Categorie: Vertelsel

Emmerlijst.

Is het door de grijze herfst en de dreigende wolken dat de mensen een beetje somberder kleuren en is het dat dan dat hen aan het plannen zet?

Steekt die plotse allesoverheersende bewustwording ineens de kop op als iemand dierbaar ons ontvalt?

Is het louter een modeverschijnsel of gewoon bon ton om ermee te kunnen illustreren hoe interessant druk we nu wel bezig zijn?

Het blijkt in elk geval het uitgelezen instrument om essentiële beslissingen of zaken die we willen doen uit te stellen en voor ons uit te duwen. Tot straks, tot morgen of tot volgend jaar, als de kinderen uit het huis zijn. Als we met pensioen zijn en de lotto gewonnen hebben, dan?

Dan beginnen we aan onze ultieme bucketlist en 69 dingen die we moeten gedaan hebben alvorens dit tranendal te verlaten. Misschien komt hij maar pas voor de pinnen nadat we onze eerste ouderdomsvlekjes opmerkten. Wanneer we beslisten dat het leven niet voor altijd zal duren en zo gedwongen worden na denken over zaken die we zeker nog willen gedaan hebben alvorens we de pijp aan Maarten geven.

Taj-Mahal in het echt zien en naakt rondlopen op de Galapagoseilanden zijn kanshebbers, hoewel tango’s beluisteren in Cuzco of Machu Pitcchu bezoeken ook een toppertje is als je dat te voet doet, tenminste.

Het leven lijkt soms niet de moeite waard geweest als je niet eens met een rekker aan je voeten van de hoogste brug gesprongen hebt. Als je ooit gepast hebt voor die duo-sprong die je een paar minuten deed bengelen onder een parachute of als je niet badend in het poolijs naar het noorderlicht getuurd hebt.

Zelf houd ik niet zo van lijstjes. Zeker niet als daar zorgvuldig op geschreven staat wat ik moet doen. Doen en kopen wat op lijstjes staat betekent voor mij in lange rijen staan wachten.  Vergeten wat er op stond om dan thuis te komen en te zien dat ik het belangrijkste liet liggen om dan opnieuw in de rij te gaan staan om mijn lijstje helemaal af te vinken.

Neen, ik hoef echt geen lijstjes.  Ik heb lijstjes genoeg afgewerkt. Lijstjes met boodschappen, met moetjes en magjes, met huiswerk en doelstellingen, lijstjes met genodigden… lijstjes met lijstjes.

Toen die obligate bucketlijst een hype werd die me opzadelde met al die verplichte opdrachten die ik zeker nog moet doen voor ik de pijp uit ga, werd ik daar niet vrolijk van.

Levenslijsten zijn overschat. Met het kattenbelletje dat gebonden is aan de to do list die me er aan herinnert dat er nog een knoop in mijn zakdoek ligt omdat ik niet mag vergeten een reisboek te kopen over de reis die we nog moeten inplannen na onze volgende reis. Neen dank u, voor mij geen zulke wachtlijsten meer. Voor mij mag het allemaal vandaag.

De enige lijst die ik nauwgezet bijhoud is die van mijn dagelijks assortiment buitengewone en eenvoudige speciale momenten. Kleine, niet geplande gebeurtenissen aan elkaar geregen door speciale mensen die opeens onverwacht op mijn pad terecht kwamen en die me als ik daar zin voor heb er iets doen over opschrijven. Maar niet nadat ik eerst heel goed geluisterd heb naar wat ze me te vertellen hebben. Liefst rustig met een koffie en een chocolaatje.

Als ik me bij het krieken van de dag, op de levensvragen, Kan ik uit bed? Heb ik grote Kak? Weet ik nog hoe ik heet en waar ik ben?, een positief antwoord kan geven, mag ik me gerust stellen dat ik mijn bucketlist voor ben geweest en hoop ik echt dat mijn persoonlijke emmerlijst er morgen ook nog zo mag uit zien.

Ruzie maken is (g)een kunst.

Toen ik het vroeger te bont maakte, kreeg ik ruzie en vloog ik in de hoek.  Ik mocht daar dan rustig afkoelen om een beetje tot mezelf te komen. En dat werkte.

Een paar minuten kon ik mijn stijve koppigheid in die hoek volhouden, niet veel langer.  Snel dwaalden mijn gedachten af naar mijn leger soldaten, mijn go-kart of de doos plakkaatverf met hard geworden penselen. Maar niet alvorens ik eerst, gedurende die tijdelijke verbanning,  voldoende tijd gekregen had om kwaad te zijn, me onbegrepen te voelen en een denkbeeldige emmer koleirige krokodillentranen te vullen. Om zo uiteindelijk in te zien dat voetballen in de keuken echt niet kon en spijt te krijgen omdat ik die porseleinen luchter in gruizelementen had gescoord met een afstandsschot.

Na mijn plechtige belofte het nooit meer te doen en met wat minder spaarcenten op mijn spaarboek, mocht ik dan even later, met mijn waterverf en harde penselen op de achterkant van een overschot behangpapier aan mijn kunstwerk beginnen. De kans niet onbestaande dat ik een uur later opnieuw in die hoek moest om me te bezinnen omdat de tafel mee geschilderd werd terwijl ons ma me nog zo gezegd had dat er gazettenpapier onder moest.

Als ik ruzie verdiende, brachten de hoek en wat later de kelder rust, inzicht en een voornemen om het vanaf daar anders te doen.  Zo ging dat toen en op de een of andere manier marcheerde dat. Ik bleef niet dwars of hardleers, ons ma niet boos of nors.

Vandaag gaat het anders.  Ook omdat ik niet meer voetbal in de keuken.  Nu bakkeleien we over andere, ernstige zaken. Over een sifon die lekt en waarom die gisteren nog niet gemaakt werd? Of over haar in de douche of het dopje van de tandpasta.

Als we nu ambras maken doen we dat zoals de grote mensen.  Dan discussiëren we. We argumenteren, rationaliseren, debatteren en raisonneren net zo lang tot we er uit zijn. Desnoods 3 dagen aan een stuk. Met groen hout en beeld zonder klank of smoelwerk en bokkenpoten.  Maar we houden wel vol… Lang… Net zolang tot er een winnaar is en een verliezer.

“Zie je wel dat ik gelijk had, ik ben echt zo blij dat je dat eindelijk inziet.”

“Was dat nu nodig om hier zo lang stom voor te lopen?”

Door het zo te doen zien we niet dat de uitkomst van die “opgeloste ruzie” de voedingsbodem is voor de volgende.  De openstaande rekening zal bij de volgende gelegenheid wel vereffend worden. Waarschijnlijk met interest.

Doen we het zo verder?  Tot we zo ver bij elkaars enkels in het krijt staan dat het op den adem pakt.  Met de gevolgen van het opbod van zinloos gelijk of ongelijk?

Of gaan we de volgende keer gewoon een paar minuten in de hoek staan?

Desnoods met een emmer koleirige krokodillentranen.  Eventjes met wat afstand, wachten op een potje natte verf en een hard penseel?

Onaf, lelijk is ook mooi!

Ik ben aaibaar imperfect. Aan mij is redelijk veel onaf.  Met de juiste bedoelingen aan begonnen, maar verkeerd of in de verkeerde volgorde in elkaar gepast.

Zou ik een liefdesbrief zijn, ik was doorstreept. Te melig geschreven om gepost te worden, dus weggemoffeld ergens in een stofferige lade.

Mijn ruwe onvolkomenheden en mijn stuntelige gebreken maken me broos maar menselijk.  Ik zeg dat niet om met mijn doordeweekse alledaagsheid naar complimenten te vissen. Echt niet, maar toch attrapeer ik me er op, er het liefst zo onopzettelijk nonchalant mogelijk uit te zien zodat ik anoniem in de massa kan worden opgeslokt.

Onzorgvuldig slodderig. Zo wil ik het. Het zo laten uitschijnen dat ogenschijnlijk geen enkele inspanning gedaan is om er stoffig en muffig uit te zien. Zoals een oude tafel op een rommelmarkt. Met krassen en vlekken op het blad die achterbleven na een wild feest of een diepgaand gesprek. Lang geleden. Door geleefd en doorleefd.

En dan tut ik me op, in een verhakkelde broek met rafels. Of in een grijs gewassen T-shirt om een zo cool mogelijke ongedwongen indruk na te laten.  Haren, met gepaste gel in  de juiste nonchalante net-uit-mijn-bed look gewaxt.

Perfectie is achterhaald en zo jaren 80.

Wanneer de tand van de tijd knaagt, overwint mijn gedachte dat herontdekte schoonheid van iets wat lelijk en vergankelijk is, zo veel meer aanspreekt dan symmetrische kunstmatige maakbaarheid. Of Perfectie.

Mijn schoonheidsideaal past niet in een mager, bleek maatje 36. Er mag een kantje aan zitten. Met een rosse sproet, een spleet tussen de tanden of een los eindje. Want volmaakt is saai en griezelig, of zelfs een beetje bedreigend.

Volmaaktheid van anderen duwt ons naar beneden op het scorebord van het leven. Net daarom voelen we ons verbonden met de underdog of het onvolmaakte personage waarmee we een goede band hebben. Op die manier brengen  we onze eigen onhebbelijkheid in het juiste perspectief.

Als voor mij minder dan helemaal meer is geworden en wanneer al het overbodige is weg gelaten en ik ben achtergebleven met wat voor mij essentieel is voel ik me helemaal de niet-favoriet. De zelfzekere underdog die klaar is om de denkbeeldige wedstrijd te winnen. Al ben ik niet zeker van de competitie waar ik me in bevind en wat de spelregels morgen zullen zijn.

 

Stevig in de schoenen.

Echte mannen moeten stevig in hun schoenen staan, ten minste als ze voor een soms wat afwijkende persoonlijke mening durven uitkomen.

Doorgaans ben ik optimistisch positief en leef ik voornamelijk in het hier-en-nu. Zo durf ik uitspreken wat ik denk en voel of durf ik benoemen waar ik wakker van lig. Deze levenshouding behoedt me voor overdreven of onrealistische dagdromerij en houdt me tegelijk scherp om zuurdere mensen op een veilige afstand te houden.

Mijn aangeboren behoefte om het anderen naar de zin te maken, bieden me wat charme en ongevraagde populariteit. Althans daar proberen ze mij wel eens van te overtuigen. Uiteraard laat ik me dan wat graag ophemelen door die overdreven ego-strelingen. Wat had je gedacht?

Zelf, zie ik me eerder als bewaker van mijn grenzen. Een soort stadswacht die aan de poort beslist wie er in mag en wie niet. Een soort Theo Francken die buitenwipper speelt van mijn eigen ietwat donkerder gekleurde gedachten.

Ook al verberg ik mijn nieuwsgierige mening meestal met karakteristieke verdraagzaamheid, toch ben ik soms nog getoucheerd door onverschilligheid of ongefundeerd hevige kritiek.

Toen ik me afgelopen weekend nog maar eens verbaasde over de toon en het taalgebruik van onze politieke elite kreeg ik veel wind van voren. Orkaan Irma raasde woedend de woorden van mijn scherm.

Van uit de digitale verte, ergens van achter een anoniem klavier, werd ik plat geschoffeerd omdat ik me op een nieuwsforum, verwonderend, niet begrijpend, had uitgelaten over de kuiswoede-tweet van Theo Francken. Over de subtiele kniestoten onder de gordel naar mensen die zich niet kunnen verdedigen tegen zoveel tweetgeweld.

Me publiek uitspreken over politieke statements is gevaarlijk ijs voor een charmante woordjes-troubadour, dat weet ik wel.  Ik doe het dan ook niet zo dikwijls. Eigenlijk alleen maar wanneer boertigheid hoogtij viert. Dan is het wel eens sterker dan mezelf. Dan moet mijn pen in de inktpot om me met veel krullen te beklagen over de platvloersheid van de politieke beau monde die de plak zwaait.

Natuurlijk ben ik op zulk een moment voorbereid op vitriool en maagzuur zodat de scherpe opmerkingen van onder de gordel, vlotjes van me afglijden zoals water van een eend.

Onpasselijk makende internetwoede is dan gewoon een onplezierige bijwerking van een medicijn dat ik nodig had om me van mijn eigen misselijkheid te ontdoen.

Mijn digitaal schrijversvel is ondertussen wel ongeveer zo dik geworden als de huid van, pak weg Maggie de Block.  Mollige Maggie, nog zo iemand die zich van achter paniekerig-snel, in elkaar gedraaide wetsvoorstellen beklaagt over schrijfstijl. Maar dan wel over de schrijfstijl van haar ex-collega’s. Een schrijfstijl die ze tot nog niet zo lang geleden zelf hanteerde.

Maar dat is iets voor later. Wanneer het duidelijk is dat je voor een afwijkende mening als vrouw ook stevig in de schoenen moet staan.

Wie is hier zot?

 

IMG_1862

Puisterig was ik niet zo erg. Onberekenbaar en wispelturig? Ja dat dan weer wel. Heel erg zelfs. Het ene moment was ik hyper en vrolijk. Boordevol enthousiaste plannen en ideeën. Het andere moment kon ik voor het zelfde geld vervallen in een bodemloze tristesse, zelfbeklag of hulpeloze passiviteit.

Ik voelde me zeker onbegrepen. Een beetje zoals als een sociaal ingewikkeld wezen waar niemand iets van snapte en dat iedereen tot wanhoop dreef omdat ik ervan verzekerd was dat nooit iets mijn schuld was.
Mijn ouders zullen toen ook wel gedacht hebben dat er van mij niks zou in huis komen.
Zelf, vang ik wel af en toe een glimp op van de volwassene die straks fier en gesterkt uit de strijd zal komen. Al gebeurt dat wel minder naarmate de puberteit meer de kop opsteekt. Dat zal toentertijd wel niet anders geweest zijn.

In mijn puberlijf was van alles aan de gang. En ik kon daar niks aan doen. Het is nu eenmaal de natuur. Ik was veel te groot en te slungelig voor mijn leeftijd en had een veel te grote mond voor het zelfvertrouwen dat ik maar had.
Ik had altijd gelijk ook al dacht ik daar later in mijn bed dikwijls anders over. Al zou ik dat nooit hebben toegegeven. Ben je gek?

Grote voeten had ik al maar mijn hersenen waren nog niet ontwikkeld genoeg om alle nuances te vatten. De kleine dingen vergrootte ik uit. Over de grote zag ik over.
Daarom kon ik niet kiezen, plannen, opruimen, structuur brengen, sociaal zijn of zinnig meepraten met volwassenen die op elke vraag steeds onmiddellijk een juist antwoord verwachtten. Ik deed dikwijls alles net averechts dan hetgeen wat van mij werd verwacht.
Het voelde dan aan alsof ik de enige normale was in een wereld vol vreemde wezens van een andere planeet.
Maar het was niet mijn schuld want ik was een puber.

Nu, een paar levenservaringen rijker, ben ik dus in feite een door de wol geverfde, overjaarse, ontgroende, ervaringsdeskundige puber. En wel zo een die van zijn halfwassen aanhangsel verwacht dat hij kiest, plant, opruimt, structuur brengt in zijn studies, sociaal is en zinnig meepraat met volwassenen die op elke vraag steeds een juist antwoord verwachten.

Wie is hier zot?

 

 

Verzapt!

IMG_1852

De wereld is verzapt. Ik ben verzapt.
Diep weggezonken in vluchtige oppervlakkigheid.
De dagelijkse vluchtige interactie is een verslavend pilletje dat ik ook gulzig binnen slik omdat ik zo de illusie staande kan houden dat ik een sociale duizendpoot ben.

De snelheid waarmee het ene scherm zich inwisselt voor een ander is beangstigend. Van smartphone, naar tablet. Van tablet naar laptop. Van laptop naar x-box. Van x-box naar smart tv. Van smart tv naar I-phone…
Gapend val ik even kort weg in mijn sociale coma.

Eens dan gekluisterd aan mijn favoriete aantal pixels van het moment, zap ik verder. Koortsachtig aai ik mijn schermen in de zoektocht naar wat ik wil horen of waar ik me fors tegen kan afzetten. Ik like wat ik denk te moeten liken en ik roeptoeter hard tegen meningen die niet de mijne zijn of waar ik geen schare likes en shares mee kan opstrijken. Duim omlaag. Boze smiley.

Ik verschuil me achter de zalvende gedachte dat ik maar doe wat iedereen doet. Ik schuif, swipe, en share de vluchtigheid van me af zodat ik authentiek met een veilige populaire mening achterblijf. Zo prent ik me dan in dat ik gerespecteerd word omdat ik mezelf weer mag prijzen met een koppel verse hartjes en duimpjes.
Een share of retweet is de bloemmekee van het sociale vuurwerk.

De waarheid, het verhaal of de feiten, facultatief en onbelangrijk.

En iedereen doet het zonder er zich een juiste vraag bij te stellen. De ene koe/stier achter de andere, op weg naar de voerbak met gemalen koren. De poten in de stront.

En opeens ontstaat de gedachte om er een column over te schrijven maar ik kan me net op tijd inhouden omdat ik vermoed dat je al naar het volgende scherm gezapt bent…

Badhairday en een volle tampon.

hecandoit

Als je een paar decennia geleden als vrouw een ietsje meer ambitie had dan in potten roeren, witte was in de week zetten of voor de kinderen zorgen was je een zonderlinge. Tenzij je Tina Turner, Margret Thatcher of Diana Spencer heette. Je moest dan wel eerst als ijzeren maagd door het leven gaan of van manlief meer mot dan knuffels krijgen zodat je echt geen andere keuze meer had dan je vrij te vechten.

Het perfecte vrouwenbeeld dat de gemiddelde pee voor ogen had als zijn ideale Athena, lag ver weg van die dames die toen de wereldpers haalden. Ofschoon hun talent, assertiviteit of ambitieuze doortastendheid niet kon genegeerd of ontkend worden, werden ze toch meer als bedreiging dan als rolmodel geportretteerd. Of als poppemie dat kon ook.

Zonder het wellicht te weten of te willen, zetten die succesdames op hun manier het werk voort of maakten af waar geëmancipeerde dolle-mina’s jaren eerder hun soutien voor in brand hadden gestoken of baas in eigen buik hadden voor geroepen

Vandaag de dag is de kous aan de andere voet.  Mannen hebben als onbegrepen wezen een probleem. Vrouwen een goed verborgen geheim.

Mannen weten zich geen houding aan te meten wanneer ze links en rechts door grieten voorbij gestoken worden in het peloton van de succeskoers. Vrouwen blijken namelijk betere studenten te zijn die makkelijker praten en beter luisteren. Ze zijn gematigdere leiders die verenigen in plaats van muren op te trekken. Ze slagen er tussen soep en patatten nog steeds in een nest kinderen groot krijgen, terwijl ze ondanks al die drukte er ook nog in lukken veel langer heet en gereed te blijven dan hun mannelijke opponenten.

Alles en overal, gelijktijdig zonder glijmiddel.

Wil je heden ten dage succesvol zijn, moet je vrouw zijn. Dan pas heb je een streepje voor. Terwijl de mannelijke macho nog steeds denkt met spierballengerol indruk te kunnen maken, durven dames zonder blikken of blozen roepen dat die volle tampon hen niet langer in de weg zit voor een portie stomende seks.

Jaloers als ik ben tracht ik haar vol verwachting te imiteren om op die manier het geheim tot succes te kunnen ontfutselen. Ik ga 4/5e werken en probeer zo met minder betaalde uren evenveel werk te verzetten dan met een fulltime baan. Ik overlaad me met schuldgevoelens omdat de combinatie werk gezin me zwaar valt en ik blijkbaar altijd wel iemand te kort doe. Ik pieker me suf over een passende outfit voor een ontmoeting met een oude vriend.  Ik roer in potten en ga naarstig aan de slag met dweil en stofzuiger. Ik smeer nacht-dagcrème en trim of epileer zorgvuldig elk haartje welke de perfecte gladheid in de weg zou kunnen staan. Ik forceer mezelf om me minstens vijf dagen van de maand geprikkeld en kittelorig te voelen en fake met overtuiging hoofdpijn als intimiteit me niet uitkomt . Ik friemel net zolang aan mijn kapsel tot ik een badhairday heb en slurp me suf aan koffie verkeerd met imitatiezoet.  S’ avonds hang ik in de zetel met een veel te grote joggingbroek en een slobbertrui en probeer een traan te onderdrukken wanneer Simonneke het weer te verduren krijgt. Alleen die witte slaapsokjes laat ik achterwege.

Maar het help geen fuck. Ik raak geen millimeter vooruit en blijf spartelen als een vis op het droge.  Mijn mannelijke onzekerheid houdt me nog steeds klaarwakker tijdens mijn zo verdiend nachtelijk schoonheidsslaapje.

Als ik dan gegeneerd en ontgoocheld aan mijn vrouw vraag wat er mis, waarom het niet lukt en zo hoop dat ze een tipje van de sluier oplicht, lacht ze en zegt ze: “wees eens een vent en ga eens naar de voetbal of zo en drink een pint in plaats van die muntthee”

Plat spleetje in een slipje

Een jaar of 5-6 moet ik geweest zijn. De speelzaal zat volgepakt met drukdoende kleuters. Sommigen zaten te spelen met autootjes. Een paar zaten al iets rustiger prenten in te kleuren terwijl anderen dan weer zeurden en weenden omdat ze te moe waren om zich nog met iets anders bezig te kunnen houden.

Het rook er naar banaan, versgeperst appelsiensap en koekjes ook. De geprakte Vitabis werd omgetoverd tot een papje waarvan de geur me eeuwig en één dag zal bijblijven. De kleuterklas rook altijd naar fruit of naar volle Pampers en natte poepdoekjes met kamille of lavendel.

Ik zat te kleuren op de grond. Tenminste, ik deed alsof. Want eigenlijk was dat kleuren gewoon een dankbaar alibi. Met mijn neus zo dicht op mijn potlood  kon ik immers proberen een glimp op te vangen van het onderbroekje van het oogverblindende meisje dat naast mij druk in de weer was met haar poppenhuis. Dat onderbroekje met het roze strikje en vooral wat er achter zat eiste zo veel meer nieuwsgierige aandacht op dan mijn potlood waarvan het punt gebroken was.

Ik wist dat meisjes niet waren zoals jongens. Ik had er al zoveel onwaarschijnlijke verhalen over gehoord dat ik het zelf wou achterhalen.

Op de speelplaats had ik gehoord dat meisjes een spleetje hadden. Die ene zei dat ze een plat spleetje hadden. Hij bedoelde het wellicht anders maar hij kende het woord horizontaal nog niet.  De andere wist dat het een recht spleetje was omdat hij met zijn zus in bad moest. Ik geloofde er niks van maar ik was nog nooit met een meisje in bad geweest.  Wist ik veel. Ooit zou daar wel verandering in komen.

Toen de juf me betrapte werd ik vuurrood en moest ik in de hoek.  “Je moest heel beschaamd zijn”: viel ze me boos aan.  Ik denk dat ik niet heel precies wist wat heel beschaamd zijn betekende.  Hoewel mijn pioenkleur mogelijks wel anders deed vermoeden. Nooit ben ik te weten ben gekomen wat die oppas-non een paar minuten later tegen mijn vader heeft gezegd. Al weet ik nog wel dat er de zaterdag nadien vreemde boekjes uit de bib werden mee gebracht waarin ik niet durfde te kijken omdat ik dacht dat ze niet voor mij bestemd waren.

Met mijn eerste onkuis piepen ben ik mijn onschuld kwijt geraakt denk ik. Want jaren later probeerden we in het zwembad opnieuw tussen spleetjes van deuren naar spleetjes te gluren. Al wisten we er toen al iets meer van. Maar alleen maar door de spleetjes in de deuren van het zwembad uiteraard. Of misschien toen ook al  van uit de boekjes die verstopt waren in de bunkers.

Zondigheid staat stoer zal ik toen gedacht hebben. En als ik vandaag zie hoe de gemiddelde huismoeder zich, heden-ten-dage, uitslooft om er op Instagram als wulpse zondares uit te zien zal ik toen al wel een punt gehad hebben. Al koester ik deze gedachte misschien alleen maar om mijn puberaal voyeurisme van toen te verbloemen. Of is het wel mijn aangeboren luiheid die me er op die manier doet mee omgaan? Luiheid, naast onkuisheid … nog zo’n doodzonde en dan vergeet ik mijn traagheid en hoogmoed nog waarmee ik mezelf graag in het middelpunt van de belangstelling wurm.

Mijn deugddoende zonden. Er zijn er na dat onderbroekje met het roze strikje zeker nog veel gepasseerd. Goed dat ze nog steeds af en toe de kop steken. De biecht mag dan wel verdwenen zijn, maar de zonden zijn gebleven. Ze verplichten me om na te denken over hoe het beter kan of hoe ik het anders aan boord kan leggen. En ze geven me een heerlijk schuldgevoel, dat me voor saaiheid en enggeestigheid behoedt.

Maar misschien is het wel hoogtijd om er een paar bij te sleuren zodat het lijstje wat actueler en vollediger wordt. Misschien kunnen vervuiling, sociale ongelijkheid, onverdraagzame vegetariërs, transgenders en zakkenvullende politiekers de Bijbelse zondaars compleet maken.  De spleetjes tussen de zwembaddeur zullen me dan misschien niet zo lang opzadelen met dat veel te grote schuldgevoel.

 

Rosse centen

kendrick-outline-gaussian-blur-humble-kendrick-lamar-composition-screenshot2metropolis-movie-copy

Ik wind me wel eens op over mijn saaie alledaagsheid. Over de traagheid der dingen ook wel of over mijn verwaande zelfingenomenheid.  Bijvoorbeeld op vrijdagavond aan de kassa van de Colruyt.

Een hele volledige week hebben zij tijd om hun incontinentie-inleggers te kopen. Waarom moet dat zo hoognodig tijdens het winkelspitsuur? Op vrijdagavond nota bene tijdens het enige uitgelezen winkelmoment van de werkende mens? Ik ben trouwens zeker dat in hun “spinneke op de cour” nog 2 pakken pamperbroekjes liggen die de thuisverzorging wekelijks voor hen beiden voorziet. Een kleine conservendoos erwten en wortelen hebben ze ook in hun, voor de rest haast lege winkelkar liggen.  En 100 gram voorverpakt gerookt vlees.  Want dat is goed voor de cholesterol. Alsof dat er nog iets toe doet op die leeftijd.

Gelukkig speelt mijn sluimerend geweten op en berispt me tijdig mijn verwaande onverdraagzaamheid. 2 paar grijze rimpels trekken samen tot een ontwapenende glimlach wanneer ik zeg: “steek maar voor hoor. Jullie hebben bijna niets.”  Ik beklaag mijn keuze maar verdring mijn zenuwachtige ongedurigheid wanneer het verrimpelde besje met haar bijeen gespaarde rosse centen de 8 euro 59 cent probeert te betalen maar de tel kwijt raakt. “Neen madam, die kortingsbon geldt enkel maar bij een volledige verpakking erwten en wortelen”.  Aan de kassa naast mij, is de jonge moeder die met een overvolle kar aanschoof aan de langere wachtrij al aan het betalen.

Met het donsdeken tussen mijn benen draai ik me paar uur later nukkig om omdat mijn plan om snel uit mijn werkmansbroek te schieten plots botst op onvoorziene vermoeidheid.  Wellicht ook op mijn naargeestige weerspannigheid.

Draaien en keren doe ik nog zeker een uur lang.  Net zolang tot die mug haar aanvalsplannen opbergt omdat ik me uiteindelijk toch heb ingewreven met die citronellastick. Een keuze die ik zo lang uitstelde omdat ik onverhoeds nog hoopte enige progressie te kunnen maken met mijn eerste offensief. Deet en citronella zijn dan compleet uit den boze omdat die zeker andere noodzakelijk lichaamsgeuren en liefdessmaken verstoren en onderdrukken.

Uiteindelijk val ik toch in slaap. Een veel te lichte alerte slaap die waakt over de kop opstekende lust en drift. Je weet per slot van rekening maar nooit.

Ik droom van Copernicus en Ptolemaeus.  Ze lopen in mijn verzonnen nachtverhaal te bekvechten over of dan wel de zon of de aarde zich in het centrum van het heelal bevindt.  Over de éénparige cirkelbewegingen raken ze het nog net eens, echter niet over waar rond de hemellichamen en de sterren draaien. De aarde?  Of de zon?

Over één ding zijn ze het wel eens. Ik ben het niet. Het draait niet allemaal rond mij. “Jij leeft misschien wel een dégoutant luxeleven maar je bent niet centrum van het heelal of van de wereld”: berispen ze beiden me mijn verwaandheid. Net op dezelfde manier zoals ook mijn geweten dat deed een paar uur eerder aan de kassa van de Colruyt.

 

 

 

De reuk van het verleden.

IMG_1806

De grauwe, ietwat vale gordijntjes zitten nog steeds strak opgespannen achter de glas-in-loden-vitrinedeurtjes van het bovenste gedeelte van de kast.

Als ik het koperen slot van het deurtje open draai is de muffe geur het eerste wat me herkenbaar tegemoet komt.
Hoewel elke oude kast eender ruikt, een beetje zoals een grijs boek verbergen ze toch allemaal hun eigen geheime historie.

Beschamend of vergeten familiegeluk veilig verscholen achter vale vitrages.

Het ooit hagelwitte porseleinen eetservies is ietwat gelig geworden en steekt af tegen de glanzende kristallen wijnglazen.
Van dat chique glasservies ontbreekt er één rode wijnglas omdat ons ma dat ooit net iets te onstuimig opgeblonken had na het laatste feest waarop het had gediend.
Ik hoor ons moe nog jammeren omdat haar 60 jaar oude huwelijkscadeau nu niet meer compleet was terwijl haar huwelijk dat zelf toen al bijna 30 jaar niet meer was.

Nostalgie doet iets met een mens. Toen ook al.

De lijmnaad van de soeplepel die past bij de keramieke soepterrine verraadt dat hij wellicht ook ooit voorwerp is geweest van een accident. Of misschien ongewild slachtoffer werd van een uit de hand gelopen zinloze familiale discussie. Wie zal het nog zeggen?

Ik weet perfect wat er allemaal in die kast zit toch. Toch kan ik nooit voorspellen welke herinneringen opduiken wanneer ik de deuren en schuiven er van opentrek.
Ik heb dan helemaal geen controle over mijn afdwalende gedachten naar dat ver, vergeten gewaand familieverleden. Alsof de herinneringen dan opnieuw helder en gedetailleerd ontwikkeld en geprojecteerd worden in de donkere kamer van mijn geschiedenis.

En dan moet ik nog aan de schoenendozen met foto’s en polaroids beginnen. En aan al die fotoalbums waarvan de kaften de heimwee verraden van de foto’s die er zoveel jaren geleden zorgvuldig werden ingekleefd.

Nostalgie het doet iets met een mens. Nog altijd.

 

 

Speekmedaille.

IMG_1790

Gisteren kreeg ik een complimentje. Zo maar, vanuit het niets. Out of the blue, maar die uitdrukking gebruik ik niet graag. Ik zeg het liever gewoon. In ‘t schoon Vlaams.

Onverwachte schouderklopjes krijgen vind ik dus heel plezierig. Dat wou ik eigenlijk zeggen. Zeker als de lofbloemjes onvoorziens en onverwacht gesmeten worden. Ja, dan krijg ik ze graag. Niet alleen omdat ze mooi tegengas geven tegen soms scherpe kritiek maar zeker ook omdat een schimperig oordeel gewoonweg wat langer aan mijn vel plakt dan een gemeend pluimpje. Dat vliegt er zo weer vanaf. Zo vergeet ik een mondelinge decoratie of een speekmedaille doorgaans veel sneller dan een negatief oordeel of een ondermaatse quotering. Die zinderen doorgaans nog wat langer na. Maar dat zal wel des mensen zijn zeker.

Maar gisteren dus niet. Helemaal verrassend. Uit een hoek van waaruit ik het niet verwachtte. “Ik lees je graag want je schrijft mooi. Ik mis haast niks.” Meer was het niet maar ook niet minder. Ik ging er in elk geval van blinken gelijk een gesnipperde sjalot die stooft in een klontje goei boter. Het deed me iets. Die kleine bevestiging. Ik denk dat ik het daarvoor in ‘t geniep misschien wel telkens opnieuw mijn griffel en lei voor bovenhaal.
Misschien mag ik het compliment niet negeren, maar dan klinkt het haast fout. Omdat, terwijl ik dit zo neerkrabbel dan misschien de indruk zou kunnen wekken er naar te zitten vissen, terwijl ik op dit ogenblik aan de waterkant enkel maar vruchteloos probeer een verdwaalde karper of een goudvis te vangen. Maar zij hebben mij beet denk ik…

Gribiche aan de flauwe-mopjes-tafel

Onze kinderen waren op scoutskamp.
Om de ongemakkelijke huiselijke stilte te ontlopen zochten we elkaars gezelschap op. Bij een bord pasta of een iets exotischer gerechtje.
We kozen voor een gezellig druk restaurantje dat net nog met de fiets bereikbaar was.
De baas begeleidde ons nonchalant naar de speciaal voor ons gereserveerd flauwe-mopjes-tafel.
Toegegeven, ik heb er het handje van weg om met ongepaste of ietwat gênante onnozelheid het ijs te breken. Deze keer was het niet anders dus trok ik fier en vastberaden zoals steeds mijn denkbeeldige ezelsoren aan en maakte een wat clowneske zwansopmerking over de gribiche. Hij, de garçon-eigenaar kon mijn plagerige kwinkslag wel pruimen denk ik.
De vrouwen daarentegen konden mijn lichtjes ongepast, opgeëiste aandacht dan weer minder appreciëren. Ook zoals altijd. Ik veegde er mijn gat aan. Net zoals aan de gerechten trouwens. Gerechtjes, waaraan door, de met keukenjargon gelardeerde benamingen wel wat te veel kak hing dan hetgeen uiteindelijk daadwerkelijk op je bord verschijnt. Zeker toen duidelijk werd dat gribiche eigenlijk maar een wat lichtjes opgewaardeerde mayonaise leek te zijn.
Ik maalde er verder niet om want hetgeen op onze talloor kwam was voortreffelijk. Net zoals het gezelschap trouwens, al miste ik de gebruikelijke kip en appelmoes van mijn dochter wel. Of was het mijn dochters luidruchtige heisa zelf die ik miste? Dat laat ik in het midden.
De gespreksonderwerpen waren ook leuk en haast net zo luchtig als het gestoomde melkschuim van de cappuccino maar vielen toch even pijnlijk stil na de crème brulé en de zoete koekjes.

“Waarom zijn jullie eigenlijk niet getrouwd?”
“Zijn jullie dan wel getrouwd misschien, en waarom niet?”

Het werd duidelijk dat zij niet wilde omdat ze er het nut niet van inzag. De andere leek wat beteuterd omdat dè vraag veel te laat gesteld werd en het nu al niet meer zo nodig hoefde omdat het momentum gepasseerd was. Nog één wilde nog wel maar durfde er niet voor uitkomen.
Wel waren we het, er al dan niet excuustruus, over eens dat getrouwd zijn toch maar de romantiek fnuikt en de sleur in de hand werkt.

Ik zweeg maar bedacht stilletjes dat wanneer ik nog maar eens getrouwd zou zijn, ik het dan niet meer tot in de eeuwigheid over “mijn lief” zou kunnen hebben.
Of dat ik dan op avonden als deze, geringd en geringeloord, met de gazet, warme sloefen en een pint dan maar naar de koers zou moeten kijken terwijl zij in haar flair wegdroomt en een plan maakt om er van tussen te muizen.
Om maar te zwijgen over t feit dat we de rustige gezelligheid van avonden als deze dan zouden moeten missen.

En nu ons eten gezakt is en de maan gestegen, kunnen we aan kinderen beginnen. Daarvoor moet je al meer dan 100 jaar niet meer getrouwd zijn al zal het deze keer wel maar bij een goedbedoelde poging blijven.

Een splijtzwam en de Barbaren.

gelijk

“Maar ik heb toch gelijk?”  “Het is toch niet eerlijk, ik heb echt gelijk…”

Het onbegrip, de machteloosheid en de bevende onderlip waarmee ze haar gram probeerde te halen waren aandoenlijk en braken mijn broze vaderhart. Een dikke traan rolde over haar wang en spatte uiteen op haar vakantiewerkblaadjes welke de pas gemaakte staartdeling omtoverde in een wazige lichtblauwe vlek.

De verwarde uitleg over wat er zich eerder op de dag, op het muziekkamp had afgespeeld bracht haar nog meer van slag. Iets over “altijd” gelijk willen hebben en “nooit” rekening houden met andere kinderen. Ik probeerde tevergeefs de essentie te achterhalen maar de “feiten” moeten danig op haar ingebeukt hebben dat ze er zo verdrietig om was.

“Heb ik dan geen gelijk?”

Even overwoog ik gelijk of ongelijk uit te leggen aan de hand van de splijtzwam die politiekers zo graag hanteren in noord-zuid-of-links-rechts-discussies. Of ik kon uitweiden over Oude Grieken die in hun ogen aan elkaar gelijk waren doordat zij vijandig gezind waren ten opzichte van diegenen die het Grieks niet machtig waren. En hoe ze zo hun nationale identiteit beklemtoonden en hun vijandschap ten overstaan van de Barbaren en vreemde en het in hun ogen minderwaardige konden verklaren en verantwoorden. Maar ik bedacht nog net op tijd dat me dat verder van huis zou brengen. Ver weg van mijn gelijk.

“Noor, kijk een hier wat zie je en beschrijf het eens” en ik zette een zorgvuldig in elkaar gedraaide Rubikkubus op tafel. We zaten recht tegenover elkaar aan de keukentafel, met tussen ons in enkel de kubus met zijn keurig gekleurde in elkaar geknutselde vlakken.

“Ja, een kubus he stommeke” zei ze, precies al iets opgewekter en ze snoof een laatste verdwaalde traan weg.

“Ja maar, slimmeke, kijk eens goed en beschrijf eens precies wat je ziet”

“Ja, ik zie dus een kuuuubus, vooraan een wit vlak. Boven is hij oranje en links is hij groen.”

“Ben je zeker? Dat is fout he. Je hebt ongelijk. Je weet niet wat je vertelt!”: zei ik berispend.  “ Ik  zie ook een kubus maar vooraan is hij geel, boven oranje en links is hij blauw. Dus jij bent fout en ik heb gelijk”

Ze lachte en ik kreeg gelijk maar niet zonder te zeggen dat zij ook gelijk had maar dat het eigenlijk allemaal niet zo veel uitmaakt. Ik voegde er nog als levensles voor een 11-jarige aan toe dat enkel mensen die altijd gelijk willen hebben dit doen uit dommigheid of uit onzekerheid.  Of omdat ze gewoonweg niet in staat zijn te begrijpen hoe andere mensen vanuit een andere hoek naar hetzelfde dingen kijken en zich alleen maar toespitsen op de dingen die ze anders zien.

Ze slurpte van haar water en zei met haar mond vol peper en zout chips: “Je hebt gelijk maar ga je nu mee in ’t zwembad?”

 

 

 

Onderstreepte tampons en inlegkruisjes met uitroeptekens.

IMG_1774

Ik duw mijn winkelkarretje rechts. In de rayon dameshygiëne want op mijn boodschappen staat: “tampons en inlegkruisjes”. Dubbel onderstreept met zwarte viltstift. De 7 uitroeptekens maken de boodschap niet mis te verstaan.

Mocht dit geschreven kattebelletje de digitale revolutie al ondergaan hebben, zou deze boodschap me zeker via mijn I-phone, in comic sans ms, font 26, bold, italic doen herinneren dat een vreselijk bloedbad nakend is. Nu zijn het enkel de 7 leestekens en de dubbele onderstreping die me tijdig, passend waarschuwen voor het aankomend massacre.

Even voel ik wat weerspannigheid opkomen, onder de vorm “waarom moet ik die dingen kopen” maar ik verman me snel weer tot de metroman die de vrouw anno 2017 van mij verwacht te zijn.

“Waarom krijgen wij, vernieuwde vrouwmannen trouwens geen rayon ventenhygiëne?”
“Hoeven wij, metro-mans-mensen ons misschien niet dagelijks te trimmen en te scheren om ons te ontdoen van ongewenste weelderige schaambeharing? De gladde okselput en de symmetrisch kortgezette, gelijkbenige driehoek onder lichte dwang opgedrongen? Worden wij niet geacht te scrubben, te smeren en te strooplikken om elke dag opnieuw toon- en aaibaar voor de pinnen te komen? Toch?

Ik speur de rekken af en probeer me in te beelden wat ik, mocht ik een vrouw zijn in mijn kanten g-string zou kleven. Al zal dat stukje textiel misschien niet het meest aangewezen zijn tijdens de “zware dagen”. Want zo staat het in de bijsluiter… Zware dagen. Wellicht wordt hiermee verwezen naar de partners die de zware last van de ongesteldheid moedig meetorsen. Ik vermoed het…

Always Ultra, Loft, Libresse, Alldays Kamille? Carefree lijkt mij, al is het puur kwa naam, eens de dichting het begeven heeft, het meest betrouwbare lapmiddel, en gooi dan ook een verpakking of 5 in mijn winkelkarretje.
Wat zou ik er persoonlijk in willen “foeffelen”, gesteld, zelf tot het sterke geslacht te behoren? Tampax. Ob, Mini, normaal maxi, en wat wordt hiermee bedoeld? Inbrenghuls of natte vinger werk? Ik poog de visuals van mijn netvlies te bannen en probeer me te kwijten van mijn opdracht. To ob or not to ob? That is the question!
Ik koop het allemaal, met en zonder klakkebuis. Mini’s, maxi’s..en Ultra weet ik veel?  Hoe groot is de doorsnee… ?

Op mijn lijstje staat ook nog chocolade.  Ik heb nog net genoeg vrouwelijke verbeelding en hormonen over om in te schatten welke precies bedoeld wordt al ga ik de zwarte pure fondant met rode vruchten maar tot volgende week laten liggen. Als de zware dagen achter ons liggen.

Kleverige zomernacht

_vla016200701ill0262

25 km aan 6 of 7 km per uur. Wat is dat? Wat stelt dat voor? 3 à 4 uur door malen met vlotte tred. Dat gaat toch wel lukken? Als ik dat al niet meer kan?

Die dodentocht van volgende maand? 100 in één trek door?  Dat bezie ik nog wel.  Maar als het lijf een beetje meewil en als ik de blaren niet door mijn zolen trap, doe ik dat ook wel. Desnoods alleen op karakter.

Zoals het eigenlijk altijd wel het geval is met dit soort van uitdagingen, begon ik redelijk impulsief en overmoedig aan mijn mars.

Met de veters van mijn bestofte, waterdichte stappers strak aangespannen, vatte ik mijn dodentochtje aan. De fles ijswater, die me tijdens mijn footing wat verkoeling had moeten brengen stond nog onaangeroerd in de deur van de ijskast.  Vergeten door mijn overmoedige geestdriftigheid. De smartphone die me wat muzikale verstrooiing had kunnen brengen, lag nog op het aanrecht in de keuken energie te tanken.

De eerste km maalde ik zeker af tegen 8 km per uur.  Het asfalt schoof gezwind onder mijn versleten stapschoeisel door en ik waande me de Usain Bolt van de wandelclub.

Achter een dichtbegroeide bocht op de Scheldedijk kwam ik een geoefende wandelaar tegen, strak in een modieuze spandex.  Uit zijn rugzak kwam een zuigpijpje dat hem voorzag van het nodige frisse vocht wanneer hij er de behoefte voor had. Met het ritmisch getik van zijn  Nordic-Walking-Sticks deed hij net alsof de Noordpool moest bezworen worden. “De uitslover.”

Iets verder dan halverwege, plakte de droge hitte aan mijn T-shirt en schuurde het witte zout mijn tepels tot gerookt vlees. Waarom was ik hier aan begonnen? Wat ging ik precies weer bewijzen?  Voor wiens Heiligen deed ik dit?

De zon had mijn snuit omgetoverd tot een rode pioen. Mijn mond was kurkdroog en mijn gedachten dwaalden af naar die fles ijswater die nog in de deur van de ijskast stond.

Ik slofte puffend verder, de grassprieten tellend die ik onder mijn verhitte voetzolen plat walste.  Nog 4-500 meter en ik kon even bijtanken in de kroeg waar ik vroeger meermaals de wereld had verbeterd.

“Daar se, wie dat er hier binnenvalt?  Op wandel? ’t is er ’t weer voor jong.  Nog altijd even zot als vroeger precies? Wat drink je?  Pintje?”

“Nee nee, geef maar een grote Spa, met ijs.  In een Duvel-glas.”

“Water, jong? Dat dient om de auto te wassen of om te schuren.  Pakt u een frisse pint, jong. Eentje kan toch geen kwaad zeker? ’t zal u deugd doen.”

“Patron geef “stapmans” hier eens een halve liter van mij, en zet die maar op mijn rekening.”

Die grote pint stond me lichtjes aangedampt en fris bepareld, schuimend en uitdagend aan te staren.

“Eentje kan toch geen kwaad?”

Bijna 4 jaar was het geleden dat ik mijn laatste pint had gedronken.  Noodgedwongen. Omdat ik het goedje niet meer onder controle had.  Te veel, te snel.  Recht naar de dieperik. Vastberaden was ik gestopt omdat ik op het punt had gestaan alles te verliezen dat me dierbaar was. Hebben en houwen, weggespoeld onder de tapkraan.

“Eentje kan toch geen kwaad zeker?”

Mocht ik mezelf dan niet eens belonen? Bijna 4 jaar lang was ik gestopt?  Ik wist nu toch hoe dat moet, stoppen? Ik moest, als een volwassen verantwoorde man nu toch wel een pintje kunnen drinken, of 2?

“Eentje kan toch geen kwaad? Of 2-3?”

Was het de overmoed waarmee ik de dag had aangevat? Was het de verschrikkelijke dorst?  Ik weet het niet….

Uren later. 10 tallen pinten later. De schaamte, het zelfbeklag, de teleurstelling, het gelal en de zattigheid waren terug en het voelde even ongepast vertrouwd alsof ze nooit waren weggeweest…

Alles was in één moment van zwakte weggeveegd.

“Eentje kon toch geen kwaad? Of 10-15? 20?”

Nog tevoren nooit had ik me zo’n loser gevoeld.

Wat ging Nele zeggen?  Hoe gingen de kinderen reageren.  Ik voelde me moederziel alleen en raakte in paniek….

 

De krijsende zwarte vogels die verstoppertje  spelen in de dakgoot halen me abrupt uit mijn koortsachtige slaap.

Een straal ochtendlicht stroomt langs de halfopen velux binnen. Ik kijk angstig opzij en zie Nele vredig slapen.  Vrijend met haar donsdeken en ik haal opgelucht adem.

De akelige droom die ik nog proef, beukt er hard in en doet me beseffen dat het nooit zal stoppen en dat is ok.  Het houdt me scherp en alert.

Met water kan je auto’s wassen en tegels schuren maar met het uitdrinken is echt niets mis.

Sommige mensen doen dat omdat het niet anders kan.  Of omdat ze niet anders meer willen of kunnen.

Zolang ik de scherpte maar niet verlies,  desnoods door een akelige droom tijdens een kleverige zomernacht.