Categorie: Verwachtingen

Flipperkast

Het is een onbetaalbare luxe om zo maar 15 dagen uit mijn agenda te kunnen scheuren. Er volledig tussen uit te knijpen en er gewoon mee weg te komen. Ik besef het en ik voel me geprivilegieerd. Er bestaat niemand die het meer waardeert dan ik.

Voor mijn break zat een volledig jaar verpakt in 15 dagen. Al wat normaal over een wat langere periode gespreid wordt, zat nu tussen kortere mijlpalen op elkaar geperst. Dood en feesten met een verjaardag als apotheose.

Veel grotere contradicties zijn er niet. Al had een geboorte of lottowinst het plaatje misschien wel helemaal compleet gemaakt.  En toch is het allemaal op de een of andere mysterieuze wijze wel gelukt. Op een vreemde manier kreeg alles en iedereen wel een plaatsje en een pakje met wat warme aandacht op het juiste moment. Maar het was soms geen sinecure.

In de flipperkast van het leven sprongen alle bellen en lampjes tegelijkertijd, fel hectisch aan en uit. De ijzeren bal vloog in een onhoudbaar tempo, oncontroleerbaar over het speelveld terwijl ik als een gek flipperend dat ding probeerde in bedwang te houden. Ik kreeg door dat in dit spelletje geen plaats is voor winnaars en na een paar extra ballen en wat gratis credits hield ik het voor bekeken. Game Over. Want zo eindigt het toch steeds. Met steeds weer datzelfde irritante geluidje.

Loslaten biedt ruimte en maakt plaats voor iets anders zeggen levensprofeten. Ze hebben overschot van gelijk weet ik nu. Ik ben dan ook vast besloten in de toekomst nog meer platte rust te nemen. Gewoon doen zoals nu. Bewust niets met toegewijde ambitie tot nog minder. Om de boel terug op te laden.

Ik zal de rattenkoers koppig blijven ontlopen. Me er vast besloten ver van afwenden tot de op de laatste dag. Tot alle 15 dagen gevuld zijn met onbetaalbare onbenulligheden.  En dan zal ik mijn agenda vast nemen. Om er een volgende time-out in vast te leggen zodat ik me zelf scherp houd en niet meegesleurd word in dingen die er niet toe doen. Zoals in een zinloos flipperkast spelletje.

Stem

Ik wil niet laten blijken dat het me soms allemaal zwaar valt.

Ik wil niet zielig zijn en al helemaal niet pathetisch overkomen. Hoe simpel zou het leven zijn als ik er oppervlakkig zou kunnen door fietsen. Zonder moeilijke vragen. Zonder antwoorden die ik niet ken. Of hoe het verder gaat of zou moeten gaan?

Ik zoek toch geen geforceerde goedkope aandacht of airtime om zo maar wat te praten? Over koetjes en kalfjes of over wat er echt speelt?
Natuurlijk stoort het me dat ik je niet op val. Dat ik helemaal radio stil en geruisloos onder jouw radar blijf manoeuvreren. Dat het voor jou gewoon niet belangrijk genoeg is. Misschien is het dat ook gewoon wel? Voor jou. Van geen enkel belang.

Dan zwijg ik ook maar. Ogenschijnlijk ook onverschillig of niet geïnteresseerd. Maar eigenlijk sta ik mezelf gewoon toe om weerloos te ondergaan en af te wachten op wat er komt of niet komt.

Als jij er mee zat had je dat toch al laten blijken? Dan was je er toch al over begonnen? Je had dat dan toch al op de een of andere manier kenbaar gemaakt. Of bespreekbaar? Al dan niet subtiel? Of met geroep en getier?

Misschien beeld ik het me allemaal maar wat in en worstel ik er alleen maar zelf mee. Dan hoef ik er jou toch niet mee lastig te vallen? Dan zit het gewoon tussen mijn oren te wachten op een verlossende bevrijding die niet komt.

Tijdverlies!

Maar die constant twijfelende innerlijke stem hoor jij niet. Die praat alleen maar tegen mezelf. Luid en klaar. Ze heeft het steeds verwijtend lang over elk uitvergroot klein ingewikkeld detail van mezelf. Maar zo geruisloos stil zodat jij het zeker niet hoort…

 

 

 

Te vroeg op vrijdagavond

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee.
De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van.
De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo.
Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren.

Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe.
Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren.
Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen.
Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden.
Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet.

Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen.
Voldoende niets doen werkt!
En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.

 

Anders

Hoe gevulder ik mijn dag inplande des te minder ik gereed kreeg. Of hoe minder tevreden ik was met het resultaat van de dingen die ik half zijn gat had geaan. “Kiezen is verliezen”: hadden ze me gezegd.

Daarom wou ik altijd alles doen. Desnoods alles tegelijk om niets te missen. En dan was ik dikwijls nog niet eens voor mezelf aan de slag. Ik was zo begaan met mijn drukdoenerij en met ingebeelde verwachtingen tegenover anderen dat ik gedubbeld werd in de race tegen mezelf.

Kinderen, lief, werk, familie en vrienden. Alle dagen en uren zorgvuldig ingepland om de beschikbare aandacht netjes te verdelen. Ieder om beurt. Gelijke deeltjes, afgewogen met de apotheekbalans. Behalve voor mezelf. Ik werd uitgesteld naar de volgende planning. Naar een volgend rantsoen. Niet goed.

Ik moest het omkeren. Het moest veranderen. Niet uit egoïsme of omdat het me opgelegd werd of omdat ik me tegenover iemand verplicht voelde. Neen, mijn instinct en zelfbehoud spelden me de les: “dit moet anders, dit moet beter kunnen of het loopt slecht af.”

Maar mezelf op de eerste plaats? Hoe moet dat? Hoe pak ik dat vast? Ik kwam er snel achter dat sommige zaken gewoon niet tegelijk kunnen. Voor belangrijke dingen neem je beter de nodige tijd, met focus. En wat afstand, om het goed te doen en om goed te doen. Juist. Voor jezelf. Andes loopt het mis. Vroeg of laat.

Voor anderen bedenken hoe ze kunnen veranderen is niet moeilijk. Daar heb je geen gedragstherapie voor van doen. Dat lukt zo wel.  Oordelen, is niet zo moeilijk. Preken ook niet. Dat kunnen we allemaal gelijk de besten.

Gecompliceerder wordt het wel als je zelf eens goed in de spiegel naar jezelf kijkt.  En tracht uit te vissen hoe je jezelf kan corrigeren op dingen die minder goed lopen. Als je probeert te achterhalen hoe het anders of beter kan. Daar is net iets meer lef, durf en moed voor nodig maar het kan… als je het doet!

Maar begin er niet aan als het je wordt opgedrongen. Begin niet aan als je denkt dat je het moet doen om er bij te horen. Doe het alleen puur en authentiek.

Wanneer het veranderd is moet het beter zijn. Als je beter wil, moet het veranderen. Maar als het veranderd is en je werd er zelf niet beter van, doe het dan opnieuw.

Je leven is van jou.

Doe wat je wil en doe het goed en veel. En gedreven. Met een groot hart.

En wil je het niet meer? Verander het dan.

Van aanpak, van werk.  Van huis. Van lief of van land.

Het leven is te kort om te wachten tot het vanzelf komt.

Doe het gewoon!

Voor jezelf. Vandaag.

Alle anderen worden er vanzelf ook beter van.

dagh en nacht denc ic.

Elke week opnieuw, wanneer ik wil aan vatten, ontwaakt de remmende gedachte dat er niets te vertellen is. Althans niets wereldschokkends of baanbrekend.

Misschien zit er sleet op de pen. Is het op? Twijfel die dient als saboteur om voluit te gaan en die leidt tot doofstomme besluiteloosheid. Het kritische woord vermoord door vlakke onverschilligheid, slome laksheid of creativiteit verwoestende twijfel? Ik zoek het en vind het niet.

En dan opeens wordt een op het eerste zicht kramakkelig woord of associatie, een prelude van ontluikende intieme gedachten. Een voorspel dat mijn vingers op het klavier los smijt en me na een paar uur bemoedigend doet glimlachen over het voortvloeisel. Woordjes traag tot een tekst.

Een wekelijkse tour de force die het klad omzet in beelden die nadien omgetoverd worden in sprekende zinnen. Zo strijk ik telkens opnieuw met mijn denkrimpels van de nacht mezelf weer glad. Zo zit schrijven in elkaar. Dat is wat ik doe. Dat is waar ik mijn portie klein geluk oogst. Bij mezelf.

Niet dat ik veel reactie krijg. Zelden eigenlijk, tenzij op controversiële onderwerpen maar die mijd ik.

Het liefst dop ik mijn pen in de pot om het gewoon maar over mezelf te hebben. Misschien ben ik zo wel mijn eigen psychiater en persoonlijke reflectiebord. Mijn ziel bloot gelegd. De snelheid van het denken belemmerd door de traagheid van mijn hart.

Zonder verborgen agenda maar gewoon als remedie tegen het allesomvattende niets. Of om met mezelf in het reine te komen omdat er dan geen verborgen agenda meer is.

Omdat dan het filosoferen en het speculeren kan stoppen.

 

Ego

Soms wil ik weerwoord bieden aan dat stemmetje in mijn hoofd om er kordaat tegen te zeggen: “Je stoort. Mag ik je alstublieft verzoeken om weg te gaan. Je snijdt me de pas af?”

Heel af en toe is het gehoorzaam. Dan vervaagt het en gaat het even helemaal weg. Af en toe houdt het zich een paar ogenblikken stil en afzijdig en bemoeit het zich even niet met mijn gedachten. Dan stopt het met souffleren en geeft eventjes geen voorzetten meer op  antwoorden die ik zelf nog moet formuleren of bedenken. Dan kan ik mijn verlegenheid aan de kant schuiven en krijg zelf wat ademruimte voor een afwijkend standpunt of een excentriekere zienswijze.

Even dikwijls valt het echter voor dat het niet stopt. Dat het, het gesprek helemaal overneemt of opeist. Om op die manier het hoge woord te kunnen voeren en te beslissen welke richting de conversatie uit mag gaan om er zeker geen grip op te verliezen.  Dan wil ik zeggen: “Maak dat je wegkomt. Ik was hier eerst. Je hebt hier niets verloren. Vlieg maar weg. Bedankt voor alles.”

Op die momenten zou ik het willen plukken als een paardenbloem. Dan zou ik de pluizen ervan wegblazen. In een ander grasperk. Om daar te groeien en er te gaan storen in het perfecte groen. Maar ik doe het niet. Ik laat het toe. Ik tolereer het omdat het mij uitkomt. Omdat het bij moeilijke situaties mijn onwetendheid camoufleert. In gênante discussies mijn onzekerheid maskeert. En me bij gesprekken met interessantere of slimmere mensen de illusie geeft expert te zijn over onderwerpen waar ik maar weinig of helemaal niets van begrijp.

Mijn ego. Wat een heimelijk venijnig ding is dat toch? Mijn dekmantel en mijn ultieme alibi die me steeds opnieuw influistert wat ik het liefste van al hoor en me uit de wind zet als ik de storm van voren krijg.

Maar die bekentenis zou ik nooit doen tegenover jou. Daarvoor is mijn ego net iets te groot.

 

Emmerlijst.

Is het door de grijze herfst en de dreigende wolken dat de mensen een beetje somberder kleuren en is het dat dan dat hen aan het plannen zet?

Steekt die plotse allesoverheersende bewustwording ineens de kop op als iemand dierbaar ons ontvalt?

Is het louter een modeverschijnsel of gewoon bon ton om ermee te kunnen illustreren hoe interessant druk we nu wel bezig zijn?

Het blijkt in elk geval het uitgelezen instrument om essentiële beslissingen of zaken die we willen doen uit te stellen en voor ons uit te duwen. Tot straks, tot morgen of tot volgend jaar, als de kinderen uit het huis zijn. Als we met pensioen zijn en de lotto gewonnen hebben, dan?

Dan beginnen we aan onze ultieme bucketlist en 69 dingen die we moeten gedaan hebben alvorens dit tranendal te verlaten. Misschien komt hij maar pas voor de pinnen nadat we onze eerste ouderdomsvlekjes opmerkten. Wanneer we beslisten dat het leven niet voor altijd zal duren en zo gedwongen worden na denken over zaken die we zeker nog willen gedaan hebben alvorens we de pijp aan Maarten geven.

Taj-Mahal in het echt zien en naakt rondlopen op de Galapagoseilanden zijn kanshebbers, hoewel tango’s beluisteren in Cuzco of Machu Pitcchu bezoeken ook een toppertje is als je dat te voet doet, tenminste.

Het leven lijkt soms niet de moeite waard geweest als je niet eens met een rekker aan je voeten van de hoogste brug gesprongen hebt. Als je ooit gepast hebt voor die duo-sprong die je een paar minuten deed bengelen onder een parachute of als je niet badend in het poolijs naar het noorderlicht getuurd hebt.

Zelf houd ik niet zo van lijstjes. Zeker niet als daar zorgvuldig op geschreven staat wat ik moet doen. Doen en kopen wat op lijstjes staat betekent voor mij in lange rijen staan wachten.  Vergeten wat er op stond om dan thuis te komen en te zien dat ik het belangrijkste liet liggen om dan opnieuw in de rij te gaan staan om mijn lijstje helemaal af te vinken.

Neen, ik hoef echt geen lijstjes.  Ik heb lijstjes genoeg afgewerkt. Lijstjes met boodschappen, met moetjes en magjes, met huiswerk en doelstellingen, lijstjes met genodigden… lijstjes met lijstjes.

Toen die obligate bucketlijst een hype werd die me opzadelde met al die verplichte opdrachten die ik zeker nog moet doen voor ik de pijp uit ga, werd ik daar niet vrolijk van.

Levenslijsten zijn overschat. Met het kattenbelletje dat gebonden is aan de to do list die me er aan herinnert dat er nog een knoop in mijn zakdoek ligt omdat ik niet mag vergeten een reisboek te kopen over de reis die we nog moeten inplannen na onze volgende reis. Neen dank u, voor mij geen zulke wachtlijsten meer. Voor mij mag het allemaal vandaag.

De enige lijst die ik nauwgezet bijhoud is die van mijn dagelijks assortiment buitengewone en eenvoudige speciale momenten. Kleine, niet geplande gebeurtenissen aan elkaar geregen door speciale mensen die opeens onverwacht op mijn pad terecht kwamen en die me als ik daar zin voor heb er iets doen over opschrijven. Maar niet nadat ik eerst heel goed geluisterd heb naar wat ze me te vertellen hebben. Liefst rustig met een koffie en een chocolaatje.

Als ik me bij het krieken van de dag, op de levensvragen, Kan ik uit bed? Heb ik grote Kak? Weet ik nog hoe ik heet en waar ik ben?, een positief antwoord kan geven, mag ik me gerust stellen dat ik mijn bucketlist voor ben geweest en hoop ik echt dat mijn persoonlijke emmerlijst er morgen ook nog zo mag uit zien.

Ruzie maken is (g)een kunst.

Toen ik het vroeger te bont maakte, kreeg ik ruzie en vloog ik in de hoek.  Ik mocht daar dan rustig afkoelen om een beetje tot mezelf te komen. En dat werkte.

Een paar minuten kon ik mijn stijve koppigheid in die hoek volhouden, niet veel langer.  Snel dwaalden mijn gedachten af naar mijn leger soldaten, mijn go-kart of de doos plakkaatverf met hard geworden penselen. Maar niet alvorens ik eerst, gedurende die tijdelijke verbanning,  voldoende tijd gekregen had om kwaad te zijn, me onbegrepen te voelen en een denkbeeldige emmer koleirige krokodillentranen te vullen. Om zo uiteindelijk in te zien dat voetballen in de keuken echt niet kon en spijt te krijgen omdat ik die porseleinen luchter in gruizelementen had gescoord met een afstandsschot.

Na mijn plechtige belofte het nooit meer te doen en met wat minder spaarcenten op mijn spaarboek, mocht ik dan even later, met mijn waterverf en harde penselen op de achterkant van een overschot behangpapier aan mijn kunstwerk beginnen. De kans niet onbestaande dat ik een uur later opnieuw in die hoek moest om me te bezinnen omdat de tafel mee geschilderd werd terwijl ons ma me nog zo gezegd had dat er gazettenpapier onder moest.

Als ik ruzie verdiende, brachten de hoek en wat later de kelder rust, inzicht en een voornemen om het vanaf daar anders te doen.  Zo ging dat toen en op de een of andere manier marcheerde dat. Ik bleef niet dwars of hardleers, ons ma niet boos of nors.

Vandaag gaat het anders.  Ook omdat ik niet meer voetbal in de keuken.  Nu bakkeleien we over andere, ernstige zaken. Over een sifon die lekt en waarom die gisteren nog niet gemaakt werd? Of over haar in de douche of het dopje van de tandpasta.

Als we nu ambras maken doen we dat zoals de grote mensen.  Dan discussiëren we. We argumenteren, rationaliseren, debatteren en raisonneren net zo lang tot we er uit zijn. Desnoods 3 dagen aan een stuk. Met groen hout en beeld zonder klank of smoelwerk en bokkenpoten.  Maar we houden wel vol… Lang… Net zolang tot er een winnaar is en een verliezer.

“Zie je wel dat ik gelijk had, ik ben echt zo blij dat je dat eindelijk inziet.”

“Was dat nu nodig om hier zo lang stom voor te lopen?”

Door het zo te doen zien we niet dat de uitkomst van die “opgeloste ruzie” de voedingsbodem is voor de volgende.  De openstaande rekening zal bij de volgende gelegenheid wel vereffend worden. Waarschijnlijk met interest.

Doen we het zo verder?  Tot we zo ver bij elkaars enkels in het krijt staan dat het op den adem pakt.  Met de gevolgen van het opbod van zinloos gelijk of ongelijk?

Of gaan we de volgende keer gewoon een paar minuten in de hoek staan?

Desnoods met een emmer koleirige krokodillentranen.  Eventjes met wat afstand, wachten op een potje natte verf en een hard penseel?

Onaf, lelijk is ook mooi!

Ik ben aaibaar imperfect. Aan mij is redelijk veel onaf.  Met de juiste bedoelingen aan begonnen, maar verkeerd of in de verkeerde volgorde in elkaar gepast.

Zou ik een liefdesbrief zijn, ik was doorstreept. Te melig geschreven om gepost te worden, dus weggemoffeld ergens in een stofferige lade.

Mijn ruwe onvolkomenheden en mijn stuntelige gebreken maken me broos maar menselijk.  Ik zeg dat niet om met mijn doordeweekse alledaagsheid naar complimenten te vissen. Echt niet, maar toch attrapeer ik me er op, er het liefst zo onopzettelijk nonchalant mogelijk uit te zien zodat ik anoniem in de massa kan worden opgeslokt.

Onzorgvuldig slodderig. Zo wil ik het. Het zo laten uitschijnen dat ogenschijnlijk geen enkele inspanning gedaan is om er stoffig en muffig uit te zien. Zoals een oude tafel op een rommelmarkt. Met krassen en vlekken op het blad die achterbleven na een wild feest of een diepgaand gesprek. Lang geleden. Door geleefd en doorleefd.

En dan tut ik me op, in een verhakkelde broek met rafels. Of in een grijs gewassen T-shirt om een zo cool mogelijke ongedwongen indruk na te laten.  Haren, met gepaste gel in  de juiste nonchalante net-uit-mijn-bed look gewaxt.

Perfectie is achterhaald en zo jaren 80.

Wanneer de tand van de tijd knaagt, overwint mijn gedachte dat herontdekte schoonheid van iets wat lelijk en vergankelijk is, zo veel meer aanspreekt dan symmetrische kunstmatige maakbaarheid. Of Perfectie.

Mijn schoonheidsideaal past niet in een mager, bleek maatje 36. Er mag een kantje aan zitten. Met een rosse sproet, een spleet tussen de tanden of een los eindje. Want volmaakt is saai en griezelig, of zelfs een beetje bedreigend.

Volmaaktheid van anderen duwt ons naar beneden op het scorebord van het leven. Net daarom voelen we ons verbonden met de underdog of het onvolmaakte personage waarmee we een goede band hebben. Op die manier brengen  we onze eigen onhebbelijkheid in het juiste perspectief.

Als voor mij minder dan helemaal meer is geworden en wanneer al het overbodige is weg gelaten en ik ben achtergebleven met wat voor mij essentieel is voel ik me helemaal de niet-favoriet. De zelfzekere underdog die klaar is om de denkbeeldige wedstrijd te winnen. Al ben ik niet zeker van de competitie waar ik me in bevind en wat de spelregels morgen zullen zijn.

 

Stevig in de schoenen.

Echte mannen moeten stevig in hun schoenen staan, ten minste als ze voor een soms wat afwijkende persoonlijke mening durven uitkomen.

Doorgaans ben ik optimistisch positief en leef ik voornamelijk in het hier-en-nu. Zo durf ik uitspreken wat ik denk en voel of durf ik benoemen waar ik wakker van lig. Deze levenshouding behoedt me voor overdreven of onrealistische dagdromerij en houdt me tegelijk scherp om zuurdere mensen op een veilige afstand te houden.

Mijn aangeboren behoefte om het anderen naar de zin te maken, bieden me wat charme en ongevraagde populariteit. Althans daar proberen ze mij wel eens van te overtuigen. Uiteraard laat ik me dan wat graag ophemelen door die overdreven ego-strelingen. Wat had je gedacht?

Zelf, zie ik me eerder als bewaker van mijn grenzen. Een soort stadswacht die aan de poort beslist wie er in mag en wie niet. Een soort Theo Francken die buitenwipper speelt van mijn eigen ietwat donkerder gekleurde gedachten.

Ook al verberg ik mijn nieuwsgierige mening meestal met karakteristieke verdraagzaamheid, toch ben ik soms nog getoucheerd door onverschilligheid of ongefundeerd hevige kritiek.

Toen ik me afgelopen weekend nog maar eens verbaasde over de toon en het taalgebruik van onze politieke elite kreeg ik veel wind van voren. Orkaan Irma raasde woedend de woorden van mijn scherm.

Van uit de digitale verte, ergens van achter een anoniem klavier, werd ik plat geschoffeerd omdat ik me op een nieuwsforum, verwonderend, niet begrijpend, had uitgelaten over de kuiswoede-tweet van Theo Francken. Over de subtiele kniestoten onder de gordel naar mensen die zich niet kunnen verdedigen tegen zoveel tweetgeweld.

Me publiek uitspreken over politieke statements is gevaarlijk ijs voor een charmante woordjes-troubadour, dat weet ik wel.  Ik doe het dan ook niet zo dikwijls. Eigenlijk alleen maar wanneer boertigheid hoogtij viert. Dan is het wel eens sterker dan mezelf. Dan moet mijn pen in de inktpot om me met veel krullen te beklagen over de platvloersheid van de politieke beau monde die de plak zwaait.

Natuurlijk ben ik op zulk een moment voorbereid op vitriool en maagzuur zodat de scherpe opmerkingen van onder de gordel, vlotjes van me afglijden zoals water van een eend.

Onpasselijk makende internetwoede is dan gewoon een onplezierige bijwerking van een medicijn dat ik nodig had om me van mijn eigen misselijkheid te ontdoen.

Mijn digitaal schrijversvel is ondertussen wel ongeveer zo dik geworden als de huid van, pak weg Maggie de Block.  Mollige Maggie, nog zo iemand die zich van achter paniekerig-snel, in elkaar gedraaide wetsvoorstellen beklaagt over schrijfstijl. Maar dan wel over de schrijfstijl van haar ex-collega’s. Een schrijfstijl die ze tot nog niet zo lang geleden zelf hanteerde.

Maar dat is iets voor later. Wanneer het duidelijk is dat je voor een afwijkende mening als vrouw ook stevig in de schoenen moet staan.

Wie is hier zot?

 

IMG_1862

Puisterig was ik niet zo erg. Onberekenbaar en wispelturig? Ja dat dan weer wel. Heel erg zelfs. Het ene moment was ik hyper en vrolijk. Boordevol enthousiaste plannen en ideeën. Het andere moment kon ik voor het zelfde geld vervallen in een bodemloze tristesse, zelfbeklag of hulpeloze passiviteit.

Ik voelde me zeker onbegrepen. Een beetje zoals als een sociaal ingewikkeld wezen waar niemand iets van snapte en dat iedereen tot wanhoop dreef omdat ik ervan verzekerd was dat nooit iets mijn schuld was.
Mijn ouders zullen toen ook wel gedacht hebben dat er van mij niks zou in huis komen.
Zelf, vang ik wel af en toe een glimp op van de volwassene die straks fier en gesterkt uit de strijd zal komen. Al gebeurt dat wel minder naarmate de puberteit meer de kop opsteekt. Dat zal toentertijd wel niet anders geweest zijn.

In mijn puberlijf was van alles aan de gang. En ik kon daar niks aan doen. Het is nu eenmaal de natuur. Ik was veel te groot en te slungelig voor mijn leeftijd en had een veel te grote mond voor het zelfvertrouwen dat ik maar had.
Ik had altijd gelijk ook al dacht ik daar later in mijn bed dikwijls anders over. Al zou ik dat nooit hebben toegegeven. Ben je gek?

Grote voeten had ik al maar mijn hersenen waren nog niet ontwikkeld genoeg om alle nuances te vatten. De kleine dingen vergrootte ik uit. Over de grote zag ik over.
Daarom kon ik niet kiezen, plannen, opruimen, structuur brengen, sociaal zijn of zinnig meepraten met volwassenen die op elke vraag steeds onmiddellijk een juist antwoord verwachtten. Ik deed dikwijls alles net averechts dan hetgeen wat van mij werd verwacht.
Het voelde dan aan alsof ik de enige normale was in een wereld vol vreemde wezens van een andere planeet.
Maar het was niet mijn schuld want ik was een puber.

Nu, een paar levenservaringen rijker, ben ik dus in feite een door de wol geverfde, overjaarse, ontgroende, ervaringsdeskundige puber. En wel zo een die van zijn halfwassen aanhangsel verwacht dat hij kiest, plant, opruimt, structuur brengt in zijn studies, sociaal is en zinnig meepraat met volwassenen die op elke vraag steeds een juist antwoord verwachten.

Wie is hier zot?

 

 

Ik pruts aan de mal van mezelf.

Hoe steviger ik mijn hand dicht knijp om dat losse zand bij te houden des te sneller het weg vloeit. Tot er maar een paar korreltjes meer achterblijven.

0e9d8548b2efc7b0a580796870548019_medium

Het denken, doen en laten van mensen. Ze willen begrijpen, veranderen en controleren. Het houdt me heel ver weg van mezelf. Beschouwen, oordelen en vonnissen daar ben ik goed in. Ver weg van mijn eigen spiegelbeeld bemerk ik heel scherp het vlekje welke jouw gezicht ontsiert.

En dan ben ik me kwijt. Helemaal verloren in de opgehoopte speculaties, oordeelvellingen en taxaties van anderen. In mijn hoofd staan jullie te dringen voor mijn aandacht en mijn mening. In rijen achter elkaar. Soms geduldig ordelijk, vaak onbeleefd en opdringerig. Jullie versperren mijn weg en duwen me van mijn pad zelfs al weet ik niet waar ik naar toe ga.

En dan wil ik onvindbaar verdwijnen. Doelloos afwezig worden en op zoek gaan naar wat rust. Ergens, nergens.

Wanneer zal me dat lukken? Waar ben ik me verloren en waar vind ik me terug? Hoe laat ik alles los wat me tegenhoudt in de zoektocht naar mezelf?

Hoe en wanneer ontvouwt de vlinder zich uit de pop die me verborgen houdt?

Ik weet wel dat het niet gebeurt door me met jou te vergelijken of door te trachten te beheersten wat jij denkt. Datgene wat jij van mij denkt is niet van mij maar van jou. Ook weet ik dat de comfortzone niet dat plekje is waar magie gemaakt wordt en dat ik zelf mijn beperkende overtuiging ben in het excuus dat ik bedenk om iets niet te doen of te worden.

En dan begin ik te prutsen aan mezelf en schrijf wat gedachten op. Mijn innerlijke stem begint dan te roepen en te tieren en wurmt zich in een nauwe spleet een weg naar buiten. Vingers tokkelen snel en spuwen alles er uit. Ik laat los wat niet bij mij past en ontdoe me van het ballast dat mijn reis verzwaart. Kaf apart van koren.

En dan tracht ik het zaakje blauw-blauw te laten. En is dat dan zwak? Of net sterk? Moet ik toch het gevecht aangaan dat niet te winnen is? Of blijf ik niet beter uit die boksring om nog wat aan mijn details te prutsen zodat ik straks beter pas in de mal van mezelf.

Selvportrett mellom klokken og sengen, 1940-43

Béchamel en wellustige werkwoorden

IMG_1817

 

Hoe of wanneer het binnen geslopen is konden ze niet meer exact achterhalen. Van waar precies de lek in de band zit en hoe het daar gekomen was, hadden ze geen van beiden enig benul. Laat staan dat ze gepast hadden kunnen reageren mochten ze het wel bijtijds in de gaten hebben gekregen.
Geen van hen beiden heeft door dat de reddingsboei, die elke relatie af en toe wel eens van doen heeft, heel zachtjes aan het leeglopen is.
Ooit, in het begin en nog lang nadien, toen was het anders. Toen wisten ze haast op elk moment van de dag hoe ze er voor stonden. Of hoe juist te reageren op een hindernis of een verwikkeling. Zo waren ze immers ooit gestart. Met veel hobbels op de baan.
Had een van hen dan al eens een lastig moment, konden ze dat zonder moeite van elkaar verdragen omdat ze elkaars bevestiging niet van doen hadden om instinctief te weten dat het wel goed kwam. Alles kwam altijd wel goed.
Hun band had zonder ernstige schade op te lopen al wel wat andere scherpe bochten en chicanes met hobbels moeten nemen.
Ze konden altijd gezellig of vurig praten. Geen enkel onderwerp was minderwaardig om het er niet in het lang en het breed over te hebben. Ze konden over alles door palaveren. Zonder enig risico te lopen om het over iets oneens zijn.
De kinderen waren klein genoeg om de problemen even groot als henzelf te houden.

Ze waren allebei minstens even goed in adjectieven die eindigden op -tiek en konden die zonder moeite omzetten in passionele, hartstochtelijke of wellustige werkwoorden. Al voelde die toen zelfs niet aan als ‘werkwoorden” omdat ze allemaal als vanzelf gingen.

Vandaag staan er wel dingen in de weg. Al weten ze niet precies de welke. De stiltes duren soms langer dan de discussies die dan opnieuw de oorzaak zijn voor nieuwe stiltes of andere en dezelfde discussies. De béchamel plakt niet meer zoals hij vroeger plakte en de sensuele passie is ook ergens diep achterin weg gezet in dezelfde kast waarin de speltbloem bewaard wordt waarmee dezelfde  witte saus ook altijd mislukt.

Het lijkt soms alsof de onfrisse vuiligheid wel in de juiste afvalbak wordt gesorteerd maar dat niemand van hen tweeën in staat is, de vuilniszakken tijdig aan de straatrand te zetten voor de vuilkar. Zodat ze weg zijn.

Als ik hen een dezer tegenkom zal ik hen op het hart drukken dat ze moeten blijven praten en kussen of vozen in de badkamer of op de keukentafel. Maar ook zal ik hen aanraden rustines te kopen om die lek in hun reddingsband te dichten, dat ze die speltbloem mogen weggooien maar vooral dat ze dringend hun vuilnis moeten buiten zetten.
Liefst voor morgenvroeg want op dinsdag komt de vuilkar.

 

 

 

Geruisloze Tango

IMG_1796

Ik vlieg soms noodgedwongen ongewild laag. Radiostil, onder de radar.
Dan is mijn persoonlijke ether helemaal geruisloos, ongewild vrij gemaakt.
Op zulke momenten zend en ontvang ik precies alleen maar onzichtbare spoed- nood- of onheilsberichten.
Mijn netwerk controle centrum defensief helemaal op scherp gesteld. Alle alarmen in het rood of minstens op oranje.

Ik check voor de 5e keer of er wel verbinding is. De piep van de sms die ik naar mezelf stuurde verraadt dat er niets mis is met de verbinding.
Ik bijt op mijn lip nadien op mijn nagel. De nagelriem bijna afgeknaagd.
Ik steek een sigaret op en zuig er van nervositeit een lange vurige kegel aan zodat de filter haast te heet wordt tussen mijn lippen, om er een volgend trekje van te nemen.
Zelf bellen? Neen dat doe ik niet.
Ik geef ridderlijk maar koppig aan mezelf toe dat mijn huizenhoge ego daar zijn veto stelt. Trouwens zij ging iets laten weten.
Waarom moet ik trouwens altijd als eerste? Waarom? Ik ben toch niet vanzelfsprekend?

“1 uur en 58 minuten geleden actief ” : verraad haar chat status.
Er moet iets gebeurd zijn. Het is immers maar een half uur rijden, maximum. Als het druk is, in de spits. Maar op dit uur toch niet meer?
Mijn maag draait zich in een knoop en mijn gedachten malen de meest dramatische scenario’s door de molen.
Waarom laat ze toch niets weten?

Mijn verstand zegt me om me niet te identificeren met de rol waarin ik door verwachtingspatronen gedwongen wordt.
Mijn verstand prent me in dat er geen antwoorden kunnen verzonnen worden op vragen die niet gesteld werden. Zelfs niet als ze impliciet waren.
In mijn hoofd wordt naar me geroepen dat dat stilte niets te betekenen heeft. Toch niet per definitie iets slechts.
Ze zeggen me dat ik moet wachten. Op muziek. Dat we straks zullen gaan dansen en lachen. En als ze niet opdaagt er nog andere mensen zijn die ook dansen. Misschien wel een tango ipv een één-tegel-slow.

Ik check mijn I-phone op een bericht dat niet komt en gooi hem achteloos met een diepe zucht in de fruitschaal.

Net op dat moment draait de sleutel in het slot en komt ze glimlachend binnen.
“Ik ben mijn gsm vergeten. Zie je wel hier in de fruitschaal. De tandarts zei me dat ik er weer een jaartje tegen kan. En jij hoe was jou dag?”

Ik? Ik wil gaan dansen. Tango.
Och zotteke.

Een splijtzwam en de Barbaren.

gelijk

“Maar ik heb toch gelijk?”  “Het is toch niet eerlijk, ik heb echt gelijk…”

Het onbegrip, de machteloosheid en de bevende onderlip waarmee ze haar gram probeerde te halen waren aandoenlijk en braken mijn broze vaderhart. Een dikke traan rolde over haar wang en spatte uiteen op haar vakantiewerkblaadjes welke de pas gemaakte staartdeling omtoverde in een wazige lichtblauwe vlek.

De verwarde uitleg over wat er zich eerder op de dag, op het muziekkamp had afgespeeld bracht haar nog meer van slag. Iets over “altijd” gelijk willen hebben en “nooit” rekening houden met andere kinderen. Ik probeerde tevergeefs de essentie te achterhalen maar de “feiten” moeten danig op haar ingebeukt hebben dat ze er zo verdrietig om was.

“Heb ik dan geen gelijk?”

Even overwoog ik gelijk of ongelijk uit te leggen aan de hand van de splijtzwam die politiekers zo graag hanteren in noord-zuid-of-links-rechts-discussies. Of ik kon uitweiden over Oude Grieken die in hun ogen aan elkaar gelijk waren doordat zij vijandig gezind waren ten opzichte van diegenen die het Grieks niet machtig waren. En hoe ze zo hun nationale identiteit beklemtoonden en hun vijandschap ten overstaan van de Barbaren en vreemde en het in hun ogen minderwaardige konden verklaren en verantwoorden. Maar ik bedacht nog net op tijd dat me dat verder van huis zou brengen. Ver weg van mijn gelijk.

“Noor, kijk een hier wat zie je en beschrijf het eens” en ik zette een zorgvuldig in elkaar gedraaide Rubikkubus op tafel. We zaten recht tegenover elkaar aan de keukentafel, met tussen ons in enkel de kubus met zijn keurig gekleurde in elkaar geknutselde vlakken.

“Ja, een kubus he stommeke” zei ze, precies al iets opgewekter en ze snoof een laatste verdwaalde traan weg.

“Ja maar, slimmeke, kijk eens goed en beschrijf eens precies wat je ziet”

“Ja, ik zie dus een kuuuubus, vooraan een wit vlak. Boven is hij oranje en links is hij groen.”

“Ben je zeker? Dat is fout he. Je hebt ongelijk. Je weet niet wat je vertelt!”: zei ik berispend.  “ Ik  zie ook een kubus maar vooraan is hij geel, boven oranje en links is hij blauw. Dus jij bent fout en ik heb gelijk”

Ze lachte en ik kreeg gelijk maar niet zonder te zeggen dat zij ook gelijk had maar dat het eigenlijk allemaal niet zo veel uitmaakt. Ik voegde er nog als levensles voor een 11-jarige aan toe dat enkel mensen die altijd gelijk willen hebben dit doen uit dommigheid of uit onzekerheid.  Of omdat ze gewoonweg niet in staat zijn te begrijpen hoe andere mensen vanuit een andere hoek naar hetzelfde dingen kijken en zich alleen maar toespitsen op de dingen die ze anders zien.

Ze slurpte van haar water en zei met haar mond vol peper en zout chips: “Je hebt gelijk maar ga je nu mee in ’t zwembad?”