Categorie: Opinie

Het individu begrensd!

Er moet me iets van het hart.  Het zal me opluchten. Het was schokkend om het te zeggen. Ik wist op voorhand dat het schokkend was om het hier te schrijven maar iedereen heeft het volste recht om geschokt zijn. Niemand mag het voorrecht ontnomen worden om niet eens door woorden beledigd te worden. Niemand hoeft dit tekstje te lezen. Je hoeft het niet leuk of goed te vinden. En als je het leest en je vindt het rotslecht, hoef je er niet over te zwijgen. Je mag het me aanwrijven en je mag je erover beklagen. Je mag me er zelfs voor verwensen. Al die dingen mag je doen.  Tot daar mag je gaan en dan moet je stoppen en dan moet je zwijgen.

‘…Elke socialist is met zekerheid een luierik en waarschijnlijk een Moslim-neuker’.  ‘Het leidt geen twijfel dat elke Vlaams-Belang-er racist en wellicht een fascist is.’ ‘Het is toch de waarheid dat alle journalisten linkse ratten zijn.’ ‘Meghan Markle is zonder enige twijfel een opportunistische poen-scheppende derderangs actrice en het is aannemelijk dat Prins Harry een sloef zonder ballen is.’ ‘Laat er geen twijfel over bestaan dat Filip Joos en Frank Raes vooringenomen klootzakken zijn die het beste voor eeuwig en een dag van het scherm verdwijnen, en Mark Van Ranst en Erika Vlieghe zouden dringend langs vanachter moeten genomen door dertien met Covid19 besmette bronstige Watoetsis…’

Indien je het wenst ga ik nog even door want “Ik” heb het recht om die dingen te zeggen en te schrijven. Vrije meningsuiting is mijn grondrecht. Dat “anderen” uitlatingen zoals deze als schokkend, verontrustend of kwetsend ervaren, doet niets ter zake.  Wil de “Westerse Beschaving” en de vrijheid nog iets betekenen, betekent het zeker dat men het recht moet behouden om dingen te zeggen die niemand wil horen, die kwetsen.  Wordt me die vrijheid ontnomen, kan ik net zo goed dom en stil zijn, zoals vee naar de slachtbank geleid wordt. Persvrijheid zonder voorwaarden of schrijven zonder de beperking in toon of nuance, houdt echter ook in dat ik dit met dezelfde ongeschreven regel doe als met de afspraak dat de afstand tussen twee woorden door een spatie gescheiden moet worden. Maar taal past zich klaarblijkelijk niet automatisch aan. Taal hoeft niet aan normen of aan de waarden te voldoen van een beschaving die we ondertussen zouden moeten geworden zijn. Alles mag en alles moet kunnen, dus wees een beerput als je wil maar schrik niet dat wanneer je het deksel ervan optilt, je de rottende stront ruikt van de maatschappij die we aan het worden zijn, één die zo langzaam gist tot we niet meer kunnen ademen. 

Het is niet omdat het jouw stinkende waarheid is, dat het “de waarheid” is…

Pussy-wagons in Antwerpen

Of Antwerpen dan wel Rotterdam zich tot grootste Europese zeehaven van Europa mag kronen is een manier om dit opiniestuk te beginnen maar heeft in al wat hierna volgt evenveel belang, als het feit of Kevin De Bruyne nu straks, wel of niet meespeelt in de Nationsleague-wedstrijd, Denemarken – België. Dat de Antwerpenaren de haven van Rotterdam wellicht als ‘De Parking van de Zeehavens’ beschouwen, doet dus nu even niet ter zake. Laat ons het er gewoon over eens zijn dat de Antwerpse haven met zijn overslagcapaciteit van ruim 200 miljoen ton tot één van de grootste van Europa behoort. Dat via die havenpoort op Europa af en toe een pakje wiet wordt binnengesmokkeld zal dus niemand verbazen.

Hoewel t’ Stad, zich een tijdje in een lockdown bevond, was de drugsmaffia dat allerminst. Zo werd in de eerste helft van het jaar maar liefst 28 ton cocaïne onderschept, aldus Kristian Vanderwaeren, administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen. Dat de het witte poeder van de drugsmaffia in de binnenstad opduikt om daar een afzetmarkt te zoeken is logisch want in het bruisend uitgangsleven is een feest nu eenmaal geen feest meer zonder een sneeuwstorm in de neus.

Van film ken ik niets, maar wat ik wel weet is dat filmscenaristen zich dikwijls beroepen op bestaande feiten om hun prent inhoud of geloofwaardigheid te geven. Maar zo niet in Antwerpen, want daar lijkt het tegenovergestelde aan de gang. Dat blijkt uit de berichtgeving van VRT NWS waar gemeld wordt dat verschillende drugsbendes met man en macht op zoek zijn naar een drugscrimineel, die grote partijen cocaïne zou zijn kwijtgespeeld. Dat geweld in die speurtocht niet geschuwd wordt, bewijzen de kogels en de granaten die de afgelopen dagen in de koekenstad rond de oren vlogen. Je zou bijna vermoeden dat de film, Patser van Adil en Billal in het echt wordt opgevoerd, al mis ik in deze versie de frivole Badia wel, maar misschien wordt Jinnih Beels als fout-getypecaste-flik nog wel opgevoerd. Anyway om in drugs te doen, om het in je neus te blazen of om erover te schrijven moet je een beetje ‘zot in uwe kop’ zijn.

Waar je echter niet ‘zot in uwe kop’ voor moet zijn, is om vast te stellen dat de frontlinie in deze war on drugs een paar kilometer verkeerd staat. Wanneer oorlog gevoerd worden zou je er toch mogen vanuit gaan dat een historicus als Bart De Wever bij de les is. Van zijn vrienden zou hij toch al moeten vernomen hebben dat de geallieerden niet in Calais zijn geland maar wel in Normandië, maar misschien is deze vergelijking wel een ‘pantsertank op een varken’. Of toch niet? Met zekerheid weet ik dat natuurlijk niet, maar ik vermoed dat Bart De Wever liefst niet in de achtertuin van de Fernand Huts gaat rommelen om daar een beetje orde op zaken te stellen. Bon, wat ik wel weer weet is, dat er vorig jaar al, volgens Kristian Vanderwaeren (dezelfde Administrateur van Douane en Accijnzen als die van daarstraks) plannen bestonden om elke container die ‘den Blauwe Steen’ passeert, op drugs te laten besnuffelen. Alleen, is er één probleem, de investering van die ‘snuffelaar’ is een redelijk dure affaire. Die investering zou naar verluidt vele miljoenen kosten en met een federale regering in lopende zaken is het er nog niet van gekomen en in de Vlaamse regering? Ja, daar zijn ze het vergeten. Nu blijkt dat er eerst een financieringsmodel moet opgezet worden om die noodzakelijke drugssnuffelaar te betalen. Men moet het alleen nog eens worden of dat ding door Europa, Federaal, lokaal, privaat of een combinatie van dit alles moet afgedokt worden. Als de haven niet uitgemest wordt blijft het in het centrum dweilen met open kranen. Om dan maar wat sneller bliksems en granaten af te leiden, besliste De Wever om een paar Bearcats aan te schaffen. Die logge ‘patsertuigen’ hebben erg veel weg van bulldozers en zullen in de binnenstad ingezet worden tegen drugskoeriers die zich (houdt u vast) verplaatsen met snelle brommertjes. Als je het mij vraagt, had hij die brute oorlogstuigen beter ingezet, als ‘GRAAF-Machien’ om de wegeniswerken aan de Kennedytunnel wat vooruit te laten gaan.

In elk geval, nu Bart De Wever zichzelf opwerpt als de nieuwe Eliott Ness van Antwerpen, lijkt hij een nieuw aanknopingspunt te hebben gevonden met de geschiedenis al heeft hij met zijn ‘Kill Bill, pimped-up Chromed-out Pussywagons’ ook wel heel erg veel weg van Astrid Bryan.

Het juiste eind

Toen ik, net zoals jij, mijn zorgeloze vrije leven voor een lange tijd moest uitstellen naar een verre ondefinieërbare toekomst, werd ook ik door mezelf en door de nieuwe realiteit uit mijn lood geslagen. Een inzinking of depressie wil ik het zeker niet noemen maar wolkenloos was mijn hemel niet. Zo herinner ik me goed dat ik de laatste paar maanden een aantal nachten wakker heb gelegen en de slaap niet kon vatten, omdat onbevattelijke angst telkens terrein bleef winnen op opgebouwd vertrouwen. Naiëf of paniekerig zou ik me normaal gesproken niet gauw noemen, integendeel, ik geloof dat ik van nature eerder met een kritische blik naar de dingen kijk die rondom mij gebeuren dan dat ik ze zomaar voor waar aanneem. Daardoor ben ik ongevraagd, mogelijks genetisch bepaald, ook wel belast met een eindeoos rusteloze ziel. Ik hoef je niet te zeggen dat de onzekere situatie waarin we ons vandaag al een tijdje bevinden, mijn gedachten nog vaker en nog onstuimiger deed ontsporen dan dat ik dat tot dan toe van nature gewend was.

De afgelopen jaren heb ik echter ondervonden dat het voor mij persoonlijk beter is om hier, tijdig mijn volle rugzak uit te kieperen vooraleer hij me te zwaar begint te wegen. Hierdoor heb ik geleerd om op zoek te gaan naar oorzaken, gebeurtenissen of feiten die mijn dagelijks leven verzwaren. Sterker, ik denk dat de mens in het algemeen, meestal geneigd is om die dingen te verklaren, zeker wanneer ze een zware emotionele lading hebben of wanneer ze een grote maatschappelijk impact hebben. Maar misschien mag ik me niet vergelijken met de mens in het algemeen en hoef ik alleen maar voor mezelf te spreken, te schrijven in dit geval.

Ik denk dat wanneer het leven onverwacht moeilijk wordt en wanneer een directe verklaarbare oorzaak ontbreekt of wanneer er onvoldoende betrouwbare achtergrondgegevens voorhanden zijn om de dingen die gebeuren uit te leggen, er ruimte wordt gemaakt voor speculaties en eigen interpretaties die ver weg liggen van de feiten. Door de consensus te ondermijnen ontstaan de wildste hypotheses die gebaseerd zijn op geheimzinnige of fantastische theorieën die beïnvloed worden door persoonlijke overtuigingen van minder kosjere figuren, die er op de een of andere manier voordeel willen uithalen, voor zichzelf of voor het doel dat ze voor ogen hebben. Waarom anders raken mensen opeens overtuigd dat de wereld plat is, dat Hilary Clinton babybloed drinkt of dat 5G of de pharmaindustrie aan de oorzaak ligt van het Coronavirus?

Zei Friedrich Nietzsche niet ooit dat overtuigingen een grotere bedreiging vormen voor de waarheid dan een leugen? En maakt dit legendarische hystorische citaat hem dan niet tot de hevigste complotdenker ooit, omdat ik overtuigd ben dat hij het met die uitspraak bij het juiste eind had?

In ieder van ons zit er een.

Verslaving of afhankelijkheid? Al hebben die twee woorden een andere bijklank, in mijn ogen betekenen ze net hetzelfde. Ze roepen bij vele mensen weerstand op, omdat ze beladen zijn met taboe, met vooroordelen en met ontkenning. Deze zomer vierde ik mijn negende verjaardag. Ik druk me expres zo uit, omdat het echt zo aanvoelde. Mijn leven kreeg pas weer betekenis toen ik gestopt ben met het leven zelf weg te drinken. Langer dan dertig jaar heeft het geduurd vooraleer ik mijn mening over alcohol en drinken in de juiste richting kon bijsturen. Vandaag is mijn kritiek op alcoholgebruik dan ook scherper en harder. Ik wikkel er geen doekjes meer rond wanneer ik erover spreek omdat ik mezelf als proefobject mag beschouwen en ik mezelf, mijn gedrag, mijn denken en voelen objectief mag beoordelen, zowel als drankorgel maar ook als herstellende verslaafde.

Over het gebruik of misbruik van hard drugs raken de meeste mensen het nog wel eens. Dat soort gedrag van spuiten, snuiven en roken wordt maatschappelijk en door de meeste onder ons als problematisch aanzien. Maar wist je dat er geen enkele afhankelijkheid zo ontkend wordt als alcoholafhankelijkheid? Alcoholmisbruik wordt genegeerd door onze maatschappij, onkend door onze cultuur en bijgevolg door ieder van ons niet als niet problematisch en dus als normaal beschouwd, omdat het “erbij” hoort. Alcoholafhakelijkheid wordt ten onrechte nog vaak alleen maar geassocieerd met dakloze zwervers die hun dag op straat doorbrengen en samenklitten op ranzige plaatsen om er samen, van ‘s morgensvroeg tot ‘s avondslaat halveliterblikjes bier of goedkope wijn uit kartonnen pakken te drinken om verder geen enkele maatschappelijk rol van betekenis meer te spelen. Toen ik nog dronk, vergeleek ik mezelf ook altijd met de anderen, met “de anderen” die meer dronken dan ikzelf. Ik vergeleek me dan ook met de zatte straatzwervers die ik hieboven beschreef. Om mijn eigen gedrag met die vergelijking te minimaliseren kwam ik tot de verkeerde conclusie dat ik (nog) geen probleem had omdat ik alles nog bezat. Ik had toch nog een vrouw en kinderen en werkte toch nog. Misschien dronk ik alleen wat veel, maar daar deed ik buiten mezelf toch niemand kwaad mee? Wat ik mezelf niet vertelde was dat die mensen met wie ik mezelf vergeleek wellicht vroeger in hun leven ook moeten gedacht hebben dat ze (nog) geen probleem hadden en dat ze met hun drinken niemand kwaad deden, maar daar wel zo lang mee zijn doorgegaan tot ze niet meer konden stoppen en alles, zelfs hun menselijke waardigheid, kwijtspeelden aan een halveliterblikje of een karton wijn.

De dingen en de trucs waarmee toen ik mijn afhankelijkheid verdoezelde zijn herkenbaar omdat ze universeel zijn voor iedereen die zich ik de gevarenzone bevindt. Ik heb niet de pretentie om afhankelijkheid te meten aan het aantal glazen per dag of per week. Ik heb niet de kennis om drinken door vrouwen anders te beoordelen dan drinken door mannen. Ik kan niet zeggen dat te veel sterke drank erger is dan te veel pintjes drinken. Wat ik wel uit eigen ervaring kan zeggen en wat ik met zekerheid weet, is dat ik mijn overmatig drankgebruik altijd heb ontkend en dat ik de hoeveelheden die ik binnengoot altijd heb geminimaliseerd, tegenover mezelf maar zeker ook tegenover anderen, of ik schepte erover op wanneer ik me in het “juiste gezelschap” bevond. Ik wist ook dat ik diep van binnen niet content of fier was met het feit dat het steeds opnieuw uit de hand liep en dat ik niet meer in staat was om een maat te houden. Ik betrapte me erop dat ik in gedachte en in ‘t geniep jaloers was op mensen die wel “sociaal” konden drinken. (Al bestaat die term nu in mijn ogen niet meer). Ik merkte ook dat ik een ongezonde relatie had opgebouwd met mijn drank die langzaam maar zeker de greep op mijn leven(r) begon over te nemen. Opeens en zonder duidelijke verwittiging bevond ik me in een destructieve machtsrelatie waarin ik hulpeloos en krachteloos in een soort van weerloze slachofferrol werd geduwd, niet meer in staat grip te krijgen of weerstand te bieden. Langzaamaan begon ik het leven te ondergaan waarin het drinken van wijn en bier een doodnormale gewoonte werd, zoals douchen en ontbijten. Elke gelegenheid, of het nu een begrafenis, een huwelijk of een babybezoek was, was steeds de juiste om het helemaal uit de hand te laten lopen. Bij alles wat ik deed – ik kon zelfs het gras niet meer maaien om mezelf nadien met minstens drie pinten te “belonen” – kwam alcohol te pas, tot ik ermee opstond en ik ermee ging slapen. Ik dronk als het goed ging en ik dronk als het slecht ging en omdat het een gewoonte geworden was deed ik het ook op alle andere momenten. Ik overschreed mijn eigen grenzen en die van anderen. Ik loog en bedroog, werd dik, pafferig en lelijk. Ik stonk en ademde uit al mijn zintuigen lusteloosheid uit. Mijn energiepijl daalde en mijn zelfbeeld ging mee de dieperik in.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat mijn alcoholprobleem ook ontstaan is door het ontkennen ervan, door het te verdoezelen en door het te minimaliseren. In het begin door het af te meten aan normen van alcoholtests die je her en der op het internet vindt, om dan net onder het toelaatbaar aantal glazen te blijven, of door ze iets groter in te schenken, nadien om me te vergelijken met de metro-zwervers en te besluiten dat ik geen probleem had. Ik wil alleen maar zeggen dat de problematiek van alcoholisme en de afhankelijkheid ervan, meer aandacht verdient dan een maatschappelijk oordeel over straatzwervers om er ons eigen drankgebruik mee te minimaliseren, want een alcoholist houdt zich schuil in ieder van ons!

Daarom moeten negers weg!

Mocht de mogelijkheid bestaan dat één ‘neger’ door één standbeeld te slopen ooit een ‘blanke’ zou kunnen worden, ik ben zeker dat Michael Jackson, Mount Rushmore al lang met de grond had laten gelijk maken.

Vooraleer controverse ontstaat over de woorden ‘neger’ en ‘blanke’, Halt!

Alvorens sommige fanatieke witten (de blanken) hun persoonlijke ‘Vlaamse culturele vrijheid van meningsuiting’ veilig willen beginnen stellen door moord en brand te schreeuwen omdat hun cultuur bedreigd wordt omdat het n-woord uit het taaleigen zou kunnen geschrapt worden. Specifiek voor hen wil benadrukken dat met het ‘n-woord’, een persoon bedoeld wordt die van nature een donkere huidskleur heeft en Afrikaans van oorsprong is en dat de betekenis niet moet worden gevonden in het n-woord dat dikwijls in Amerikaanse B-films denigrerend gebruikt wordt. Voor de volledigheid en voor de andere doelgroep wil ik verduidelijken dat met het ‘b-woord’ een persoon bedoeld wordt die van nature een bleke of pigmentarme huidskleur heeft en zichtbaar Europees van oorsprong is, al zou ik hem voor hetzelfde geld ook als ‘kleurloos’ of als ‘verbleekt’ kunnen omschrijven. Het is maar dat we mekaar goed begrijpen wanneer we zouden besluiten om elkaar voortaan verder als ‘neger’ of als ‘witte’ te blijven aanspreken, afhankelijk of je als ‘blanke’ dan wel als ‘zwarte’ geboren bent, in Afrika dan wel in Europa. Of is het allemaal niet zo eenvoudig?

Niet dus, want de definities van ‘zwart’ en ‘wit’ rammelen op zich al zo hard als lege blikken op een zinken dak tijdens een storm , want ervan uitgaan dat ‘blanken’ Europees zijn en ‘zwarten’ Afrikaans is door de realiteit achterhaald door pakweg Romelu Lukaku, Harry Belafonte of Michael Jackson en Beyoncé en bij uitbreiding door alle andere wit-Europese-Amerikanen wiens voorvaderen het land waarop zij leven van de Indianen stalen. Over de kleuren van de rassen kan echter niet gediscussieerd worden, hoewel sommige blanken uit het Noorden er soms iets roziger uitzien dan hun donkerdere soortgenoten uit het Middellands zeegebied, om de vergelijking in Europa te houden. En dan heb ik het nog niet gehad over de gekleurde mensen die qua tint toch ook niet allemaal eender zijn. Zij komen namelijk ook voor in alle schakering variërend tussen donker- en lichtzwart.

Mijn leeftijdsgenoten en ikzelf zijn van een generatie die het over ‘negers’ had wanneer de zwarte medemens, in welke kleurschakering dan ook, bedoeld werd. Mijn hele jeugd kreeg ik het flink ingepeperd dat ik mijn bord moest leegeten omdat de ‘negertjes in Afrika (er werd dan nog -tjes aan toegevoegd) geen eten hadden. In het college moest ik zilverpapier sparen voor de missieposten van ‘pater masturbi’ en ‘zuster menstrua’ die zichzelf, in naam van Jezus, als doel hadden gesteld om de ‘zwartjes’ met onze godsdienst lastig te vallen. ‘Negers’ dus en ik moet grif toegeven dat mijn kinderen, wat dat onderwerp betreft, sneller fijnbesnaard werden dan ikzelf. Om niet te zeggen dat ze zich heel lang gestoord hebben aan mijn oubollig woordgebruik. Meermaals zei mijn jongste zoon, ‘Papa, ‘neger’ (niet dat hij mij toen met ‘neger’ aansprak), ‘neger’ dat is racistisch taalgebruik.’ Omdat ik de naam van racistisch vader niet achter mij aan wou slepen, begon ik erop te letten om vanaf dan het woord ‘zwarte’ te gebruiken. Vanaf dat moment was het ‘zwarte’, terwijl mijn brein ‘neger’ bleef roepen omdat ikzelf ‘zwarte’ als meer discriminerend percipieerde dan ‘neger’. Het benoemen van de kleur van een mens was in mijn ogen net meer beledigend en nog meer een illustratie van misplaatse superioriteit en discriminatie. Ik zeg toch ook niet ‘gele’ tegen een Aziaat of ‘bruine’ tegen een Indiër ook al kunnen die soms behoorlijk zwart zijn. Moet om een volk te benoemen, kleur dan per se als primaire menselijke eigenschap benadrukt worden als je daar zelf niets kan aan doen of kan aan veranderen? Net zoals je als man of vrouw geboren wordt al kan je tegenwoordig al gemakkelijker van gender-jas veranderen als de juiste dingen afgeknipt en omgezoomd worden.

Enige tijd geleden gooide ik mijn zwart-wit-dilemma voor de voeten van een Vlaamse donker-gepigmenteerde medemens die hier geboren en getogen is en wiens dialect liet uitschijnen dat ze uit een achtergesteld gedeelte van Vlaanderen afkomstig is. Wie het was, doet niet ter zake maar het kostte haar niet veel moeite om mij als overtuigde ‘negermisbruiker’ in het zwart-witdebat tot een andere inzichten te brengen. Met een paar simpele voorbeelden deed ze dat. Nadat ze naar mijn ‘negerverhaal’ geluisterd had zei ze, Jan stel je eens voor dat er niets aan je verleden verandert. Je jeugd, je studies, het gezin waarin je opgegroeid bent, je lief en je kinderen alles blijft hetzelfde. Alleen vanaf nu moet je als zwarte door het leven. Maar geen paniek. Ook aan het leven dat je nu leidt verandert niets. Vrouw, kinderen, je werk en hobby’s, alles blijft zoals het nu is. Je blijft exact dezelfde persoon als wie je daarvoor was. Met dien verstande dan, dat als je toevallig een verkeerde Suske en Wiske-album vastneemt, het je zal opvallen dat de jouwen, steeds stereotiep blootsvoets, met Zoeloe lippen en in een strooien rokje worden voorgesteld. In de geschiedenisboeken zal je merken dat je voorouders op de wereldtentoonstelling van ‘58 als bezienswaardigheid of curiositeit werden voorgesteld, soms nog in een kooi. En aan je voelsprieten zal je merken dat mensen je subtiel minder aux-serieux nemen omdat jij toevallig een tintje donkerder kleurt dan diegene die als blanke het woord tot je richt. En als je dan niet als zwarte piet wordt afgeschilderd word je wel benaderd als iemand om medelijden mee te hebben of word je subtiel vermeden of gehaat omdat je in de zwarte kleurenminderheid zit, langs de verkeerde kant van wat als juist, als goed of als niet gevaarlijk wordt aanzien.

Wanneer ik dan in een meme op internet geconfronteerd wordt met zwarten die op dezelfde manier weggezet worden als bavianen die in het Krugerpark in Zuid-Afrika een wagen plunderen, alleen met de bedoeling om dat beeld als universeel gedrag van alle zwarten te extrapoleren, denk ik dat het is hoogtijd dat ‘negers’ in die betekenis van dat woord er uitgaan. Of althans dat aan de grondslag van dit potentieel ‘subtiel’ racisme paal en perk gesteld wordt. Of daarbij het standbeeld van die scheve monarch moet sneuvelen is een beslissing die ik met plezier overlaat aan die mensen die we al honderden jaren den duvel aandoen.

Brood en Spelen.

Panem et cricenses’ of te ‘Brood en spelen’. Deze legendarische woorden zijn geschiedkundig erfgoed of zouden dat moeten zijn. Ze komen uit de mond van de Romeinse criticus Juvenalis. Meer dan 2000 jaar geleden hekelde hij met deze sarcastische uitspraak het verval van het Romeinse Rijk. Door ‘brood en spelen’ te roepen, schimpte hij op de elite en probeerde hij het plebs diets te maken dat het oogkleppen ophad, stekeblind was, zich liet onderdrukken en niet verder keek dan de neus lang was.

Lang voor Juuzekes tijd en toen God nog niet geboren was, was kwaliteitsvol levensonderhoud in Rome veel te duur en lag het bestuur op apengapen. Hierdoor trokken onze ‘Omeinense kameraden krom van honger en dorst en heerste er in het hele Rijk wrevel en onvrede. Om het volk te sussen organiseerde Juul-Cezaar, paarden- en wagenrennen en bloederige gevechten tussen dieren en mensen. Op deze Romeinse Happy-Hours kreeg het plebs gratis brood en wijn toegestopt zodat ze zich niet te fel zouden roeren over maatschappelijke problemen. Ik hoef dat allemaal niet uit te leggen want deze praktijken zijn cultureel en geschiedkundig erfgoed, toch?

Tot spijt van wie het benijdt, zijn de Romeinse Keizers allemaal ‘ad patres’. Toch drukt een deel van onze politieke elite zich vandaag nog heel graag uit in de taal van de Keizer die net zo dood is als de Keizer zelf. Mocht echter door de huidige politieke elite enkel de Latijnse taal gerecycleerd worden, ik zou dat nog kunnen kwalificeren als een eerbetoon aan cultureel, geschiedkundig en politiek erfgoed, maar bon ze hebben besloten om een stapje verder te gaan. ‘Abusus non tollit usum.’

Aangzien Juvenalis net zo dood is als Juul Cezaar, zal ik het maar roepen.

‘In vino veritas’. In wijn zit waarheid’, wellicht opent, daarom de Horeca morgen haar deuren. Hopelijk zal het staminee dan inspiratiebron zijn voor meer maar vooral voor beter inzicht. Begrijp me absoluut niet verkeerd. Ook ik snak naar koffie en gezelschap op een gezellig terras want net als het Romeinse Rijk toen ligt de Horeca nu op apengapen en kan deze best wat steunmaatregelen gebruiken. Maar als de economische relance in het algemeen en de opwaardering van de zorgmaatschappij in het bijzonder, alleen moet komen van een BTW-verlaging en van wat drinkgeld voor het plebs neigt deze maatregel naar ‘Brood en Spelen.’

‘Ad Fundum’ of ‘Ad Libitum’ maar doe zoals Juvenalis en kijk verder dan je neus lang is!

Tuig met een das

Beste teerbeminde Vlaming, wie ik een warm hart toedraag,

Mag ik me even tot U wenden met dit kort briefje. Ik ken U niet persoonlijk maar hoop stellig dat U het goed maakt en dat U en uw naasten gespaard zijn gebleven van groot Corona-onheil. Mocht dat niet zo zijn, spijt me dat. Toch ben ik overtuigd dat U hoop, moed en kracht zal vinden en dat U goed omringd bent om de last te dragen en uit het dal te klauteren. Want, wij Vlamingen kunnen dat. Wij zijn veerkrachtig en kunnen wel wat tegenslagen aan. Wij zijn niet de eerste de besten. Caesar zei dat al. “Die Galliërs” want zo noemden hij ons toen, “dat is een taai volkje.”

Taai zijn we maar boos kunnen we ook zijn.

Ik ben het alleszins. Sterker nog, ik kook want als ik zie hoe de regering bij monde en gratie van het N-va, “het nieuwe normaal” tracht vorm te geven, wint bij mij boosheid het van vrolijkheid.

Nochtans, toen ik vanmorgen mijn ogen open sperde had ik niet de intentie me op enige gramschap te laten betrappen. De negatieve krantenberichten zouden niet de kans krijgen om mijn humeur te besmeuren omdat ik vast besloten had ze niet te lezen.

Tot daarnet. Meer uit verveling dan uit interesse (mijn gramschap weet je wel), heb ik in een onbewaakt moment toch de dagelijkse tijding opengeslagen. Na twee krantenkoppen had ik al meer zin om er mijn barbecue mee aan te steken dan om me er als plichtbewuste burger verder mee te informeren. Uiteraard moet het vandaag gaan over relance-maatregelen om ons dagelijkse leven min of meer terug te winnen en te bekostigen. U en ik hebben namelijk al lang genoeg in ons kot op elkaars lip gezeten.

Maar de krant dus. Toen ik ze openvouwde en van mijn koffie slurpte las ik bij monde van Jan Jambon volgende uitspraak in vette rode letters: “Alleen bedrijven die voor de Corona-crisis gezond waren, moeten we er met steunmaatregelen door trekken.” Ik kon een frons nog net onderdrukken want ik ben van mening dat bedrijven in moeilijkheden ook nog bijdragen aan de economie van dit Vlaamse land maar soit, ik ben geen minister-president en kan me zulke uitspraken niet permitteren. Maar mijn mond viel helemaal wagenwijd open toen ik de uitspraak van Ben Weyts, nota bene minister van onderwijs onder de ogen kreeg. “Voorrangsregels voor Vlaamse kinderen in de rand.  Geen tijd en energie verspillen aan inefficiëntie”.  

Nu kan je als overtuigd Flamingant fel gekant zijn tegen transfers naar Wallonië. Je mag voor mijn part Walen als luie profiteurs aanzien die liever staken dan werken maar als je maatregelen begint te faciliteren om onderscheid in kinderen in stand te houden, alleen maar omdat ze niet de taal spreken die jij graag hoort, ben je tuig met een das, niet waardig om een politiek ambt uit te oefenen en zeker niet dat van minister van onderwijs. Weyts ga je mond spoelen met bruine zeep en laat je hersenen in een keer mee spoelen.

U, beste Vlaming, U weet wel beter. U beseft wellicht ook dat de slinger een beetje naar de verkeerde kant is doorgeslagen. U neemt uw wensen niet voor waarheden en U beseft ook wel dat relance niet alleen zal komen van economische groei die onzeker is. U beseft ook wel dat we misschien best wat aandacht en centen besteden aan zorg en klimaat en dat voor wat het economische groei betreft, de sky de limit niet meer hoeft te zijn. U beseft ook dat kansarme kinderen geen voorrangsregels vragen maar gewoon dezelfde behandeling als Vlaamse kinderen in de Brusselse rand zodat zij ook op een laptop aanspraak kunnen maken al ben ik nog niet zeker of er centen genoeg zullen overschieten om de internetverbinding te kunnen bekostigen.

Ik leef op hoop.

Wordt het niet tijd dat de oudere generatie tot besef komt dat de jongeren zich op economisch en op vlak van mentale gezondheid aan het opofferen zijn? Is het niet hoogtijd dat ouderen inzien dat zij en alleen zij, hoofdzakelijk verantwoordelijk zijn voor de economische last van deze coronacrisis en dat de jongeren in onze maatschappij het grootste slachtoffer dreigen te worden? Is het niet normaal dat de factuur van de crisis wordt doorgeschoven naar die generatie die er ‘verantwoordelijk’ voor is.  Deze uitspraken komen niet van mezelf maar van ene Jan-Emmanuel De Neve, een vreemde snuiter die door het leven stapt als gezondheid- en gelukseconoom, die lesgeeft aan de universiteit van Oxford en advies geeft aan de Britse regering. Ik prijs me gelukkig dat ik niet belast ben met een diploma gezondheid- en gelukseconomie en bijgevolg niet hoef na te denken over Coronacrisisfacturen en welke generatie de maatschappij daarin het meeste last bezorgt. Wie de baten verschaft of wie vanaf een bepaalde leeftijd economisch niet interessant genoeg meer is en rijp is om geliquideerd worden. Niet dat ik het niet eens ben met het vervuiler-betaalt-principe maar waar begint of waar eindigt de gedachte dat mensen vanaf een bepaalde leeftijd (en die van nature een groter gezondheidsrisico vormen dan de jonge generatie) de factuur gepresenteerd krijgen van deze crisis? Jan-Emmanuel De Neve dus, ik had er tot op vandaag nog niets over gehoord of en nog niets van gelezen maar ik kan niet anders dan te walgen van zijn van-de-pot-gerukte ideeën. Mocht zijn voorstel bij beleidsmensen niet op een koude steen vallen, staan we voor maatregelen die alles weg zullen hebben van een oneerlijke maatschappelijke afrekening. Als zijn maatschappijvisie in de praktijk gebracht wordt, zijn we maar een steenworp verwijderd van een beleid waar met roedenbundels en slogans van frustratie en wanhoop, generaties en groepen van mensen tegen elkaar zullen worden opgezet om te zoeken naar een ingebeelde gemeenschappelijke publieke vijand die moet opgeofferd worden.

Oorlog en crisis brengen het slechtste in de mens naar boven. Ik maak me daar al lang geen illusies meer over maar ik kan maar hopen dat de beste man zich vandaag diep schaamt over zijn ontspoorde gedachte en dat wij als samen en als samenleving (in de meest strikte zin van dat woord) een menselijker en meer solidair antwoord kunnen geven om het hoofd te bieden aan de gevolgen van deze wereldwijde pandemie.  Ik leef op hoop maar niet door uitspraken van een schertsfiguur als Jan-Emmanuel De Neve!

Ideologisch misbaksel

“Laat het hoofddoel van een ideologische strijd nu niet zijn om ervoor te sterven. Soms is het gewoon veel handiger om een beetje geduld te hebben en te wachten tot je tegenstanders dat zelf doen.”

Stel dat ik vandaag en uitgerekend op1 mei afgunst, winstbejag, egoïsme, eigenbelang en een nog een paar andere adjectieven waar ik even niet opkom, uit de wereld zou kunnen verbannen, zou socialisme dan morgen niet even overbodig zijn als ikzelf?

En wordt een lacune van de ideologie van je tegenstander dan niet de enige reden van bestaan van diegene waar je zelf supporter van bent? Is het in die logica dan niet vanzelfsprekend dat we onze tegenstander dan precies helemaal voor onszelf willen omdat we anders onze eigen identiteit en rechtvaardiging dreigen kwijt te spelen? Vijandigheid en nijd uit eigenbelang!

Grootdenkers zijn het erover eens dat dat de ingebakken gemeenheid of zwakte van het kapitalisme eruit bestaat dat de aardse zegeningen oneerlijk verdeeld worden.  Kunnen we het in die logica dan ook eens worden dat minderheidsdenken in het belang van de zwaksten nog een beetje bestaansrecht mag claimen? Al is het maar om de tragiek en de rampspoed een beetje eerlijker over de planeet te verdelen.

Ik pleit zeker niet voor communisme want net als bij kapitalisme worden dan mensen op dezelfde manier uitgebuit door andere mensen, maar dan omgekeerd. De rijken worden niet rijker maar de armen, armer! Dus laat ons even geduld hebben tot die tegenstrijdige ideologieën elkaar hebben uitgeroeid zodat op de ruïne van die misbaksels iets nieuws kan ontstaan.  Misschien noemen we het dan wel solidariteit of socialisme!

Wat met de jijrbees?

Nu ik een zee van tijd heb en ik me er met onzichtbare kluisters aan vastgeketend heb, kan ik het me nog meer dan anders veroorloven hem helemaal te verschijten met gedram. Gelukkig! Zonder dat iemand er aanstoot kan aan nemen, mag ik mezelf in deze gedwongen retraite helemaal suf piekeren of ik van deze artificiële ballingschap straks beter dan wel slechter zal worden. Mocht je in hetzelfde vel zitten als ik, zou je ook zomaar kunnen beginnen nadenken over werk en weelde of over de relatie of het verband tussen armoede en rijkdom.  Je zou mogelijks tot de snelle conclusie komen dat deze twee begrippen ogenschijnlijk elkaars tegenpool zijn. Je zou misschien tot de slotsom komen dat in dit land de statistische kans op echte armoede relatief klein is. Immers, met een beetje goede wil en wanneer je hard genoeg je nikkel afdraait is er aan plastiek overvloed nooit gebrek.  In deze economische gereduceerde welvaartsstaat komt het gros van de bevolking dan ook ogenschijnlijk niets te kort. En voor rampspoed en ontij werd een sociaal vangnet opgezet dat moet behoeden tegen persoonlijke of collectieve tegenslagen. Zolang de grootste hoop van de kudde kan werken om te consumeren zal de Westerse kommer en kwel tot een minimum beperkt blijven. Zolang de economische wind uit de juiste richting blaast, zal goedkoop, zwaar of vuil zorgwerk uit het Oosten geïmporteerd worden en zal duur en belangrijk werk uitgevoerd worden naar het Westen.  In de luxe van dezelfde waanzin zullen we elk jaar in de veilingen van Limburg tonnen overschotoogsten fruit en groenten vernietigen, zullen we met melkplassen morsen en zal de landbouw Europese subsidies kunnen slurpen wanneer ze akkerlanden weer een seizoen braak laten liggen.  In dezelfde waanzin van de omgekeerde wereld zullen we in december gretig bonen kopen uit Kenia en Egypte en zullen we in februari smakeloze aardbijen uit Marokko of Spanje op ons bord willen. Met die intellectuele economische masturbatie en met de welvaartsmythe als Playboy-prent zullen we de illusie in stand houden dat we armoede de baas kunnen blijven en zullen we ervoor zorgen dat we wereldeconomisch een verschilmaker kunnen blijven.

Wanneer armoede dan ogenschijnlijk helemaal uit ons gezichtsveld verdwenen is en wanneer politici door wetenschappers op hun geflipte hoogmoed gewezen wordt als er een verloren pandemie binnen waait, blijkt pas echt hoe wankel, nietig, afhankelijk en straatarm we als samenleving geworden zijn. We krijgen zelfs vandaag, onze witte wereldtrots, de asperge niet meer zelf uit de grond gestekt. Gelukkig is het witloofseizoen voorbij maar wat straks met de jijrbees?

Welterusten, meneer de minister.

Geachte acht ministers van volksgezondheid en welzijn,

Ik denk wel dat jullie het al weten maar ik wil het nog even gezegd hebben zodat jullie er straks in jullie bed nog even kunnen over nadenken.  De afgelopen dagen zijn er 619 bejaarde mensen overleden in de woon- en zorgcentra.  Niet dat jullie al die slachtoffers persoonlijk zullen gekend hebben want dat kan natuurlijk niet maar mocht dat wel het geval zijn, jullie zouden hen wellicht allemaal geapprecieerd hebben. Jullie zouden ze een voor een tot ‘de jouwen’ gerekend hebben omdat het dat soort mensen waren die politici nog blindelings op hun woord geloofden. Dat gaat zo bij die generatie. Tegen jullie moet ik dat niet uitleggen want jullie weten als geen andere hoe dat gaat wanneer jullie hen in het rusthuis in verkiezingstijd de hand gaat schudden. Ik ben zeker dat jullie het gros van de oudjes die de afgelopen dagen moederziel alleen zijn doodgegaan zeker zouden waarderen. Niet alleen omdat ze ouder, grootouder, partner of vriend van iemand waren maar ook omdat ze gans hun leven hun botten afgedraaid hebben en ik maak me sterk dat jullie die babyboomers eindeloos dankbaar zouden zijn voor de belastingen die ze hun hele leven ‘afgedragen’ hebben. Want die generatie zegt dat nog zo, ‘wij hebben toch ook heel ons leven afgedragen om nog een beetje van onze oude dag te kunnen genieten’. Misschien is het veel te cynisch om te stellen dat ouderen wel goed genoeg zijn om tot 67 te werken maar te duur zijn om ze van de juiste zorgen te voorzien wanneer ze het nodig hebben. Maar eerlijk, is het dat niet wat er vandaag gebeurt? Ben ik te bitter of stel ik het te sarcastisch voor wanneer ik zeg dat de ‘gouden generatie’, zoals jullie hen zo vaak bestempelen door jarenlang falend beleid en platte besparingen in de steek gelaten werd? Ben ik te zuur wanneer ik zeg dat het spreadsheetbeleid waarvoor jullie met zijn allen verantwoordelijk zijn niet kon verhinderen dat die sukkelaars bang, alleen en zonder afscheid van hun naasten te kunnen nemen, naar de overkant moesten en dat ze op hun allerlaatste reis mochten vertrekken zonder de budgettaire cijfers al te hard verstoord te hebben?  Diegenen die het land gemaakt hebben tot wat het vandaag is hebben jullie zonder hulpmiddelen en zonder eerlijke kans opgesloten achter het glas van hun rusthuiskamer. Jullie hebben ze gemakkelijks halve en zonder richtlijnen in handen gegeven van een handvol radeloos geworden zorgverleners die niet eens voorzien waren van gepast beschermings- en testmateriaal om hun zorg veilig op te kunnen nemen. Ik ben echt benieuwd in welke bochten jullie zich straks gaan wringen om dit uitgelegd te krijgen. Alvast over de euthanasiekwestie hoeven jullie zich straks als deze crisis bezworen is geen zorgen meer te maken aangezien jullie het grootste gedeelte van die doelgroep al hebben laten stikken, letterlijk en figuurlijk.

Morele blinde vlek

Prediken dat er veel knappe mensen rondlopen die een betere levenswandel hebben dan de mijne, is een open deur intrappen.  Van nature ben ik namelijk liever lui dan moe. Ik mag dus nu niet in de verleiding komen om te verkondigen wie er in deze woelige tijden heilig mag verklaard worden en wie niet. Ik ben het zeker niet want een heilige ben ik nooit geweest en geen kans dat ik het ooit word, daarvoor ben ik veel te tam, te stram en veel te laf. Meestal kom ik niet verder dan een zijlijn om er veilig langs te supporteren of sta ik als kapitein zonder schip, langs de kade ‘awoert’ te brullen wanneer het mis gaat. Toch wringt er vandaag iets in de ziel van deze kakkerlak waardoor hij goesting heeft om heel luid te roepen en heel kwaad te tieren. Natuurlijk weet ik best dat niemand zit te wachten op mijn tirade en hoe ik naar de wereld snurk maar mag ik me vandaag alstublieft eventjes heel hard verbazen? Is het toegestaan om me in de kaak te knijpen zodat ik me met klaarheid van geest kan afvragen hoe verstand precies gemeten wordt en hoeveel je er van nodig hebt om in het bestuur van een land een rol van betekenis te mogen spelen.

Want… Nog vooraleer doden en slachtoffers geteld zijn en alvorens er een inschatting kan gemaakt worden hoe groot de impact van de Corona-crisis precies zal zijn, lanceert Zuhal Demir als minister van overbodigheden of als overbodige minister het idee om burgers met een tweede verblijf aan de kust, van koopbonnen te voorzien.  Om de economie een boost te geven!  Ik heb absoluut niets tegen mensen met twee of drie eigendommen en zeker niet tegen hardwerkende middenstanders maar nog vooraleer de lijken koud zijn, en terwijl de ziekenhuizen nog uitpuilen, acht zij het noodzakelijk om als een soort van Mata Hari van de macht ook eens iets te moeten zeggen.  Ze is per slot van rekening minister, toch?

De leden van haar club die zich ondertussen knus in de Nieuwe Vlaamse Autoriteit, (regering zeg maar) ingenesteld hebben vonden een half jaar geleden nog dat aan de tepels van de vette zeug die zorgsector heet, nog te veel profiteurs konden zogen en dat daarom nog wat vet van het spek kon weggesneden worden. Door echter kapot te besparen op onder andere de zorgsector zitten mensen die er vandaag hun nikkel in afdraaien in een houdgreep waardoor volksgezondheid bijna een schaars goed is geworden. Als ik de opsomming zou maken van mensen die vandaag verschil maken in dit land is mijn lijstje te kort. Zij vragen geen bonussen, zij vragen geen voorkeursbehandelingen of eisen geen privileges. Het enige waar ze zich vandaag zorgen over maken is over het feit of er morgen nog voldoende beschermingsmateriaal voorhanden is om veilig hun werk te kunnen doen. De winkeljuffen, brandweerlui, bejaardenverzorgers, ambulanciers, verplegers, chauffeurs, slagers, bakkers …krijgen van de politiek geen koopbonnen als pasmunt voor een toekomstige stem. Van de burgers in dit land krijgen ze gelukkig wel genoeg witte vlaggen en applaus als waardering omdat zij plichtsbewustheid, solidariteit, verantwoordelijkheid, fierheid en burgerzin wel heel erg waarderen en appreciëren dat zij met een enorm groot hart doen wat een maatschappij hoort te doen, namelijk zorg dragen voor elkaar.

Dus ik stel me opnieuw de vraag. Hoe meet je verstand en is die kennis dan doorslaggevend om er in dit land leiderschap mee te mogen opnemen?

Als ik bovenop de huidige omstandigheden dan ook nog met termen als ‘gezondheidseconmie’ en ‘optimalisatie van gezondheidszorg’ rond de oren geslagen wordt, komt het haar op mijn armen omhoog en kan ik alleen maar vaststellen dat onze ‘economie’ vandaag vol morele blinde vlekken zit, dat ze ethisch bijziend is en verreziend blind wordt.

Het Goede Doel!

“Ik heb getwijfeld over België maar ik nam geen enkel risico. Ik heb getwijfeld over België…”  

De muziek in mijn hoofdtelefoon doet trommelvliezen trillen bij de woorden van deze Nederlandse muziekgroep uit de jaren ’80.  Ze echoën haast profetisch… “Waar kan ik heen? Ik kan niet naar Duitsland. Ik wil niet naar Duitsland daar zijn ze zo streng”.  In zeven strofen bezong Het Goede Doel in 1982 haast voorspellend dat de wereld naar de kloten was. Met een handvol akkoorden zongen ze in uitvergrote clichés over landen van de wereld en over de stereotype kantjes van de mensen die erin wonen.  “In Duitsland zijn ze zo streng, in Cuba te eng.”

Vandaag draait de wereld vierkant en het is opmerkelijk dat elke natie vlucht en zich verschuilt achter eigen opgetrokken grenzen. Elk land plooit terug en dijkt zich in met de clichés en stigma’s die ze al vanouds kenmerken. “Ik kan niet naar China. Ik wil niet naar China, dat is me te druk en wat America betreft, dat land bestaat niet echt.”

Toen al waren er twijfels over België. Mogelijks was de in dubio van Het Goede Doel al even profetisch als terecht want geef toe, België vandaag… is dat niet de wereld in het klein? Of is België dan toch even niet meer het identitaire lappendeken van ogenschijnlijke tegenstellingen dat in stand gehouden wordt door diegenen die er belang bij hebben en garen op spinnen? Is België dan niet langer dat soort mini-Europa waarin elke samenhorigheidsgevoel gefnuikt wordt door politieke constructies waarvan niemand, tenzij een handvol doorwinterde specialisten nog weet hoe het tot stand kwam en welke doelen het heiligt?  Misschien is er een sprankeltje hoop en kan de constructiefout die België is, een labo of proeftuin van Europa worden waarin publieke en sociale belangen opnieuw gewogen worden in minder nationalistische contexten.

Want op het moment dat de wereld die door een virus in scherven uiteen dreigt te vallen, lijkt het te plotseling wel te lukken. Opeens blijkt het niet zo belangrijk dat, omdat het Noorden anders stemt dan het Zuiden, omdat er boven de taalgrens anders gewerkt wordt dan eronder en er een andere taal gesproken wordt, dat er anders gegeten en gevogeld wordt, er zich plots wel een solidaire gemeenschap lijkt te vormen. Is het omdat we vandaag allemaal hetzelfde beest bekampen, we hetzelfde onheilspellende nieuws en lezen we naar dezelfde debatten luisteren? Ik laat het in het midden maar langzaam maar zeker lijken we door samenhorigheid op onze zakdoek terreinwinst te boeken tegenover een gedeelde vijand. Noem me naïef of goedgelovig maar misschien is dat inzicht en die verbroedering in het mini-Europa wel een hoopgevende sprankel die de wereld nodig heeft. Al zal straks, als de crisis helemaal bezworen is, nog moeten blijken of er in België, in Europa en bij uitbreiding in de wereld een nieuwe generatie politici uit het puin zal opduiken die ons kan doen inzien en ons zal zeggen …

De USSSR.  Dat gaat me net te ver… Ik wil niet naar China, dat is me te druk … en wat Amerika betreft, dat land bestaat niet echt!”

Tunnelvisie

Ik beeld me weleens een wereld in zonder mensen en hoe hij er dan zou uitzien? Rustiger zal het zeker zijn daar twijfel ik niet aan.  Dat merkte ik de afgelopen dagen aan straten en pleinen en aan bossen en velden omdat die er door de obligate ophokplicht desolaat en verlaten bijlagen. Nog niet zo heel lang geleden, al lijkt het wel alsof zich dat toen in een ander leven afspeelde, heb ik me dat weleens afgevraagd. Niet dat mijn gedachten op dat eigenste ogenblik aanschouwelijk of concreet waren maar toch liet ik mijn fantasie de vrije loop en vroeg ik me af of het voor de wereld of voor de soorten die er vandaag op leven, dramatisch zou zijn mocht de mens er met één uppercut van moeder natuur vanaf gemept zou worden. Vandaag kan ik me, terwijl ik in mijn gouden kooi opgesloten zit en de vogels me vanuit de tuin toe fluiten, in dezelfde filosofische gedachte opnieuw de vraag stellen of ik van dat idee dan wel bang of eerder kalm en opgelucht moet worden?

Want laat ons wel wezen, van alles wat de aarde te bieden heeft, hebben wij ons tijdens de laatste millennia op recht- of onrechtmatige manier, barbaars eigenaar gemaakt. Bos, dier, plant, vis, lucht, zee en medemens, niets hebben we in onze tirannieke rooftocht ontzien en ongemoeid gelaten. Door onaantastbare verheven activiteiten hebben we ons opgeblazen gelijk een puit en hebben ons onrechtmatig tot Keizer verheven van een rijk dat ons niet toebehoord. Steeds weer zijn we met ogenschijnlijk waterdichte economische wetmatigheden en met verwerpelijke politieke hoogstandjes machtsstrijd aangegaan met de natuur en met elkaar. We hebben ons zo de arrogantie aangemeten en de illusie verschaft architect en bouwheer te mogen zijn van de wereldbol en van alles wat erop leeft.  Als ik dan vandaag, min of meer noodgedwongen, onze nietigheid relativeer stel ik vast dat de mens het enige wezen is dat voortdurend inhaalbewegingen moet doen op de puinhopen die hij achterlaat en dat we daar jaar na jaar met minder succes in slagen. Vermeende leiders die wij ons mandaat verschaffen, denken en handelen nog steeds hoofdzakelijk in macht en in economische belangen. Ze verwaarlozen maatschappelijke samenhang en dragen alleen maar water voor diegenen die ze op hun post en in hun zetel houden. De anderen minachten ze en verwerpen ze als paria’s.

De Trump’s, de Putins en de Johnson’s (om er maar een paar te noemen) van deze wereld blijven wederrechtelijk en op de kap van anderen hopen dat ze door intrest te betalen op het verleden en voorschotten te nemen op de toekomst deze planeet nog groter kunnen maken dan ze al is.

Vandaag geeft Covid-19 ons een les in nederigheid en in karma of in hoe je het ook wil noemen.  Met amper een diameter van een paar nanometer leert het virus ons dat met de natuur niet te sollen valt zelfs niet door verwaande, omhooggevallen gekken die nog steeds overtuigd zijn dat alles op deze kluit te koop of te huur is. 

Laat ons de hoop maar koesteren dat aan deze tunnelvisie die eindigt op een punt straks een einde komt en dat echte trekkers het voortouw nemen om met lessen die we nog moeten nemen en met meer respectvol sociaal globaal beleid de wereld er straks iets anders uit zal zien al ben ik zeker dat we het dan ook weer allemaal samen zullen moeten doen!

Monotoon cirkelgedrag

De ambitie om er te komen ben ik onderweg ergens kwijtgespeeld.  Ik heb mezelf nooit wereldburger gevoeld die de hele wereld nodig heeft om er zijn eigen speeltuin van te maken. Een selfie vlak voor La Sagrada Familia, of vanop de Chinese Muur en een kiekje naast de Taj Mahal hoeven voor mij niet per se om te voelen dat ik leef, al heb ik het natuurlijk ook weleens gedaan. Met mijn eigen kerktoren, met wat er zich er rond afspeelt en met de mensen die er in zijn schaduw rond kuieren heb ik meestal meer dan voldoende leute.  Van het koffieke op het terras van mijn favoriete staminee en van de gasten waarmee ik hem drink word ik door de band genomen al vrolijk genoeg. Al is dat hoogstwaarschijnlijk zo omdat Klaas, die ontegensprekelijk de beste cafébaas van Klein Brabant is, er telkens opnieuw ongevraagd een passend chocolaatje bij serveert. Sociaal connecteren benoemen psychologen dat soort gedrag tegenwoordig met een duur woord al omschrijf ik mijn trage levensstijl liever als zinvol lanterfanten. Om maar te zeggen dat ik simpel leef omdat ik de laatste jaren uiterst simpel in mekaar gepuzzeld ben. Niet dat jullie het zo moeten doen maar mij past dat trage leven net zo gegoten als ingelopen schoenen.

In ons drukke landje werken de meeste Westermensen zich echter dag in dag uit half lam.

Niet precies wetend waarom, draven wij elke dag opnieuw door als trekpaarden met oogkleppen op.  Met een versmald blikveld keren we dan elke dag grond en aarde om in de vore van de akker die we ploegen. Wij worden echter niet langer gemend door boeren die het goed met ons voor hebben of met hun veld. Neen wij worden gestuurd en gedreven door scheve politieke figuren die als vazal en waterdrager fungeren van de beurs en van de koers in een ontspoord en doorgeslagen globaal economisch, financieel systeem. Als we in die mallemolen van de waanzin dan eindelijk een schaars, vrij moment hebben gevonden, trekken we met zijn allen de wijde wereldkloot in. We rijden of vliegen dan naar alle uithoeken van de wereld om in een waardeloze poging daar een beetje dichter bij onszelf te komen. We doen dit vermoedelijk met zijn allen omdat het in ons dagelijks territorium een beetje te hectisch geworden is en omdat we er ons door dat dagelijks monotoon cirkelgang helemaal in hebben weg geprogrammeerd. Door veel te snel door het leven te surfen raken belangrijke en overbodige dingen helemaal door elkaar en worden ze even onvindbaar als twee dezelfde sokken in een overvolle wasmand. Stiekem droomden we jarenlang van minder e-mails, van minder professionele onderdompeling, van minder verplaatsingen, van meer zinvolle tijdsbestedingen van meer rust. Om voor de hand liggende redenen, omdat we dachten dat het zo hoorde, maar vooral omdat er maatschappelijke waarde en belang aan gemeten wordt, lieten we ons met de blik op oneindig en het verstand op nul diep onderdompelen in saaie statistieken, in overbodige rapporten en in nutteloze repetitieve handelingen om op die manier de allesverzengende productiviteit ten dienste te zijn van een economisch model waar een kat haar jongen niet meer in vindt.

Nu en door die afschuwelijke pandemie die als een kapitalistische boemerang in ons gezicht vliegt en waar we middenin zitten en een spoor van onrust, ziekte en chaos over de wereld trekt krijgen we de tijd er gratis bij.  Of, we kunnen ons beklagen en onze kasten opfretten omdat we anderhalve meter uit elkaars buurt moeten blijven en dat nog wel een tijdje zo zal zijn of we kunnen dromen over zaken die waardevol en essentieel zijn of zullen worden. Want de vrijheid om groot te dromen mogen we ons niet laten afnemen. Die ongebondenheid mogen we nooit loslaten en in tussentijd moeten we hopen dat dat dit alles snel voorbij is zodat de deuren weer open kunnen en grenzen kunnen overschrijden om mensen bij elkaar te brengen. Desnoods rond de kerktoren met een koffieke op een terras al mag het dan misschien wel iets uitbundiger.