Categorie: Man-Vrouw

Het eindigt nooit

Vermits ik door dat coronagedoe al een tijdje tot obligaat huisarrest verordeeld ben, en daardoor mezelf de inspiratie van toevallige ontmoetingen ontzegd heb, moet ik om te schrijven genoegen nemen met herinneringen aan kleurrijke figuren die ooit, al dan niet per abuis, levensecht of fictief mijn pad kruisten. Dat denkwerk valt me enigszins zwaar omdat ik naar mate ik ouder geworden ben zoveel herinneringen verzameld heb dat ze net zoals overvloedige economische of fysische wetmatigheden aan belang ingeboet hebben.

‘Waarover schrijf je, over wie gaat het’, vraagt ze achteloos terwijl ze zo een dunne zelfgerolde sigaret opsteekt dat ik me afvraag waarom ze überhaupt moeite heeft gedaan om er twee draadjes tabak tussen te draaien. Ze had evengoed gewoon papier kunnen paffen, maar die bedenking houd ik voor mezelf omdat ik geen zin heb in een discussie die nergens over gaat. ‘Het zijn maar wat nietszeggende zinnen’, lieg ik. ‘Ik probeer maar wat, in de hoop dat er iets komt.’

Normaal gezien interesseren mijn spinsels haar zoveel als voetbal maar nu leest ze over mijn schouder hardop mijn gedachten die ik zonet uit mijn pen heb gewrongen.’

… ‘Een hart gaat soms op slot, dat weet ik goed’, zei hij met een nauwelijk merkbare trilling in zijn stem. ‘Soms zelfs, om nooit nog voor iemand open te gaan.’ ‘Maar een hart heeft toch geen slot’, vroeg ze eerder droevig dan ontkennend, in de hoop dat hij haar van het tegendeel zou kunnen overtuigen. ‘Sommige wel’, antwoordde hij. ‘Er zijn mensen die de sleutel van hun hart voor een tijdje weggeven, in bruikleen voor later, in de hoop dat. Anderen dan weer zijn wantrouwig of achterdochtig en geven verschillende sleutels weg, aan verschillende personen, voor het geval dat, of voor de zekerheid. En dan restten nog diegenen die hun enige sleutel aan de verkeerde persoon gaven, om er dan verder nooit nog naar te kijken.’ ‘En hoe zit het dan met dat hart van jouw’, vroeg ze. ‘Heb jij je sleutel nog?’ Hij glimlachte verlegen en antwoorde haast onhoorbaar, ‘ de woorden die jij fluistert, zijn de sleutel van het mijne.’ In plaats van haar te kussen zei hij plotseling onverwacht mysterieus, ‘het is maar een spelletje’, alsof hij het gesprek een hele andere wending wilde geven. ‘Het leven is een spel, een geintje. Je kan alleen winnen als je deelneemt en de spelregels volgt die in het reglement staan of soms een klein beetje valsspeelt, net als in de liefde’. Ze protesteerde eerst hevig op die laatste ogenschijnlijk gevoelloze uitspraak van haar muze, ‘Nee’, sprak ze nadien stil maar gedecideerd terwijl ze haar mond in een fijne streep trok, ‘De liefde draait niet om geluk. Liefde is niet zomaar een gezelschapsspel. Wie graag ziet om te winnen, om de andere te domineren of om iets terug te vinden dat hij onderweg is kwijtgeraakt, is helemaal niet in staat om graag te zien. In het spelletje dat jij cynisch als liefde omschrijft, moet je verdorie elke dag keihard je best doen om niet te verliezen, al doe je dat helemaal op het einde toch altijd. Hoe hard je ook je best doet, hoe hard je ook valsspeelt. Op het einde blijf je altijd alleen achter of anders ben je dood. Voor die reden alleen al is de liefde helemaal geen leuk spel. De enige reden waarom je er aan meedoet is omdat je al kaarten al gekregen hebt en je niet meer kan beslissen of je meespeelt of niet. Je hebt de sleutel van je hart gekregen en het is aan jou om te beslissen wat je ermee doet en aan wie je hem geeft.’ Toen ze uitgesproken was en het lang heel stil bleef, keek ze hem aan met een droefnis alsof haar hart zonet in duizend stukken was gespat…

‘Schoon, ‘al maak je soms je zinnen niet helemaal af’, zegt ze terwijl ze de rook van dat opgestookt sigarettenblaadje in een rond wolkje blaast. ‘Hoe eindigt het?’ ‘Nooit, het eindigt niet’, antwoord ik, niet zeker wetend of ik daarmee het schrijven bedoel dan wel het spelletje waarover ik mijn gedachten liet ontsporen.

De geknipte man.

‘Lukt het alleen vanaf hier’, vroeg de verpleegster me nadat ze me de kamer had getoond en ze me een plastic zakje had overhandigd waarin een wegwerpscheermes, een paar steriele verbandjes en een flacon eosine zat. ‘Gaat het alleen’, vroeg ze iets nadrukkelijker, omdat ik nog niet op haar vraag had geantwoord.

Voor een verpleegster – die haar dagen op de dienst urologie van het ziekenhuis doorbrengt – was dit een doodgewone, alledaagse handeling. Ikzelf echter wist me geen houding aan te nemen om gepast te reageren. Zou ik neen durven zeggen? In mijn fantasie flirtte ik even met het idee om haar het karwei te laten opknappen, maar ik liet die gedachte even snel varen. Ten eerste omdat ik de avond voordien mijn voorzorgen had genomen en mijn intiemste zone zelf van haar- en schaamdons had ontdaan, maar ook omdat ik een vrouw met een mes niet vertrouw, ook al is ze verpleegster en ook al is het maar een wegwerpmes. ‘Neen, laat maar, het gaat wel’, prevelde ik behoedzaam. Het moest maar eens zijn dat ik haar, – terwijl ze mijn scrotum zat te scheren – plotseling aan iemand deed denken met wie ze nog een “eitje mee te pellen had” en dat ze mij met hem verwarde. Ik zou begot zomaar met één haal “al” mijn mannelijkheid kunnen verliezen.

Op de vraag waarom ik me tot op vandaag herinner waarom ze onder haar witte verpleegsteruniform rode lingerie droeg, is een kwestie waarop niemand het juiste antwoord kent. Misschien was het gewoon een zinloze demarche of een wanhoopsdaad van mijn hypophyse, om daar in de aanschijns van vrouwelijke wulpsheid, mijn laatste greintje mannelijke waakzaamheid ten toon te spreiden die ik op het punt stond definitief te verliezen. Maar ik negeerde deze hormonale stuiptrekking compleet omdat een man die zich in een situatie als deze bevindt maar beter zijn koelbloedigheid kan bewaren en niet mag vergeten voor welk hoger doel hij zich in deze gênante situatie heeft gemanoeuvreerd. Waarom dit verhaal door de mate van detail nog gênanter aan het worden is, is een vraag, waarop net als op de vorige trouwens, niemand een afdoend antwoord kan verzinnen. Wat wel iedereen weet is dat in de voorbije decennia al veel gezegd en geschreven is over de zogenaamde verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen en dat die aan de basis zou liggen van wederzijds onbegrip en misverstanden. In dit geval echter, was de man in kwestie, ik dus, niet te beroerd geweest om zich supercorrect van zijn meest inschikkelijke kant te tonen, namelijk zijn onderkant. Om zich daar, aan deskundigen te onderwerpen en te laten gebeuren wat moest gebeuren. Om de natuur een stapje voor te blijven, maar ook om mijn lief af te helpen van die dagelijkse dosis toegevoegde hormonen, want geloof me maar op mijn woord als ik je zeg dat ze er daar “gewoonlijk” al meer dan genoeg van bezit. Haar hormonenspiegel hoefde door mijn mannenverminking dus niet langer dagelijks, kunstmatig verhoogd te worden, al vreesde ik zelf wel dat mijn persoonlijke hormonenhuishouding erg zou kunnen lijden onder de ingreep die ik op het punt stond te ondergaan. Maar die angst – zo zou nadien blijken – zit voornamelijk tussen de oren, al wil ik niet ontkennen dat die zich op dat bewuste moment toch eerder tussen mijn benen bevond.

Omdat mijn supersonisch-viriele, mannelijke ego – dat op dat moment nog niet vermoord was – er maar weinig voor voelde om zich onder plaatselijke verdoving te laten ontmannen, maar ook omdat ik best wel van efficiëntie houd en ik ook een neusoperatie moest ondergaan, werden beide operaties in één moeite door en onder volledige narcose gedaan. Hoewel mijn neus af en toe stijf wordt en mijn piemel soms automatisch begint te lopen – ik sluit niet uit dat beide operatie verwisseld werden en dat wat aan mijn neus moest gebeuren aan mijn zak is gebeurd – ben ik voor mijn lief vanaf die bewuste dag de genipte man. Omdat zijn van die rotpil verlost is, maar ook omdat ze eindelijk door de feiten bewezen, de broek mag dragen. Zelf dans ik ondertussen en sinds die bewuste knip, braaf naar hormonenvrije pijpen en dan bedenk ik me. Echte mannelijkheid zit van binnen, al hangt ze er vaak toch overbodig aan de buitenkant, in een zakje, gewoonweg belachelijk uit te zien, zeker als ze geschoren zijn!

Fontein van de jeugd

Er bestaan mensen die elke regel van fatsoen negeren om hun leeftijd te verdoezelen, om er jonger uit te zien of aantrekkelijker. Mannen worden niet gespaard. Gilles Van Bouwel schreef er zelfs een boek over.

Persoonlijk maak ik niet zo een probleem van de voordeur die aan mijn gevel hangt, al moet ik ridderlijk toegeven dat ik geen feest geef wanneer mijn lijf of een belangrijk onderdeel ervan, het op een ongepast moment laat afweten. Natuurlijk merk ik dat mijn dagelijkse handelingen wat trager worden en dat ik psychisch een beetje minder aankan dan toen er minder haren uit mijn oren groeiden. Maar zit ik ermee?  Ik geloof van niet. Misschien, omdat ik de leeftijd der ‘patriarchen’ nog niet bereikt heb, al klinkt dat een beetje verwaand om dat zo te zeggen.

Het denken aan oude mensen doet mij afvragen: hoe oud is oud?  Ben ik echt zo oud als ik me voel of zo gammel als ik er uitzie en hoe kan ik de legendarische fontein van de jeugd haar geheim ontfutselen, gesteld dat ik dat zou willen? Met het boek van Gilles? Of bestaat er toch een andere handleiding die moet ik volgen wanneer ik de ambitie krijg om honderd jaar te worden?

Allereerst zou ik de genetische neiging moeten hebben om afkomstig te zijn uit een stam voorvaderen die dezelfde genetische neiging had om een lang leven te leiden. Verder zou ik al die dingen moeten doen waarover iedereen het al eens is dat ze gezond zijn, met inbegrip van al die saaie activiteiten zoals vet-, calorie- suikerarm diëten en het doen van gevreesde lichaamsbewegingen. Immers elke dag sporten, in welke vorm dan ook zou het leven met maar liefst vijf jaar verhogen want bijna elke bejaarde honderdjarige fietst nog op zijn hometrainer of duwt een rollator voort. Althans zo liet ik me wijsmaken. Een andere belangrijke suggestie voor een lange levensduur is het vermijden van nicotine en alcohol te vervangen door groene thee omdat daarvan wordt verondersteld dat de antioxidanten erin het levenseinde zou kunnen uitstellen. Toch blaas ik straks liever mijn honderdste kaars uit met de rook van de pijp waaraan ik op dat moment de hele dag loop te lurken, denk ik.  In de veronderstelling dat uitzonderingen de regel bevestigen, al reken ik niet al te fel op die regel.

Oude mensen en honderdjarigen in het bijzonder lijken een groep mensen te zijn die actief hebben geleefd, niet stopten met ademen en erin geslaagd zijn om de kanker, diabetes, hart- en vaatziekten en ongevallen te vermijden zodat hun pijp niet op jongere leeftijd gebroken is.

Met de vooruitgang die geneeskunde en gezondheid elke dag boeken en als er morgen geen nieuwe pandemie uit de hemel valt, is het niet ondenkbaar dat we binnenkort met zijn allen honderd of honderdvijftig worden. Indien straks zou blijken dat het toch allemaal wat tegenvalt met die leukigheid van het pensioen, mag ik me zeker het genoegen niet laten ontnemen om vandaag content te zijn, want honderd worden lijkt me een hele klus!

Misschien koop ik om mijn oud wordend mannenlijf een beetje te verzorgen het boek ‘Man-Ual’ van Gilles Van Bouwel wel, maar dan nog ben ik niet helemaal zeker of mijn ochtenderectie fors genoeg zal zijn en lang genoeg zal duren om er mijn ballen in te scheren! Ik laat het je nog weten.

Nooit altijd!

Klinische psychologen zijn het er roerend over eens, koppels die nooit ruzie maken eindigen niet samen. “Nooit, jamais de la vie”, voegen ze daar allemaal nog vastbesloten in koor aan toe als ze Franstalig zijn. Ze beweren dat relaties die gedoemd zijn om in een doodlopende straat te eindigen, relaties zijn waarvan de waakvlam in alle rust en kalmte, helemaal in is uitgedoofd. Paren die zich hullen in stilzwijgen hebben geen schijn van kans, daarover zijn ze het unaniem eens, zelfs niet als de vonk ooit zo groot geweest is om er een uitslaande brand mee te veroorzaken.  Eens het liefdesvuur geblust is en er enkel nog prikkende rook overblijft die op de adem pakt en ogen doet tranen, is er geen lievemoederen meer aan. Dan is het boeken dicht, end of story, over en uit! Tenminste als ik op de woorden van klinische zielenknijpers mag afgaan.

Onverschilligheid, angst of geen goesting om in discussie te gaan, prijken als boosdoener op nummer één, twee en drie en hebben het grootste aandeel wanneer het erop aan komt om liefdesvuur te doven. Stom lopen, je kwaad maken of op de tong bijten, brengt dus geen zoden aan de relatiedijk. Scherpe verwijten helpen evenmin. Die belemmeren even hard als met deuren slaan of met serviezen gooien. Dat soort actie past eerder in een slecht annexatieplan waarin de tactiek van de verschroeide Aarde wordt toegepast, tenminste wanneer het er niet op aankomt om de andere de mond te snoeren maar om zinvol ambras maken.

Met weten hoe het niet hoort, ben ik geen fluit. Daarvoor hoef ik geen analyses of essays van klinische psychologen te bestuderen. IJsberen en stom lopen, kan ik al als de beste, been there, done that, meermaals en altijd met als direct gevolg dat ik een paar deksels tegen mij neus kreeg of dat ik moest wegduiken om een slecht gemikte deegrol te ontwijken omdat ik nog maar eens in die hoogoplopende altijd-nooit-discussie was verzeild geraakt en ik uiteindelijk met verbaal vuil de bovenhand dacht te nemen.

Natuurlijk ben ik nieuwsgierig om te weten waarom ik steeds opnieuw in diezelfde Ruziemakersstraat terecht kom. Het lijkt dan wel een script dat zich telkens opnieuw herhaalt en dat alles weg heeft van een steeds terugkerende droom waarvan ik nadat hij uit gedroomd is even aan de rand van het bed moet gaan zitten. Om te bekomen en om na een paar minuten tot besef te komen dat het weer maar eens diezelfde stomme repetitieve nachtmerrie was.

Natuurlijk wil ik discussiëren. Niet om gelijk te halen of om mij de betere te voelen maar om te begrijpen en te vermijden en om te achterhalen waarom ik telkens opnieuw over diezelfde struikelblok val.  Maar ik besef natuurlijk ook dat je met twee moet zijn om met gevoel en passie een sensuele tango te dansen. Ik zou ondertussen beter moeten weten, dat ik best niet in de boksring stap wanneer de kampioen op voorhand gekend is, nog voor er een mep gevallen is. Want wat haat ik toch dat gevoel dat ik in ronde één al, in mijn emotionele buien en in mijn gevoelig gejammer knock-out geslagen wordt door rationele analyses en beredeneerde argumenten waar geen speld is tussen te krijgen. En het is telkens in ronde twee dat ik machteloos en stil wordt dat mijn bloed ervan gaat koken dat ik die verbale uppercut geef die aankomt ook al weet ik dat die uithaal het slechtst mogelijke wapen is in een strijd die ik niet eens wou voeren. Schaakmat dan maar of handdoek in de ring? Ook al beweren klinisch psychologen dat koppels die nooit ruzie maken nooit samen eindigen?

Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Cynisch toneelstuk.

… Hun eens zo diepgaande gedachtenwissels die ze vanouds met elkaar deelden waren monotone babbels geworden, zo vlak en grijs als het trottoir in de straat waarover de gedachten van doorsnee mensen kuieren, getooid in alledaagse kleren, helemaal niet meer in staat om enige emotie op te wekken, geen lach, geen traan, geen verwachting of geen illusie. Hun harten verzonken in een leegheid waardoor de dagen aanvoelden als een langgerekte grauwe reeks frustraties en onuitgesproken aspiraties die telkens opnieuw uiteenspatten als zeepbellen in de zon. Na de vele vruchteloze pogingen om opnieuw vuur in elkaars harten te blazen zonder dat er ook maar één vonk oversprong moesten ze droevig toezien dat van hun hartstocht die hen lang aan elkaar had doen plakken, niet veel bijzonders meer was overgebleven. Au tour de parcours, in de drukte van bezigheden en in de drukke dagelijkse beslommeringen waren ze elkaar kwijtgeraakt en waren tederheden een kleurloze regelmaat gaan vertonen waarin omhelzingen en aanrakingen dezelfde gewoonten waren geworden als het dessertje dat van tevoren vastligt ter afsluiting van een ééntonige maaltijd. Het zicht op een uitweg werd belemmerd door doemscenario’s die ze zelf schreven, waarin ze verstrikt raakten en waardoor de toekomst aanvoelde als een lange pikdonkere weg die uitgeeft op een hermetisch afgesloten deur waarop geen slot te bespeuren was. Wanneer liefde cynisch of vanzelfsprekend wordt is er iets vreselijks mis mee en met die gedachte vroegen ze zich af of de liefde die zij kennen en waartegen ze telkens opnieuw aanbotsen geen cynisch toneelspel was geworden waarin in een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken, en missen, geen toertjes gedraaid werden waardoor zij vol weemoed en nostalgie steeds opnieuw wilden terugkeren naar wat zij onderweg ergens waren kwijtgeraakt en niet meer terugvonden. Wanneer halfvolle glazen niet meer bijgevuld geraken, valt het gordijn als een sluier voor hun blikken en wordt de aftiteling van de film, met rondvliegend stof in een witte lichtbundel op het grote canvas afgerold. The end…

Traag en saai.

… Neem nu mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In de keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was. ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie. Koffie die doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat in dat kleine kruip-in teveel mensen woonden en dat ik als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen.

Omdat vader de bonen zelf maalde in een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst moest fluiten was zelfs de koffie traag. Alles nam tijd, tijd tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was en we eindelijk aan onze tas zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig. We mopperden niet…

Toen was traag niet saai, wist ik veel.

Nu denk ik dat langzaam betekent dat ik bedachtzaam bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen en ik gemakkelijker kan absorberen. Het is alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen. Dan ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen opnieuw vervult raakt met aroma’s van pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn traag leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid niet altijd even hard geapprecieerd. Voor sommigen is het leven pas interessant wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Mag ik mijn joker inzetten?

Misschien ben ik gewoon rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan ik het besef. Ik ben vastbesloten om geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets omdat ze me geen voldoening schenken. Ik zoek andere dingen. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan de ratrace. Een nutteloze wedstrijd waarin ik toch als laatste eindig omdat ik koers zonder versnellingen.

Voor mezelf hoeven niet alle grenzen verlegd. Grenzeloosheid beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben en om te zien dat aan elke grens nog een andere limiet zit, om die ook na te jagen omdat anderen het doen. Aaarrrrggg….

Mag het nu wat trager alstublieft? Met een slakkengang kom je ook wel aan de eindstreep hoor!

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

Want je bent het waard.

Een dreigende regenbui dwong me vanmiddag in een te smalle steeg, die nooit straat had mogen genoemd worden, een groezelig estaminet binnen. Aan één van de met rood tafelkleed bedekte tafeltjes, zat een echtpaar. Althans dat had er alle schijn van. De vrouw in kwestie zag er uit zoals de beste remedie tegen de liefde en hij als de beste remedie tegen de rest van het leven. Een echtpaar dus, al lijkt dat ze van dat substantief niet al te dikwijls een werkwoord gemaakt hebben. Op een vreemde manier leken ze zich achter hun bierglazen voor elkaar te verbergen. Om erger te voorkomen.

Ik wou schuilen voor de regen en aan donderwolken had ik geen boodschap dus nam ik plaats op veilige afstand. Ik bestelde koffie en inspecteerde hen met een blik die bij hun hoofden begon en bij de schoenen eindigde. Tot haar oorspronkelijke ronde witte gezicht, had de cosmetische industrie zich ruim toegang weten te verschaffen. Om niet te zeggen dat ze er een aardige duit aan verdiend hebben. De bruine smurrie bladderde af zoals oud gezette verf op versleten rolluiken. Wanneer ze grijnsde blonk op de tweede rij van haar eetkamer  een gouden kies en haar kneuterig, geforceerde glimlach trok een fijne streep die haar gezicht helemaal een akelige uitdrukking gaf. Van hem ging ook een treurige onbeholpenheid uit. Alles aan zijn lichaam leek breekbaar, zelfs zijn grijs fluitjeshaar. Het vale, gele vel verraadde dat zijn lever het fel te verduren had. Hij zag er eigenlijk helemaal grauw en uitgeteerd uit maar zijn boven zijn bittere mond waarvan de uithoeken naar beneden hingen, prijkte een dun getrimd, grijs, Clark-Gable-snorretje. Een onbenullige versiering welke zijn matte gelaatsuitdrukking maar nauwelijks kon opvrolijken.

Zij wierp hem een blik van gewapend beton toe. Hij was compleet in zichzelf terug geplooid. Spreken deed hij niet. Hij opteerde er veilig voor om te zwijgen. Niet dat argumenteren überhaupt zin zou hebben gehad want het leek alsof zij de toegang tot haar hart en ziel had gebarricadeerd met vooroordelen en misvattingen. Het zwijgen tussen het tweetal droeg onmiskenbaar een zekere spanning mee die kon gesneden worden maar ze ondernamen helemaal niets om die geladenheid in de verf te zetten of om die te verminderen. Toch voelde ik intuïtief dat de atmosfeer tussen de twee gedupeerden explosieve stoffen bevatte. Het volgende tafereel was onvoorspelbaar. Het zou zo maar kunnen dat ze elkaar plots gingen bestoken met hele lelijke woorden om te diep kwetsen. Of dat ze elkaar in het haar zouden vliegen om elkaar zo die genadeslag te geven waarop ze al een tijdje lijken te wachten. Waarover zouden ze ruzie hebben? Of zou dit het waardeloze residu zijn van een spannend leven dat ze ooit met elkaar deelden maar dat het omwille van onopgeloste woordenwisselingen en onuitgesproken frustratie geworden was?

Misschien zal ik straks, wanneer ik thuis kom maar proberen een beetje ijs te breken en zal ik misschien een scheut water in de wijn doen zodat ik kan uit vissen waarom die mol in de tuin ons al vier dagen het zwijgen oplegt. Want voor ik het goed en wel in de gaten heb, zit ik straks ook opgescheept met permanente radiostilte of erger met een kleurrijk cosmeticafiasco.

Ook al is ze het waard!

Een mol.

Niet dat ik zo moe ben hoor, neen. Ik heb vandaag al een uur gezeten en twee kwartier gehangen. Verder heb ik één oude schoen gepoetst. Ik heb geen haast en ik moet nergens naar toe. Als ik het goed begrijp en de situatie juist overzie, wordt er vandaag niets van mij verwacht. Een stemming die grenst aan geluk beklijft me. Het is zondagmorgen. Als ik naar buiten tuur, valt me op dat een mol noest te keer is gegaan in mijn grasperk. Dertien tel ik er. Molshopen. Mijn vrouw zal er spel van maken. Ze zal mij schuld geven. Het gebeurt niet zo dikwijls maar als een mol zich in mijn gazon waagt, denk ik dat mijn vrouw vermoed dat ik Mols praat en met hem samenzweer. Dat ik hen uitnodig in dat grasperkje, om daar voor ophef te zorgen.  Straks ga ik een poging doen. Ik zal hem vriendelijk vragen of hij niet honderd meter verderop wil gaan graven. Ik zal hem zeggen, ‘beste mol ik weet dat je blind bent maar vooralsnog heb ik geen weet van doofheid, dus als je leven je lief is, hoepel dan maar op.’ ‘Nestel je daar maar in het bos. Daar kan je naar hartenlust graven maar hier is je leven in gevaar. ‘Zeker als het van mijn vrouw afhangt’, zal ik daar nog aan toevoegen om mijn woorden en haar voorspelbare intenties kracht bij te zetten.

Ik broddel verder aan een veter waarvan het uiteinde is uitgerafeld. Na minstens twintig pogingen en evenveel mislukkingen slaag ik er uiteindelijk in om de te dikke nestel in het laatste te kleine gaatje van mijn schoen te friemelen. Dit niet meer te verwachten succes tovert een glimlacht op mijn snuit.

Mijn oog valt op een stuk krant dat rondslingert. Ik lees hardop wat er staat. ‘Tevreden noemt men hem, wiens gemoedsrust door geen onbevredigde wens gestoord wordt. Voldaan is diegene die zijn tevredenheid door een opgeruimde stemming kenbaar maakt. Gelukkig hem die wat hem zo volkomen bevredigt, dat er als het ware niets te wensen overblijft en hij zo onder de indruk verkeert van zijn eigen gunstige lot.’ Even nog geniet ik van de stilte, de rust en het niets en stel al het andere zo lang mogelijk uit.

Ze is net wakker geworden. De slaap heeft haar kennelijk goedgedaan want haar ogen lijken onbedorven en schijnen lichtblauw. Zoals de lucht aan de horizon, waar het gekarteld landschap overgaat in ogenschijnlijk onbedorven zwerk.

Mannen zijn kampioen om situaties verkeerd in te schatten. Vrouwen dan weer, kunnen minstens drie dingen maken uit niets. Rommel, stoofpotjes van kip en ruzie. Het vierde is ongetwijfeld stomende seks om de vorige drie mislukkingen mee goed te maken. Maar dat valt me steeds minder op omdat we te veel woorden hebben en ik meestal zelf achter de kookpotten sta.

Gisterenavond aten we kip. Haar kip. Het vrije uitloop kieken dat op mijn bord verscheen had veel te lang rond gekakeld en veel te hard van haar kippenleven genoten dat er voor mij niets overbleef om van te genieten. De obligate glutenvrije korrels die erbij waren geserveerd waren even hard en smakeloos als de overjaarse haan zelf. Ze waren destijds ook beter aan die kip gevoederd. Maar dat had ik zo niet mogen zeggen. Ik had de situatie beter moeten doorzien en ik had de hormonen er niet mogen bij betrekken.

In de lichtblauwe ogen verschenen winter donderwolken die blikken doen verstarren en woestijnen bevriezen, en dan had ze die molshopen in de hof nog niet eens gezien.

Liefdesbrief

Liefste vrouw,

Het zou gemakkelijk moeten zijn om het over jou te hebben. Om in een paar zinnen lof te betuigen en jouw persoonlijke jaarwissel te bejubelen. Maar dat is het niet. Jij spreekt niet dikwijls over mij en als je het dan al eens doet, lijkt het alsof je het over een oude hond hebt. Als over een oude blaffer die meurt wanneer hijnat is en kwijlt wanneer hij zijn been ziet. En dan lach je wat raar als ik na een te vermoeiende wandeling door mijnpoten zak.

Vandaag mag ik niet in die valkuil trappen. Ik mag jouw kleine dingetjes niet uitvergroten en je grote minimaliseren. Dat zou te gemakkelijk zijn want dan moest ik het alleen maar over je decolleté en je kont hebben. Vandaag mag dat niet. Nu zal ik je maar best beschrijven met de grandeur die je toekomt. En niet alleen omdat je jarig bent.Maar vooral omdat je ook eens in de spotlights mag. Op een pied de stal. Ik doe dat te weinig en er is niemand ter wereld die het meer verdient dan jij.

Dus, en voor de goede orde. Je maakt het me wel niet zo gemakkelijk want je leeftijd mag ik al niet onthullen. ‘Een kroon ontbloot je niet’, zeg je. ‘Dat is tegen de etiquette van de juiste wensen’. Dus zal ik het niet hebben over het feit dat je leeftijd afgerond naar beneden veertig is en afgerond naar boven vijfenveertig. Ondertussen ben je wel al zo ontgroend dat je je identiteitskaart niet meer moet tonen bij zestien plus activiteiten. Mogelijks heeft het feit dat je doorgaans van Noor vergezeld bent daar mee te maken. Zij ziet er namelijk wel al bijna zestien uit. Althans, zij gedraagt er zich toch al naar.

Over je werklust en je aanstekelijk irritant doorzettingsvermogen ga ik niet uitweiden. Ik zal ook niet verklappen dat je een controlefreak bent en dat je geen zittend gat hebt. Dat bewijs je elke dag wel aan iedereen die in min of meerdere mate met jou te maken heeft, althans als je ze met je aanstekelijke zenuwachtigheid nog niet in de gordijnen hebt gejaagd. Slachtoffers die er het ergste aan toe zijn hebben zich in een zelfhulpgroep gegroepeerd en komen wekelijks samen om hun vooruitgang te bespreken. Hun herstelprogramma verloopt moeizaam.

Je kledingkeuze en smaak voor couture zijn dan wel weergaloos en ongezien. De manier hoe jij trends zet met rode tijger pofbroeken en netkousen met gatenzijn hun tijd ver vooruit. Je combineert lang met kort en rood met groen.  Met dat gedurfd kleurenpalet zie je er dansoms uit als een dessertbord uit het Hof van Cleve. Helemaal klaar om opgelepeld te worden. Ik denk trouwens dat je dat zelf al gedaan hebt en het erom doet zodat die pofbroek straks helemaal gevuld raakt. Ik begrijp dat ik deze onthullingen niet publiek kan maken omdat dit het imago waar je veel tijd in steekt mogelijks zou kunnen aantasten.

Je slaapritueel is ook al niet onbesproken. Je draait en keert net zo lang tot alde lucht die tot voor kort verspreid was over gans je lichaam bij een gespaard zit voor de uitgang. De nieuwe stijgingswind die daar ontstaat, heeft weg vande Mistral maar heeft ook wel iets van de warme Vento die in de zomer verantwoordelijk is voor de bosbranden op het Iberische schiereiland.

Maar al de ongemakken en onhebbelijkheden. Ik neem ze er graag bij omdat ze in het niets vergaan wanneer ik op een verloren, zwoele zomeravond nog eens in je ogen mag verdrinken om daar opnieuw te ontdekken dat ik beste vrouw van de wereld aan de haak geslagen heb.

Nu alleen die rode pofbroek nog uit je hoofd praten voor dat feestje van morgen.

Topjaar

Het is 29 december 2018. Op de analoge wereldklok van mijn gsm verspringt de secondewijzer precies om 6 uur 19, van 23 naar 24. Hoewel ik me volgens de gps coördinaten van mij Smart Phone, in de grootheide 28 te Bornem bevind, verklapt datzelfde toestel me ongevraagd dat het in Temse (dat 5km verwijderd is van de plaats waar ik me bevind) plus vier graden is. Dat de luchtvochtigheid er 95% is, dat wind er aan 19 km per uur blaast en dat de atmosferische luchtdruk er 1034,2 hectopascal bedraagt. Dit is 49.6 punten lager dan in Bornem waar de luchtdruk 984, 6 hectopascal is. Ik wijt dat verschil aan het Scheldewater dat tussen de twee meetpunten stroomt.  

Op dat zelfde moment zit een zeldzame mug, die de eerste vrieskou overleefde, op de wreef van de voet van mijn dochter. Ze prikt haar puntige snuit in het jonge vel en zuigt zich helemaal vol bloed tot ze voldaan is. De mug zuigt zo gulzig dat het lichaamsgewicht van het insect met 80% is toegenomen en de vluchtsnelheid met 50% is afgenomen. Onder andere daardoor zal straks van die muskiet niets meer overblijven dan een rode vlek. Wanneer mijn dochter haar met de handpalm genadeloos plat zal slaan tegen de wit gelakte kleerkast. Uit wraak voor die irritant jeukende bobbel op haar voet. Vermijden dat de mug steekt, gaat niet omdat mijn dochter op het steekmoment nog slaapt en een nachtmerrie heeft over haar eerste veranderingen die eveneens een rood vlekje zullen achter laten in haar nieuwe slaapshortje. Het ene bloedbad is het andere niet.

Tegelijkertijd is mijn vrouw, die zich snurkend twee verdiepingen hoger bevindt, bomen aan het omzagen. Over exact 40 minuten en 36 seconden zal ze daar abrupt mee stoppen en zal ze het dekbed over haar hoofd trekken. Niet om zich af te weren voor die zoemende mug want die zal op dat moment, door het bloed van mijn dochter, te veel wegen om de afstand tussen de twee verdiepingen te kunnen overbruggen. Maar wel voor de wekker die nog op alarmstand staat en hels lawaai zal maken. Ze zal te slaapdronken zijn om de off-knop te vinden en zal daarom de wekker op de vloer gooien. Hierdoor zullen de batterijen uit de wekker floepen en zal het irritant gejengel even abrupt ophouden als dat het begonnen is. Het slechte humeur zal zich de hele dag laten voelen en zal dompers zetten op normale vreugde. Maar eerst zal ze me geïrriteerd vragen waarom ik in hemelsnaam een alarm gezet heb op een zaterdagmorgen.

Al deze taferelen en de gevolgen ervan zullen plaats hebben over precies 8 minuten en 32 seconden.

Ik lig op de sofa en van achter mijn laptop kijk naar de mistige vochtigheid buiten. Het is al een hele poos geleden dat ik nog zo lang naar een wit blad gestaard heb. Ik maak koffie en scheur het derde laatste blaadje van de kalender.

‘Draait de kat haar rug naar het vuur, komt daar sneeuw van op den duur.’ Ik lees de achterkant van negenentwintig december en bedenk: ‘Wat moet ik daar nu mee? Ik heb geen vuur en geen kat.’  Daarom ga ik naar beneden. Naar de kamer van mijn dochter, om de mug die nog niet gestoken heeft, plat te meppen.  Aangezien al het bloed nog in de aders van mijn dochter zit, laat dit geweld geen bloedsporen achter op de wit gelakte kast.

Een aantal ogenblikken later en nadat ik het alarm van de wekker heb afgezet begin ik de voordelen te zien om door het leven te gaan als superman. Ik heb er vandaag al zeker één en mogelijks meer bloedbaden mee kunnen voorkomen maar al zeker heel wat andere persoonlijke ellende.

2018 wordt toch nog een topjaar!

Bootcamp

Sinds mijn vrouw er voor koos om sportiever door het leven te gaan, is mijn leven ingrijpend veranderd met als gevolg dat mijn persoonlijke levenskwaliteit er drastisch is op achteruit gegaan. Af en toe trekt ze loopschoenen aan, gaat ze spinnen of zit ze aan gewichtjes te trekken in een hippe fitnessclub maar helemaal wild wordt ze van bootcamp op zondagmorgen. Daar kan ze zo overenthousiast over doen dat het me af en toe een beetje op de zenuwen werkt. Of ze dan eerder kwijlt op de rek -en strekoefeningen zelf, dan wel op die bruin aangebrande fitness macho die in te klein onderlijfje eerst alle oefeningen voordoet, doet niets ter zake.

Feit is wel dat ze zichzelf elke zondag, rond de klok van tien, plichtbewust in een iets te strak sportpakje wurmt. In een soort van fluo duikpak dat  zo aanspannend is dat het geen enkele ronding onbesproken laat. Aangestoten als modellen, trekken ze even later de vrije natuur in om er samen met nog andere lotgenoten stramme gewrichten los te gooien of dat overtollig rolletje weg te sporten.

Doet ze het om er die wat overdadige levensstijl mee te compenseren en om van dat extra kilootje af te raken? Voelt ze zich verplicht omdat iedereen van haar generatie het doet? Of zoekt ze eerder naar de bevestiging dat haar lijf, met de kilometers op de teller, er nog niet zo slecht aan toe is? Zeker niet in vergelijking met dat van haar collega-masochisten, van wie het tenue soms al iets strakker rond de billen spant dan rond die van haar. Ik weet het niet. Ze doet maar.

Met: ‘Je zou beter ook wat bewegen en mee gaan’, begeeft ze zich voor de eerste keer die zondag op mijn terrein. Het zal de laatste keer niet zijn. Met wekelijks terugkerende, ongepaste terechtwijzingen probeert ze me telkens opnieuw een schuldgevoel aan te praten. Met die geraffineerde charge wil ze me een slecht gevoel geven, omdat ik er nu eenmaal voor kies om gewoon lamlendig in de zetel te blijven hangen en dingen te doen die er ogenschijnlijk voor haar niet toe doen. Veel succes hebben die intimidatiepogingen niet want in tegenstelling tot haar ben ik wel redelijk tevreden met het lijf waarmee moeder natuur mij bedeelde.

Twintig is ze niet meer en dat vergeet ze soms. In haar enthousiasme gaat ze dan wel eens over een grens en worden de gewrichten en spieren die ze met haar hard labeur wou versoepelen, pijnlijker dan voor ze aan die wekelijkse marteling begon. Wanneer haar pijnlijke rug, schouder en knie dan echt beginnen op te spelen zodat ze niet anders kan dan ook een stuk van de zetel op te eisen, is dat precies het kantelmoment waarop mijn lui lekker leven radicaal verandert. Dat is het ogenblik waarop ik ongewild maar ingrijpend aan levenskwaliteit begin in te boeten.

Nu ze door koppigheid opgezadeld is met een zeer lijf en noodgedwongen doet wat ik de hele morgen gedaan heb, word ik door de omstandigheden subtiel geforceerd om een totaal ander bestaan te leiden dan toen ze nog op eigen benen kon staan. Toen kon ik liggen, hangen, zitten, en van hier naar ginder zappen. Ik kon het pand verlaten om koffie te gaan drinken. Kortom ik reilde en zeilde hoe het me uitkwam.

Nu sist ze op kordate toon van op haar troon: ‘Waarom heb je die borden van het ontbijt niet onmiddellijk afgewassen? En die pan?’

‘Waarom?’: mor ik terug?

‘Omdat dat spekvet aankoekt en je dat eigeel er nu moeilijk af kan wassen’, gaat ze verder.

Dik tegen mijn zin slof ik naar de keuken en laat water lopen in de gootsteen. Toen we indertijd over de indeling van onze leefruimte nadachten, hadden we om ‘communicatie te bevorderen’ geopteerd voor een open sfeer. Daardoor vormen keuken, salon en eethoek één grote ruimte. Dat blijkt een keuze die ik me nu beklaag.

‘Mettenoorenvertekken’,roept ze veel te luid omdat die schijtmuziek veel te hard in de oortjes van haar i-pad galmt.

 Zo klinkt het althans en ik doe teken dat ze haar oortjes even moet uitnemen.

‘Wat zei je juist’, vraag ik op een toon die behulpzamer klinkt dan dat ik het bedoel.

‘Messen en vorken ook afwassen. In de afwasmachine worden die bot’, antwoordt ze met een licht bevelende intonatie.

Ik slenter opnieuw naar de keuken en begin aan de afwas. Het te hete water zorgt er voor dat ik met twee vorken de afgewassen borden uit het water moet vissen. Trots en een tikkeltje provocerend, toon ik één voor één de borden, de pan en het bestek zodat ze zich er van kan vergewissen dat ze properder zijn dan dat zij ze ooit laat worden.

‘Laat je die twee Tupperware plastieken boterhammendozen eerst uitlekken, anders krijg je die niet droog en dan heb ik straks weer kringen in mijn kasten. Neem zeker proper water en doe er een scheutje azijn in als je aan de glazen begint, dat ontvet beter. En nu je toch bezig bent, zou je de filters van de dampkamp straks ook te week willen leggen. Dat is ook al een tijdje geleden dat die nog proper gemaakt zijn.’ ‘Ja, en neem je zeker een propere handdoek als je die glazen afdroogt? Anders blijven daar duimen op staan.’

Ik zucht en terwijl ik dat doe schuift de pan uit mijn handen omdat de steel nog nat was.

‘Wat gebeurt daar allemaal? Je bent toch geen brokken aan het maken want elke keer als jij in de keuken staat en zoals altijd dingen laat vallen zijn er stukken uit de vloer.’‘Jij maakt meer kapot dan dat we kunnen verdienen.’

‘Je moet niet zo roepen hoor’, probeer ik.  ‘Je zou die oortjes beter uitdoen. Dat is slecht voor je gehoor het is bovendien enorm asociaal. Weet je dat radiopresentatoren daar op termijn doof van worden? Trouwens het lijkt wel, alsof ik niet mag weten naar welke muziek je luistert. Kan je niet gewoon de radio aanzetten?

‘Let maar niet op mij ik ben mijn Spaanse les aan het studeren. Jij hoeft daar toch niet naar te luisteren. Je zou daar alleen maar zotter van worden.’ ‘Is er nog koffie? Eén suikertje alstublieft.’

Zei ik al dat ik het van sporten en bootcamp moe word en het er van op mijn zenuwen krijg?