaid worden, een uur heb afgenomen, laat ik één uurrwerk op zomeruur staan zodat die flikkerende lichtjes me er tot na de winter aan zullen blijven herinneren dat ik vandaag een uur meer heb gekregen om te doen waar ik zin in heb zonder me te moeten haasten. Vandaag en al de andere dagen die volgen in deze nieuwe tijdelijke tijdzone mag ik een uur langer moe zijn dan gisteren en mijn ochtenderectie mag een uur vroeger en een uur langer de knopjes van mijn boxershort losduwen want ik ben toch de enige zot die vandaag op dit onchristelijke uur de dingen al begroet. Voor het ingebeelde hoogtepunt dat me daarnet plotseling uit mijn natte droom haalde, krijg ik als cadeau een uur extra om het in het echt te proberen. De wijzers van de klok zullen me de hele wintertijd zeggen, ‘doe maar op het gemak, je hebt nog een uur’, en de ochtend zal me met haar donkere schemer de hele winter wat innerlijke rust gunnen zodat ik me niet gelijk een haastig stresskonijn zal moeten beginnen afjagen.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten om mijn autoklokje te resetten waardoor ik me minstens elke dag van de volgende week om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het zes, zeven of acht uur is? Nadat het uur van mijn gsm me verklapt zal hebben dat het nog maar zes uur is, zal er spontaan een glimlach op mijn gezicht verschijnen omdat ik de file heb vermeden, een uur eerder kan stoppen met werken en zo een uur vroeger in mijn zetel kan ploffen. Ik word nu al instant gelukkig.

Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot was om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaard heb, Welke energie? Van de wintertijd, ja daar krijg ik een overschot energie van, om er op een comfortabel manier de dag mee rond te komen. In deze nieuwe uurregeling laat mijn biologische klok me immers elke dag opnieuw soezen gelijk muizen tussen het meel en ik word blij met dat uurtje extra dat ik meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me dat binnen een paar maanden opnieuw zal afnemen.

Doe mij maar alle dagen winter, ook in de zomer!

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

%d bloggers liken dit: