Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!

Kruispunten van hoop

Schuchter verjaagt de ochtendzon een duisternis die het deze nacht nooit is geweest. In de schemerige hoeken van mijn gedachten, waar onverwachte herinneringen dansen als paarse schimmen in het noorderlicht, hou ik halt op de kruispunten van mijn leven.

Deze nostalgische mijmering voelt aan alsof ik op verweerde boswegjes loop die overwoekerd zijn met alle keuzes die ik ooit maakte en met diegene die ik vermeed. In elke stap hoor ik de echo van mijn verleden, als ondefinieerbaar ballast dat ik meezeul, een onuitwisbare stempel op mijn ziel.

Ik herinner me vaag die bewuste nacht. Die nacht dat ik de leegte van mijn ziel voorgoed probeerde te vullen met de vloeibare troost van de fles? Dat ene moment dat mijn leven door mijn vingers leek te vloeien als zand in een dichtgeknepen vuist, en ik die wanhopig de tijd probeerde te stoppen door hem te verdoven. Op dat kruispunt stond ik, wankelend en laverend tussen gitzwarte duisternis en het vage licht van hoop. Hoe gemakkelijk zou het zijn geweest, om te kiezen voor de weg van de minste weerstand en mezelf kwijt te spelen in de mist van mijn ondergang.

Maar ik deed het niet. Ergens, diep vanbinnen, fluisterde een onbekende stem van verzet. Een stem die smeekte om gehoord te worden, te midden van het lawaai van mijn zelfvernietiging. Ze kreeg de volle aandacht. Het was alsof mijn hele lijf dat laatste sprankeltje hoop vastgreep, als een verloren liefde die smeekt om vergeving.  Op dat kruispunt nam ik met bevende handen en een hart dat bijna brak van angst, aarzelend en voorzichtig een eerste stap op het pad van mijn herstel.

Neem het van me aan, het was geen gemakkelijke keuze, het was de moeilijkste die ik ooit nam. Elke dag was een gevecht, een strijd tussen het verlangen naar verlossing en de lokroep van de duisternis. Maar langzaam, heel langzaam, begon ik de schoonheid te zien in de worsteling.  Nu lijk ik eindelijk ontwaakt uit een lange verwarde droom. Nu pas bekijk ik de wereld om me heen voorzichtig met nieuwe ogen.

Ik kijk naar het leven alsof ik me in het lichaam van een dode vriend bevind. De afwezigheid laat een leegte achter die ik nooit zal begrijpen, een leegte die nooit meer helemaal gevuld kan worden. Het is een pijn die als een schaduw over mijn dagen zal blijven hangen. En toch, te midden van dat gemis en verdriet, ontdek ik een nieuwe, ietwat vreemde soort dankbaarheid. Ik heb geleerd te waarderen wat ik heb en elke beperking te aanvaarden alsof ze er niet is. Ik leer elke dag te leven en elk moment te koesteren alsof het mijn laatste is.

En nu, sta ik hier, bijna elf jaar nuchter, en laat de kruispunten uit het verleden achter me als herinneringen die langzaam vervagen. Ik kan niet zeggen dat ik nooit twijfel, dat ik nooit wil dat ik andere keuzes had gemaakt. Maar elke misstap, elke val, elke traan en elke lach, elke breuk en elke scheur hebben me gebracht naar de plek waarop ik me vandaag bevind. En hoewel de wegen en de keuzes nog steeds onzeker zijn, voel ik een vreemde rust. Dit plekje is eindelijk van mij en het is van mij alleen.

En nee en voor alle duidelijkheid, ik begrijp nog steeds niks van het leven. Met die twijfel stel ik me de vraag of mijn woorden ertoe doen, of mijn verhalen verschil maken. Dan denk ik aan diegenen die nog steeds worstelen en op zoek zijn naar een lichtpuntje in hun duisternis.

Dan weet ik dat zelfs wanneer mijn pen aarzelt, mijn stem nog steeds haar weg zal vinden en mijn woorden kunnen gelezen worden, al is het maar door een eenzame ziel, iemand die net als ik twijfelt of door iemand die nood heeft aan een lichtpunt in de verte.

Misschien mag ik hem of haar die hoop niet ontzeggen?

Links, flinks of slinks. Zeg het maar!

In zaal Volksbelang heerste een feestelijke drukte. Zoals elk jaar was het volkshuis het strijdtoneel van het rode verzet tegen de verdrukking. Mannen en vrouwen zagen er allemaal hetzelfde uit. Allen hadden ze een rode roos of een rode duim op de revers van hun zondagse kostuum gespeld.
Rode vlaggen en wimpels werden van onder het stof gehaald om alle noodlijdende “broeders in armoede” een hart onder de riem te steken. Zelfs de 1 meiochtend kleurde destijds solidair bloedrood toen de bond der rechtvaardigen in een lang gerekte processie de straat opkwam om erin gesloten slagorde hun ‘maatschappelijke onderdrukking’ kracht bij te zetten.

Vandaag is de sfeer anders. De zaal loopt minder vol dan toen, maar is nog steeds bezaaid met mensen die zichzelf identificeren met socialistische idealen, al dan niet meegezogen in een onderstroom van groeiende twijfel en nakende onzekerheid.

Het pad van vooruitgang lijkt te kronkelen met “flinkse” afbuigingen naar rechtsere wegen. Aan de verleiding om het rechtsere centrum te veroveren kan niet altijd door iedereen worden weerstaan. De traditionele achterban, in die tijden verenigd in één partij, in één mutualiteit en in één rode vakvereniging was een standvastig gegeven. Vandaag is deze eenheid meer dan ooit versnipperd en lijkt ze te schommelen tussen verschillende politieke stromingen. Sommigen trokken naar extreem-linksere oorden, zoals de PVDA of naar gematigdere Groene terwijl anderen zich aangetrokken voelen tot het comfort van het veiligere centrum of erger, van uiterst rechts.

De recente “flinkse” of eerder “slinkse” uitspraken van Conner Rousseau, tot niet zo lang geleden de lang verwachte charismatische leider van Vooruit, hebben deze spanningen op de spits gedreven. De controversiële “zattemanspraat” en zijn bereidheid tot minder progressieve compromissen hebben twijfel en tweestrijd veroorzaakt binnen de socialistische gelederen. Traditionele socialisten zien dit als een soort verraad aan hun linkse wortels, terwijl anderen geloven dat het een noodzakelijke aanpassing was om relevant te blijven in een steeds rechtser wordende politieke omgeving.

Socialisme, ooit de enige beweging van de werkende klasse, sprak met een krachtige stem namens “de ontwaakte onderdrukten”. Nu lijkt het alsof alle rode hakken niet meer in het zand staan, met de neuzen gekeerd naar alle windrichtingen. De progressieve fundamenten zijn losser geworden, de lijn tussen ideologie en pragmatisme vager.

King Conner’s provocerende benadering weerspiegelde de lastige uitdaging van het socialisme in Vlaanderen, met als inzet vasthouden aan traditionele waarden en achterban of meegaan met de stroming naar het politieke rechtse centrum. Waar ergens zitten de grootste groeikansen?

1 mei is een hoogdag, maar ook een tijd van reflectie en bezinning. Zal Vooruit met Melissa voorop opnieuw een vuist kunnen maken voor rechtvaardigheid, gelijkheid, en solidariteit, of zal ze meegaan in de rechts georiënteerde politieke mengelmoes, waardoor de ideologische identiteit uiteindelijk zal worden opgeslokt door een rechtsere realiteit waarbij onhaalbare coalities en onmogelijke compromissen onvermijdelijk zijn?

Op 1 mei is het meer dan ooit vooruit of achteruit? Zegt u het maar!

Het stipje waar ik naar kijk

Bijna als gehypnotiseerd staar ik naar een nietig glinsterend stipje op het immens canvas. Dit stipje, op een vreemde manier zoveel groter dan het is en tegelijk zo onvoorstelbaar klein en nietig, heeft te maken met elke ziel die er ooit op heeft geleefd. Ik staar.

Elke emotie ooit gevoeld, elke droom ooit gedroomd, alles samengeperst op één lichtgevende pixel. Het is als een rondzwevend stofje dat slechts zichtbaar wordt in de lichtbundel van een cinemazaal als een film wordt geprojecteerd.

Dit stipje, mijn thuis, onze thuis, waar jij en ik vandaan komen, waarop elke mens, elke plant, elk dier en elk organisme dat ooit heeft bestaan, ooit heeft geleefd, zonder één enkele uitzondering ooit zal sterven. Ik staar.

In een flits, een bliksemschicht van gedachten duiken duizend beelden op als in een razendsnelle filmmontage. Het is als het afspelen van een vintage filmrol, waarin ouders hun kinderen omhelzen, waarin verliefde koppels elkaar kussen in een verlaten bos, waarin verheven wereldleiders onrechtmatig een troon opeisen.  Waarin wereldsterren, pop- en sportidolen hun succes vieren terwijl clochards in verlaten straten aan hun voeten liggen.

Geloof en religies, wetenschappen en ideologieën, alles passeert. Ook die onbegrijpelijke overtuigingen die fel met elkaar in conflict zijn waardoor individuen of groepen elkaar bekampen en ze zich ten opzichte van elkaar superieur wanen, met hoogmoed, ‘de waarheid’ of onoverwinnelijkheid als inzet.

Elk historisch figuur, of held of vergeten lafaard, elke heilige, slachtoffer of zondaar, elke oorlog, elk onrechtmatig veroverd gebied, alle vreugde, alle rampspoed, verdriet of schaamte, zitten bij elkaar gepakt op dat kleine puntje stof, zwevend ver op de achtergrond van een canvas.

Hoe verklaar je moordende oorlogen die wreedaardig worden uitgevochten tot eer en glorie van de ‘leiders’ die ze bevelen? Waarover gaat het? Over een fractie van een stip, een zandkorrel in een woestijn of een betwist grensgebied dat in het grotere geheel geen enkele betekenis heeft?

Te midden van deze wirwar van emoties en beelden, voel ik me een nietig figuurtje op een eindeloos groot podium, een acteur van een oud toneelstuk, verloren in de coulissen, terwijl het drama van de wereld zich voor mijn ogen ontvouwt op de uitgestrekte scène. Ik staar.

Mijn hoogmoed, aanstellerij en waan, alsof ik iemand speciaal zou zijn, alsof jij iemand speciaal zou zijn, worden helemaal opgeslokt door de omvang van het canvas en door alles wat het stipje vertegenwoordigt. Ik kom plotseling tot besef dat niets of niemand in die grote duisternis ook maar iets van betekenis voorstelt of me zal komen redden, geen buitenaards wezen, geen verheven ziel of verloren hart, geen afgoderij, geen hogere macht, niemand. Als ik wil leven, zal ik het zelf moeten doen. Het blauwe stipje is alles wat er is. Ik staar.

Het is 1994, en NASA’s ruimtesonde Voyager bevindt zich een eind van huis, zo’n 6,4 miljard kilometer om precies te zijn. Met een duizelingwekkende snelheid vliegt het richting de uitgang van ons zonnestelsel. De bestuurders van het tuig besluiten om, vanuit hun thuisbasis, de camera nog één laatste keer om te draaien, als een afscheidsgroet aan de kleine blauwe stip waarop alles wat ooit gebeurd is en ooit zal gebeuren, in al zijn grootsheid en kwetsbaarheid, samenkomt. Dat is het stipje waar ik naar staar.

Een moment zonder momentum

Ik hoorde vanmorgen het woord tijdens het scheren en was bang dat ik zou uitschieten met mijn scheermes.   Mijn tenen gingen krom staan en mijn maag kromp ineen tot een pijnlijk bolletje, een uitgelezen moment, het ‘momentum’ zeg maar, om in opstand te komen.

‘Momentum’, dat ergerlijke woord dat zich geruisloos een weg heeft gebaand in onze dagelijkse gesprekken, als een verwaande pauw die met zijn pluimen stoeft alsof hij een modeontwerper is en denkt dat hij op een catwalk staat. Telkens ik dat woord hoor, vooral dan in een context die niets te maken heeft met natuur- of wiskunde, twijfel ik aan onze beschaving. Er is wel meer waarom ik twijfel aan onze beschaving, laat daar geen twijfel over bestaan, maar dit terzijde.

Wat is er mis met een normaal woord zoals bijvoorbeeld ‘een kantelpunt’, ‘een gunstige omstandigheid’, of ‘een juist moment’? Is het echt nodig om in elk gesprek een onweerstaanbare drang te voelen om te willen klinken als een politicus die indruk wil maken tijdens een verkiezingscampagne?

Het stoort me vooral bij alledaagse dingen. Stel je voor: Ik sta me in de badkamer te scheren. Op de radio, die op de achtergrond speelt, spreekt iemand de gevleugelde woorden, mijn carrière bevindt zich nu in een ‘momentum’. Dan heb ik zin om te antwoorden. “Pardon, in een wat?” Ik zou verdorie zo maar kunnen uitschieten met mijn scheermes.  Misschien zou je beter normaal leren babbelen, zonder te doen alsof je een ruimteschip bent dat klaar is voor een lancering naar Mars.

Of erger, tijdens een voetbalwedstrijd, wanneer Filip Joos enthousiast roept dat Club Brugge in het ‘momentum’ zit.  Nee, Filip, ze hebben gewoon een pietgoal gescoord. Het is niet alsof een onzichtbare kracht hen plots in beweging heeft gebracht en dat die toevalligheid vanaf dan de hele kosmos beïnvloedt.

En het breidt uit als een virus. Eerst waren het zakenmensen, dan voetbalcommentatoren en trainers, nu verspreidt het zich als een pisbloem die ongestoord en snel mijn gazon overwoekert. Wie weet, verschijnt het binnenkort in recepten: “Voeg wat ‘momentum’ toe aan je stoofpot voor extra boost, je hebt dit nodig voor je dieet.” Nog even of ‘momentum’ wordt duur verkocht in potjes die voorzien zijn van een mooie slogan “Smeer elke morgen ‘momentum’. Wie heeft nog tijd om te wachten?”

Vraag me niet waarom ik van mensen die te pas en te onpas het woord ‘momentum’ gebruiken, vind dat het pretentieuze aanstellers zijn, ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat dat woord het voor mij nadien altijd verpest. Alle andere woorden raken dan niet meer voorbij mijn irritatiebarometer.

Ik was zo vrij om even kort als krachtig ‘het momentum’, onder de loep te nemen, even onbeduidend en nietszeggend, als lege kreet of hol cliché op exact dezelfde manier waarop het elke dag ongevraagd mijn trommelvlies doet trillen en mijn tenen doet krullen.

Zouden we toch niet beter van elk moment profiteren zonder dat verschrikkelijke ‘momentum.’ Er staat straks echt nog wel van alles te gebeuren, op het juiste moment. Het ‘momentum’, althans het woord, hebben we daarvoor niet vandoen.

Een weg die ik kwijt was

Begrijp me alstublieft niet verkeerd. Ik ben niet langer boos, niet meer opstandig. Ik kijk zelfs niet terug met een verwijtende blik. Maar je kan me niet langer klein houden of kwetsen want het maakt me helemaal niets meer uit wat je van me denkt. Niet dat ik je enig slecht toewens, dat doe ik niet. Trouwens, je kan me, mocht je dat willen, een schouderklopje geven voor mijn veerkracht, voor het traject van mijn herstel of voor die laatste poging die je ondernam om me hard te treffen maar daarin niet lukte.

Ooit was ik een schim, een omhulsel dat zich steeds opnieuw verloor in het gedruis van de menigte. Ik plooide naar de verwachtingen van anderen. Voor mezelf was ik een onoplosbare puzzel verpakt in een doos van jouw sterke wil en mijn beperkingen. Ik hield mezelf klein. Die tijd ligt achter mij. Nu ben ik meer, veel meer dan de som van mijn delen.

Je mag nog een poging doen om me te doorgronden of te veranderen. Je mag minachtend proberen om me met jouw etiketten en recepten te labelen, het zal niet lukken. Want ik ben niet te vatten in simpele definities, noch in wat jij van me denkt of van me verwacht. Dat heb ik over mezelf geleerd.

Je hebt trouwens geluk dat je me hier aantreft want ik ben echt kieskeurig geworden in gezelschap. Echt, laatste tijd kies ik het zorgvuldig uit en vertrouw daarbij op mijn gevoel. Naar een hogere status of naar vluchtige materiële dingen ben ik niet langer op zoek, wel naar diepere en authentieke verbindingen met mezelf en anderen die op een gelijkaardige manier naar de dingen kijken. Ik omring me daarbij met mensen die me verrijken, me inspireren om te groeien en me helpen om te evolueren tot de beste versie van mezelf. En geloof me, die mensen zijn heel erg zeldzaam.  Niet dat ik me schuchter verstop maar ik ben wel moeilijker te vinden, zeker als je me zoekt op de voor de hand liggende plaatsen die ik vroeger uitkoos.

Toen was ik een willoos voorwerp, een vormloos figuur dat altijd ergens in moest passen. Ik was een tweestapper die vooral geen aandacht besteedde aan wat hij zelf nodig had. Vandaag ben ik het tegenovergestelde, nu kies ik zelf de mensen uit die bij mij passen alvorens ze toe te laten in mijn wereld. Situaties die mijn stabiliteit bedreigen, vermijd ik. Noem me koppig, mysterieus, ongrijpbaar of egoïstisch als je wil, dat mag maar het bespaart mij wel een hoop gedoe, vooral met mezelf.

Langzaamaan word ik diegene die ik verkies om te zijn, met minder noodzaak naar bevestiging of kritische stemmen. Eindelijk ben ik mezelf aan het vinden. Ik zat diep vanbinnen verborgen in mezelf, op een weg die ik al heel lang kwijt was.

De waarheid schrijft zichzelf niet in de nacht

Het is lastig om me in deze toestand tot jou te richten.  Mijn pijnlijke schouder confronteert me namelijk bij elke beweging met de beperkingen ervan. Elke beweging, zelfs de simpelste handeling, neem nu het typen van deze intieme gedachte, is een pijnlijke uitdaging. Met slechts twee vingers navigeer ik traag en onhandig over het toetsenbord. Mijn pijnlijk lijf en mijn woorden lijken me in de steek te laten terwijl ze wanhopig proberen te beschrijven wat er gaande is.

Het is alsof mijn lichaam zich tegen me keert en tegen me samenspant, elke beweging, hoe minimaal ook, wordt een herinnering aan mijn kwetsbaarheid en aan mijn vergankelijkheid.

Woorden druppelen traag als een lekkende kraan maar ik weiger me over te geven aan de frustratie die me bedreigt. “Pijn is tijdelijk, slechts voorbijgaand”, prevel ik. “Het is slechts een donkere wolk die zal wegdrijven”.  Ondertussen zet ik mijn gedachten op papier, hetgeen ik altijd doe, vinger voor vinger, letter voor letter, tot mijn boodschap is overgebracht.

Pijn, is een eenzame strijd. Het is een gevecht dat ik voer met mezelf en met mijn eigen lichaam. Dus hier hang ik, mijn schouder stijf, gespannen en pijnlijk, maar met een vastberaden geest die onwankelbaar blijft. Ik kies ervoor te schrijven omdat praten nog moeilijker is.

Ken je die momenten waarop gesprekken moeilijk verlopen, waar verbinding ongrijpbaar of onmogelijk lijkt. Woorden en zinnen verdwalen dan in de leegte tussen jezelf en de ander, alsof er een onzichtbare barrière tussen zit en ondoordringbaar lijkt.

Ik ken ze maar al te goed. Dan voel ik me een vreemde in mijn eigen lichaam. Dan spreek ik woorden alsof ze van een vreemde zijn. Ik probeer ze wel te sturen of te vormen naar wat ik wil vertellen, maar ze blijven steken in de ether van onuitgesproken gedachten.

En dat, beste lezer is ook een eenzame strijd, een gevecht met mezelf en met de wereld om me heen. Ik stel me de vraag wat ik kan doen om tot hen door te dringen en kan achterhalen wat zich afspeelt achter de maskers die ze dragen.

Misschien ben ik niet gemaakt voor deze wereld van woorden, misschien is zwijgen beter en hou ik het liever stil. Misschien ben ik veroordeeld tot oppervlakkigheid, tot onbegrip en misverstanden.

Maar zelfs op mijn zwakst, met een pijnlijk lijf dat opspeelt en met woorden die verdwijnen in de nacht, blijf ik geloven dat ergens een waarheid wacht om gevonden te worden.

En daarom zal ik blijven schrijven, tot het zomeruur, tot het ochtendgloren en mijn pijnlijke schouder me dwingt om te stoppen. De waarheid schrijft zichzelf immers niet in de nacht!

Boodschap in een fles

De nacht, een oude vriend die me in zijn armen neemt en me streelt met zijn duisternis. Kaarslicht danst op de muur en werpt schaduwen die fluisterend door de kamer dwalen. Mijn laptop rust op mijn schoot en kijkt me aan met een vertrouwde blik. Zijn zachte gloed verlicht mijn gezicht terwijl ik mijn gedachten de vrije loop laat.

Ik ben alleen, zoals altijd in deze stille uren. Niet eenzaam maar alleen. De wereld slaapt en is gehuld in stilte en duisternis. In mijn binnenste stormt die eeuwige strijd tussen de drang om te schrijven en de vrees voor de leegte of de vergetelheid van het witte scherm.

Soms lijken woorden te vloeien als een wilde rivier, ontembaar en onvoorspelbaar. Ze stromen en vullen bladzijden met betekenis en leven. Op andere momenten voelt schrijven aan als trekken aan een oude muilezel, die koppig weigert een stap te zetten. Het is alsof mijn gedachten gevangen raken in een web van twijfel en melancholie, verstikt door de schaduwen van mijn eigen onzekerheid.

Toch moet ik schrijven, als een pelgrim die zijn weg zoekt in het donker. Misschien is het wel de enige manier om de storm in mijn ziel te bedwingen, om de chaos te ordenen en betekenis te vinden in de leegte. Misschien is het voor mij de enige manier om te overleven in deze wereld van lawaai en oppervlakkigheid.

Soms vraag ik me af waarom ik me blijf pijnigen en met woorden blijf vechten tegen die soms ondraaglijke lichtheid. Dan overvalt me het absurde idee dat mijn woorden misschien in staat zijn om afstanden te overbruggen, om de kloof te dichten die mij scheidt van mensen die onbereikbaar zijn geworden.

Ik stuur gedachten de wereld in, als boodschappen in een fles die ik in de oceaan werp, hopend dat ze ergens worden opgepikt, ergens worden begrepen. Misschien is het ijdele hoop om verbondenheid te zoeken in een wereld die steeds verder uit elkaar lijkt te vallen.

Maar toch blijf ik schrijven. Gewoon om woorden de wereld in te sturen, als een roep in de nacht, als een echo van verlangen die weerklinkt in de stilte. Misschien is dat mijn manier om ergens connectie met mijn wereld te blijven voelen, zelfs als die connectie alleen nog maar bestaat uit woorden in een nietszeggend verhaal.

Als het lente wordt

De lente breekt aan, maar ik voel geen vonk. De wereld bloeit langzaam open met een nieuw kleurenpalet.  De lucht ruikt al naar beloften van de lente maar ik zit verstrikt in twijfel die woekert als onkruid, verstikkend en onvermijdbaar. De natuur ontwaakt en mijn geest zit gehuld in een mistige twijfel, als een laatste restant van een winter die er nooit echt één is geweest. Ik twijfel.

Kwetsende kritieken en ongevraagde adviezen, beladen met verwachtingen zijn er genoeg. Ze voelen allemaal ongemakkelijk aan, niet zeker of ik ze nog wil dragen. De lente mag dan wel vernieuwing brengen, mijn denken, doen en laten, blijft verankerd aan oude lasten en aan vreemd aanvoelende gewoonten. Ik twijfel.

In een poging om de chaos van mijn ziel te temmen, probeer ik mijn innerlijke tweestrijd te vangen in woorden en zinnen, rauw en direct. Het resultaat is even schraal als mijn gazon. Het enige wat ik voel is een ongemakkelijke rust die ik niet ken, alsof de lente me uitdaagt om echt confrontatie aan te gaan, met mezelf en met de keuzes die voor me liggen. Ik twijfel.

Mijn blik dwaalt naar buiten, over mijn gazon en naar de bomen die erin staan. Ik staar verloren naar nieuwe grassprieten en naar ontluikende knoppen die de lente aankondigen. Terwijl ik vastzit in die eindeloze spiraal van overpeinzing verandert de wereld om me heen, met keuzes die doorheen mijn gedachten spoken, als schaduwen van onzekere beslissingen die ik moet nemen.  Ik twijfel.

Misschien is het tijd om de last van verwachtingen van anderen voorgoed van me af te schudden, om oude bladeren te laten vallen en nieuwe knoppen te laten groeien. Het is immers niet voor niets Lente. Ik twijfel.

Soms verlang ik ernaar te weten in welk verhaal ik me bevind en welke rol ik daarin speel. Om te weten hoeveel lentes er zich nog zullen aandienen.  Alleen, dat zal ik pas ontdekken als het voorgoed winter wordt en ik niet meer kan mijmeren over wat een nieuwe lente brengen zal.

Alleen ik weet dat straks alle onzekerheden zullen vervagen, als het echt lente wordt.

Eenogige monster, het zal je dag maar zijn

Facebook lijkt vandaag eerder op een slappe waslijn dan op een sociaal netwerk. Ik lees geen ‘lullige’ berichten, zie geen ‘keiharde’ uitspraken. Ik speur naar gedachten, ‘stijf als een plank’ maar vind er geen.  Het lijkt wel alsof de hele wereld collectief besloten heeft om de ‘Dag van de Erectie’ te begroeten met een heel ‘slap handje’ of met een ‘vluchtig vuistje’, terwijl je toch zou vermoeden dat iedereen vandaag zou struikelen over ‘keiharde’ grappen en zacht uitgesproken ‘stijve’ woorden, maar niks van dat hoor, nada!

Is het misschien omdat mannen vandaag geen erotische gedachten of dromen meer mogen koesteren, of nemen zij gewoon een beetje rust voor de storm van morgen? Morgen is het namelijk Internationale Vrouwendag en die belooft dan weer wel om als een tornado van feministisch-vrouw-vriendelijkheid over ons heen te razen!

Laat me mijn ‘staalharde’ grappen dan maar opsparen voor morgen. Tegen dan is mijn potlood geslepen, en ben ik helemaal voorbereid voor een spervuur van vrouwvriendelijke humor. Want laat me eerlijk zijn, vrouwen mogen ook in de spotlights. Ze verdienen namelijk evenveel aandacht voor hun internationale feestdag als mannen voor die van hen. Gelijke grappen voor gelijke dagen, dat staat als een ‘paal’ boven water, toch?

Morgen dus, en ja ik kan nog wel een dagje wachten. Dan hijs ik een witte vlag in mijn ‘mast’ en vieren we samen mijn ‘opgerichte trots’ die ervoor zal zorgen dat elke vrouw dezelfde ‘rechtopstaande aandacht’ zal krijgen die wij vandaag ‘hard’ verdienen maar niet ontvangen. Wie durft nog te beweren dat ik niet vrouwvriendelijk kan zijn?

Morgen trek ik humor uit de kast. Bereid je dus maar voor op een reeks vrouwvriendelijke jokes die ‘hard’ in het kruis zullen treffen en nog ‘harder’ zullen binnenkomen dan de ‘stijve’ wind die vandaag door onze mannelijke onderbroeken blaast.

Beloofd is beloofd, morgen dus. Dan zal ik Facebook even hard laten sidderen onder de kracht en het toeziende oog van mijn ‘rechtopstaand’, eenogig monster omdat hij vandaag zo ‘hard’ genegeerd werd.