Categorie: Vertelsel

Waanzinnig Woke

In deze verwarrende, excentrieke tijden van het parallelle universum waarin we leven, voelen verwarde en merkwaardige mensen, steeds vaker behoefte om gekende gebeurtenissen die zich in het verleden afgespeeld hebben te hervormen tot iets wat past in een nieuwe agenda. Graag zouden ze alle gewelddadige feiten en gebeurtenissen een nieuwe betekenis geven, feiten die beschreven staan in normale geschiedenisboeken waarin minderheidsgroepen soms slachtoffer werden van een tirannieke eenling, van een systeem dan weer van een superieure meerderheidsgroep.  Liever nog zouden ze dit doen met het ongelofelijk spektakel van ongeziene absurditeit.

Omdat ik niet kan achterblijven maar toch vooral omdat mij ook onrecht werd aangedaan, sta ik op het punt Rome aan te klagen in een onwaarschijnlijke rechtszaak die de toekomstige geschiedenisboeken zal ingaan als het ultieme proces van het “Allerlaatste Waanzinnige Woke Sacrament.”

De reden? Simpel, mijn DNA.  Deze uitverkorene, tevens schrijver en voorwerp van mijn toekomstige aanklacht zal fungeren als spreekbuis van het gezond verstand en tegen de waanzin. Ik ben van plan om de Romeinse republiek aanklagen voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA ten gevolge van de tumultueuze overrompeling van Gallië door de Romeinen in 58 v.Chr. Ja, je leest het goed, ik stel de toenmalige bewindsvoerders van het Romeins imperium en meer bepaald Julius Caesar in persoon verantwoordelijk voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA.

Gekleed in driedelig maatpak zal ik in een waanzinnig woke proces aan de edele rechters van het gezond verstand en aan de leden van de jury bewijzen dat mijn voorouders en bij uitbreiding mijn volledige genetische erfenis op een doortastend en zwaar belastende wijze is aangetast door de Romeinse overheersing van Gallië.

Als aanklager van Rome zal ik aantonen dat de teksten die ik vandaag schrijf en waarin mijn voorliefde voor lang uitgesponnen, krachtige zinnen, mijn heldhaftige voorstelling van mannelijke moed, en hun superieure vastberadenheid en mijn totaal gebrek aan erkenning van de vrouw als overwinnaar van de battle of the sexes, te herleiden zijn tot de onfortuinlijke genetische erfenis uit die verre Romeinse hoogdagen, mijn DNA dus.

Als ultieme bewijs zal ik in mijn eindbetoog pleiten dat het Latijn, die Romeinse taal die destijds zo fors heerste dat ze de taal bij uitstek werd, bij het bestuur en bij het chique gedoe in het toenmalig Gallië, dit terwijl de Galliërs eigenlijk niets liever wilden dan hun eigen dialecten te blijven brabbelen, mijn huidig taalgebruik zonder mijn expliciete goedkeuring heeft gevormd.  Zonder enig mondeling of schriftelijk consent sloop precies dat Latijn als een kwieke smokkelaar van vervuilde woordenschat stiekem onze oertaal binnen.

Latijn en Gallisch, twee talen die elkaar in het gezicht sloegen met woorden en klanken waardoor met de brokstukken en de ruïnes daarvan iets nieuws ontstond dat later Frans werd genoemd. Het oer-Frans was een mix van het oude en nieuwe klanken die zich vermengden tot een eigen dieventaaltje dat vanaf dat moment gesproken werd op het grondgebied waarop we ons vandaag bevinden. De beïnvloeding van mijn DNA en mijn schrijfstijl zal hierdoor door de rechtbank van het gezond verstand als bewezen geacht worden.

Om een schadevergoeding is het mij niet te doen. Het enige wat ik vraag is erkenning van het feit dat mijn woordgebruik, mijn grammatica en mijn schrijfstijl het product zijn van het kosmische theater van de Romeinse expansiedrang en per definitie dus van de genetische beïnvloeding van mijn literaire expressie. Als straf en vergelding zal ik eisen dat zowel geschiedenis en literatuur als werelderfgoed dienen behandeld te worden en dus onaangeroerd moeten blijven zodat we ze kunnen omarmen als wonderlijke leerschool van al het goede en kwade en van alles wat zich in de mens schuilhoudt maar ook als eerbetoon van de verbeeldingskracht van de schrijver van het verhaal.

Locutus sum. Ad litem.

Het epos van een welzijnskip

Met een hart vol goede bedoelingen en met een maag die rammelde als een verongelijkte leeuw in een vegetarische savanne, trok ik uitgehongerd naar mijn favoriete restaurant. Mijn doel was even logisch als duidelijk en net zo helder als een sterrennacht in diezelfde savanne. Ambitieus was mijn voornemen ook. Uiteraard zou ik eerst mijn honger stillen maar tevens wou ik, min of meer vastberaden maar toch eerder opgefokt door mijn ecologische geweten mijn veel te grote ecologische footprint proberen te verkleinen door ‘iets vegetarisch’ te eten.

Als naïeve Don Quichot van den Aldi maar met een plan trok ik, gewapend met mes en vork in plaats van met een lans ten strijde tegen de klimaatverandering en tegen alle gerechten die door vlees-verslindende molens, ‘saignant’ geserveerd worden om ze er te laten uitzien alsof ze voor de opwarming van de Aarde geen bedreiging vormen.

De menukaart strekte zich over mijn leeg bord uit als een culinaire landkaart die mijn morele kompas en mijn hongerige ziel probeerde te verenigen. De kort aangebakken shiitake en de gekonfijte oesterzwammen met truffeltoets, klonken even verleidelijk als die mysterieuze vreemdelingen uit de roman die nog moet geschreven worden. De linzencurry met wortelparfum die als een betoverend exotisch avontuur mijn smaakpapillen wilde ontvoeren was dat ook.

Op dat eigenste moment, net voor ik mijn keuze kon maken, viel mijn oog op een literaire plottwist die zelfs Madame Bovary, u weet wel de legkip van Gustave Flaubert in vervoering zou brengen.  Op regel vier van de menukaart las ik drie betoverende woorden: “Consommé van Welzijnskip” en ik schrijf ze nog eens voor jullie neer opdat ze zouden doorklinken al ware ze van de hand van Flaubert hemzelf, “Consommé van Welzijnskip”.

Door die dichterlijke woorden, ik had ze zelf niet mooier kunnen bedenken, leek het alsof de kip in kwestie, zelf vorig jaar het besluit had genomen om een weloverwogen sabbatical te nemen om te ontsnappen aan haar traditionele kippenbestaan om zo via een doordachte carrièreswitch een loopbaan te beginnen als vrije legkip van biologische scharreleieren.

“Welzijnskip waarom niet”, prevel ik in mezelf met een glimlach die voelt als een schouderophalende knipoog naar mijn eigen interne komedie. Dit is toch dè uitgelezen kans om ecologisch bewust te eten en om tegelijkertijd een pluizige, zelfbewuste welzijnszoekende kip, palliatief naar het kippenhiernamaals te begeleiden. Win-win lijkt me, toch?

Maar, binnenin knaagt de twijfel van een nerveuze schrijver die zijn woorden in het rood aanstreept wanneer ze hem niet bevallen. “Hoe kan ik mezelf au serieus nemen nu ik hier kip zit te eten? Een kip die waarschijnlijk meer emotionele vrijheid heeft ervaren dan die ik ooit zal dromen? Een zelfbewuste, vrije uitloopkip, die notabene, een leven lang biologische eieren heeft gelegd alsof ze voor zichzelf gelegd waren, in België!  Terwijl ik niet eens een idee heb hoe ik ze perfect hard of zacht kook.

Hoewel mijn geweten knaagt, steek ik toch mijn vork als een moderne plichtsbewuste ridder aarzelend in het sappige stukje “Welzijnskip”. Ik trek daarbij een grimas die een mengeling is van genot, zelfspot, spijt, schaamte en triomf, niet omdat ik ogenschijnlijk verstrikt ben geraakt in mijn naïeve zoektocht naar duurzaamheid of in de illusie van het nut van een vegetarische schotel waarmee ik me een zuiver geweten kon schoppen.  Neen ik twijfel alleen nog of ik me niet beter tegoed had gedaan aan een ordinaire kippenbout afkomstig uit een economisch rendabele legbatterij, in plaats van aan het vlees van een overgelukkige welzijnskip die waarschijnlijk overijverig en voor het nageslacht het epos van haar boerderijavonturen in al haar eieren heeft geschreven.

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Dierbaar België, den ezel kakt nog niet

Of België over 7 jaar zijn tweehonderdste verjaardag viert zal nog moeten blijken. De huidige federale coalitie heeft er namelijk veel voor over om het antwoord op die vraag onmogelijk te maken. Om een toekomstig scenario over de toekomst van dit leuke land voorspelbaar te maken en om het onwenselijke tegen te gaan, zitten er in de knokploegen van de federale boksring van De Cro namelijk meer slachtoffers uitgeteld naast de ring dan erin.

Dat komt ervan wanneer onwil, onkunde en kortzinnig ‘eigen belang’ van de boksers het haalt over het algemeen belang van ‘natie en volk’. Een voor een en zonder weerga worden ze zonder pardon uit de politieke arena gemept. Of ze definitief ko zijn zal de toekomst uitwijzen, voor sommigen onder hen heeft het er echter alle schijn van.

Terwijl de bokshandschoen tot nog niet zo lang geleden het uitgelezen symbool was van uiterst rechts hoeft die knokploeg bij uitstek zich niet te mengen in de strijd om er als winnaar uit te komen. In het huidige politieke ‘catfight-klimaat’ zijn zij het die altijd als overwinnaar zonder vechten uit de strijd zullen komen.

Misschien zelfs halen centrum rechts, gematigd rechts en uiterst rechts op de volgende zwarte zondag hun gram en valt België vanzelf als los zand uit elkaar, al lijkt het Scheldewater voor die paleisrevolutie op dit ogenblik nog te diep en zitten er langs deze en gene kant van de oevers van de Schelde nog te veel foute figuren die worstelen met hun eigen ‘salonfähigheid’ om die natte droom mogelijk te maken.

Of een nieuwe eensgezinde Vlaamse tirannie een beter antwoord kan bieden op de politieke en maatschappelijke uitdagingen is maar zeer de vraag, gelet op hoe huidig palliatief Vlaanderen vandaag omspringt met bevoegdheden als zorg, onderwijs en mobiliteit en hoe ze het als eensgezinde Vlamingen zelfs niet eens kunnen raken over de definitie van stikstof. Misschien is het huidige resultaat van die Vlaamse knokploeg met hun verworvenheden zelfs nog een grotere puinhoop dan die van de federale straatvechters.

Belg zijn is geen gemakkelijke opdracht. Vele mensen uit het Noorden lijken met hun superioriteitsgevoel op zelfbeschikking aan te sturen terwijl de mensen uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het zelfs alsof België alleen nog maar bestaansrecht kan hebben bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen.

Vooralsnog en zolang er nog voldoende zotte konijnsocialisten met knaldrang in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, zal afhangen waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of Vlaanderen in Brussel een Berlijnse muur kan optrekken.  

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond dan Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, ‘t zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is de onverdraagzame samenleving naar de welke we aan het evolueren zijn, gelijk welke naam we daaraan geven.

Totop vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid nam voor welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite beluister, moeten we evolueren naar een participatiestaat, naar een nieuw soort België waar een in tweeën gesplitste samenleving van burgers verwacht wordt om voor elkaar verantwoordelijkheid op te nemen en hadden we vroeger zoiets dan niet? Ik vraag het me zomaar af.

O dierbaar België den ezel lijkt nog altijd niet te kunnen kakken.

‘Janchilles’, Trojaanse held!

Hier lig ik dan, in een ziekenhuisbed, even onbeholpen en verslagen als de moderne versie van Achilles, eigenaar van zijn onfortuinlijke pees. Gekluisterd aan dit bed, ben ik omringd door knappe, meestal blonde verpleegsters die getooid in smetteloos witte uniformen als Trojaanse godinnen op me neerkijken met een mix van medelijden en beroepsernst.

Ze geven me medicijnen, verschuiven mijn kussens, doen allerlei handelingen die alleen verpleegsters kunnen en geven me alle aandacht die ik nodig heb.

Toch vraag ik me af of ook zij me zien als dezelfde tragische Trojaanse held die ik me op dit ogenblik voel of ze me eerder zien als een zoveelste willekeurige patiënt met een onwillig weerspannige pees?

Bij elke intrede in mijn kamertje vragen ze mijn naam en geboortedatum terwijl deze info met een eenvoudige oogopslag af te lezen is van het label dat aan dit bed kleeft of van het bandje dat ik al twee dagen rond mijn pols draag.  

Terwijl ik hier lig en pijn voel bij elke beweging die ik maak, kan ik niet anders dan me afvragen waarom juist ík dit weer moest ondergaan. Zou het omdat ik in mijn jongere jaren te veel riskante avonturen heb beleefd en daar mijn straf voor ontlopen ben. Is dit dan mijn finale boetedoening voor al die jaren van losbandigheid en onbezonnenheid? Het lijkt erop dat het universum me straft voor al mijn dwaasheden.

Omringd door mensen zonder echte connectie, verlang ik ‘als gewoonte’ zelfs nu naar diepere verbinding, maar mijn situatie maakt dat wat moeilijk. Daarom probeer ik tegenover de verpleegsters al mijn heldencharmes in te zetten, met stomme grapjes en nog stommere opmerkingen. Hoe kan een man met een gescheurde pees anders indruk maken? Ze lijken niet onder de indruk.

In de gang worden patiënten die zich in nog erbarmelijkere toestanden dan ik bevinden in ziekenhuisbedden voortgeduwd op weg naar hun ingreep. Toch overwint mijn zelfbeklag en mijn drama. Zij zijn vandaag mijn enige metgezel want ik voel me als een geknakte bloem in een veld vol lentebloemen.

“Jan Pultau / 13 september negentienachtenzestig en veertien minuten!”, zeg ik misschien iets norser dan een kwartier geleden nog voor ze me de vraag kan stellen. De blonde ziekenzuster glimlacht want ze ziet de absurditeit van de situatie ook wel in. “We hebben interne audit en moeten vandaag echt aandacht geven aan alle protocols en procedures, zelfs al zijn ze wat onnozel”, antwoordt ze een beetje verontschuldigend. “Ik ben net naar het toilet geweest, naar het kleine en het grote, dat mocht toch?”, vroeg ik bijdehand. Dat mocht gelukkig!

De dag kruipt tergend langzaam vooruit. Elk uur voelt als een kleine triomf die alleen gevallen Trojaanse helden kunnen ervaren, al lijkt deze weg naar het einde van de dag eindeloos te duren. Ik stel me voor hoe ik straks weer kan stappen als een onverschrokken avonturier, maar nu moet ik het alleen doen met mijn pijnlijke pees en met mijn zielig zelfbeklag.

Straks word ik ontslagen uit dit ziekenhuis en zal ik bevrijd zijn van dit bed en van de knappe verpleegsters. Ik zal hen inruilen voor mijn vertrouwde sofa en mijn knap zorgzaam lief. Zij kent mijn geboortedatum uit het hoofd.

Ik hoop dat ik dit tragische figuur uit de Griekse mythologie en gevangen zit tussen lachen en huilen en als een schaduw van zelfmedelijden achter me aansluipt hier in dit ziekenhuis kan achterlaten.

Want ook al heb ik de looks, ik ben echt geen Trojaanse held. Ik heb alleen dezelfde pijnlijke pees!

Venijnige Vos

Daar zit ik dan, starend naar een leeg wit scherm met een hoofd dat aanvoelt als een dichtgeknoopte ballon.  Hoewel het lijkt alsof mijn 8mm film net brak, dansen beelden wild rond in mijn hoofd. Ze weigeren koppig elke medewerking en geven geen gehoor aan mijn nederig verzoek om georganiseerd, in woorden en zinnen op papier te verschijnen.

Hoewel de avond lang en de nacht kort was voel ik me niet suffer of vergeetachtiger dan op andere ochtenden. Verstrooid of verward ben ik evenmin, toch lukt het niet om me te concentreren. Meestal kost het geen moeite om wartaal uit te kramen, nu echter lijken de woorden vast te zitten in het slijk van mijn gedachten.

Ik zucht ogenschijnlijk vastberaden maar tast vruchteloos in het duister naar juiste woorden.

Op deze regenachtige ochtend kijk ik naar mijn computer, naar mijn laatste trouwe metgezel, de enige steun en toeverlaat in deze verwar(ren)de tijden. Ik probeer een bericht te beantwoorden maar de woorden ontwijken me als een vluchtende haas.

Mijn vingers dansen over het toetsenbord, maar wat ik te lezen krijg zijn slechts rafels van letters en flarden van woorden. Ze missen elke betekenis.

Opeens verlang ik hevig naar de scherpte van mijn denkvermogen, naar de elegantie van mijn alerte geest maar hij is net als die vis die uit mijn vijver sprong en op het droge tevergeefs naar zuurstof hapt.

In een ultieme poging om mijn geest op te frissen, zoek ik mijn toevlucht in koffie. Ik grijp naar het zwarte goud dat er altijd is en dat nu mijn traag geworden brein opnieuw tot leven moet wekken. Tergend traag slurp ik aan mijn kop, in de hoop dat de cafeïne mijn geheugen zal aanslingeren als een oude viertaktmotor.

Vergeefs en vastberaden blijf ik me verzetten tegen die ongenadige omhelzing van die verwarrende mist in mijn hoofd.

De alliteratie van deze zin zet me op het juiste zijspoor naar meer zweverige zinloosheid.

Als een verstrikte vogel in een veld vol verwarrende wolken van woorden, worstelde ik daarnet met mijn vermaledijde hersennevel. Maar nu met de alliteratie van de vorige zin als leider, worden gedachten even helder als een huppelende haas. Ze zijn niet langer verward en zitten niet meer verstrikt in dat web van wilde woorden.

Ik kijk opnieuw naar hetzelfde scherm, met ogen verlangend en verlost van het wervelende waas. Woorden hebben geduldig gewacht om in scherpe zinnen te worden geschreven. Ze rollen nu als dartele dansers uit mijn pen en zijn niet langer verward en verdraaid en klinken niet langer als een valse viool in de symfonie van de stilte.

Met datzelfde brein dat daarnet nog beklad met een brij van bedrog dienstweigerde, vechten in die vertraagde video van daarnet mijn vingers nu haastig om de juiste toetsen, terwijl ik alle woorden, als weerspannige wilde winden, meedogenloos laat ontsnappen. Ze stinken niet meer.

Daarstraks was je een venijnige vos, een verraderlijke tornado die mijn gedachten verstoorde. Je spotte terwijl ik worstelde met het vinden van wegende wendingen en wikkende woorden. Je brulde smalend terwijl ik stamelde en struikelde.

Even zat ik vast in de grijpgrage klauwen van mijn breinnevel, maar gaf niet toe aan zijn greep. Want ik weet dat heldere gedachten altijd diep in mijn geest verscholen liggen, geduldig wachtend om bevrijd te worden. Door woorden en zinnen, al dan niet allitererend.

Komt een man bij de therapeut

Sommige mensen zijn chronisch gelukkig, anderen niet. Mensen die leiden aan toxisch geluk hebben geen nood aan therapeuten. Het overige gedeelte wel maar die zijn te bang om in therapie te gaan omdat ze vrezen dat in die lege stoel, aan de andere kant van het salontafeltje, iemand gaat zitten die zegt, ‘jij bent zot!’

Maar het tegenovergestelde is waar. Jij gaat in een comfortabele zetel zitten en zegt tegen een compleet onbekende, die zopas op de ongemakkelijke stoel heeft plaatsgenomen, ‘ik denk dat ik zot ben!’ waarop de therapeut in kwestie, knieën over elkaar, antwoordt, ‘ok, je bent zot, laat ons daarmee aan de slag gaan, laat ons daarmee beginnen!’

Wat zich dan afspeelt verloopt ongeveer als volgt. Aan een stuk door en onophoudelijk rammel je openhartig alle dingen af waarvan jij denkt dat je zot geworden bent. De therapeut zelf doet niets, niemendal.  Hij of zij zwijgt, knikt, kucht, geeft indruk te luisteren en noteert zorgvuldig alle dingen waarvan jij vermoedt dat ze je zot gemaakt hebben in een notaboekje. Of erger, op een flipchart zodat het lijkt alsof jullie samen een gruwelijke moord oplossen maar waarvan jij verdacht wordt de seriemoordenaar te zijn.

Elke gebeurtenis, elk dramatisch ding en elke mislukking waardoor je je waardeloos en onbegrepen voelt wordt gelinkt aan je ergste jeugdtrauma, waarvan je al vergeten was dat je die allemaal een half uur geleden had opgebiecht.

De kans is niet onbestaande dat je aan het einde van die oefening zegt, ‘eindelijk, nu weet ik waarom ik zot geworden ben’. Waarop de therapeut antwoordt, ‘inderdaad, eindelijk weet je waarom je “denkt” dat je zot geworden bent.’ ‘Ben ik nu dan niet zot meer’, vraag je vervolgens hoopvol en vol verwachting, waarop de therapeut eindelijk het woord neemt en zegt, ‘nee, nee, nee was dat maar waar. Zo simpel is het allemaal niet. Zover zijn we nog lang niet.’

Waarop jij, met tranen in de ogen en de wanhoop nabij vraagt, ‘Wat moet ik dan doen, ben ik een hopeloos geval? Ben ik echt zot en is er voor mij dan geen meer kans op genezing?’

‘Kom gewoon elke week naar hier, breng honderdvijftig euro of je kredietkaart mee dan raken we er samen wel uit.’

Therapie helpt om bij de oorzaak te raken waarom je van jezelf denkt dat je zot bent. Lezers die ooit in therapie geweest zijn en zich in deze situatie herkennen, weten nu waarom die doos Kleenex op dat salontafeltje staat. Om tranen te drogen voor je lege bankrekening.  Mocht een mannelijke lezer denken dat die doos zakdoekjes ervoor een andere reden staat, stop met lezen en zoek professionele hulp of een goede therapeut want jij bent echt gestoord. Zot!

Een sprookje van kus mijn kloten.

Tegenwoordig wordt me een droomwereld opgedrongen waarin een boosaardige heks niet langer die wrattige, haveloze vrouw met een harige bobbel op haar kin mag zijn, die met een giftige appel een jonge ietwat naïeve vrouw in verleiding probeert te brengen. In plaats daarvan moet ik me een adembenemende mooie vamp voorstellen die met haar betoverende schoonheid vliegend op een Swiffer elke zwakke witte man op de knieën wil krijgen. “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand in wat voor een wereld ben ik aanbeland?”

Reuzen torenen niet langer boven ons uit, maar zijn net zo klein en schattig, als de favoriete chihuahua die op de schoot zit van de sensitieve lezer die hierboven de heks cancelde.  De zeven dwergen, zijn gewoon van normale lengte, neem gemiddeld één meter drieëntachtig, wat het een stuk makkelijker maakt om er kleren voor te kopen.

Elfen zijn niet meer die sierlijke wezens die ik me ooit in mijn grenzeloze fantasie mocht voorstellen. Ze zweven niet langer met hun sierlijke vleugeltjes op elfenstof door de lucht. Ze zijn net als ik en jij een gewone sterveling met de voeten vast op de grond, wat betekent dat ze maar figureren in het verhaal en gewoon lopen zoals ieder van ons. En de slechteriken? Die zijn ook niet meer zo slecht als vroeger, in feite zijn ze zelfs best vriendelijk geworden en iedereen wil ze te vriend zijn.

Als gevoelige lezer, zou je je de vraag kunnen stellen, “Wat is dan nog het probleem?” Want, schoonheid is subjectief, en als heksen eruit willen zien als supermodellen, en dwergen als een puberende schooljongen wie ben ik dan om daarover te oordelen? En waarom zou ik me storen aan een wereld waarin reuzen, dwergen, slechteriken en Hobbits allen op die gemiddelde buurjongen van naast de deur lijkt? Het is allemaal toch maar respectvol onschuldig plezier?

Misschien wel maar misschien ook niet. Soms zijn dingen zoals ze zijn met een reden. Neem die heks, bijvoorbeeld. Ze werd in elk sprookje altijd afgeschilderd als lelijk, achterbaks, slecht en verrimpeld. En daar was een goede reden voor. Afgrijselijke heksen en verschrikkelijke monsters vertegenwoordigen namelijk gevaar en illustreren de onbekende en donkere zelfkant van de mensheid. Reuzen en dwergen waren altijd meer dan levensgroot, niet alleen qua gestalte maar ook qua karakter, ofwel supergoed ofwel superslecht. Ze vertegenwoordigen en verpersoonlijkten extremen, lees het beste en het slechtste van de mensheid. Hoe meer ze op ons te laten lijken, hoe meer de lezer dat gevoel van ontzag, verwondering en verbazing verliest, zelfs de kleinste lezer!

En wat slechteriken betreft, die horen slecht te zijn. Zij vertegenwoordigen de obstakels en lastigheden die we moeten overwinnen, de uitdagingen die we moeten aangaan en de duisternis waar we door moeten om onze doelen te bereiken. Zonder dat alles verliest een sprookje of een verhaal alle betekenis en doel.

Dus beste gevoelige lezer die graag al eens een woord doorstreept. Hoewel het onschuldig lijkt om dingen te veranderen door ze aangenamer, vriendelijker en minder angstaanjagend voor te stellen, voor onze moderne gevoeligheden, onthoudt dat er een reden is waarom dingen zijn zoals ze zijn en verhalen geschreven zijn zoals ze geschreven zijn. Soms is het echt beter om de dingen te laten voor wat ze zijn. Je zou er zelfs een beetje haar van op de tanden kunnen krijgen.

Hé daar! Ben je er nog of heb je me al gecanceld? Luister, als jij je voor jezelf een wereld wilt voorstellen waarin heksen supermodellen zijn en reuzen klein en schattig, ga je gang.  Wie ben ik om je tegen te houden. Doorstreep gerust alle woorden waar je aanstoot aan neemt. Verander desnoods het woord “lelijk” in “niet zo mooi voor iedereen”, maar doe het in je eigen boekje maar blijf met je stengels van de andere.  

Sta misschien eens stil bij de gedachte dat de beste dingen in het leven soms net die zaken zijn die uitdagend, ongemakkelijk en ja soms een beetje beangstigend zijn. Soms zijn lelijke slechteriken echt zo slecht niet en af en toe zijn schattige dwergen monsterachtig.

Dus sensitieve schrapper, als je per se met klassiekers wil rommelen, doe het dan voorzichtig en met respect, anders wordt elk verhaal een sprookje van kus mijn kloten. En als je echt groen wil lachen, raad ik je aan eens een verhaaltje van mij te lezen.

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering

Oké mensen, neem gerust eerst een kop koffie, leun achterover en geniet van dit uitstekend stukje kantoorkomedie! Mag ik je alstublieft even meenemen in de wondere wereld van de absurde vergadering?

Stel het je voor, je zit in een vergaderzaal met een groep ogenschijnlijk verstandige mensen, althans daar moet je van uit gaan.  In het beste geval weet iedereen waarmee ze bezig zijn, in het slechtste geval helemaal niemand. Na de ronde tafel introductie waarop iedereen hun cv afratelt, blijkt dat de vergaderzaal overvol zit met mensen die er eigenlijk niet horen te zitten maar omdat ze zichzelf interessant en belangrijk genoeg vinden, zijn ze er toch.

De organisator van de meeting moet zonder twijfel gedacht hebben, laat ik gewoon iedereen die ik ken uitnodigen. Ikzelf weet ook van toeten of blazen, dus hoe meer zielen hoe meer vreugd, en wat maakt het uit als de helft ervan Candy Crush speelt op hun telefoon of nadenkt over een ‘catchy’ opener van hun Tinderprofiel?

Er worden zaken besproken die misschien interessant zijn, mogelijks belangrijk, soms zelfs essentieel maar beslissingen worden nooit genomen, niet één. Iedereen krijgt om beurten, maar het liefst door elkaar, de mogelijkheid om zich uitgebreid intellectueel te masturberen. Rink aan één en onophoudelijk wordt gepalaverd en gefilibusterd dat het een lieve lust is. Zonder uitzondering neemt iedereen, al dan niet ongevraagd het woord, al is het maar om de vorige spreker te herhalen. Naarmate de meeting vordert, vraag je jezelf af, “waarom zit ik hier, wat doe ik hier maar vooral, waarom maak ik deel uit van deze poging om met de langste of meest zinloze vergadering in het Guinness Book of Records te komen?

Waarom kiezen voor structuur, duidelijkheid en efficiëntie als chaos ook een optie is?

Ik noem vergaderingen als deze vanaf nu witte-, bruine- of zwarte- kippenvergaderingen.  

Meetings als deze verlopen dikwijls volgens eenzelfde stramien. Ze hebben weg van vergaderingen die doorgaans in marketingkringen plaatsvinden. Stel je daarbij een kleurrijke groep hippe mensen voor. Ze werken bijvoorbeeld in een marketingbureau en hebben bijvoorbeeld de opdracht gekregen om voor een lokaal pluimveebedrijf – we zitten nu toch volop in de stikstofcrisis – een unieke en opvallende campagne te bedenken voor promotie van de lokale biologische boerderij die gespecialiseerd is in pluimvee, kiekens dus.

Zonder één seconde na te denken over de opdracht, over het doel van de campagne, laat staan over het budget en hoeveel het grapje mag kosten, heeft het voltallig deelnemersveld zich al vastgereden in een eindeloze discussie en in de vraag of als blikvanger niet best een witte, een bruine dan wel een zwarte kip moet genomen worden.

Aanvankelijk probeert ieder zijn keuze met het juiste argument te verdedigen.

“Witte kippen zijn de klassieke, voor de hand liggende keuze”, zegt een van hen. “Laat daar geen misverstand over bestaan. Ze zijn schoon, puur en zuiver, net als de producten van de bio-boerderij, een no-brainer als je het mij vraagt.”

“In de huidige maatschappelijke context is deze keuze niet te verdedigen. In de modder van een kippenhok zal je altijd de vieze smurrie blijven zien”, zei een wel heel wakkere stem. “Bruine kippen zijn rustieker, neutraler en hebben net dat gezellige, dat – hoe zal ik het zeggen – huiselijke en onpartijdige imago. Onze doelgroep zal zich daarin gemakkelijk herkennen”, ging de klaarwakkere stem verder, “en minderheidsgroepen zullen er geen aanstoot aan nemen want bruine kippen zijn divers.  Ze leggen namelijk witte èn bruine eieren.”

“Stop, en vergeet alstublieft de witte en de bruine Boomer-kippen. Die zijn zoooo jaren tachtig. Zwarte kippen zijn nu top of mind. Zij zijn dè nieuwe next-gen-Z-kip bij uitstek omdat ze strak en modern ogen. Zij alleen kunnen een jong en trendy publiek aanspreken, en laat dat nu nèt onze doelgroep zijn.” “Ja, en zwart verslankt!”, roept een fel geschilderd, luidruchtig, blond kieken dat ook op de vergadering blijkt aanwezig te zijn. De poule in kwestie is voorzien van twee ferme kippenfilets, al zou de kiek in kwestie ook gewoon een kwetterende haan kunnen zijn die denkt dat hij een legkip is.

Uren verstrijken, en standpunten raken steeds verder van elkaar verwijderd. Soms lijkt een compromis over de witte kip in de maak, af en toe lijkt de keuze voor de bruine kip de bovenhand te nemen, maar dan komen voorstanders van de zwarte kip met een ogenschijnlijk doorslaggevend argument, dat het bij nader inzien niet blijkt te zijn, zodat ze terug naar af moeten.

Nergens nog kunnen ze het eens over worden. Naarmate de discussie vordert, komen er steeds nieuwe standpunten en meningen bij. Om geen ‘ondoordachte beslissing’ te moeten nemen, de kleur van de vogel is namelijk niet iets waar lichtzinnig mag overgegaan worden, wordt de definitieve keuze uitgesteld naar de volgende dag.

Wanneer een discussie ontstaat over het geslacht van de engelen kan de nacht geesten doen rijpen!

Als ‘s anderendaags na veel vijven, zessen maar ook na veel zevenen, achten en negens de keuze eindelijk valt op de diverse bruine kip, zij bleek dan toch voor alle partijen een aanvaardbaar modelcompromis, komt ‘out of the blue’ iemand op het lumineuze idee om niet een kip maar een fazant als beeld te gebruiken. “Denk er eens over na,” zei ze. “Een fazant is uniek en onverwacht. Het zal de boerderij echt onderscheiden van alle concurrenten.”

Eerst wordt het idee met de nodige scepsis ontvangen. “Een fazant is niet eens een kip!” protesteert iemand. “Dat beest past niet in onze opdracht.” Maar toen ze meer ideeën begonnen te bedenken lijkt het fazantconcept toch mogelijkheden te bevatten.

Langzaamaan raakt iedereen het eens over het voordeel van het fazantidee. Met het wilde en exotische karakter van de fazant kan het beest gepositioneerd worden als hoogwaardig alternatief voor de doodgewone kip.

Tot iemand vraagt, “en wat denken we eigenlijk van een Kwartel of een Patrijs?”

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering!

Cupido, Valentijn en het heilige kruis

Eerlijk is eerlijk, ‘strontjaloers’ ben ik op al die harteloze mannen met een totaal gebrek aan romantiek die hun relatie vastgeklikt hebben in oude, maar duidelijke rolpatronen. Zij kunnen morgenavond immers ongestoord, zich van geen kwaad bewust, rustig, zakje chips in aanslag naar de Champions League wedstrijd PSG – Bayern München kijken. Niet zo dus voor deze oeverloos ‘morantisch’ ingestelde sufkop. Ik kan weer aan de slag met oesters, champagne, rozenblaadjes, chocolade, gedempt kaarslicht en met een pikant lingeriesetje, het liefst in de juiste volgorde om het allemaal wat proper te houden.

Reclamedames en -jongens die de voorbije dagen geen kans onbenut lieten om me nogal dwingend met hartjes, chocolade en ‘peperdure rode lingeriesetjes’ op mijn Valentijns-plichten te wijzen, zullen me morgenavond geen geluksvogel doen voelen.  Ook al verwacht ze zelf niets, en al zeker geen ‘peperdure kruis-loze lingeriesetjes’ is net dat niets verwachten wat Valentijn zo venijnig maakt. Immers het zich aan niets verwachten, maakt net dat het een briljante ‘move’ wordt als je het wel doet. Plat, meedogenloos grensoverschrijdend… emotioneel machtsmisbruik, in een waarom #menot-sfeertje.

Je begrijpt dan ook dat ik behoorlijk afgunstig ben op al die tegenovergestelde nieuwe mannen, die Valentijnsdag maar plat commercieel gelul vinden en die fier eigenaar bleven van een totaal gebrek aan geforceerde hoffelijkheid en artificiële romantiek. Zij kunnen, zonder zich moeilijke vragen te stellen, gemakkelijk weerstaan aan de subtiel opgedrongen verborgen verleiders omdat zij geen superdure attributen nodig hebben om er de liefde van hun vrouw mee (om)te kopen.

Het blijft toch wonderbaarlijk hoe reclame en cupido er met venijnige verleiders op 14 februari telkens in slagen om de hoogdag van de liefde te banaliseren en te reduceren tot platte commercie. Wonderbaarlijker is nog dat mannelijke jagers met bankkaarten en vrouwelijke prooien met nieuwe rode lingeriesetjes dit jaarlijks terugkerend ‘lockbite-event’ nodig hebben om er hun steendode liefdesleven mee te reanimeren.

Alleen de vraag blijft, wie houdt wie voor de gek en wie bedacht deze slechte commedia del arte?  Goed geweten trouwens, dat de patroonheilige van Valentijn, de hoofdrolspeler van dit gebeuren, niemand meer maar ook niemand minder is dan pater Valentinus, een ‘contrair heilig paterke’ uit de middeleeuwen, die dik tegen de zin van de keizer, in ’t geniep verliefde soldaten trouwden terwijl hem dat ten stelligste verboden was omdat hen dat zou afleiden van de oorlogsmissie.

Schappelijke mens die Valentinus, daar niet van, en alle lof voor die contraire dienaar van het ‘heilige’ kruis.  Ik vraag me alleen af, waar en wanneer de rode lingerie, de champagne en de chocolade erbij gesleurd werden want die spullen waren bij mijn weten in het jaar 270 nog niet uitgevonden.

Slechtste seks-ever

‘Is het af, en kan ik hem lezen?’ vraagt ze me, langs de neus weg, terwijl ze zichzelf voor de derde keer koffie inschenkt.

‘Bijna, geloof ik, maar wanneer is af, af genoeg?’ snoef ik lichtjes geïrriteerd. Ik bedoel maar, ‘Wanneer is het echt goed genoeg?’
‘Oei’, piept ze verwonderd, luider dan nodig met een klemtoon die laat uitschijnen dat mijn antwoord haar niet geheel aanstaat.

‘Is het uitstelgedrag of zo?  Ben je ‘weer’ op zoek naar onbestaande redenen die als excuus dienen om iets niet te doen, of ben je in je hoofd ‘weer’ al je gedachten met de grond gelijk aan ’t maken om ze nadien ‘weer’ op te bouwen?’
Om ervan af te zijn, antwoord ik, ‘Zoiets ja, misschien. Dat zal het wel zijn’, goed wetende dat ze met dat antwoord noch vrede, noch genoegen zal nemen.

Ze slaakt een diepe zucht, alsof ze net de slechtste seks-ever heeft gehad. Met haar strengste blik-ever inspecteert ze me van kruin tot teen met donkere ogen die me vanachter een vierkant brilletje taxeren alsof ik nog iets op te biechten heb. Tegelijkertijd trekt ze de linker wenkbrauw vier millimeter op zodat drie denkrimpels op haar voorhoofd verschijnen die haar gezicht nog een strengere aanblik geven.

‘Zijt daar mee getrouwd’, bedenk ik minachtend, zoekend naar de reden van die ontgoochelde zucht omdat ik vermoed dat mijn antwoord op haar hetzelfde effect had alsof ze net de slechtste seks-ever heeft gehad.  Ik kan geen reden bedenken omdat ik onmogelijk kan weten of vrouwen überhaupt een zucht slaken wanneer ze net de slechtste seks-ever hebben gehad aangezien mij dat nog nooit is overkomen.

Goede seks is namelijk net zoals een boek dat nog niet is uitgegeven, het is nooit helemaal af en het is nooit klaar genoeg. Het is nooit een halfslachtige poging. Het is eveneens pruts- en foefelwerk en het duurt net zolang tot wat ik wil bereiken er helemaal vanaf spat.

Whatever… Fomo-foemp!

Ik sta opnieuw op een kruispunt in mijn leven. Ik ben 53.  Uitgaan, nieuwe mensen ontmoeten, gedoe, het interesseert me niet zoveel meer. Ik heb genoeg ‘vrienden’ op facebook. Anders dan die kwebbels die mijn vrouw afgelopen maandag had uitgenodigd om te wijnen, kan ik hen muten wanneer ik dat wil. Handig toch? Maar serieus, ik heb het gevoel dat ik in mijn leven opnieuw op een splitsing sta. Het ergste stuk van de midlifecrisis ligt achter mij, althans dat denk en hoop ik.  Ik ben erachter gekomen dat het allemaal niet beter meer wordt.  Grootvader zie ik me de eerste paar jaar niet onmiddellijk worden en mijn professionele leven kabbelt verder gelijk een beekje dat het hard te verduren heeft gehad met de opwarming van de Aarde.

Wat blijft er dan over om mijn tijd te doden?

Juist, met mijn geliefkoosde hobby, mensen beoordelen.  Laat facebook daar nu het ideale medium voor zijn. Gisteren was ik door de profielen van mijn allernaaste familie aan t scrollen. Gewoon om me ervan te verzekeren dat ze nog steeds marginaal en racistisch zijn. Grapje, daarvoor heb ik facebook niet nodig. Dat staat ook op Instagram, Whatsapp en tinder en als ik ze tegen ’t lijf loop hoeven ze hun mond niet open te doen om me daarvan te overtuigen.

Al scrollend door de wondere wereld van facebook botste ik op een van mijn ‘vrienden’.  Niet dat ik hem de afgelopen tien jaar in ’t echt ontmoet heb, laat staan dat ik er IRL ooit een woord mee gewisseld heb. Nieuwe virtuele vrienden heb je nooit genoeg toch?  In zijn laatste bericht las ik dat hij een pauze neemt van Social media. Heb je mensen dat ooit zien doen? Dat gebeurt altijd met een plechtige aankondiging: “Ik heb er even genoeg van, ik neem een digitale detox, #moedig, #getttingalife, #lifesbetter@dentoog.”  Met deze moedige post wanen ze zich de nieuw held van het internet.

Wat ze niet weten is dat, voor ze dit bericht plaatsten, het niemand al een bal kon schelen. Ze whatever-en door het leven en verwachten dat we hun ge-whatever onthalen met bloemen en lofzang, duimpjes, likes, shares en retweets. Als ze er niet genoeg krijgen geven ze er met een virtuele pruillip de brui aan. Zo kwam ik er bijvoorbeeld gisteren achter dat hij, mijn virtuele beste vriend’, een maand lang het gras niet had afgereden, #maaimeiniet, #zetjelevenopgroen, #blijvoordebij en dat hij vier weken geleden voor de tweede keer in die week sushi besteld had, #teriyakistraffewasabilol, #sushiloversarebetterloversyolo.

Waarom schrijft iemand überhaupt een bericht om aan te kondigen dat hij vanaf morgen een facebookbreak neemt? Ik vraag het me af. Dat is toch min of meer hetzelfde als nu het glas heffen en je ladderzat drinken op het feit dat je morgen stopt met drinken om dan rond het middaguur een aperitief te ‘nuttigen’ omdat je de track niet onder controle krijgt? #slechtefbdetoxstart, #facebookbreakfail, #zoujeniebeternekeerietsnuttigsdoenfomofoemp

Killerbody van de kinderboerderij

Omdat ik, zoals jullie onderhand al weten, een bijzonder complexe relatie met mijn gedachten te onderhouden heb, luister ik af en toe naar podcasts van life-coaches, psychologen, of andere zielenknijpers. Ook verslind ik gulzig essays en artikels over geestelijke gezondheid en mentale kwesties. Nu ik erover nadenk, een bezigheid waar ik bedacht moet op zijn het niet te veel of te diep te doen, vermoed ik dat ik mijn respectabele leeftijd alleen maar heb kunnen bereiken door af en toe mijn verstand te gebruiken en mijn gedachten te pijnigen.

Het idee dat mijn verstand zomaar iets is wat ik bezit, wat ik cadeau gekregen heb, vind ik zelfs een beetje beangstigend.  Ik maak me wijs dat denkvermogen, al dan niet kritisch, iets is waar ik aan kan sleutelen, iets waar ik in moet investeren om het gezond te houden. Als ik eerlijk met mezelf ben, denk ik ook zo over mijn kathedraal, mijn lijf zij het iets minder fanatiek.

Mooie lijven worden geprezen en worden nagekeken. Dat geldt zeker voor vrouwen van vijfentwintig, toch koester ik de hoop dat dit ook opgaat voor mannen van mijn leeftijd, al heb ik wat dat laatste betreft minder ambitieuze verwachtingen. Mogelijks zullen vrouwen van vijfentwintig mijn uit de band springende gedachten nog wel sexy vinden, de kans dat ze die mening ook zijn toegedaan over mijn uitzakkende lijf, schat ik iets kleiner. Het zij zo maar dat neemt niet weg dat mooie lijven in balans geen drama’s meemaken in paskamers, een gebeurtenis waar ik zelf onlangs deelgenoot van was toen ik een nieuwe broek paste in een hippe kledingboetiek die eigenlijk niet bij mijn leeftijd past.

Neemt niet weg dat een strakke body, waarover ik tussen haakjes (nog) niet beschik, doorgaans aantrekkelijk bevonden wordt omdat dat discipline, zelfzekerheid, en doorzettingsvermogen uitstraalt.  Een strak lijf in balans zorgt voor zelfvertrouwen, enfin, dat laat ik me toch graag wijsmaken door de zielenknijpers die ik beluister.

Ik ben, laat daar vooral geen twijfel over bestaan, als het op lichaamsbeweging en diëten aankomt een nationale ramp, ik eet gewoon te graag en bewegen, ja daar heb ik helemaal een broertje aan dood.  Toch heb ik mezelf, nadat ik eerst de psychologische grens van 110 kg moest overschrijden, ertoe kunnen aanzetten mijn voedingsgewoonten eens onder een vergrootglas te nemen.

De eerste dagen van mijn spartaans dieet voelden wat vreemd aan, als een soort wrange nostalgie alsof ik dit allemaal al eens doorstaan heb.

Vermageren is mijn ding niet maar wie lijdt, zal herrijzen! Ik mag en zal niet genieten, want daar gaat het niet over. Ik moet afzien om straks blij te worden van het resultaat dat deze hongersnood me zal opleveren. Lees: een gezonde geest in een strak lijf.  Het voelt aan alsof de heiland in hoogsteigen persoon in mij is neergedaald. Alleen, ik zal niet leiden voor de andere, ik moet lijden voor mezelf, met de ogen strak gericht op wat ik eet, wat ik niet eet en vooral op de weegschaal.  Het ultieme doel voor ogen houdend, een killerbody.

Na veertien dagen, sla met lange tanden te eten, op muesli te knabbelen alsof het kaviaar is en mezelf vol water te gieten, ik lijk wel een aquarium die elke dag moet gevuld worden, begin ik het stilaan op de zenuwen te krijgen. Ik verloor snel vier kilogram maar kwam nog sneller anderhalve bij omdat elke tomaat van vijftig gram die ik eet, de dag nadien anderhalve kilo lijkt te wegen wanneer ik mijn goddelijk wordend lijf op de weegschaal hijs.  Ik begin mijn boxershort te wegen en hoop erop dat als ik ze uitspeel en dan in mijn adamskostuum op de bascule sta, ze plotseling twee kilo zou wegen.

Van dat verdomde dieet begin ik stilaan te duizelen en verlang heimelijk naar een biechtstoel om mijn verstand te laten spreken. Ben ik niet te oud voor een killerlijf, in de wetenschap dat vijfentwintigjarige dames toch alleen maar voor mijn verstand in zwijm vallen?  Ik luister naar de gedachten die ik vertrouw en me influisteren dat ik gewoon op zoek ben naar het genot van een halve liter crème-glace. Waar vind ik die? “De kinderboerderij”, antwoordt mijn verstand me enthousiast nog voor ik me de vraag gesteld heb.

Wat hou ik van mijn verstand, mijn lijf kan mijn kloten kussen, de zielenknijpers die me deze onzin ingefluisterd hebben trouwens ook!

Vaginale rukwind

Er was geen samenloop van omstandigheden. Sterker nog, toen ik gisterenmorgen mijn ogen opentrok, had ik onmogelijk kunnen voorspellen dat ik een paar uur later in een kappersstoel zou zitten. Dat gaat zo bij mij. Een bezoek aan de coiffeur overvalt me altijd onverwachts, zoals een acute drang die opkomt, een beetje vergelijkbaar met grote kak.

Ik heb er al vele versleten maar tegenwoordig ga ik om me te laten kortwieken terug naar ‘De Platte’. Waarom de kapper in kwestie door het leven gaat als “De Platte”, ik heb er het raden naar. Ofwel kreeg hij die bijnaam omdat hij niet echt een breed gezicht heeft. Als je goed kijkt lijkt het alsof hij ooit niet snel genoeg uit een lift is gestapt waardoor hij met zijn smikkel tussen de liftdeuren is beland, ofwel kreeg hij die naam omdat na je bezoek je portefeuille plat is. Beiden zouden kunnen. Maar het moet gezegd, haren in de juiste snit op lengte knippen, dat kunnen ze bij “De Platte”.

Zoals steeds viel ik dus geheel onverwacht binnen. “Iemand van de dames tijd om mijn haren een beetje langer te knippen?” Onnozele mopjes doen het niet altijd wanneer je van iemand iets nodig hebt, maar kappers en obers zijn een uitzondering op die regel. “De Platte” reageerde niet verrast. “Ik zal eens kijken of we je er in de rapte tien jaar jonger kunnen laten uitzien, een momentje he manneke”, zei hij tegelijk gesticulerend naar een van zijn snoeipoezen, om haar in een voor een leek niet verstaanbare gebaren te vragen of ze tijd had om mij te knippen. Dat had ze.

Natali uit Albanië, ging me onder handen nemen. Gouden handen zo bleek toen ze even later aan de wastafel mijn schedel boetseerde. Was het de hoofdmassage, was het haar Slavische uiterlijk of haar tongval die me zonder voorafgaande verwittiging deed denken aan Oekraïense vrouwen die vorige week in Parijs met blote borstenprotest kenbaar maakte wat ze van Putin dachten? Of was het mijn jongensachtig machobrein dat me die ongepaste vergelijking deed maken? Het weer dan maar?

“Niets te warm he voor de tijd van ’t jaar?”

Bij de kapper is het weer altijd een veilig maar fantastisch en dankbaar gespreksonderwerp. Om groter onheil te voorkomen zouden alle conversaties met jonge Slavische schone coiffeuses zich tot dat terrein moeten beperken. Het weer is volgens mij het laatste resterende onderwerp waarover veilig kan gesproken worden. Regent het, zal niemand dat feit betwisten, schijnt de zon, zal men dat licht ook niet ontkennen. Veilig terrein dus.

Hoewel het weer geen nadere kennis vereist dwingt het nagenoeg iedereen in een rol van klimaatrecensent die met nauwkeurige precisie kan beoordelen dat die Noordewind inderdaad wel fris aanvoelt en dat het niets te warm is voor de tijd van het jaar.

In tegenstelling tot vele andere dingen is het weer dan ook zowat het enige waar we nooit echt greep op krijgen. Het zijn onbeheersbare krachten die ons ergeren of verbinden. Ze nemen de gedaante aan van koudefronten, hogedrukgebieden, beaufortwindstoten, storingen en sferische schommelingen. Al die dingen overkomen ons, als onverwachte beloningen of als (on)verdiende straf. Om niet onbeslagen op het ijs te komen kan je een bezoek aan de kapper dan ook best laten voorafgaan met het van buiten leren van de verwachtingen op de website van het Kmi. Dat zal de conversatie met de coiffeuse ten goede komen en je zal het risico vermijden dat je gedachten afdwalen naar Oekraïense vrouwen met blote borsten.

Naast de hoofdmassage is het weer dan ook de hoofdreden waarom ik veel liever naar de kapper ga dan naar de tandarts. Ook al omdat het rochelende geluid van een speekselzuiger niet echt bevorderlijk is om een goed gesprek over het weer te kunnen voeren, natuurlijk. En ik kan me voorstellen dat een bezoekje aan de gynaecoloog voor de meeste vrouwen ook niet bepaalt het hoogtepunt van het jaar is om over rukwinden te keuvelen.  Voor hetzelfde geld heb je bij het verwijderen van het speculum namelijk net een vaginale wind gelaten.

De zon van daarnet is verdwenen en het begint keihard te hagelen. “God straft onmiddellijk!” bedenk ik me, de ingebeelde blote borsten en die vaginale wind indachtig.

Vuisten tot witte knuisten geklemd

Neem hem nu, een grijzig, ambtenaar-achtig figuur die eruitziet alsof alle menselijke gevoelens in hem al jaren geleden verdampt zijn tot grauwe sleur.  Of zijn vrouw, met haar vormloze gestalte, flutjeshaar en verfrommeld uiterlijk waardoor hij nauwelijks nog uitgenodigd wordt om naar haar te kijken.  Het omgekeerde gebeurt trouwens al jarenlang niet meer. Hoewel het nooit een bewuste keuze geweest is, zijn ze de interesse in elkaar al jaren kwijt.  Hun dag speelt zich grotendeels af in hun eigen kleurloze bubbel waarin ze zich terugtrekken om er hun verwrongen emoties en gedachten te cultiveren tot geriefelijk ingetogen geduvel waarmee ze elkaars leven belemmeren.

Ik zie ze wegkwijnen, zij met opgetrokken knokige knieën, terwijl ze machteloos haar vuisten tot spierwitte knuisten klemt. Hij zwijgend, gevoelloos en cynisch voor al hetgeen wat rondom hem gebeurt. Beiden eraan gewend geraakt dat ze in een dip zitten die nog een leven lang moet duren. Zonder woorden, zonder emotie of zonder grote verwijten sussen ze elkaar met de idee dat je van de vloer af niet dieper kan vallen als je al in de kelder ligt.

Wat de grijsaard uitstraalt is niet wat hij voelt. Het liefst van al zou hij haar stilletjes toefluisteren, “…zelfs met krulspelden in je flutjeshaar en met jouw kousen half afgezakt tot op je enkels en met die oude badjas rond je uitgezakte lijf, ben je nog steeds mooi om naar te kijken.” Maar hij zwijgt, uit gewoonte, uit angst voor, … hij weet niet wat.

Ook zij wil het liefst van al ontdooien maar in haar gewoontegedachten raakt ze niet verder dan een “… zelfs in het bijzijn van mijn vrienden of van jouw kinderen ben je een ramp.  Dan maak je wel venijnig lawaai en spreek je me wel tegen.  Met het overschot van de tijd loop je maar te zwijgen en rond te dolen in je eigen beknotte wereldje. Eigenlijk ben je niets minder dan een bullenbak en een tiran. Op die momenten twijfel ik zelfs of je een ziel hebt…”

Hoewel ze het heel graag willen, ontdooien ze niet… Hoe hebben ze het ooit klaargespeeld om elkaar een enkel plezier te doen? Of om elkaar graag te zien. Je kan je dat afvragen. Of hoe ze elkaar ooit het hof gemaakt hebben en hoe ze zo van elkaars leven vervreemd raakten. Misschien omdat zij op haar moeder lijkt, of hij op zijn vader? Die hadden ook niets meer om liefde mee te inspireren.

En toch denken zij ook wel eens. “Ondanks alles ben je mijn man, niettegenstaande ben je mijn vrouw.”  Mocht hij een poging doen om een beetje gewicht te verliezen, een ietsepietsje aan sport te doen en zich iets minder in zijn eigen spookwereld terug te trekken. Mocht zij proberen iets vriendelijker te zijn. Af en toe een glimlach op haar gezicht, een onhandige knuffel… misschien, dan? Zouden ze dan elkaars hart opnieuw kunnen dragen zodat het wulpse meisje terugkeert en die onhandige jongeman opnieuw verschijnt die elkaar zoveel geluk gaven wanneer ze altijd elkaars hand vasthielden?

Gelukkige koppels zien er allemaal eender uit. Ongelukkige mensen denken dat ze helemaal alleen staan. Mensen, ze zijn er in alle soorten. Sommige staan alleen maar goed met zichzelf. Andere zoeken hun heil in het geluk van anderen. Er zijn er die naar binnenkijken en er zijn er die naar buitenkijken.  Ze komen in allerlei soorten en maten. Maar zonder een beetje liefde, een ietsepietsje begrip en warmte, stellen ze niets voor. Gerald Walschap schreef het veel beter dan ik het ooit zou kunnen bedenken, “Niemand is iedereen en iedereen is niemand, de mens ge kunt daar niet aan uit, en aan een koppel al zeker niet.”

Ikzelf en mijn mensen? …  Ik weet het allemaal niet zo goed en dat ‘niet weten’ zou nog boeken kunnen vullen, maar ik ben Walschap niet.