De trein begint langzaam te rijden maar het lijkt alsof het de wereld is die vertrekt. Het is spitsuur. De trein zit proppesvol mannen met laptopzakken, vrouwen met chacochen en laptopzakken er zijn jongeren met uitpuilende tassen alsof ze er hun hele kot hebben ingepropt. Ik wring mezelf door een wagon. “Daar vier rijen verder, nog één vrije plaats. Meer heb ik er niet nodig”, zeg ik in gedachten tegen die toeschouwer in mijn hoofd die dezelfde reis maakt.
Buiten begint alles achteruit te schuiven, eerst gebeurt dat traag dan een beetje sneller. Ik zie huizen, bomen, geparkeerde auto’s, een tuin met een trampoline, Hotel De Notelaar en een boze man die net een paar tellen te laat was en nu dwaas naar binnen kijkt omdat hij deze trein vandaag niet op tijd zal nemen.
Een vrouw met een wazige tattoo van een vogel op haar schouder schuift haar handtas een paar centimeter opzij zodat een man kan passeren. Hij knikt beleefd. Zij knikt beleefd terug. Hun relatie duurt één tel en dat was net lang genoeg voor niet gespeelde beleefdheid maar te kort voor wederzijdse nieuwsgierigheid.
Een andere vrouw die tegenover mij zit, is iets ouder. Ze draagt een bril met vierkant montuur die ze om de twee minuten een beetje hoger op haar neus duwt. Haar telefoon houdt ze met twee handen vast. Ik vermoed dat ze dat altijd doet. Ze glimlacht. Iemand heeft haar een bericht gestuurd. Is het goed nieuws of is het een foto van haar kleindochter die voor de eerste keer zonder zijwieltjes fietst. Misschien een vriendin die een slechte mop doorstuurde die ze al drie keer gekregen heeft. Misschien is het helemaal niets en is ze gewoon goed gezind.
Ik weet het niet.
Ik verzin het allemaal ter plekke maar weet dat ik er waarschijnlijk helemaal naast zit. Heel even speel ik met de gedachte om te vragen.”Goed nieuws?” Maar dat is het rare aan treinen, je zit dicht genoeg bij elkaar om elkaars parfum te ruiken, maar te ver uiteen om er iets mee aan te vangen. Zij glimlacht en ik verzin daar een verhaal rond. Misschien vraagt zij af waarom ik zwijg. Wie zal het zeggen?
Twee zetels verder zit een jonge gast. Hij ligt met zijn hoofd tegen het raam. Het is duidelijk een student. Zijn mond staat een beetje open. Zijn oortjes zitten nog in en zijn rugzak zit tussen zijn voeten geklemd alsof hij bang is dat iemand ermee vandoor gaat. Misschien heeft hij een zware nacht gehad of misschien is hij er net achtergekomen dat volwassenen op een trein gewoon maar doen alsof ze wakker zijn terwijl ze eigenlijk allemaal lopen te dromen in hun eigen wereldje.
Drie interessante mensen met een eigen leven. Ik krijg maar net genoeg informatie om er een verhaal mee te beginnen maar veel te weinig om het juist te vertellen.
Niemand zegt iets, of toch niet?
“Ik zit op de trein,” zegt een man veel te luid zodat de halve wagon ongevraagd mee in het gesprek zit. Op zich is dat zelfs een fascinerende zin. “Ik zit op de trein.” Vroeger, lang voor de gsm bestond, heeft waarschijnlijk nooit iemand die zin uitgesproken. Toen liet gewoon niemand thuis weten waar hij was. Je kon niet zeggen, “Moeder, zet de petatten maar op, want ik zit op de trein, binnen een kwartier ben ik thuis.”
Dat was allemaal overbodige informatie want je moeder wist dat je op die trein zat. In die tijd kon een mens gewoon nog even verdwijnen. Nu kan dat niet meer.
“Ja, ik zit op de trein.” “Nee, op de trein.” Maar dan luider alsof de mensen in die coupé daar nog twijfel over hadden. Ik merkte hun irritatie aan kleine dingen. Aan die jonge gast die zijn oortjes wat dieper stak. Aan die vrouw voor mij die even opkijkt om dan haar blik opnieuw op haar scherm vast te pinnen en aan die man die luid hoorbaar door zijn neus zucht.
Maar niemand zegt er iets van. Dat is ook zo een afspraak op een trein. Je mag bestaan, zolang je het niet met teveel lawaai doet.
Op dat moment trilt mijn telefoon. “Ja,” hoor ik mezelf zeggen. ” Binnen 10 minuten, ik zit nog op de trein.”
De vrouw tegenover mij glimlacht opnieuw, alsof ze mijn gedachten kon lezen en er met mijn laatste zin ook een verhaal heeft mee bedacht.
Ik vraag me af welk.
