Categorie: Dagdromen

Boekenbal

 

Halverwege de trappen houd ik even halt en kijk voor me uit. Ik was hier eerder. Vorig jaar en alle voorgaande jaren ook maar dan alleen als bezoeker en toeschouwer. Vandaag is het anders.

Aan deze ingang hoef ik niet aan te schuiven. De aarzeling in mijn tred verraadt zenuwachtigheid. Iedereen kan dat van ver zien. Een handvol hostessen die bezoekers verwelkomen, staan op de hoogste trede. Ze dragen allemaal dezelfde lichtblauwe anorak en rode T-shirt. Een ervan scant mijn toegangsbadge en begroet me hartelijk. “Welkom, het is langs hier. Volgt u maar.” Ik ben niet zeker of ik zelf “hallo, goedemorgen” of iets anders vriendelijks terug zei. Mocht ik op mijn gemak zijn, ik zou dat nooit vergeten, al was het maar uit beleefdheid. Nu is me dat door de omstandigheden en door mijn nervositeit ontgaan. Ik ben zeker dat ze me door mijn ongewilde boertigheid een verwaande, arrogante eikel vindt. Ik twijfel even of ik terug zou gaan om het haar uit te leggen. Om te zeggen dat ik het niet zo bedoelde en dat ik doorgaans wel manieren heb maar ik bedenk me.  Wellicht omdat vandaag al grotere ego’s haar trap bestegen hebben. Ik laat het goed bedoelde voornemen verder voor wat het is want vandaag heb ik andere katten te wassen.

Zweetdruppels lopen langs mijn bilspleet en voel de boxershort ter hoogte van mijn liezen klam worden. Onwennig duw ik de glazen deur open. Uitgesproken verwachtingen heb ik niet en ik heb al helemaal geen idee hoe de namiddag verder zal verlopen. Toch begin ik me stilaan lichter en opgeladen te voelen. Ik besluit katten uit bomen te kijken en af te wachten wat de dag verder voor mij in petto heeft.

Eens binnen scannen mijn ogen jachtig de omgeving en speuren naar iets bekend of veilig. Een vrouwelijke figurant die verkleed is als Jommeke gesticuleert met veel gebaar en tracht de aandacht van kinderen op te eisen. We hebben oogcontact en zij bemerkt mijn hulpeloze onzekerheid. Snel probeer ik uit te maken of ze me ermee uitlacht of ze eerder tracht me op mijn gemak te stellen. Ik vermoed het tweede dus zwaai ik slungelachtig terug en prijs me gelukkig dat ik niet een ganse dag in zulk een jommekes-harnas moet rond dartelen en dat ik hier maar wat hanenpoten mag komen zetten. Wellicht zal haar slip natter zijn dan die van mij, maar ik verban die gedachte snel naar mijn mentale prullenbak.

In de eerste grote hal lopen mensen als zenuwachtige mieren door elkaar. Ze slenteren in min of meer geordende rijen achter elkaar, als werksters of verkenners van de kolonie, op zoek naar een interessante prooi die in hun blikveld valt. De ene mier achter de andere, kop tegen gat. Of ze schuiven aan en drummen voor een glimp van, of een kort praatje met hun idool die ze persoonlijk kennen van Tv. Iedereen sjouwt met tassen en zakken.  De meeste ervan puilen uit, met folders, kranten en tijdschriften of ander leesvoer dat allemaal verpakt is in hetzelfde bruine inpakpapier. De draagtassen zijn ook allemaal eender. Wall street van de boeken draait op volle toeren.

Achter hoge tafels zitten de ijdele hogepriesters of de gladiatoren van de boekenarena. Sommigen zie ik genoegzaam glunderen en genieten van de aandacht die hen te beurt valt. Andere dan weer verbergen hun gezicht achter de stapels boeken en houden zich er schuchter en bedeesd schuil voor de opdringerige attentie van het plebs waarvoor ze het geschreven hebben. Schrijvers zijn een vreemd volkje.

Als de nieuwbakken koningin van de kolonie arriveert, schuift de mensenmassa snel als een modderstroom naar zaal 3. Uit Pure-borden en Pure-kommetjes serveert de voedselmaker van de mierenhoop minutieus gestylde gerechten.  Voedsel zonder koolhydraten, zonder suiker en zonder smaak. Maar de menigte lust haar pure pap wel en “la Naessens-Jambers”, geniet zienderogen van de warme spotlights van waaronder zij haar voedselevangelie predikt. Zij kan zich niet verschuilen achter stapels boeken omdat die even snel slinken als overtollig vet dat even snel smelt als je de eetstijl overneemt die ze neerschreef in haar recepturen.

Hopelijk worden niet al de euro’s gespendeerd aan voedselrages van ouder wordende taarten of aan voetbalpraatjes van stotterende sportjournalisten en rest er nog een duit in de beurs voor literair verantwoorde dingen of voor andere leuke boekjes, van stuntelige auteurs, die zich verstoppen achter hun stapel omdat ze te verlegen zijn of te onzeker of omdat ze nog niet doorhebben hoe het boekenbal precies in elkaar zit.

Ik raak stilaan rustig. Wie schrijft die blijft en ik vis de vulpen uit mijn binnenzak.

 

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

Zeedijk van de onzin

 

Als verveling me om de oren kletst, waag ik me wel eens aan een wandeling op het internet. Op de zeedijk van de onzin en de overbodigheid schep ik lucht en snuister ik rond tot iets me opvalt.

Zo een vijfentwintig jaar geleden had een bolleboos het wat vreemde idee die activiteit als “surfen” te benoemen. Ik ben geen etymoloog, en hoewel ik me in gedachten op een virtuele zeedijk bevind kan ik me niet voor de geest halen waarom die bezigheid als surfen moest bestempeld worden. Aan verbeeldingskracht ontbreekt het me doorgaans niet maar staren naar een scherm of schuiven met een muis heeft volgens mij weinig uitstaan met watersport. Die activiteiten worden doorgaans rechtstaand gedaan, op een plank of op een zinker, met zeil of zonder. Al durven ze dat tegenwoordig ook al op hun knieën doen, al peddelend op een plas. Mij niet gelaten.

Ik nestel me achter een scherm en laat me het geen me voor de ogen schuift niet ontvallen. In een poging me niet druk te maken glijd ik, met de muis in aanslag, van het ene oninteressante artikel naar het andere. Ik surf!

Hier op het internet is het razend druk. Dat is het hier altijd.  Iedereen wil in deze tijd van vluchtigheid een deeltje van de publieke ether om zinnige of onzinnige dingen te delen met de wereld. Op mijn virtuele promenade merk ik merk dat de verkiezingspropagandamolen op volle toeren draait.  Ik stuit op edele voornemens, onuitvoerbare ambities en tactische uiteenzettingen, verkondigd door betrouwbare uitziende figuren. Beloftes worden vervoegd tot onbestaande, overdreven of over het paard getilde superlatieven. Het is nooit anders geweest en het zal nooit anders zijn. Verkiezingen lijken wel een georganiseerde ruzie waar kleine kanten van diegenen van het andere gedacht, uit proportie gesleurd worden en waar belangrijke verwezenlijkingen van de vijand, geminimaliseerd worden tot ondeelbare deeltjes. Wanneer anders onbenullige mensen de kans krijgen om mee aan de vetpot te likken maken ze rare soms bokkensprongen. Dat blijkt. Ik zit er niet mee. Ze doen maar, hier op dat internet.

De baren van de pulp brengen me ongevraagd bij Enzo Knol. Deze jonge “ondernemer” verdient meer dan zijn brood door zelf opgenomen filmpjes te delen op het internet, in een vlog. Meer doet hij niet. Wanneer hij ontwaakt, filmt hij zijn suffe kop. Wanneer hij eet, vereeuwigt hij zich door mondvol te praten over wat hij tussen zijn kiezen propt. De hele tijd loopt hij rond met stijve arm of met een selfiestick om in scene te zetten waar hij zijn dag mee vult. Hij doet het altijd en overal.  Wanneer hij eet, slaapt of kakt. Alles gaat de ether in en 1.9 miljoen mensen kijken jaloers mee. Als voyeur naar een freak. De wereld draait raar tegenwoordig, hier op dat internet.

En dan ben ik  blij dat ik me af en toe maar eens verveel. Zodat jullie geen getuige hoeven te zijn van een opname van mijn kwijl dat uit mijn mondhoed sijpelt wanneer ik hier op mijn sofa, op mijn tamme krent, in slaap gesukkeld ben. En dat ik jullie maar af en toe eens mag vervelen met mijn zelfgeschreven onzin. Aan jullie om weg te zappen of verder te lezen. Het is ten slotte jullie internet!

Emo vs ratio

Doe ik het te niet dikwijls en veel te verregaand vraag ik me af. Stel ik me niet steeds veel te veel vragen? Over mezelf, over het leven in het algemeen of over mijn intieme beslommeringen? Ben ik met mijn publiek gedachtengespin dan een zielsverwant of eerder een rare zonderling die solitaire speelt met zijn private zielenroerselen? 

Als ik haar die kwestie voor de voeten gooi, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen hoort donderen! Ze wikt en weegt woorden, om te reageren maar buiten stilte die lawaai maakt, komt er niet veel. 

Met die plotse diepe frons op haar anders zo strakke voorhoofd, verraadt ze dat ze me niet begrijpt. Alsof we opeens een anders soort taal spreken. Ze geeft indruk niet te vatten wat ik probeer duidelijk te maken. Soms is praten moeilijk, alsof we op twee sporen koersen aan verschillende snelheden, in tegenovergestelde richting.

Soms wil ik een van mijn netelige kronkels begrijpelijk maken. Het gaat dan meestal over persoonlijke hindernissen, waar ik tegen aan bots. Kwesties waar ik loop op te bijten of waar ik mijn geweten mee aan de waggel houd. Op die momenten wordt mijn uitleg, of wat daar moet voor doorgaan, eerder een obstakel voor verduidelijking dan een poging tot toenadering. Ik voel dan te veel. Daar staan we dan, emo versus inzicht.

Met geargumenteerde ratio redeneert ze dan, alsof het geen moeite kost, mijn veel te gevoelsmatige benadering stuk. Hoewel ik voelsprieten heb die te vertrouwen zijn, of die ik vertrouw, mis ik meestal toch alle harde bewijs om mijn punt te maken, en dan voel ik me stom en stupide. Niet in staat om op te tornen tegen te veel beredeneerde argumenten.

“Je bent te verstandig voor mij” denk ik dan want vleierij is peper en zout in de relatie. Al zou ik om die te proeven, die paar woorden, de volgende keer gewoon beter ridderlijk en luidop uitspreken zodat haar blazoen ook opgeblonken blijft. 

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Alles wat ik weet

 

Toen ik klein was, amper een duim hoog, deed ik het al. Ik blufte, sprak groot en hakte op, tegen andere snotapen die het beter wisten. Tegen de juf of tegen ons ma en bij uitbreiding tegen iedereen van wie ik vermoedde dat ze me zouden zeggen hoe het moest. Hoe het hoorde, om er te komen. Ik deed het om meer man te zijn. Althans meer man voor de centimeters die ik maar groot was. Ik wist het allemaal al en veel beter dan de rest. Het was maar het begin, daar ergens in de lente van het leven. Wist ik veel dat ik nog moest rijpen om zoet te worden.

Op 17 was ik overtuigd het wel te weten. Zeker!  Deze keer wel. Nu zag ik het in. Ik kon beseffen en ik kon bevatten. Ik dacht te weten wat het leven in voor mij in petto had. Nu zou het lukken want ik had al eerste zachte eelt op mijn ziel. Ze zouden me niet opnieuw vangen, voor dat zelfde gat.  Ik had mijn lessen goed geleerd en ging het maken. Recht op mijn doel af, hongerig en bezeten.

Als ik me nu soms terugtrek in mezelf en ik kijk naar de wereld waar ik miljoenen passen in zette, snap ik nog steeds niet hoe hij draait. Hoe hij steeds verandert, snel gaat en soms stopt. Hoe wetten ervan omslaan en er nieuwe in ontstaan. Negenentwintig was ik. Dan wist ik alles. Alles over de liefde en hoe het niet werkt. Over rozen met doornen en over het leven. Over vrouwen en geld en over hoe ik van beide steeds te kort had. Ik dacht echt dat ik alles al had gedaan. Ik had gereisd en al een stukje wereld gezien. Ik had verspild, gehoerd en geboerd. Ik had harten gebroken en gelijmd. Ik wist het nu wel. Hoe het in elkaar steekt, dat leven. Maar ik had mijn korsten nog niet op. Wist ik veel, daar in de helft van mijn leven. Maar misschien leerde ik dan wel wat het belangrijkste is. Ik schrijf het hier snel op in vier, vijf woorden. Om het nooit te vergeten. De dag dat je iemand ontmoet waar het mee klikt, is de mooiste. Ik geloof niet dat ik het beter kan zeggen. Het is de mooiste. Nachten van stil verdriet raak je kwijt. Die vervagen en worden gewist in een logica die ik niet begrijp. Maar nooit de ochtenden. Die vroegtes van intense, verliefde tederheid. Die blijven plakken. Voor altijd. Zoals de zoute lijven in de lakens gedraaid waarin ze ontwaakten.

Gans mijn jeugd, en tot gisteren wou ik jullie overtuigen dat ik het wist. De waarheid is dat hoe langer ik er achter zocht des te minder ik vond. Des te minder ik er van af wist. En nu ik in het blauwe van mijn scherm staar weet ik het wel. Ik weet dat ik het nooit zal weten. Dat ik er niets van begrijp. Van het leven, van geld, van vrienden en van vrouwen. Van de liefde of van de kleur van rozen. Dat is alles wat ik weet. Maar dat, dat weet ik wel zeker!

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Proppen of vouwen?

 

Wezenloos staar ik voor me uit. Naar een witte muur in een veel te kleine kamertje. “Nooit zal ik nog naar de pijpen dansen van een vrouw”, lees ik in Dag Allemaal die hier al een paar weken rond slingert want de Rode Duivels moeten nog wereldkampioen worden.

Chris Van Tongelen was de pijpen of het pijpen (daarover is het artikel niet sluitend) van zijn ex-vrouw Brigitte blijkbaar grondig beu en is opnieuw op de markt.

Mooi! Denk ik en ik betrap me erop dat de ex-stiefvader van de Vlaamse Justin Bieber het bij mij aan respect aan het winnen is. Even verder in het “artikel” laat de Familieman er met zijn uitspraken, geen spaander van heel en verhakselt hij mijn prille waardering tot schriele houtkrullen.

“Een onenightstand moet wel kunnen”, staat er schaamteloos, al wil hij zich tegelijkertijd ook wel voor de volle 100% smijten in een nieuwe, romantische “coup de foudre”. Maar hij lijkt ook blij te worden van nieuwe vriendinnen waar hij af en toe eens mee kan gaan eten of een goed gesprek mee kan hebben. Ja ja… een goed gesprek? Dat zal wel.

“Van Tongelen, stielbederver! Je bent Romeo-onwaardig”, prevel ik tegen het boekje. “Wees eens een vent, word duidelijk en red de tijger! ”Wat wil je nu precies? Wil je de midlifecrisis van je gat vogelen? Ga je voor die fladderende buikvlinders die je weer naar pijpen zullen doen dansen of is het dat goede gesprek waar je cupidopijlen aan wil verschieten?

“Soms is het beter om je mond te houden en dom te lijken dan hem te openen en alle twijfels weg te nemen”, zeg ik tegen mijn witte muur. Hij antwoordt niet. “Zwijgen is instemmen”, prevel ik tegen het super de luxe toiletpapier, maar ook daar krijg ik geen gehoor.

De oudste Romeo moet het ontgelden. Opeens ziet hij er met zijn bloeddoorlopen oog uit alsof hij een dik pak slaag kreeg van Brigitte. Al was het maar omdat de mug die zich vannacht volzoog met mijn bloed nu op de voorpagina prijkt van s’ lands onbenulligste stukje roddelpers. Zo ongeveer ter hoogte van Van Tongelens’ rechter oog. Nu ziet de goedlachse Puttenaar er helemaal niet meer uit.  Hoe hij er nu uit ziet, zal hij met zekerheid niet aan die onenightstand raken en al zeker niet als hij zijn mond open doet.

Tegen zoveel vrolijkheid kan ik niet op en richt mijn blik opnieuw op die witte muur. Mijn 2 slapende billen halen me plots uit mijn ochtendlijke nonsens en brengen me abrupt weer tot de orde van de dag? Zal ik proppen of vouwen?

Verleden als schatkist voor de toekomst.

 

 

Deze nacht is niet zo donker als de meeste andere nachten want de volle maan kleurt de zwarte duisternis grijzer. De slaapkamer is broeierig zwoel en ik proef de zilte warmte die de opgedroogde zweetparels achterlaten op mijn lippen. Tussen twee zuchten door deemster ik weg. Slapen kan je het niet noemen. Ik draai mijn hoofdkussen nog eens om in de hoop dat de andere kant wat koeler is. Het valt tegen. De ramen staan wijd open en donderwolken die onderling strijd lijken te voeren voor het wijdste luchtruim, doen me opschrikken uit mijn deemstering. Als er al een vlaag in zit zal ze niet voor hier zijn, denk ik slaperig wakker. Ik wil de drukkende warmte negeren maar het lukt me moeilijk.

“Als ik een probleem zelf niet kan oplossen, neem ik er afstand van”. Is dat niet wat ik steeds opnieuw kwek wanneer ik anderen probeer te overtuigen om dingen los te laten. Want, je bezig houden met zaken waar je geen impact op hebt is tijdverspilling. Dat brengt toch geen zode aan de dijk. Dat predik ik toch steeds overtuigd en vastberaden!

Maar mijn eigen levenswijsheden lijken in het niets te vervallen wanneer het zwoel en plakkerig is. Dan tellen ze niet. Of toch?

Niets is zo langzaam en kostbaar als persoonlijke ervaringen. Geen enkel schrander mens zal ooit beginnen te experimenteren als hij het met kans van slagen, kan leren van iemand anders? Toch? Dus doe ik maar wat me door anderen is wijsgemaakt of opgedragen. Omdat zij het al met succes gedaan hebben.

Vroeger zou ik opstaan. Om te drinken, om te roken of om te gaan plassen omdat ik te veel gedronken had. Niet dat het me hielp. Want uren later had lag ik nog te rollen en te puffen.  Nu niet. Ik houd me stil en denk aan gesprekken die in de dag passeerden. Aan de gesprekken met mensen die vruchteloos de dingen naar hun hand probeerden te zetten om ze te controleren of om ze te veranderen. Het was hen niet gelukt en het zou hen niet lukken. Nooit. Ze blijven met frustraties, woede of verdriet achter. In die val trap ik niet meer want anders worden fouten uit het verleden geen schatkist voor de toekomst!

Om zeven uur werd ik gewekt door de klokradio en het weerpraatje van Sabine die waarschuwde dat het vandaag nog zwoeler zal worden. Ik geeuw de plakkerigheid van me af en neem een duik in een plonsbadje dat veel te warm is om er in af te koelen. Maar dat zal ik ook wel overleven.

Overmorgen geven ze regen!

Grijze silhouetten

 

Vijf uur en 7. Een nieuwe dag werd zonet geboren. Zonnestralen verdringen de nacht en de lichtgele schijn kalmeert het harde nachtduister.  De schuchtere ochtendzon tekent vage silhouetten op de slaapkamermuur. In mijn gedachten maak ik er bekenden van. Ik herken Wilfried Martens aan zijn te grote bril en Jimmy Hendrickx aan zijn gitaar. Tientalle kopjes staren me ongegeneerd en schamteloos aan. Onze pa meen ik ook te herkennen. Ergens net boven de horizontale lijn die de scheiding vormt tussen muur en plafond. Het moet hem wel zijn want niemand anders heeft ooit zo een perfect rond hoofd gehad. Hij grijnst met een lachwekkende grimas.  Alsof hij een tand mist omdat het rolluik ter hoogte van zijn mond daar net wel goed aansluit. Ons ma die wat lager afgetekend is kijkt toe. Ze denkt er duidelijk het hare. Wat zou ze anders doen. 

Hoewel de door de zon getekende mannetjes vanaf het krieken van de dag stille getuige zijn van mijn gesnurk, gewoel en ontwaken, storen ze niet. Hun gelaat wordt scherper naarmate het zonlicht aan kracht wint. Ventjes op de muur zoals dieren in de wolken. Als je lang genoeg kijkt ontstaan ze. Kijk je even weg dan zijn ze verdwenen of worden ze iemand anders. Elke keer als de zon er is en de morgen mij voorzichtig wekt, worden ze in mijn slaapkamer ‘s morgen op het muurcanvas geportreteerd.  Hun schaduwbeeld wordt er gevormd door spleten, gaatjes en scheurtjes in het rolluik. Omdat het niet helemaal perfect meer aansluit of omdat ik het gisterenavond maar half zijn gat toe getrokken heb. Dat is ook perfect mogelijk.

“De dag wordt wat je er van maakt” bedenk ik.  Het lijkt of mijn ochtendpubliek mijn gedachten kon lezen want plots valt het zonlicht in volle glorie binnen en zijn ze verdwenen. De ventjes en hun contouren. Even bang van de dag zoals ik van de nacht. Hopelijk valt de zon morgen iets schuiner binnen zodat onze pa zijn gebid weer volledig is en ons ma geen reden meer heeft om te jammeren.

Meedoen of winnen?

 

De komende weken zullen we van uit Pyeongchang kennismaken met 15 sporten die alleen maar in de vrieskou beoefend worden. De Olympische winterspelen zijn namelijk begonnen. Let the games begin.

De populairste sport van de winterspelen is ongetwijfeld het skiën. Deze discipline is onderverdeeld in 5 onderdelen waarvan de afdaling er één is. Afdalen is logisch bij skiën. Al doet deze naamgeving mogelijks verkeerdelijk vermoeden dat de overige disciplines zoals de Super G of de Reuzeslalom bergop dienen afgelegd te worden.

Het onderdeel langlaufen of Cross country dekt dan weer wel helemaal wel de lading en verklaart zich helemaal zelf. Het is gewoon heel lang lopen op dunne latten. Bij biatlon is de lading zelfs een essentieel onderdeel van de discipline aangezien je moet schieten terwijl je glijdt. Verder glijden alsof er niets gebeurd is na een trefzeker schot lijkt mij het meest lastige aan die sport. Gezien de terreurdreiging vind ik die sport wat vreemd. Ook wel een beetje gevaarlijk zelfs. Raar dat deze sport nog steeds kan beoefend worden zonder militaire bewaking. Al is het maar om de verliezers in het Noorse kamp in de gaten te houden. Er moest nog maar eens eenzelfde halve gek tussen zitten die bij waterspelen ook al eens zijn noorden verloor.

Voorlopig werd de biatlon nog niet uitgebreid tot triatlon, pentatlon of tienkamp. Wellicht omdat er problemen zijn met wapenvergunningen bij deelnemende landen of omdat de leden van het Olympisch Comité nog discussiëren of een bommengordel al dan niet op de lijst van verboden producten thuishoort. Er zit nog rek op de Olympische gedachte.

Snowboarders maken de spelen ook steeds spectaculairder en gewaagder. In de Kicker doen ze behendig hun Ollies en Nollies, ook al hangen ze met hun backflip of rodeoflip meer ondersteboven in de lucht dan dat ze glijden. Vroeger dacht ik dat ze zo dikwijls per oefening over kop moesten hangen om hun broek op te houden. Iets waar hun collega’ s op wielen in een ramp in het skatepark zich minder zorgen over maken.

En dan is er schaatsten. Schaatssport bestaat uit hockey, lange afstand rijden en kunstschaatsen. Bij lange afstand rijden komt het er op aan om met één hand op de rug  in een strakke-rubberen-niets-verhullende-spandex  zoveel mogelijk rondjes te toeren tot de bel gaat. Vanaf dat moment moet men zich beginnen haasten.

Olympisch ijshockeykampioen wordt je door heel gemeen, hard vals te spelen of door tegenspelers zo ruw mogelijk tegen plexiglazen boarding te kwakken. Het spel draait eigenlijk om een zwarte puck. Maar die is te onzichtbaar en verder compleet overbodig om er de rest van het spel mee te beoordelen.

De puntenverdeling bij kunstschaatsen blijft ook raadselachtig onduidelijk. Ik vermoed dat met één voet boven het hoofd pirouettes draaien zonder duizelig worden door de jury beter beoordeeld wordt dan over de bloemen van de vorige deelnemer te struikelen. Toch vraag ik af of de glitter op de schaatsjurken en de lijmsteentjes die op de oogleden van de vrouwelijke deelnemers geplakt worden ook mee tellen voor de punten.

En dan rest nog curling. Deze ijs-petanque is mijn favoriete sport. De huisvrouwen van elke ploeg doen wat ze beste kunnen en waarvoor ze betaald worden. Met hun borstels moeten ze voorkomen dat houten kaasbollen vuil worden wanneer ze naar hun doel geschoven worden. Dit is zonder twijfel de properste sport die ooit werd uitgevonden. Dit is mijn Olympisch winter hoogtepunt. De letterlijke grote kuis naar dopingmisbruik. Daarom wellicht dat de Russen hiervoor passen.

Winterspelen zijn leuker dan de Zomerspelen. Want hier is meedoen echt belangrijker dan winnen. Want wie kan exact  beoordelen welke kaasbol de properste is? In Pyeongchang wordt nog gesport volgens de edele Olympische gedachte en dat is de kern van de Olympische Spelen.  Al is het optellen van medailles misschien toch wel waar het echt en alleen maar om te doen is. De gouden, zilveren en bronzen.  Ook al zijn de gouden en zilveren medailles allebei van zilver toch lijkt een gouden beter te smaken wanneer winnaars er hun tanden inzetten om te zien of ze wel echt zijn.

 

 

Zwarte vogels

Ik sta in de keuken en drink koffie. Zwart want zo heb ik hem graag.  Dan proef ik de bitterheid het sterkste. Van achter het glas kijk ik in de tuin. Het is windstil. Dat zie ik aan de bomen. Blad loze takken hangen doods af. “Treurwilg”, die naam is niet slecht zo gekozen. Het grijze wolkendek is rimpelloos strak gespannen en lijkt roerloos. Zonder het geritsel dicht bij de composthoop zou ik denken dat de wereld stilstaat.

Een kwartier al speur ik naar fladderende vleugels. Tot nu toe telde ik 2 Spreeuwen, een Merel, een koppel Pimpelmezen en een zwarte vogel. Dat blijkt een Kauw te zijn maar om daar zeker van te zijn moest ik dat opzoeken. Er bestaan veel zwarte vogels. Zelf kende ik het verschil niet tussen een Kraai of een Kauw. Nu dus wel. Er blijken meer verschillen dan overeenkomsten te zijn. Alleen het roepen en krijsen, dat hebben ze met elkaar gemeen. Er vliegen meer vogels over de dorre Buksus dan dat dat ik er op een andere zaterdagmorgen aandacht voor heb. Ik noteer de soorten en het aantal vliegende passanten netjes op een velletje papier zodat ik straks mijn telling kan doorsturen naar Natuurpunt. Ze hadden dat gevraagd. Vraag me niet waarom.

2 zwarte Kauwen, want ze hebben een dikkere kop en zijn grijzer van kleur dan Kraaien of Raven, krijsen luid. Ka-ka roepen ze tegen elkaar. Ook al zien ze er net eender uit, lijken ze elkaar hun kleur wel te verwijten. Zwart en lawaaierig dat zijn ze alle twee. “De pot verwijt de ketel”: lach ik in gedachten. Ik denk dat het mannetjeskauwen moeten zijn want hun wijfjes zullen wel andere zaken aan hun kop en cloaca hebben, zo een paar weken voor het broedseizoen.

Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Ook al vind ik dat ka-ka-roepen niet veel uitstaan heeft met lied of vogelzang. Toch maakt hun scheer-je-weg-gejoel maar weinig indruk op de andere vogels. De Spreeuwen en de kussende Pimpelmezen gaan gewoon verder waarmee ze bezig waren. De ijverige merel trappelt zenuwachtig een pier uit het zompige gazon. Zijn morgen kon slechter beginnen want op deze tijd van het jaar zitten doorgaans niet veel pieren in het gazon. Die vind je eerder op een warme mesthoop. Vreemd dat die Merel dat niet weet.

Deze week weerde ik bewust alle mediaberichten uit mijn dagelijks dieet. Geen nieuws, goed nieuws! Mijn humeur werd de afgelopen 7 dagen niet bezoedeld door droevige of ergerlijke berichtgeving. Of door haantjesgedrag van menselijke zwarte vogels.

Wat een onbeschrijfelijke luxe, wat een rust! Ik werd er niet door geïndoctrineerd of beïnvloed. Ook niet door de mediamannen of madammen die met hun versie van de feiten hun gelijk wilden halen van diegenen waarvoor ze het opschrijven of uitroepen. Ze hadden geen vat op mij. Ik heb ze niet gehoord want ik heb niet geluisterd. Ik hoef dus geen partij te kiezen want ik heb geen benul over welke onderwerpen de meningen uit elkaar getrokken werden.

Ik kijk verder naar mijn tuin. Naar het gevrij van de Mezen en naar het getrappel in het gazon.

Er vliegt een grote zwerm zwarte vogels over. Spreeuwen denk ik.  Ze zijn terug van Spanje of van Catalonië.  Dat kan ook. Ze komen in elk geval uit het zuiden. Sommigen vliegen links anderen rechts. Een aantal kiest gewoon voor rechtdoor. Een paar 100 meter verder komen ze mooi in harmonie terug bij elkaar en vliegen verder. In één grote zwerm.

De mannelijke zwarte vogels geven luid commentaar met hun enerverende ka ka kreten. Om aandacht te trekken, om af te schrikken of om indruk te maken.

Verder gebeurt er niet veel. Behalve dan dat de andere vogels geen aandacht geven aan het gekrijs. Ze doen gewoon verder. Met hun pier of met hun paringszang. Zo eisen ze ook beetje tuin-ether op.

Elk vogeltje zingt zoals hij gebekt is.

Het gaat nog goed komen.