Golven van gedachten

Mensen gaan hun gang zoals ze altijd doen, sommigen met veel lawaai anderen zonder woorden. De afgelopen jaren heb ik geleerd om niet van iedereen te verwachten dat er iets gezegd wordt. Soms heb ik de hoop op een gesprek laten varen, ook al leek dat noodzakelijk. Als mensen willen spreken, zullen ze dat doen, tenzij ze het niet de moeite waard vinden.

Op café, hoewel ik daar haast niet meer kom, zit ik meestal alleen. Ik kies dan een plek uit waar ik mezelf kan zijn zonder te hoeven praten. Ik bestel koffie en een glas water, en observeer en luister. Er is altijd wel iets te zien, een man in een hoek met zijn krant als zat hij op een eiland in een zee van lawaai. Een jonge vrouw achter de toog, die glazen spoelt en klanten bedient, als een danseres elegant bewegend op haar podium. Iedereen is druk of juist minder druk bezig met zijn eigen leven, met zijn eigen gedachten, ik ook. Op zulke momenten heb ik geen woorden nodig. Dan voel ik nauwelijks behoefte om te spreken en helemaal geen drang om te schrijven.

Vroeger fantaseerde ik meer over waaraan mensen denken, wat ze willen zeggen, wat ze voelen of waar hun gedachten naartoe dwalen. Dat doe ik nu minder. Nu kijk ik gewoon. Dat is gemakkelijker en kost minder moeite. Als iemand wil spreken, zal hij of zij dat wel doen. Als ik voor iemand belangrijk ben, vinden ze me wel. Ik hoef niet meer zo nodig te trekken en te sleuren en voel al helemaal niet meer de noodzaak om een gesprek te forceren. Controle heb ik namelijk alleen over mijn eigen daden en woorden, nooit over die van een ander. Dat besef is een opluchting. Het maakt me vrij, op een bepaalde manier.

De wereld om mij heen is groot en luidruchtig. Ik hoef van al dat lawaai niet altijd deel uit te maken. Ik mag kiezen om stil te zijn, om te wachten en te zien wie naar me toe komt. En als niemand dat doet, is dat ook goed.

Vroeger voelde ik me ongemakkelijk bij die stilte. Het voelde als een afwijzing, als een schaduw die het licht bedekte. Nu zie ik het anders. Stilte werd mijn oase, mijn plekje om na te denken, te observeren, te voelen en te groeien. Ik ken veel mensen die alleen maar praten omdat ze hun eigen stilte niet kunnen verdragen. Dan smijten ze hun woorden eruit als netten, in de hoop om iets of iemand te vangen.

Er zit veel waarde in woorden maar niet elk woord heeft betekenis of waarde. Niet elk gesprek moet gevoerd worden. Soms is het beter om af te wachten, te zwijgen en te zien wie mijn stilte kan verdragen.

In die rust van mijn gedachten, ben ik tevreden met mij rol als toeschouwer van het levenstheater. Niet iedereen hoeft te spreken. Niet iedereen hoeft te luisteren. Maar als iemand wil en denkt dat ik iets waard ben, zullen ze wel komen om me te vinden. Het enige wat ik moet doen is geduldig wachten. Als ze niet spreken zegt dat niets over mijn waarde.

Meer en meer voel ik dat mijn eigenwaarde niet afhangt van de woorden of van goedkeuring van een ander. Zo breng ik veel tijd in stilte door, alleen maar niet eenzaam. Soms alleen maar luisterend naar geluiden die ik wil horen en waar ik aandacht aan wil geven, het gerinkel van glazen, het gefluister van de wind.

Maar als iemand wil spreken, zal ik luisteren. En zo niet, dan is dat ook goed. Als niemand spreekt zegt dat ook iets. In dat geval luister ik wel naar de golven van mijn gedachten.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Lore

Liefste Lore,

Je had iets ongrijpbaars. Je was jong ook al leek je al een getekend leven achter de rug te hebben. Je stem was zacht en vastberaden, je lach helder, maar de wisselingen in je stemmingen, zo plotseling, zo intens en zo verwarrend.

Op goede dagen leek je enthousiast, gemotiveerd en onoverwinnelijk, zelfbewust en vastberaden. Er waren echter ook dagen dat donkere wolken over je gezicht trokken waardoor je helemaal in jezelf verdween, haast onbereikbaar voor de buitenwereld en voor de vele mensen om je heen.

Je oogde levenslustig met een glimlach die de zon leek op te roepen, maar met stralen die je hart nog maar zelden konden bereikten. Achter die glimlach schuilde iets mysterieus donkers, iets wat ik niet echt begreep. Vrienden hoor ik zeggen hoe goed je was voor anderen, hoe slim je was, hoe je altijd klaarstond en altijd doorging, zelfs, met je gepijnigde gedachten. Je wou het zo graag zo goed doen. Alleen, het wou maar niet lukken.

Ik denk dat de avonden je vijand werden waarbij je troost zocht in dingen waar je beter geen troost in zoekt. Onze gesprekken werden stiller en minder frequent. Soms maakte je nog plannen voor morgen, sprak je nog over dromen die je wilde waarmaken, alleen jij wist dat deze nooit zouden uitkomen.

Je leefde alsof je in een constante strijd verwikkeld was, een gevecht tussen de helderheid van goede dagen en de diepe, duistere afgrond van de slechte. Waarom toch zag je zelf niet wat voor uitzonderlijk iemand je was?

In een van onze laatste gesprekken, maanden geleden zag ik je balanceren op de rand van iets onpeilbaars. We konden je niet meer terug naar boven trekken, althans niet voor lang. Niemand kon dat. Dat besef is er nu pas. Ik probeerden je op te beuren, je perspectief te tonen, je te laten lachen je te zeggen dat geduld en tijd je grootste bondgenoot is, maar de leegte in je ogen bleef dof en vooral onuitgesproken. Misschien dacht je dat je de controle nog had, dat je de balans nog zou vinden. Maar die balans was verdwenen, onzichtbaar voor jezelf maar ook voor degenen die dicht bij jou stonden. Je had het zo graag anders gewild maar het lukte niet.

Daarstraks hoorde ik dat je er niet meer bent. De stilte en het verdriet en de wanhoop en onmacht is haast ondraaglijk. Ik herken het nu allemaal in jouw stilzwijgen.

Het besef drong onmiddellijk door dat je de strijd had verloren of dat je hem niet langer meer wou voeren. Het besef sijpelt door dat jouw onuitputtelijke kracht om door te gaan is verdampt. Nu is er alleen nog die stilte, en de schrijnende waarheid dat je jouw demonen niet langer meer wou verdragen en dat je de moed en de kracht bent kwijt gepeeld om jezelf even graag te zien als die vele mensen om je heen dat doen.

Jouw strijd is voorbij. Rust nu maar zacht lieve Lore.  Jouw innemende lach zal zo hard gemist worden.

Een brief aan mijn zestienjarige zelf

Jan,

Als ik nu naar je kijk, voel ik een soort melancholie die jij onmogelijk kunt vatten. Ik ben namelijk jouw veertig jaar oudere zelf. Het voelt vreemd om je aan te spreken, maar ik geloof dat ik iets belangrijks te zeggen heb. Wat je ermee doet, laat ik aan jou over. Maar ik verwacht niets anders van jou, ik ken je.

Het is 16 augustus 2024, en ik lig languit in een doorgezakte zetel waarin ik noodgedwongen veel van mijn tijd doorbreng. Maak je geen zorgen, ik ben helemaal oké. Het is avond, het miezert buiten, en de kamer om me heen is gevuld met getemperd licht en omgeven met talloze herinneringen aan een leven vol hoogte- en dieptepunten.

Je bent zestien, Jan. Je denkt dat je al iets van de wereld kent, maar eigenlijk weet je van toeten of blazen. De enige waarheid van vandaag is dat de wereld voor je openligt en helemaal klaar is om door jou ontdekt te worden. Ik zie je voor me liggen in dat bed dat feitelijk veel te klein geworden is voor dat grote lijf van jou. Alleen ik weet dat je je eigenlijk veel kleiner en nietiger voelt dan dat grote lijf waarin je ronddraaft.

Wat zie je, Jan, wanneer je naar de horizon kijkt? Zie je avontuur dat je zo gretig najaagt, of begin je ook al de valstrikken te zien die ik niet kon vermijden?

Het is vreemd om jou te schrijven, want de weg die voor je ligt, is er één die ik al heb bewandeld. Ik ken hem. Hij kronkelt, is bochtig en zit vol diepe dalen, bezaaid met wolfijzers en schietgeweren, maar ook met momenten van puur geluk. Mag ik je verklappen dat die weg verraderlijk is? Je zult struikelen en vallen. Je zult jezelf verliezen en terugvinden, misschien vaker dan je nu voor mogelijk houdt. Je zal het wel doen.

Je zult liefhebben en geliefd worden, Jan. Met een vurigheid die alleen jij zult voelen, zoals je voor het eerst de hitte van de zon op je huid voelt branden en je hart doet ontploffen. Ja, er zullen vrouwen zijn die je hart sneller zullen laten slaan en die je zullen laten geloven dat de wereld alleen voor jullie tweeën bestaat. Je zal ontdekken dat liefde niet altijd een vriend is. Ze zal je ook verpletteren, je hart in duizend stukken breken en je achterlaten in een leegte waaruit je niet meteen weet te ontsnappen, waardoor je je zult afvragen of het allemaal wel de moeite waard is geweest.

Maar er is die ene, Jan. Degene die je hart voor altijd zal beroeren, zelfs op de lastigste momenten dat je het niet meer wil erkennen. Je zal haar leren kennen in een tijd waarin je van niets meer zeker bent en van nog minder iets begrijpt. Ze zal in je hoofd kruipen en onder je huid, om er te blijven, ook al wil je soms dat je haar nooit had ontmoet. Ze zal je rechthouden, en samen in de diepste afgronden afdalen. Ze is het licht en het donker ineen.

Soms, Jan, zul je merken dat het gemakkelijker lijkt om dingen diep in jezelf te verbergen, om ze weg te stoppen in een kluis diep in je hoofd, om te doen alsof ze er niet zijn. Jezelf voorliegen lijkt zo ogenschijnlijk een gemakkelijke manier om te overleven. Maar het is een vlucht die je uiteindelijk kan doen bezwijken onder het gewicht van je eigen gedachten en demonen. Je zal niet volhouden. Je zal je geheime brandkast openen en je zal vechten om niet te verdrinken in alles wat je probeerde te vergeten en te verdoven. Het zal je lukken.

Je zal schrijven, zoals ik nu doe. In die woorden op papier zal je mensen terugvinden en kwijtraken. Je zal verhalen schrijven over jezelf en over anderen, zelfs als je hun naam niet meer op papier wil zetten. Nostalgie zal in je verhalen doordringen en zal in elke zin weerklinken. Leer schrijven zoals je graag ziet met alles wat je in je hebt. Ik denk dat je dat nu al kan.

Daarom, schaam je niet voor wie je bent, of waar je vandaan komt, voor datgene wat je diep vanbinnen voelt of voor de verkeerde redenen niet durft loslaten. Zoek geen voldoening in luchtkastelen en jaag geen dromen na die de jouwe niet zijn. Wees rebels en tegendraads zoals je vandaag al bent en zoek geluk in kleine dingen, de dagelijkse.

Nu je jong bent, denk je dat je met iedereen een connectie moet hebben en dat iedereen jou graag moet zien. Je gelooft dat de wereld een open boek is waarvan elke pagina gevuld moet zijn met mensen die je begrijpen en je met schouderklopjes overladen. Het is niet zo, Jan. Diepgewortelde vriendschappen zijn zeldzaam. Je zal ontdekken dat je die band slechts met enkelen blijvend zult onderhouden. Je komt er vanzelf achter met wie je dat zal doen.

Er komt een dag waarop je zult begrijpen dat het leven niet die epische roman is die je je nu voorstelt. Het leven zit immers in hele kleine momenten, in onuitgesproken woorden, in een blik die je toegeworpen krijgt en die je met een glimlach beantwoordt. In die hand die je niet hebt durven vasthouden en in die keuze die je niet hebt durven nemen. Met het ouder worden zal je die momenten met je meedragen als een last, maar ook als een dierbare schat.

Het leven zal je leren dat spijt waardeloze pasmunt is. Toch zul je die in overvloed bezitten, om je er af en toe leeg mee achter te laten. Gooi die muntjes tijdig weg, ze wegen zwaar maar je koopt er niks mee. Ook dat zal je leren.

Op een dag als deze zal je je herinneren wat het betekende om jong te zijn, om te geloven dat alles mogelijk is en dat het leven zich wel zal uitvouwen zoals jij het wil. Alleen, Janneke, het leven houdt zich niet aan jouw regels. Je zal moeten leren buigen, zoals een plataan in de wind, anders zal je breken. Je zal het niet doen.

Dus, aan jou, mijn zestienjarige zelf, zeg ik met wijsheid van nu, wees niet zo hard voor jezelf.  Fouten zal je maken, sommige daarvan zullen je blijven achtervolgen tot je je laatste ademtocht uitblaast. Maar onthoud heel goed dat het juist die fouten zijn die je zullen vormen en je zullen maken tot de man die je uiteindelijk zal worden, ik dus, en jij natuurlijk.

Jan, je oudere zelf

Duister gezelschap

Hij is een vreemd en duister gezelschap, een genadeloze vijand en een ongewenst heerschap waarvan ik wenste dat ik hem niet had ontmoet. Soms sluipt hij ongevraagd binnen in de vroegste uren van de ochtend wanneer de wereld nog stil en rustig is. Dan weer verschijnt hij diep in de nacht om mijn rust te verstoren door mijn schouder en rug met denkbeeldige messteken te doorboren. Hij heeft vele gedaanten en evenveel namen, maar zijn gezicht blijft onveranderlijk en onverzettelijk. Hij ziet er afschuwelijk uit.

Zoals gisterennacht, hij verscheen langzaam in de stilte van de nacht, eerst als een storend gefluister. Dan werd het een troebele nachtmerrie die snel uitgroeide door zijn alles verterende aanwezigheid. Hij is geen oppervlakkige verkenner die komt en gaat. Neen, hij neemt de gedaante aan van een diep wortelende zeurende last die zich vastzet in elke beweging, in elke kuch en in elke ademstoot. Hij komt zonder uitnodiging en weigert te vertrekken, hoe vaak ik het hem ook vraag of smeek.

Pijnstillers bieden nauwelijks of slechts tijdelijke verlichting en ze zijn een dubbelsnijdend zwaard. Aan de ene kant dempen ze wel de felste pijnscheuten en maken ze dragelijker. Langs de andere kant dragen ze gevaren met zich mee die nog angstaanjagender zijn dan zijn aanwezigheid zelf.  Verslaving, afhankelijkheid en de voortdurende dreiging van gewenning maken me angstig en onrustig. Het wankele evenwicht tussen verlichting en de risico’s van verslavende pijnmedicatie blijft een ongelijke strijd die ik liever niet aanga.

Het ergste zijn niet de gekneusde botten en kapotte gewrichten, maar niet kunnen doen en laten wat ik wil, niet kunnen bewegen en voelen hoe mijn pijnlijk lijf beperkingen oplegt die ik zo vroeg nog niet had verwacht. Dat is een nieuwe gewaarwording. Vannacht werd hij een constant dreigende schaduw die bij me blijft en heel aanwezig is, bij elke beweging en bij elke gedachte.

Er is weinig troost want hij verlengt deze onverdraaglijke nacht die ik niet bewust wens te beleven. Hij maakt elke minuut zwaarder en elke seconde langer.

Hij is onlosmakelijk verbonden met mijn bestaan en al een tijdlang mijn persoonlijke metgezel. Soms vrees ik zelfs dat hij zolang zal blijven tot het moment dat ik mijn laatste adem uit zal blazen. Hij, een donkere wolk die me achtervolgt, heel aanwezig en dreigend, als onwelkome gast die mijn plezier en vreugde verstikt en hoop in de weg staat of zelfs in de kiem smoort.

In plaats van zijn aanwezigheid te aanvaarden schrijf ik hem nu weg in de duisternis van deze lange nacht. Hopelijk kan ik zo eventjes uit zijn genadeloze greep ontsnappen.

Pijn, die gemene, genadeloze klootzak die terwijl ik dit schrijf elke druppel vreugde uit de nacht zuigt tot er niet veel meer overblijft dan een schrale herinnering aan hoe die ooit was, rustig en kalm, tot hij onverwacht opdook.

Ik haat hem, maar hij zal me er altijd aan helpen herinneren van het gevaar wanneer ik de volgende keer besluit om met een slaapkop en badslippers als schoeisel de trap af te komen.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!

Kruispunten van hoop

Schuchter verjaagt de ochtendzon een duisternis die het deze nacht nooit is geweest. In de schemerige hoeken van mijn gedachten, waar onverwachte herinneringen dansen als paarse schimmen in het noorderlicht, hou ik halt op de kruispunten van mijn leven.

Deze nostalgische mijmering voelt aan alsof ik op verweerde boswegjes loop die overwoekerd zijn met alle keuzes die ik ooit maakte en met diegene die ik vermeed. In elke stap hoor ik de echo van mijn verleden, als ondefinieerbaar ballast dat ik meezeul, een onuitwisbare stempel op mijn ziel.

Ik herinner me vaag die bewuste nacht. Die nacht dat ik de leegte van mijn ziel voorgoed probeerde te vullen met de vloeibare troost van de fles? Dat ene moment dat mijn leven door mijn vingers leek te vloeien als zand in een dichtgeknepen vuist, en ik die wanhopig de tijd probeerde te stoppen door hem te verdoven. Op dat kruispunt stond ik, wankelend en laverend tussen gitzwarte duisternis en het vage licht van hoop. Hoe gemakkelijk zou het zijn geweest, om te kiezen voor de weg van de minste weerstand en mezelf kwijt te spelen in de mist van mijn ondergang.

Maar ik deed het niet. Ergens, diep vanbinnen, fluisterde een onbekende stem van verzet. Een stem die smeekte om gehoord te worden, te midden van het lawaai van mijn zelfvernietiging. Ze kreeg de volle aandacht. Het was alsof mijn hele lijf dat laatste sprankeltje hoop vastgreep, als een verloren liefde die smeekt om vergeving.  Op dat kruispunt nam ik met bevende handen en een hart dat bijna brak van angst, aarzelend en voorzichtig een eerste stap op het pad van mijn herstel.

Neem het van me aan, het was geen gemakkelijke keuze, het was de moeilijkste die ik ooit nam. Elke dag was een gevecht, een strijd tussen het verlangen naar verlossing en de lokroep van de duisternis. Maar langzaam, heel langzaam, begon ik de schoonheid te zien in de worsteling.  Nu lijk ik eindelijk ontwaakt uit een lange verwarde droom. Nu pas bekijk ik de wereld om me heen voorzichtig met nieuwe ogen.

Ik kijk naar het leven alsof ik me in het lichaam van een dode vriend bevind. De afwezigheid laat een leegte achter die ik nooit zal begrijpen, een leegte die nooit meer helemaal gevuld kan worden. Het is een pijn die als een schaduw over mijn dagen zal blijven hangen. En toch, te midden van dat gemis en verdriet, ontdek ik een nieuwe, ietwat vreemde soort dankbaarheid. Ik heb geleerd te waarderen wat ik heb en elke beperking te aanvaarden alsof ze er niet is. Ik leer elke dag te leven en elk moment te koesteren alsof het mijn laatste is.

En nu, sta ik hier, bijna elf jaar nuchter, en laat de kruispunten uit het verleden achter me als herinneringen die langzaam vervagen. Ik kan niet zeggen dat ik nooit twijfel, dat ik nooit wil dat ik andere keuzes had gemaakt. Maar elke misstap, elke val, elke traan en elke lach, elke breuk en elke scheur hebben me gebracht naar de plek waarop ik me vandaag bevind. En hoewel de wegen en de keuzes nog steeds onzeker zijn, voel ik een vreemde rust. Dit plekje is eindelijk van mij en het is van mij alleen.

En nee en voor alle duidelijkheid, ik begrijp nog steeds niks van het leven. Met die twijfel stel ik me de vraag of mijn woorden ertoe doen, of mijn verhalen verschil maken. Dan denk ik aan diegenen die nog steeds worstelen en op zoek zijn naar een lichtpuntje in hun duisternis.

Dan weet ik dat zelfs wanneer mijn pen aarzelt, mijn stem nog steeds haar weg zal vinden en mijn woorden kunnen gelezen worden, al is het maar door een eenzame ziel, iemand die net als ik twijfelt of door iemand die nood heeft aan een lichtpunt in de verte.

Misschien mag ik hem of haar die hoop niet ontzeggen?

Links, flinks of slinks. Zeg het maar!

In zaal Volksbelang heerste een feestelijke drukte. Zoals elk jaar was het volkshuis het strijdtoneel van het rode verzet tegen de verdrukking. Mannen en vrouwen zagen er allemaal hetzelfde uit. Allen hadden ze een rode roos of een rode duim op de revers van hun zondagse kostuum gespeld.
Rode vlaggen en wimpels werden van onder het stof gehaald om alle noodlijdende “broeders in armoede” een hart onder de riem te steken. Zelfs de 1 meiochtend kleurde destijds solidair bloedrood toen de bond der rechtvaardigen in een lang gerekte processie de straat opkwam om erin gesloten slagorde hun ‘maatschappelijke onderdrukking’ kracht bij te zetten.

Vandaag is de sfeer anders. De zaal loopt minder vol dan toen, maar is nog steeds bezaaid met mensen die zichzelf identificeren met socialistische idealen, al dan niet meegezogen in een onderstroom van groeiende twijfel en nakende onzekerheid.

Het pad van vooruitgang lijkt te kronkelen met “flinkse” afbuigingen naar rechtsere wegen. Aan de verleiding om het rechtsere centrum te veroveren kan niet altijd door iedereen worden weerstaan. De traditionele achterban, in die tijden verenigd in één partij, in één mutualiteit en in één rode vakvereniging was een standvastig gegeven. Vandaag is deze eenheid meer dan ooit versnipperd en lijkt ze te schommelen tussen verschillende politieke stromingen. Sommigen trokken naar extreem-linksere oorden, zoals de PVDA of naar gematigdere Groene terwijl anderen zich aangetrokken voelen tot het comfort van het veiligere centrum of erger, van uiterst rechts.

De recente “flinkse” of eerder “slinkse” uitspraken van Conner Rousseau, tot niet zo lang geleden de lang verwachte charismatische leider van Vooruit, hebben deze spanningen op de spits gedreven. De controversiële “zattemanspraat” en zijn bereidheid tot minder progressieve compromissen hebben twijfel en tweestrijd veroorzaakt binnen de socialistische gelederen. Traditionele socialisten zien dit als een soort verraad aan hun linkse wortels, terwijl anderen geloven dat het een noodzakelijke aanpassing was om relevant te blijven in een steeds rechtser wordende politieke omgeving.

Socialisme, ooit de enige beweging van de werkende klasse, sprak met een krachtige stem namens “de ontwaakte onderdrukten”. Nu lijkt het alsof alle rode hakken niet meer in het zand staan, met de neuzen gekeerd naar alle windrichtingen. De progressieve fundamenten zijn losser geworden, de lijn tussen ideologie en pragmatisme vager.

King Conner’s provocerende benadering weerspiegelde de lastige uitdaging van het socialisme in Vlaanderen, met als inzet vasthouden aan traditionele waarden en achterban of meegaan met de stroming naar het politieke rechtse centrum. Waar ergens zitten de grootste groeikansen?

1 mei is een hoogdag, maar ook een tijd van reflectie en bezinning. Zal Vooruit met Melissa voorop opnieuw een vuist kunnen maken voor rechtvaardigheid, gelijkheid, en solidariteit, of zal ze meegaan in de rechts georiënteerde politieke mengelmoes, waardoor de ideologische identiteit uiteindelijk zal worden opgeslokt door een rechtsere realiteit waarbij onhaalbare coalities en onmogelijke compromissen onvermijdelijk zijn?

Op 1 mei is het meer dan ooit vooruit of achteruit? Zegt u het maar!

Het stipje waar ik naar kijk

Bijna als gehypnotiseerd staar ik naar een nietig glinsterend stipje op het immens canvas. Dit stipje, op een vreemde manier zoveel groter dan het is en tegelijk zo onvoorstelbaar klein en nietig, heeft te maken met elke ziel die er ooit op heeft geleefd. Ik staar.

Elke emotie ooit gevoeld, elke droom ooit gedroomd, alles samengeperst op één lichtgevende pixel. Het is als een rondzwevend stofje dat slechts zichtbaar wordt in de lichtbundel van een cinemazaal als een film wordt geprojecteerd.

Dit stipje, mijn thuis, onze thuis, waar jij en ik vandaan komen, waarop elke mens, elke plant, elk dier en elk organisme dat ooit heeft bestaan, ooit heeft geleefd, zonder één enkele uitzondering ooit zal sterven. Ik staar.

In een flits, een bliksemschicht van gedachten duiken duizend beelden op als in een razendsnelle filmmontage. Het is als het afspelen van een vintage filmrol, waarin ouders hun kinderen omhelzen, waarin verliefde koppels elkaar kussen in een verlaten bos, waarin verheven wereldleiders onrechtmatig een troon opeisen.  Waarin wereldsterren, pop- en sportidolen hun succes vieren terwijl clochards in verlaten straten aan hun voeten liggen.

Geloof en religies, wetenschappen en ideologieën, alles passeert. Ook die onbegrijpelijke overtuigingen die fel met elkaar in conflict zijn waardoor individuen of groepen elkaar bekampen en ze zich ten opzichte van elkaar superieur wanen, met hoogmoed, ‘de waarheid’ of onoverwinnelijkheid als inzet.

Elk historisch figuur, of held of vergeten lafaard, elke heilige, slachtoffer of zondaar, elke oorlog, elk onrechtmatig veroverd gebied, alle vreugde, alle rampspoed, verdriet of schaamte, zitten bij elkaar gepakt op dat kleine puntje stof, zwevend ver op de achtergrond van een canvas.

Hoe verklaar je moordende oorlogen die wreedaardig worden uitgevochten tot eer en glorie van de ‘leiders’ die ze bevelen? Waarover gaat het? Over een fractie van een stip, een zandkorrel in een woestijn of een betwist grensgebied dat in het grotere geheel geen enkele betekenis heeft?

Te midden van deze wirwar van emoties en beelden, voel ik me een nietig figuurtje op een eindeloos groot podium, een acteur van een oud toneelstuk, verloren in de coulissen, terwijl het drama van de wereld zich voor mijn ogen ontvouwt op de uitgestrekte scène. Ik staar.

Mijn hoogmoed, aanstellerij en waan, alsof ik iemand speciaal zou zijn, alsof jij iemand speciaal zou zijn, worden helemaal opgeslokt door de omvang van het canvas en door alles wat het stipje vertegenwoordigt. Ik kom plotseling tot besef dat niets of niemand in die grote duisternis ook maar iets van betekenis voorstelt of me zal komen redden, geen buitenaards wezen, geen verheven ziel of verloren hart, geen afgoderij, geen hogere macht, niemand. Als ik wil leven, zal ik het zelf moeten doen. Het blauwe stipje is alles wat er is. Ik staar.

Het is 1994, en NASA’s ruimtesonde Voyager bevindt zich een eind van huis, zo’n 6,4 miljard kilometer om precies te zijn. Met een duizelingwekkende snelheid vliegt het richting de uitgang van ons zonnestelsel. De bestuurders van het tuig besluiten om, vanuit hun thuisbasis, de camera nog één laatste keer om te draaien, als een afscheidsgroet aan de kleine blauwe stip waarop alles wat ooit gebeurd is en ooit zal gebeuren, in al zijn grootsheid en kwetsbaarheid, samenkomt. Dat is het stipje waar ik naar staar.