Wat het betekent om mezelf te zijn

‘Niets wat ertoe doet is gemakkelijk’, denk je dat ik dat niet weet. Neem nu mezelf. Op een dag word ik een goede man, fatsoenlijk, liefhebbend, rustig en dan zal ik ertoe doen, ooit misschien. Maar ik ben die man nog niet. Ik ben namelijk onfortuinlijke eigenaar van een schaduwzijde die een sluier werpt over mijn aspiraties en over wie ik wil zijn. Vriendelijk ben ik niet altijd, met woorden vaak te scherp. Ik ben er te gulzig mee terwijl ik met mijn daden te voorzichtig of te spaarzaam omspring. Denk niet dat ik dat niet weet, ik zie het wel in jullie blikken en hoor het wel aan jullie zuchten.

Als ik dan tijd neem, zoals afgelopen week toen ik vanop een trap in Parijs, mezelf met wat afstand wou bekijken, voelde ik me een beetje verloren in mijn eigen kleine denkwereldje. Daar, in de anonimiteit van de lichtstad van nostalgische schoonheid, probeerde ik het onbegrijpelijk mysterie van mezelf te doorgronden. Het leek alsof ik probeerde een vrouw te begrijpen, soms kijkt ze afstandelijk en ontglipt ze me alsof ze iets achterhoudt, dan weer trekt ze zich terug in de schaduw van mijn eigen onzekerheid, luiheid, opstandigheid of koppigheid.

Op zulke momenten, wanneer woorden haperen en zinnen vastlopen in donkere hoeken of op eenzame trappen, voel ik dat ik altijd mezelf nog heb. Dan dwaal ik rond in dat labyrint van gedachten en emoties, soms verward, soms helder, meestal compleet ongrijpbaar. Het is daar op die vertrouwde plek waar twijfel en zekerheid met elkaar in conflict gaan en hun eeuwige strijd voeren, als rivaliserende minnaars op een strijdtoneel waar duistere demonen moeten verjaagd worden en waar engelen vrij mogen gelaten worden.

Telkens ik op dat plekje terechtkom, vraag ik me af of het me ooit zal lukken om die man te worden die bedachtzame woorden met zorg zal uitkiezen en zijn daden met meer compassie en daadkracht zal leiden. Niets wat ertoe doet is gemakkelijk of vanzelfsprekend. Mijn grootste uitdaging, dat ben ikzelf. Zal ik die innerlijke storm ooit onder controle krijgen? Misschien hoeft dat niet eens. Misschien is het net die worsteling die me dwingt om te blijven onderzoeken, om mezelf te leren kennen en om zo bedachtzaam vooruit te blijven gaan?

Ik ben niet perfect, verre van dat, maar ik vlucht niet meer en dat ben ik aan mezelf leren waarderen.  En wie weet, word ik zo, ooit wel een man die ik wil zijn, met zachte woorden en met krachtige daden. Tot die tijd zal ik blijven schrijven over mezelf om mijn innerlijke wereld te verkennen, en om proberen te begrijpen wat het betekent om mezelf te zijn.

Oude, grijze gazet

Door alle wensen die ik op deze heuglijke dag mag ontvangen, lijkt het erop dat ik vandaag de leeftijd van 55 heb bereikt. Nu ik me in de spiegel zo bekijk, zie ik een kerel die eruitziet alsof hij al een paar keer in de touwen van het leven heeft gehangen.

Kijk ook naar me, als je durft tenminste. Mijn haar is grijs, mijn huid is gekreukt als een oude krant, en mijn lichaam schreeuwt om genade. De rimpels op mijn gezicht vormen de kaart van mijn leven. De wegen die ik afgelegd heb kan je volgen met een vergrootglas, de reis boeiend, de bestemming nog steeds onbekend. Zelfs kortgeknipt zijn mijn haren even grijs als een vergeten gazet en met elke nieuwe dag voelt mijn lijf aan alsof het ieder moment uit elkaar kan vallen.

Je hoort het goed, ik ben nog steeds hier, nu om over mijn nieuwe ouderdom te klagen, dus laat me dat dan maar doen. Soms denk ik dat ik met mijn onstuitbare jeugdigheid en mijn nieuwsgierige geest nog steeds de wereld kan veroveren om hem naar mijn hand te zetten, diezelfde wereld die me al een paar keer een ferme boks in mijn maag gegeven heeft. Onstuitbare jeugdigheid! Echt, dat was sarcastisch bedoeld want ik voel me vandaag als dat vergeten basilicumplantje, eens fris en fruitig, nu verdroogd en verrimpeld omdat ik te lang op het aanrecht in de zon heb gestaan.

Mijn reputatie als avonturier van losgeslagen gedachten heeft me zowel bewondering als medelijden opgeleverd. Hoe zeggen ze dat? Het leven is een slagveld en ik? Ik ben al lang verslagen omdat ik niet langer in oorlog ben. Het is al goed, en als het slecht is, is het ook goed.

Het mag een wonder zijn dat ik überhaupt mijn 55ste verjaardag heb gehaald. Misschien loop ik vandaag langs de dokter om mijn hoofd nogmaals te laten checken, misschien stop ik met roken, niet zeker of ik dat wel wil. Ik zie wel. Maar één ding is wel zeker. Ik zal altijd blijven lachen, met mezelf en met de rol die ik nog steeds heb in deze tragikomische biografie van mezelf.

Dus op deze heuglijke dag en net zoals elke andere dag maak ik mijn entree met gebruikelijke flair, zeker van mijn tekst en met narigheid, zelfmedelijden en de juiste dosis sarcasme en zelfspot, als clown van mijn eigen circus.

The show must go on. Sent in the clown!

Het gezicht van een verslaafde!

In de spiegel kijk ik elke dag naar dit gezicht, het is het gezicht van een verslaafde. Het aan durven om deze persoon strak in de ogen te kijken, vergde moed, dat soort moed dat je heel diep in jezelf moet zoeken wil je het vinden. Dat was zonder enige twijfel het moeilijkste wat ik ooit in mijn leven heb gedaan.

Die confrontatie met mezelf aangaan, heb ik veel te lang uitgesteld. Ik danste eromheen zoals een bokser rond zijn uitdager danst om de fatale uppercut te ontwijken. Uiteindelijk werd ik toch met een genadeloos, fatale mokerslag definitief tegen de touwen geslingerd.  Pas later drong het tot me door dat ik om uit de meedogenloze klauwen van de drankduivel te blijven, ik voorgoed uit de boksring moest blijven.

Decennialang heb ik gedronken. Ik kende geen maat.  Als vluchteling van mezelf verdoofde en onderdrukte ik de realiteit met de vertrouwde roes en deed dat zolang tot ik mezelf tot aan de rand van de afgrond had geduwd. Ik sprong niet maar keek wel in de duisterste put. Het heeft weinig gescheeld.

Door de fles werden mijn karaktergebreken en mijn kleine kanten louche figuren die me overal schaduwden. Ik werd impulsief, roekeloos, en handelde zonder na te denken over gevolgen. Mijn onverzadigbare dorst naar sensatie en opwinding leidden me naar gevaarlijke situaties of lokten ze uit, zowel fysiek, mentaal als emotioneel. Ik wist dat ik grenzen moest stellen, alleen ik wist niet hoe. Immers, mijn koppige, eigenwijze en verslaafde brein fluisterde me steeds opnieuw toe dat ik ze niet nodig had. “Maak je geen zorgen, het is niet zo erg, jij kan wel stoppen, als jij dat echt wil.” Tot ik tot het tragische besef kwam dat ik dat niet meer kon.

Ik schaam me niet voor mijn verleden, wel voor sommige details ervan. Vandaag is het tien jaar en een dag geleden dat ik mijn laatste glas gedronken heb en ik in de kelder van mijn ziel de moed en de kracht vond om niet langer naar het eerste te grijpen.

Iedereen die me een beetje kent, zal het beamen, “Jan is recht door zee, hij heeft het hart op de tong”. Het is helemaal niet ondenkbaar dat ik jou met mijn kwetsbare openhartigheid beledigd heb en dat misschien soms nog doe. Geen zorgen, het is jouw weerstand die je toespreekt, maar jouw verzet is niet mijn kompas.  Ik laat me niet meer sturen door andermans oordeel. Dat deed ik vroeger en zie waar het me gebracht heeft. Stilte is niet langer mijn motto, toch zal ik jou nooit verwijten dat je denkt dat je onoverwinnelijk bent en dat je vermoedt dat het jou niet kan overkomen. Ik deed het zelf zo lang!”

Toch ben jij niet de eigenaar van mijn verleden. Dit verhaal en de donkere hoofdstukken van mijn biografie behoren enkel mij toe. Ze werden een voor een geschreven uit noodzaak om het heden te kunnen waarderen en om mezelf graag te leren zien, al gebeurt dat soms nog als manke koorddanser op een wiebelende koord. Vandaag sta ik sterk en stabiel, althans sterker en stabieler dan vroeger. Hopelijk doe ik dat morgen ook, maar de toekomst bestaat niet. Daarover zal ik geen uitspraken doen of er onzekere beloftes over maken.

De greep van een verslaving en mijn inzicht discrimineren niemand.  Het mag allemaal publiek bezit worden. Ik weet dat ik verslaafd ben en dat altijd zal blijven. Dat was vroeger zo, dat is vandaag zo en dat zal zo zijn, alle dagen die ik op deze aardkluit doorbreng.

Maar schaamte hoort daar niet meer bij. Ik en andere lotgenoten hoeven ermee niet gestigmatiseerd te worden. We hoeven niet als zwak neergezet te worden, want zwakte is ons etiket niet, zeker niet het mijne.

Dus hier sta ik nogmaals op om te spreken. Wat tien jaar geleden als een angstaanjagend avontuur begon, groeide uit tot een overtuiging, mijn overtuiging. Het hoeft de jouwe niet te zijn. Toch roep ik op deze verjaardag met mijn hart in mijn handen en mijn ziel op jouw schoot heel luid dat verslaafd zijn levens verwoest, niet alleen levens van verslaafden maar ook die van hun families en geliefden.

Na tien jaar besef ik dat mijn misbruik een dwaalspoor was naar grootsheid en naar (maatschappelijke) aanvaarding, eigenlijk was het gewoon de gemakkelijkste dekmantel voor mijn innerlijke onzekerheden. Ik vluchtte voor mijn zelfbeeld, voor mijn angsten en voor de confrontatie met mijn ware ik.  Voor zelfacceptatie was geen plaats. Daarvoor stond de fles in de weg, de fles die tegelijk mijn schild en mijn gevangenis was. Ze vertroebelde zo hard mijn zicht dat ik mijn innerlijke demonen niet meer herkende en door het waas niet meer zag wie ik werkelijk was.  Zwakheden en gebreken werden een vertrouwde jas als onderdeel van mijn duistere schaduw, altijd aanwezig maar zelden volledig erkend. Tot het tij keerde en ik ze allemaal recht in de ogen keek.

Met dit berichtje gooi ik nogmaals mijn masker af. Daardoor kies ik ervoor om niet naamloos te blijven. Ik heb een verhaal en een verleden. Ik ben niet langer anoniem, want in mijn anonimiteit hield ik te lang de oplossing verborgen van het echte probleem.

Daarom sta ik hier opnieuw, open en bloot. Mijn naam is Jan.  Dit is mijn gezicht, het is het gezicht van een verslaafde!

Een merel met een levensles

“Tijd druppelt langzaam weg als regendruppels op het vensterglas”, zeg ik stilletjes in mijn hoofd tegen iemand van de aanwezigen die er altijd is.  Terwijl dauw streepjes trekt op de ruiten van het tuinhuis, zit ik aan mijn vijvertje, een kop koffie binnen handbereid en met een sigaret tussen mijn vingers, de ogen doelloos gericht op de horizon van mijn hofje.

Een merel huppelt op het gazon, met zwarte veren vochtig als het gazon zelf, nog nat van de nachtelijke dauw. Ik zie dat aan de minuscule druppeltjes op zijn zwarte verenkleed. Hij zet zenuwachtige pasjes en zijn kop gaat op en neer terwijl zijn kraaloogjes schitteren met geduldig vertrouwen. Elk stapje lijkt doordrenkt te zijn met een kalmte van iemand die zichzelf de kunst van het wachten heeft aangeleerd.

Hij wacht geduldig en zijn kopje draait af en toe met aandacht die alleen gericht is op het gazon onder hem, als een jager met een prooi in het vizier.

Opeens verschijnt uit het natte gras een regenworm, duidelijk geïrriteerd door het gehuppel boven hem.  Met een bliksemsnelle beweging die zijn wachten lijkt te belonen, duikt de merel neer. Meedogenloos vindt zijn snavel het doel waarop hij al die tijd gewacht heeft. De merel vliegt weg, de buit stevig vastgeklemd in zijn snavel.

Het gazon en de toeschouwer van dit spektakel blijven achter, met de levensles van een geduldige merel en de beloning van wachten op het juiste moment.

Wachten en ongeduld, mijn twee oude vervelende metgezellen, even loyaal als storend. Ze wijken nooit van mijn zijde. Het zijn als schaduwen die nooit echt verdwijnen en zullen dat misschien nooit helemaal doen.

Ik heb op zoveel gewacht in dit leven, op antwoorden die nooit kwamen omdat de vragen niet duidelijk of te moeilijk gesteld waren of gewoon omdat het antwoord zelf te complex was om te begrijpen.

Ik wachtte bijvoorbeeld in een kille wachtkamer bij de dokter, terwijl de klok aan de muur elke seconde van de tijd liet horen als echo van mijn ongeduld en ik mijn bange gedachten afleidde met tijdschriften vol vergeelde pagina’s.

In de winters van mijn leven wachtte ik op zomerse beloften van wilde avonturen en bedwelmende vrijheid. In de zomers verlangde ik naar rust en gezelligheid van koude sneeuwdagen. Seizoenen komen en gaan en glippen als zandkorrels door mijn handen en laten me achter met verwachtingen aan de hitte of koude of met een verlangen naar meer.

Op maandagen wachtte ik op vrijdag, op werkdagen wachtte ik op vakantie. Tijdens drukte verlangde ik naar rust en als ik me verveelde wachtte ik op actie.

Op onbeantwoorde liefde heb ik ook gewacht en misschien is dat wel het zwaarste wachten dat er bestaat. Ik wachtte op haar blik, op een gesprek, op een glimlach, op hoop. Vol ongeduld, vol verlangen en spanning wachtte ik vergeefs op die ene vlinder die in mijn gedachten zou komen fladderen om op mijn hart te landen.  Wachten op vlinders die niet op je hart landen is het ergste wat er bestaat.

En toch kwam zonet dat ene moment. Waren het mijn gedachten, was het die vlinder of die merel? Het doet er niet toe maar plots kom ik tot besef dat ophouden met wachten de grootste bevrijding kan zijn. Hier zit ik, met de rook van mijn sigaret rond mijn hoofd, terugdenkend aan al die verspilde momenten en wat ze me hebben opgeleverd.

Ze worden alleen nog een deuntje dat zachtjes speelt op de achtergrond.”

“Ik wacht niet meer! Om hoe laat komt de volgende trein, maar vooral waar zal hij me brengen?

Een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset

Onder het oppervlak van Ken’s onberispelijke façade, waar perfectie slechts een dun laagje glanzend vernis is, gloeit zijn mannelijkheid als smeulende kolen met elke nieuwe dag heviger en heter.

Met een haarlijn strakker dan de manen van een ongetemde hengst en een kaaklijn scherper dan het scherpste scheermes vervloekt hij zijn uiterlijk als een heiligschennende ketter. “Wat ben ik hiermee, godverdomme.  Wat heb ik in hemelsnaam aan een roze Ferrari en aan een perfect uitgebouwd lichaam als ik gedoemd ben te leven zonder mijn traditionele gereedschapskist?”

Voor die ene perfecte Barbie, die hem adoreert voor zijn onberispelijke uiterlijk, terwijl zijn innerlijke drang het elke dag uitschreeuwt om veel verder te gaan dan haar roze pastelkleurige façade. Hij aanschouwt haar perfecte tieten zonder tepels en haar vormloos gewaxte kut zonder lippen, hetzelfde kunstmatige ideaal dat hij veracht maar waar hij zelf de verpersoonlijking van is. Wat moet hij ermee? Hij heeft niet eens een piemel, het grootste symbolische kenmerk van mannelijkheid.

Niets liever zou hij zich willen “losrukken” van zijn beperkingen om dat minstens drie keer na elkaar herhalen en zich zo te ontdoen van de kettingen van perfectie die hem aan zijn kunstmatig bestaan kluisteren. Wat zou hij graag leven met de ruigheid van een echte vent zonder zich te hoeven bekommeren over al die pastelkleurige grenzen die zijn verlangens begrenzen.

Daar staat hij dan, adonis der adonissen, gewaxt en gepolijst maar gevangen in een standbeeld op een voetstuk, met een Barbie naast hem als zijn onwetende gevangenismaatje. Op zijn pedestal is hij te bewonderen, zonder fysieke snikkel maar met nieuwe opgedrongen clichés en met andere stereotypen die even strak zitten als een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset die zijn ware aard probeert te verhullen, een mannelijke aard die verlangt naar actie, ruigheid, avontuur en pure mentale vrijheid.  

In een wereld die streeft naar verscheidenheid en identiteit en waar de traditionele grenzen tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid vervagen, wordt nieuwe mannelijkheid en nieuwe vrouwelijkheid niet gedefinieerd door uiterlijke attributen. Je persoonlijkheid of authenticiteit wordt niet meer waard of groter door een gepolijste torso, door een strakke haarlijn of een scherpe kaaklijn. Je vrouwelijkheid wordt niet afgemeten aan de grote van je rondborstige tieten, aan je getuite lippen of aan je ronde billen, maar aan de kracht om tegen de stroom in te gaan en opzoek te gaan naar jezelf.

Onder het gepolijste uiterlijk van elke Ken en Barbie schuilt een verborgen verlangen naar oprechtheid, naar tederheid of naar ruwheid, naar vrijheid of naar diepe verbinding, naar het verlangen om simpelweg jezelf te zijn.

Breek los van je beperkingen ongeacht de pastelkleurige wereld waarin je gevangen lijkt te zitten, zelfs als die wereld met alle kracht probeert je die beperkingen op te leggen.

Ze zijn niet echt!

En de waarheid dan?

Gisteren, een Belgische zomerdag van dertien in een dozijn.  De zwaarwegende vochtigheid zat als een slome kater in mijn hoofd te spinnen terwijl ik wegdroomde op een traag en stoffig pad van een dagdroom die nergens naartoe leidde, op zoek naar iets dat ik niet kon benoemen en mogelijks niet eens bestaat, de waarheid!

Was het die discussie over ‘de paradox van de waarheid’ en de gedachtenuitwisseling die we er laatst over hadden en als een vochtige bries door mijn gedachten bleef waaien die me op deze stoffige weg hadden gezet? Waren het die filosofische wijsheden of de alomtegenwoordige uitspraken die als een onzichtbare ‘Vrouwe Justitia’ met haar strenge blik overal op de loer ligt, gereed om al mijn innerlijke gedachten af te wegen en te analyseren op de weegschaal van eerlijkheid en rechtvaardigheid.

Waren het die ingebeelde filosofische rechters die als poortwachters hun vonnis vellen over mijn ingetogen monoloog en over al mijn innerlijke overwegingen, die me in deze rusteloze dagdroom hebben ondergedompeld?  Stel me de vraag niet want een antwoord heb ik niet, wat ik wel weet is dat zelfs oude, alom geprezen filosofen die ooit dicht bij de waarheid stonden, zichzelf ook wel eens tegenspraken. Neem nu Boeddha een denker die een leven lang waarheden en wijsheden uit zijn druivelaar schudde.

Gezeten onder de schaduw van een of andere kromgebogen levensboom, sprak hij ooit de gevleugelde woorden, “Verlangen is de wortel van alle lijden.” Ik laat de woorden tot mij doordringen, wie ben ik om ze te betwisten? Ik wil ze wel accepteren.  Soms is het beter een verwachting op te geven om er een verlangen mee te kunnen vervullen, bedenk ik me. Maar zoals elk onopgelost raadsel blijft knagen, duikt plots een andere uitspraak op uit de schatkist van zijn levenslessen. “Doorgrond en begrijp eerst je eigen verlangens.” Daar zat ik dan midden in de tweestrijd van mijn gedachten. Hoe kan ik mijn verlangens doorgronden als ik ze tegelijkertijd moet loslaten?

Is dat niet hetzelfde als tegen iemand zoals ik zeggen dat ik moet stoppen met hunkeren naar een glas wijn, maar tegelijkertijd moet proberen begrijpen waarom ik soms kwijl bij de gedachte eraan?” Dat is advies, waarbij de naald van mijn innerlijk kompas alle richtingen aanwijst behalve dat van het nuchtere Noorden.

Om bij de beeldspraak van dat kompas te blijven en om het allemaal nog een beetje ingewikkelder te maken, voegt Boeddha eraan toe.

“Verlangen, mijn vriend, is als een kompas zonder naald. Begrijp eerst je eigen noorden voordat je anderen de weg wijst.”

Deze zin voelt eveneens aan als wijsheid waarbij ik me als nederige onwetende gerust wil neerleggen. Tot een andere uitspraak in de lucht geworpen wordt en de oorzaak is van al mijn verwarring.

“Je identiteit en het zelf is een illusie, het zelf is een schaduw die verdwijnt in het ochtendlicht. Volg je pad, maar zwaai niet met je schaduw.”

Een frons trekt diepe groeven op mijn voorhoofd en een lach ontstaat op mijn mond wanneer ik deze wijsheden in omgekeerde volgorde lees, om niet gezegd te hebben dat mijn verstand ervan knettert tot een kortsluiting.  Hoe kan ik begrijpen wie ik ben, mijn pad volgen en mijn schaduw omarmen als mijn identiteit en mijn zelf een illusie is? Hoe kan ik zoeken naar mijn noorden en tegelijkertijd vaststellen dat het kompas er niet eens is?

Deze Belgische zomerdag van dertien in een dozijn is duidelijk niet de dag waarop de filosofische puzzels van het leven worden opgelost zelfs niet met Boeddha in persoon als partner in crime. Toch vind ik in zijn tegenstrijdige uitspraken een spiegel van mijn eigen complexiteit die ik mijn waarheid mag noemen, wetende dat zelfs de grootste verlichte geesten een vleugje menselijke sprankeling hebben en af en toe in onbegrijpelijke raadsels spreken.

En de echte waarheid dan?  Laat ons het daar een andere keer over hebben.

Waanzinnig Woke

In deze verwarrende, excentrieke tijden van het parallelle universum waarin we leven, voelen verwarde en merkwaardige mensen, steeds vaker behoefte om gekende gebeurtenissen die zich in het verleden afgespeeld hebben te hervormen tot iets wat past in een nieuwe agenda. Graag zouden ze alle gewelddadige feiten en gebeurtenissen een nieuwe betekenis geven, feiten die beschreven staan in normale geschiedenisboeken waarin minderheidsgroepen soms slachtoffer werden van een tirannieke eenling, van een systeem dan weer van een superieure meerderheidsgroep.  Liever nog zouden ze dit doen met het ongelofelijk spektakel van ongeziene absurditeit.

Omdat ik niet kan achterblijven maar toch vooral omdat mij ook onrecht werd aangedaan, sta ik op het punt Rome aan te klagen in een onwaarschijnlijke rechtszaak die de toekomstige geschiedenisboeken zal ingaan als het ultieme proces van het “Allerlaatste Waanzinnige Woke Sacrament.”

De reden? Simpel, mijn DNA.  Deze uitverkorene, tevens schrijver en voorwerp van mijn toekomstige aanklacht zal fungeren als spreekbuis van het gezond verstand en tegen de waanzin. Ik ben van plan om de Romeinse republiek aanklagen voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA ten gevolge van de tumultueuze overrompeling van Gallië door de Romeinen in 58 v.Chr. Ja, je leest het goed, ik stel de toenmalige bewindsvoerders van het Romeins imperium en meer bepaald Julius Caesar in persoon verantwoordelijk voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA.

Gekleed in driedelig maatpak zal ik in een waanzinnig woke proces aan de edele rechters van het gezond verstand en aan de leden van de jury bewijzen dat mijn voorouders en bij uitbreiding mijn volledige genetische erfenis op een doortastend en zwaar belastende wijze is aangetast door de Romeinse overheersing van Gallië.

Als aanklager van Rome zal ik aantonen dat de teksten die ik vandaag schrijf en waarin mijn voorliefde voor lang uitgesponnen, krachtige zinnen, mijn heldhaftige voorstelling van mannelijke moed, en hun superieure vastberadenheid en mijn totaal gebrek aan erkenning van de vrouw als overwinnaar van de battle of the sexes, te herleiden zijn tot de onfortuinlijke genetische erfenis uit die verre Romeinse hoogdagen, mijn DNA dus.

Als ultieme bewijs zal ik in mijn eindbetoog pleiten dat het Latijn, die Romeinse taal die destijds zo fors heerste dat ze de taal bij uitstek werd, bij het bestuur en bij het chique gedoe in het toenmalig Gallië, dit terwijl de Galliërs eigenlijk niets liever wilden dan hun eigen dialecten te blijven brabbelen, mijn huidig taalgebruik zonder mijn expliciete goedkeuring heeft gevormd.  Zonder enig mondeling of schriftelijk consent sloop precies dat Latijn als een kwieke smokkelaar van vervuilde woordenschat stiekem onze oertaal binnen.

Latijn en Gallisch, twee talen die elkaar in het gezicht sloegen met woorden en klanken waardoor met de brokstukken en de ruïnes daarvan iets nieuws ontstond dat later Frans werd genoemd. Het oer-Frans was een mix van het oude en nieuwe klanken die zich vermengden tot een eigen dieventaaltje dat vanaf dat moment gesproken werd op het grondgebied waarop we ons vandaag bevinden. De beïnvloeding van mijn DNA en mijn schrijfstijl zal hierdoor door de rechtbank van het gezond verstand als bewezen geacht worden.

Om een schadevergoeding is het mij niet te doen. Het enige wat ik vraag is erkenning van het feit dat mijn woordgebruik, mijn grammatica en mijn schrijfstijl het product zijn van het kosmische theater van de Romeinse expansiedrang en per definitie dus van de genetische beïnvloeding van mijn literaire expressie. Als straf en vergelding zal ik eisen dat zowel geschiedenis en literatuur als werelderfgoed dienen behandeld te worden en dus onaangeroerd moeten blijven zodat we ze kunnen omarmen als wonderlijke leerschool van al het goede en kwade en van alles wat zich in de mens schuilhoudt maar ook als eerbetoon van de verbeeldingskracht van de schrijver van het verhaal.

Locutus sum. Ad litem.

Het epos van een welzijnskip

Met een hart vol goede bedoelingen en met een maag die rammelde als een verongelijkte leeuw in een vegetarische savanne, trok ik uitgehongerd naar mijn favoriete restaurant. Mijn doel was even logisch als duidelijk en net zo helder als een sterrennacht in diezelfde savanne. Ambitieus was mijn voornemen ook. Uiteraard zou ik eerst mijn honger stillen maar tevens wou ik, min of meer vastberaden maar toch eerder opgefokt door mijn ecologische geweten mijn veel te grote ecologische footprint proberen te verkleinen door ‘iets vegetarisch’ te eten.

Als naïeve Don Quichot van den Aldi maar met een plan trok ik, gewapend met mes en vork in plaats van met een lans ten strijde tegen de klimaatverandering en tegen alle gerechten die door vlees-verslindende molens, ‘saignant’ geserveerd worden om ze er te laten uitzien alsof ze voor de opwarming van de Aarde geen bedreiging vormen.

De menukaart strekte zich over mijn leeg bord uit als een culinaire landkaart die mijn morele kompas en mijn hongerige ziel probeerde te verenigen. De kort aangebakken shiitake en de gekonfijte oesterzwammen met truffeltoets, klonken even verleidelijk als die mysterieuze vreemdelingen uit de roman die nog moet geschreven worden. De linzencurry met wortelparfum die als een betoverend exotisch avontuur mijn smaakpapillen wilde ontvoeren was dat ook.

Op dat eigenste moment, net voor ik mijn keuze kon maken, viel mijn oog op een literaire plottwist die zelfs Madame Bovary, u weet wel de legkip van Gustave Flaubert in vervoering zou brengen.  Op regel vier van de menukaart las ik drie betoverende woorden: “Consommé van Welzijnskip” en ik schrijf ze nog eens voor jullie neer opdat ze zouden doorklinken al ware ze van de hand van Flaubert hemzelf, “Consommé van Welzijnskip”.

Door die dichterlijke woorden, ik had ze zelf niet mooier kunnen bedenken, leek het alsof de kip in kwestie, zelf vorig jaar het besluit had genomen om een weloverwogen sabbatical te nemen om te ontsnappen aan haar traditionele kippenbestaan om zo via een doordachte carrièreswitch een loopbaan te beginnen als vrije legkip van biologische scharreleieren.

“Welzijnskip waarom niet”, prevel ik in mezelf met een glimlach die voelt als een schouderophalende knipoog naar mijn eigen interne komedie. Dit is toch dè uitgelezen kans om ecologisch bewust te eten en om tegelijkertijd een pluizige, zelfbewuste welzijnszoekende kip, palliatief naar het kippenhiernamaals te begeleiden. Win-win lijkt me, toch?

Maar, binnenin knaagt de twijfel van een nerveuze schrijver die zijn woorden in het rood aanstreept wanneer ze hem niet bevallen. “Hoe kan ik mezelf au serieus nemen nu ik hier kip zit te eten? Een kip die waarschijnlijk meer emotionele vrijheid heeft ervaren dan die ik ooit zal dromen? Een zelfbewuste, vrije uitloopkip, die notabene, een leven lang biologische eieren heeft gelegd alsof ze voor zichzelf gelegd waren, in België!  Terwijl ik niet eens een idee heb hoe ik ze perfect hard of zacht kook.

Hoewel mijn geweten knaagt, steek ik toch mijn vork als een moderne plichtsbewuste ridder aarzelend in het sappige stukje “Welzijnskip”. Ik trek daarbij een grimas die een mengeling is van genot, zelfspot, spijt, schaamte en triomf, niet omdat ik ogenschijnlijk verstrikt ben geraakt in mijn naïeve zoektocht naar duurzaamheid of in de illusie van het nut van een vegetarische schotel waarmee ik me een zuiver geweten kon schoppen.  Neen ik twijfel alleen nog of ik me niet beter tegoed had gedaan aan een ordinaire kippenbout afkomstig uit een economisch rendabele legbatterij, in plaats van aan het vlees van een overgelukkige welzijnskip die waarschijnlijk overijverig en voor het nageslacht het epos van haar boerderijavonturen in al haar eieren heeft geschreven.

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Oneindig labyrint

In de kleinste uren van de nacht, terwijl de wereld vredig slaapt, dwaal ik door de gangen van mijn gedachten. Ik blijf er gekluisterd aan de verborgen schatten van mijn geest. Elke gedachte, elke keuze, klein of groot wordt ontoombaar door mijn geest ontrafeld, geanalyseerd en omgedraaid al ware het een kostbaar manuscript.

Ik ben een onrustige slaper, mijn brein weigert te rusten, ook nu weer. Het gaat op zoek naar onvindbare dingen uit het verleden of het spint garen op onzekerheden van de toekomst. Niets gebeurt zomaar of vrijblijvend, geen enkele beslissing simpel, stom, klein of groot wordt lichtvoetig genomen.  ‘s Nachts gebeurt alles weloverwogen alsof het allesbepalend is voor mijn lot. Alsof alles ervan afhangt.

De meeste mensen, zelfs diegenen die dicht bij me staan snappen er niks van. Ze noemen me besluiteloos, lui of zweverig.  Ze hebben geen idee.  Ze begrijpen niet dat die paniekerige twijfel nodig is om er elke losse rafel aan vast te maken. Het lijkt misschien niet zo, maar àls ik dan eenmaal mijn koers bepaald heb, zal geen enkele storm me van mijn pad kunnen brengen.

Overnacht zijn mijn gedachten net als stille kerkklokken die elk uur onhoorbaar luiden, alsof ze in alle stilte mijn beslissingen aankondigen.  De echo ervan weerklinkt alleen door in de ruimte van mijn grote hoofd om ze daar nog wat verder te onderzoeken.

Overdag reageer ik eerder impulsief. Omdat mijn geheugen moe is of omdat ik blindelings vertrouw op oplossingen die mijn gevoel me s’ nachts hebben ingefluisterd.

Doorheen de dag raast de wereld met snelle tred haastig voorbij terwijl ik nood heb aan vertraging. Door te leven met de voet op de rem wordt het gemakkelijker om van het moment te genieten zonder me met zinloze dingen te hoeven bezighouden. Maar mijn gedachten blijven voortdurend vooruit en achteruit reizen. Met schetsen uit het kladboek van het verleden schilderen ze scenario’s van wat in de toekomst kan zijn, terwijl hun schaduwen onzichtbaar over mijn schouders sluipen.

Telkens opnieuw blijf ik mijn innerlijke kompas ijken om bewuster te leren van de hartslag van het moment. Met die tijd kan ik mijn gedachten bevrijden van hun constante zoektocht naar antwoorden op vragen waarop geen antwoord bestaat. Misschien dat ik daarom nooit te laat kom, om beter voorbereid te zijn op datgene wat komt, om niet verrast te worden maar ook omdat ik in mijn hoofd minstens drie alarmklokken heb gezet.

Je zou het me niet nageven maar mijn onuitgesproken verwachtingen zijn hoog opgespannen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de wereld rondom mij.  Mijn streven naar de perfectie van innerlijke rust lijkt soms een vloek, maar het is mijn drijvende kracht om de juiste dingen te blijven doen.

Door die onrust maak ik relaties waarschijnlijk gecompliceerd en hoogstwaarschijnlijk moeilijk. Ik weet dat wel. Samenleven met mij zal af en toe een verschrikking zijn, omdat ik in mijn hoofd elke woordenwisseling, elk stilzwijgen of elk luider gesproken woord een andere lading geef door er een diepere of andere betekenis aan te geven dan diegene die jij eraan gaf.

Hier sta ik dan naar mezelf te kijken, als overdenker van de gedachte, elke dag op zoek naar een zandkorrel in de woestijn.  In de betonnen wereld die er vaak voor kiest om oppervlakkig te zijn blijf ik zoeken naar een klavertje vier. Het lijkt dan alsof ik gevangen zit in een oneindig labyrint, waarvan elke gang leidt naar een andere gang, naar een andere vraag, naar een nieuw inzicht of naar een ander soort begrip.

Ik geeuw, het is ondertussen zeven uur ’s morgens en jij wrijft de slapers uit je ogen, de mijne vallen dicht.

De laatste twijfelaar

Twijfelende passanten en verdwaalde reizigers zonder duidelijke bestemming lopen af en aan. Ze verschijnen onverwacht en verdwijnen op dezelfde manier als ze gekomen zijn, onverwacht. Af en toe blijven ze eventjes of iets langer, meestal echter niet. Is het dat ongevaarlijke en onuitgesproken oordeel waarvoor ze vluchten? Is het besluiteloosheid of angst voor het onbekende waarvoor ze weglopen of is het misschien omdat ze verandering in hun leven niet toelaten waardoor die noodzakelijke stap niet kan worden gezet? Ik vraag me dat af.  In mijn hoofd kijk ik naar hen, hoe ze doelloos in gekwetste lichamen hun voetstappen volgen, hoe ze het verleden verbergen en de toekomst vertrappen met hun ogenschijnlijk zorgeloos getreuzel.

Even hoopvol als achterdochtig sta ik op uitkijk en bekijk de vele maskers waarmee ze de ware kleuren van hun gelaat en ziel verbergen. Voor elk bal masqué hebben ze het passend mombakkes waarachter ze zich kunnen verschuilen en waarmee ze onzichtbaar willen worden in de massa van het gedruis. Het idee alleen al doet me huiveren. Hoe is het mogelijk om die maskerade vol te houden?

Hun leven verkleind tot beklemmende machteloosheid of tot een aaneenschakeling van ogenschijnlijk hippe feesten en nietszeggende vieringen die tegengewicht moeten geven aan de wankele bascule waarop ze balanceren, vechtend met de onmacht om het leven recht in de ogen te kijken en het te nemen zoals het is.

Ik wil hen bespelen maar de tijd blijft me verbazen. Hij slingert onverbiddelijk door, haast cynisch. Hoe ik er ook door beweeg of hoe harder ik hem wil vertragen des te harder hij lijkt te willen versnellen, alsof hij me uitlacht. Het is al midzomer, gisteren was het nog winter. Elk jaar speelt zich af in de verschillende cycli van wisselende seizoenen. Een maand schuift door in de cycli van voorbijdrijvende weken, een week in dagen en een dag in uren. Die tijd begeleidt me naar de cijfers van mijn leeftijd en brengen me helemaal naar dit moment, alsof ik traag geracet heb naar een beetje evenwicht.

Mijn onuitgesproken en milde oordeel over mensen wees me de juiste richting om te volgen. Het toonde me zonder medelijden mijn spiegelbeeld en vertelde mij dingen die ik moest leren over mezelf, om ze te aanvaarden of te veranderen. Het waren zaken die me verhinderde om te zijn. Weifelende stemmen bleven me bevrijden en toonde me de bewegende beelden van de wereld waarin ikzelf een veilige plaats moest zoeken en daar ben ik dankbaar voor.

Soms wil ik zo graag zeggen wat nog nooit gezegd is, laten voelen wat nog niet gevoeld is en schrijven wat nog niet geschreven is. Om slapende levens wakker te schudden opdat ze eindelijk zouden doen wat ze best zouden doen, maar de weerstand is te groot, het onvermogen te dwingend en de tijd te kort. Hij gaat te traag of te snel voorbij en zal dat zolang doen tot de laatste twijfelaar met een oordeel alleen overblijft.

Ik hoop dan maar dat ik het niet zal zijn.

Het eeuwigdurend moment

Stel je voor, een dag als deze die eeuwig voortduurt of erger, er rest je nog maar één dag. Hoe zou je die ervaren en vooral zou je nog steeds dezelfde dingen doen? Toegegeven, het is op zich een ietwat vreemde vraag maar ze nodigt wel uit om dingen in perspectief te plaatsen. Ze dwingt me om te onderzoeken waaraan ik mijn kostbare tijd besteed en of ik me met de essentie ervan bezighoud.

Vandaag koester ik met deze hypothese het moment. Dat het een eeuwigheidlang mag duren ook al duurt het in werkelijkheid maar één enkele tel.

Toegegeven, graag heb ik het niet gedaan en veel is er niet van in huis gekomen maar ik heb gestudeerd, althans ik heb een poging gedaan. Ik deed het omdat het van mij verwacht werd, om een diploma te krijgen en om me met dat stuk papier van een job te verzekeren. Nadien deed ik mijn best om met de opgedane ervaring een betere te vinden en ik heb dat een aantal keer herhaald, soms met succes.

Ik zette braaf en gedwee noodzakelijke stappen om mijn maatschappelijke positie, wat dat ook moge betekenen, te verbeteren. Telkens opnieuw lag het ogenschijnlijk voordeel van elke carrièrezet in de toekomst. Elke stap was noodzakelijk om een volgende te kunnen zetten, hoewel elke tussenstap op zichzelf weinig of geen waarde van betekenis had. Ik zeg dat nu zo uitgesproken omdat het uiteindelijke resultaat of doel van elke zet ver in de toekomst lag en op zijn zachtst gezegd onzeker was? Haast nooit bleef ik stilstaan bij de vraag of er wel voldoende tijd zou overblijven om van dat uiteindelijke resultaat te kunnen genieten.

Dat tussenstapgedoe in het leven, eerlijk waar ik ben daarvan afgestapt. Gedaan met stappen zetten als voetafdrukken in het zand waarbij resultaat en doel te ver in de toekomst liggen en waarvan de uitkomst onzeker is. Ik probeer eerder voldoening te vinden in dingen die ik vandaag doe zelfs al is dat niet bijster veel. Maar vooral ik wil ze zetten zonder de verwachting of verborgen agenda dat ze, ‘later als ik groot ben’ misschien nog iets kunnen opleveren. Nu bijvoorbeeld schep ik er plezier in om mijn gedachten uit te wringen op dit stuk papier en stel me daarbij luidop de vraag. Wat als deze dag eeuwig duurt?

Het vooruitzicht van het eeuwigdurend moment steekt me niet onmiddellijk tegen. Betekent dit dat ik voldoening ontleen aan alles wat ik doe? Ik mag hopen van wel. Betekent dit dat ik andere dingen zou kunnen doen die me meer voldoening zouden kunnen schenken, mogelijks maar dan moet ik daar als ik dat wil ervaren nu maar mee beginnen, toch. En met die conclusie heb ik vrede.

Maar stel je een tegenovergestelde situatie voor. Beeld je in dat ik zou gruwen van het idee dat deze dag eeuwig zou duren en ik met de verkeerde dingen bezig ben of met dingen die me een vals soort voldoening geven en dat ik me daar niet bewust van ben. Misschien is die conclusie er een die zelf zou kunnen nemen als je je betrapt voelt omdat je reikhalzend uitkijkt naar die wereldreis die alleen in je dromen bestaat of naar dat langverwachte pensioen waar je nog twintig jaar moet op wachten en waartegen je misschien al vijf keer doodgevallen bent. Of kijk je misschien vol misprijzen naar vandaag omdat het weekend nog te ver weg lijkt? Kortom zie je uit naar iets wat zover in de toekomst ligt dat het onzeker wordt of dat überhaupt ooit zal plaatsvinden. Lijkt je dat geen afschuwelijke gedachte?

Wil ik nog wel, koste wat het kost ambitieus zijn of wil ik gewoon maar een klein beetje hoger klimmen en verder zorgeloos genieten van mijn weg? De kans is net zoals deze hypothese groot en onbestaande maar stel dat ik ooit een succesvol schrijver zou worden, niet dat dat tot de mogelijkheden behoort maar stel het je voor, hypothetisch. In die nieuwe rol zou ik genoodzaakt zijn om met lezers en recensenten te spreken. Ik zou lezingen moeten geven. Ik zou moeten meedraaien in een uitgeverscarrousel, enfin ik zou dingen moeten doen waarvan ik nu al zeker weet dat ze me tegensteken.

De ambitie om het onbereikbare te bereiken is me vreemd en die luxe is voor mij onbetaalbaar. Het enige wat ik ècht wil is mooie zinnen schrijven, en ik wil dat doen louter en alleen te mijner ere en ter ere van het plezier van het schrijven van mooie zinnen, ongeacht of ze graag gelezen worden of niet? Natuurlijk zou ik nog een boek kunnen schrijven met als doel om er kortstondig aanzien mee te verwerven maar eens dat doel bereikt houdt het plezier dan niet op?

Dat boek schrijven zou een wel heel resultaatgerichte handeling worden waarbij de voldoening gekoppeld wordt aan het resultaat of het boek al dan niet verkocht en gelezen wordt, terwijl mijn voldoening niet ligt in een boek met een mooi kaft maar in de handeling van het schrijven van woorden en gedachten en het beklemtonen van de juiste nuances.

Een paar jaar geleden stond ik in Kaapstad onderaan de Tafelberg. Natuurlijk wou ik naar de top van die 900 meterhoge platte berg maar als enkel de top me had geïnteresseerd had ik wel de kabelbaan genomen. Ik verkoos het kronkelige bergpad.

Wat ik probeer te zeggen is. Als je in je dagelijkse job de zin van je werk alleen maar buiten jezelf zoekt, ik zeg maar wat, in de grote van je auto, in de lengte van de titel van je functie of in het aantal mensen waaraan je leidinggeeft, is dat een doel waar je niets mee bent. Je maakt je met dat kortzichtig streven namelijk helemaal afhankelijk van het oordeel van anderen, zelfs al had je de illusie om vanop die positie net onafhankelijker te worden. Een mooi loon, een chique auto, je positie et cetera zijn allemaal dingen die enkel anderen je kunnen geven. In het beste geval verwierf je ze door een beoordeling met objectieve criteria.

Voor een leven dat maar betekenis heeft door te voldoen aan ambities en verwachtingen die geregeerd en gedirigeerd worden door anderen pas ik. Misschien wil ik nog wel een beetje hogerop, misschien wil ik zelfs ooit nog eens boven op de Tafelberg raken maar het pad ernaartoe zal belangrijker zijn dan het bereiken van de top. Stompzinnige zinnen schrijven of op mijn rug in een hangmat naar de wolken kijken is belangrijker en dat mag voor mijn part een eeuwigheid blijven duren.

Maar hoe kies ik dan wel wat ik doe? Er zijn elke dag zoveel dingen te doen. Er zijn zoveel manieren om mijn leven in te richten dat het risico bestaat om er verlamd door te raken. Wat moet ik doen? Wat wil ik doen? Soms kan keuzestress zo lastig zijn dat met uitstelgedrag alle keuzemogelijkheden uitdraaien op het realiseren van geen enkele. Mag ik bijvoorbeeld de hele dag op mijn rug liggen om mooie zinnen te bedenken terwijl het gras moet gemaaid worden? En hoe frustreet het maken van de ene keuze de beperking van het niet maken van een andere.

Hoe voorkom ik dat ik steeds blijf ronddraaien rond hetzelfde cirkeltje?

Lig ik wakker van mijn succes en is succes belangrijk? Wil ik nog wel hard werken en als ik het blijf doen, word ik er dan gelukkig van of zijn net andere zaken niet veel zinvoller? Is succes per definitie gelijk aan gelukkig zijn? Persoonlijk denk ik van niet. Geluk is fijn voor diegene die het heeft, maar even leuk voor diegene die het nog niet heeft maar er de juiste weg voor in geslagen is om het te worden.

Het streven naar meer, groter en beter of naar een status die ver buiten mezelf ligt of ver in de toekomst of me door anderen opgedrongen wordt, biedt mij geen enkele garantie voor een zinvol leven.

Dus blijf ik maar een leven leiden dat ogenschijnlijk nergens naar toe leidt en gevuld is met niets of met schone zinnen zonder ambitie. Misschien wordt ooit, als de zomer en het mooie weer samenvallen, succes dan een nevenverschijnsel van datgene wat nooit een doel is geweest.

Met dit nieuwverworven inzicht mag dit moment een eeuwigheid blijven duren ook al duurt het in werkelijkheid maar een dag of een enkele tel.



Lach clown, lach dan

De tragikomedie van mijn bestaan wordt met de dag lachwekkender, zeker nu ik al zes weken vanuit mijn grijze ligzetel naar mezelf staar als hoofdpersonage van een absurde deurenkomedie. Zonder auditie te moeten doen schitter ik als rijzende ster op dit tijdelijke podium.

Toch, en zelfs nu mijn bestaan grotendeels beperkt is tot deze grijze ligzetel van waarop ik naar ’t plafond kijk, blijf ik zoeken naar de diepere betekenis van dit lot. Wat wil de wereld mij leren?  Ik stel me die vraag oprecht, terwijl dat wereldje misschien alleen nog maar bestaat om me te leren lachen met mijn eigenwijze, dwaze zoektocht naar betekenis.

In een wirwar van gedachten wankel ik als een dronken clown op krukken, balancerend op de dunne koord tussen waanzin en luciditeit. Mijn geest heeft de afgelopen dagen alles weg van een circusattractie van ontspoorde emoties en waanzinnige gedachten zonder logica. Ze sleuren me mee door labyrinten van verwarring en onzin.

Waarom denk ik wat ik denk? Waarom voel ik wat ik voel, maar vooral waarom schrijf ik wat ik schrijf? Zijn het marsmannetjes in mijn hoofd die onafgebroken en onzichtbaar, aan een stuk door tokkelen op hun buitenaardse klavieren om zo hun onbegrijpelijke symfonieën van de nonsens te componeren. Ben ik een personage in een absurd filosofisch toneelstuk dat geleid wordt door een gestoorde regisseur of worden mijn gedragingen georkestreerd door een onzichtbare dirigent met een wel heel erg grillige smaak voor dramatiek? Of zitten er dan toch spaghettislierten in mijn brein die helemaal in de knoop geraakt zijn en mijn gedachtewereld veranderd hebben in een hilarisch onbegrijpelijke chaos?

Wat er ook van zij, op dit moment is het alsof ik elke handeling uitvoer als een marionet aan touwtjes in handen van een onhandige poppenspeler waarbij beweging het resultaat lijkt van een willekeurige loterij waarbij mijn beslissingen worden bepaald door een dobbelsteen met veel te veel zijden. Het leven geleefd als in een surrealistische droom waarin ik deels blootvoets rondren op krukken en achter mijn andere schoen aan hol, zonder te weten waar ik naartoe ga.

Als ik niet oplet word ik straks ècht mijn eigen tragikomische vertoning, als manke held in een film waarin ik alle personages tegelijk speel, het slachtoffer, de schurk, de bijrol en het publiek, allemaal tegelijkertijd en vooral zonder plot.

Zal ik anders mijn eigen absurditeit omarmen? Om me ècht te zien als een clown in het circus van het leven, als een figuur die met humor en zelfspot zijn eigen ongelukkige lot viert? Ligt daar dan de sleutel. Om mezelf met een knipoog en grijns te aanschouwen.

Ik blijf nog even op deze ingebeelde scene staan als clown van mijn eigen dwaze circus, lachend om de groteske komedie waarin ik ben aanbeland. Ik smijt een denkbeeldige hoed in de lucht, vang hem op met mijn bilnaad en geef me over aan absurditeit die me wapent tegen dit ondraaglijk licht bestaan.

Met deze absurde cirkelredeneringen van dit tijdelijke leven, ontvouw ik dit paradoxaal inzicht en omarm het met de humor van een paljas.

Lach clown, lach dan.

Dierbaar België, den ezel kakt nog niet

Of België over 7 jaar zijn tweehonderdste verjaardag viert zal nog moeten blijken. De huidige federale coalitie heeft er namelijk veel voor over om het antwoord op die vraag onmogelijk te maken. Om een toekomstig scenario over de toekomst van dit leuke land voorspelbaar te maken en om het onwenselijke tegen te gaan, zitten er in de knokploegen van de federale boksring van De Cro namelijk meer slachtoffers uitgeteld naast de ring dan erin.

Dat komt ervan wanneer onwil, onkunde en kortzinnig ‘eigen belang’ van de boksers het haalt over het algemeen belang van ‘natie en volk’. Een voor een en zonder weerga worden ze zonder pardon uit de politieke arena gemept. Of ze definitief ko zijn zal de toekomst uitwijzen, voor sommigen onder hen heeft het er echter alle schijn van.

Terwijl de bokshandschoen tot nog niet zo lang geleden het uitgelezen symbool was van uiterst rechts hoeft die knokploeg bij uitstek zich niet te mengen in de strijd om er als winnaar uit te komen. In het huidige politieke ‘catfight-klimaat’ zijn zij het die altijd als overwinnaar zonder vechten uit de strijd zullen komen.

Misschien zelfs halen centrum rechts, gematigd rechts en uiterst rechts op de volgende zwarte zondag hun gram en valt België vanzelf als los zand uit elkaar, al lijkt het Scheldewater voor die paleisrevolutie op dit ogenblik nog te diep en zitten er langs deze en gene kant van de oevers van de Schelde nog te veel foute figuren die worstelen met hun eigen ‘salonfähigheid’ om die natte droom mogelijk te maken.

Of een nieuwe eensgezinde Vlaamse tirannie een beter antwoord kan bieden op de politieke en maatschappelijke uitdagingen is maar zeer de vraag, gelet op hoe huidig palliatief Vlaanderen vandaag omspringt met bevoegdheden als zorg, onderwijs en mobiliteit en hoe ze het als eensgezinde Vlamingen zelfs niet eens kunnen raken over de definitie van stikstof. Misschien is het huidige resultaat van die Vlaamse knokploeg met hun verworvenheden zelfs nog een grotere puinhoop dan die van de federale straatvechters.

Belg zijn is geen gemakkelijke opdracht. Vele mensen uit het Noorden lijken met hun superioriteitsgevoel op zelfbeschikking aan te sturen terwijl de mensen uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het zelfs alsof België alleen nog maar bestaansrecht kan hebben bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen.

Vooralsnog en zolang er nog voldoende zotte konijnsocialisten met knaldrang in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, zal afhangen waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of Vlaanderen in Brussel een Berlijnse muur kan optrekken.  

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond dan Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, ‘t zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is de onverdraagzame samenleving naar de welke we aan het evolueren zijn, gelijk welke naam we daaraan geven.

Totop vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid nam voor welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite beluister, moeten we evolueren naar een participatiestaat, naar een nieuw soort België waar een in tweeën gesplitste samenleving van burgers verwacht wordt om voor elkaar verantwoordelijkheid op te nemen en hadden we vroeger zoiets dan niet? Ik vraag het me zomaar af.

O dierbaar België den ezel lijkt nog altijd niet te kunnen kakken.

De Bijsluiter Van Een Alcoholist.

Jan Pultau's avatarHersenspinsels

Josph. L Kellermann, een klinisch psycholoog die mensen met een onbeheersbare verslaving bijstaat, heeft talloze wijze boeken geschreven. In een van zijn belangrijkste boeken ‘A Guide for the Family of an Alcoholic‘, legt Kellermann uit dat een doorwinterde alcoholist die gestopt is met drinken en opnieuw in de verleiding komt, onder bijna geen enkele voorwaarde die hij zelf onder controle heeft, kan stoppen met drinken.

Toen ik dat las was het alsof ik in een spiegel keek want ik ben, als ik me zo mag uitdrukken, nog steeds onderworpen aan de uitzichtloosheid van de ziekte die alcoholisme heet. Als ik zou overwegen om opnieuw te drinken, loop ik hetzelfde risico om te veranderen in dat ongeleide projectiel dat alles verwoest wat op mijn pad komt, net zoals dat vroeger het geval was.

Simplistisch voorstellen wat het betekent om alcoholverslaafd te zijn is eenvoudig, mijn rem kapot is. De gevolgen begrijpelijk…

View original post 1.218 woorden meer