De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Mijn duistere muze met het laatste woord!

Ik werd alleen wakker en kwam een beetje bij mijn zinnen, de slaapkamer was stil. Hoewel het al laat was die ochtend, hing de nacht nog als een donkere sluier in mijn hoofd. Mijn mond kurkdroog, mijn handen koud. Een sloophamer hamerde in mijn hoofd. Alles voelde als de dag ervoor en de dag daarvoor. Alles voelde altijd hetzelfde.

Ik keek in de spiegel, mijn ogen ontweken me. Het gezicht dat me aanstaarde oogde moe en leek ouder dan het zou mogen zijn. Dat gezicht, doordrongen van wroeging en zelfbeklag had veel gezien, maar weinig geleerd. De man in de spiegel leek op me. Hij had bekende trekken, maar was niet wie ik wilde zijn. Ik zuchtte diep. Ik wist het al langer. Dit kon niet zo doorgaan. Dit moest stoppen.

Met het glas in mijn hand, en altijd met het laatste woord. Alcohol, mijn muze maar een muze heeft altijd een prijs. Ze eist je lichaam op, neemt je ziel en steelt je wil. Ze zat overal in, in avonden, in ochtenden en in de uren daartussen, in onbelangrijke woorden die ik zei en in belangrijke die ik niet uitsprak. Ze zat in dingen die ik niet durfde voelen of durfde te denken. Kortom, de muze was mijn glas, één glas om te vieren, tien om te ontsnappen, een fles om te vergeten. Elke dag dronk ik om te drinken, als excuus om niet te voelen, niet te zijn. Het werkte. Tot het dat niet meer deed.

Ik kon niet langer vluchten, niet voor mijn gedachten, niet voor mijn zwakte, niet voor mezelf. Ik wilde veranderen, maar wist niet hoe. Nu, terugkijkend, weet ik, willen stoppen, was genoeg om te starten, en starten met stoppen was wat ik nodig had om door te zetten.

Vanaf die dag maak ik mijn koffie zelf, sterk, bitter, geen suiker en geen melk. Zoals het moet. Zoals ik hem nodig heb, straf. De stiltes vielen niet mee. Ik was ze niet gewend maar liet ze wel toe. Geen radio, alleen gelijkgestemden en zeker geen geratel en gedoe van andere mensen. Alleen mijn schaamte, mijn spijt, de zwijgende getuigen en ik. Spijt en schaamte, het zijn vreemde dingen, ze knagen aan je ziel, maar wijzen ook de weg. Als je luistert.

Ik begon met schrijven. Het voelde vreemd, alsof ik het verleerd was. Maar ik schreef en bleef het doen, over avonden die ik me niet of maar half kon herinneren, over woorden die ik had gezegd maar niet had gemeend, over gedachten en gevoelens die ik had maar niet durfde uitspreken. Over die keren dat ik iedereen had weggeduwd. Over schuld, wroeging en schaamte, over mezelf. Het was soms lelijk wat ik allemaal schreef. De realiteit was nog lelijker. Mijn woorden sneden. Er zat weinig schoonheid in, maar maakten de scherpe randen zachter. Dingen die je niet onder ogen ziet, worden groter, dus schreef ik, tot mijn ziel pijn deed en mijn hart bedaarde en de chaos in mijn hoofd kalmeerde.

Dagen gleden voorbij, één voor één. Eén week zonder drank, dan twee. Een maand werd een jaar, een jaar werden er elf. Het was alsof ik opnieuw moest leren leven, leren zien en leren voelen en dat elke dag opnieuw. De avonden werden moeilijk. Stiltes die op het eerste gezicht rust leken, werden een storm. En ik kan het laten stormen, geloof me. Ik doe het soms nog.  Door dat te doen leerde ik dat pijn niet dodelijk of fataal is, dat ik sterker was dan ik dacht te zijn en dat herstel soms moeite kost.

En dan, plotseling uit het niets, iets nieuws. Iets dat leek op trots en voldoening. Het was nog pril, klein, broos en breekbaar, maar het was er. Ik pakte het vast, voorzichtig om het nooit meer los te laten. Het is gebleven en het groeit nog elke dag een beetje. Ik koester het!

Tournée Minérale is een test. Een maand zonder alcohol. Voor sommigen is het een spel, voor mij een noodzaak. Toen ik stopte, leerde ik dat mijn wereld niet instortte zonder glas of fles. Integendeel, hij werd helderder, zachter, eenvoudiger, mooier, complex-chaotisch-rustiger!

Nu leef ik, adem ik en kijk op een andere manier naar de lucht en naar de bomen. Ze waren er altijd al, maar zag ze niet. Nu wel. Kleine dingen worden groot als je ze toelaat en aandacht geeft, denk ik. Het lijkt misschien niets, maar het is alles.  De muze heeft mij niet verlaten.  Zij is gebleven, maar ze is ook veranderd, net als ik. Ze fluistert niet meer vanop de bodem van een glas, maar roept naar mij vanuit het diepste van mijn ziel.

Elf jaar later, ik zie mezelf opnieuw in de spiegel. Het gezicht dat me aankijkt, is hetzelfde maar mijn ogen staan anders. Ze kijken en vermijden me niet meer. Ik ben niet genezen en zeker niet perfect. Over het leven heb ik nog veel te leren maar niets meer te bewijzen.  Nu word ik meestal wakker zonder dat de nacht in mijn hoofd spookt. Ik besta en leef nog. Dat is genoeg. Voor nu, morgen bestaat nog niet.

Dit nog. Als je worstelt, blijf dan staan. Als je valt, sta dan op! Stop als je denkt dat het nodig is maar doe het onvoorwaardelijk. Luister goed naar jezelf, hoe rauw je stem ook klinkt. Er is altijd een weg, maar jij alleen kan hem nemen. Jij alleen kan beginnen.

Tournée minérale is misschien het begin!

Met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De wereld met zijn harde lijnen, zijn onbegrijpelijke wetten en zijn scherpe randen die schuren. Kortom, die snelle wereld die al mijn pogingen om zacht te bestaan meer en meer lijkt te minachten, ik draag hem als een versleten jas. Hij zit niet meer juist. Toch trek ik hem nog aan, tegen mijn goesting.

Te veel meningen zonder feiten. Te veel zelfpromotie zonder diepgang. Te veel algoritmes die me sturen zonder dat ik het wil.  Te veel reclame, te veel kopen, te veel pulp en te weinig verhalen. Alles lijkt glanzend en sparkelend maar als je kritisch durft te kijken is alles hol en oppervlakkig, bedrieglijk bijna. Met zoveel AI dat zelfs echt en nep haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Het wordt veel, tè veel, voor deze zoekende ziel. En toch, in al die chaos bestaat er een plek. Het is er ook chaotisch, rommelig zelfs maar ook stil. Ik moet er niet efficiënt zijn, niet perfect, niet snel.  Onwetend? Dat mag! Mijn littekens, twijfels en gebreken, ik moet ze niet verstoppen. Ze mogen blijven hangen, als bewijs van het leven zelf, mijn leven. Deze plek heb ik zelf gemaakt. Ze dient niet om te volgen, niet om in te passen maar om gewoon te bestaan.

Ik herinner me bijlange na niet alle woorden die ik ooit heb opgeschreven. Ik schreef ze als mijn waarheid, meestal eenvoudig, een beetje ruw, soms zwaar, zoals ik ben.

Ik weet hoe het voelt om gevangen te zitten in verwachtingen, van anderen en van mezelf, om strijd te voeren, om sterk te blijven, om te voldoen. Te lang verdroeg ik het leven als een opdracht, met perfectie als ultieme doel. Tot ik besefte dat perfectie een illusie is, een gevangenis die ik met mijn eigen handen heb gebouwd. Mijn littekens, mijn kapotte gewrichten, mijn rimpels, mijn eindeloze overpeinzingen, mijn eeuwige twijfels, het werden onuitwisbare sporen van een leven dat niet stil heeft gestaan.

Toch blijft het een opdracht, niet toe geven aan die wereld die enkel glans en gladde oppervlaktes lijkt te waarderen. Maar hier, in mijn hoofd, waar ik veel tijd doorbreng, laat ik me niet van mijn stuk brengen. Hier wordt mijn verhaal verteld. Je mag meelezen als je wil.

Als ik je ooit ontmoet en we praten, zal ik zeggen, “toon me je kleuren maar, laat me zien wie je ècht bent en waar je vandaan komt”. Niet omdat ik iets van je verwacht, maar omdat ik weet hoe het voelt om dingen van jezelf mee te dragen waarvan je niet weet wat je ermee moet aanvangen.

Het zijn stukken die niet passen in je puzzel, ze hebben geen glans, maar zijn wel echt. Het zijn die stukken die ik van jou wil zien, niet de opgeblonken versie die de wereld accepteert. De echte, de rommelige, de onvolmaakte waar je niet trots op bent. Laat het ons daar over hebben.

Mijn lijf en littekens, ik accepteer ze niet altijd. Soms jeuken ze, en herinneren me aan een tijd waarin ik dacht dat kwetsbaarheid en openheid een zwakte was, toch probeer ik ze nu te dragen als een medaille van een strijd die ik voer. En zo kijk ik naar jou, niet naar wie je probeert te zijn, maar naar wie je werkelijk bent.

De wereld is luid, altijd bezig, altijd veeleisend. Maar hier mag ik ademen. Hier mag ik rusten. Hier mag ik mezelf zijn, zonder druk om iets te bewijzen.

Misschien is dat wat ik probeer te zeggen.  Je bent welkom. Niet die versie van jou die de wereld goedkeurt, maar de echte, de kritische en pretentieloze, met al zijn scherpe randen en zachte lijnen, met twijfels en hoop.

Hier vinden mensen hun weg en zijn op hun gemak als ze dat begrijpen. De anderen stoppen halverwege of blijven gekluisterd aan verwachtingen die ze amper zullen waarmaken.

Dus kom, maar als je komt, dàn zoals je bent, met al je wilde imperfecties, met je vragen die geen antwoorden vereisen en met je stille dromen. Hier, op deze plek die ik helder voor me zie, hoef je alleen jezelf mee te brengen. Misschien, is dat genoeg, gewoon bestaan met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Er was eens in Bethlehem

Die nacht was het redelijk fris in Bethlehem. De halve maan stond glimlachend aan de hemel, alsof ze wist wat er op het punt stond te gebeuren.

Maria, hoogzwanger en op het randje van een zenuwinzinking, strompelde naast een oude ezel die beladen was met huisgerief. Jozef, eveneens een ezel en ook over het randje van hysterie liep een paar passen achter haar, ook radeloos en duidelijk zwaar over zijn toeren.

In einde en verre was geen herberg te bespeuren.

“Marjake maar serieus, moet gij nu alweer pissen? Gij zijt het laatste uur al drie keer naar de koer geweest,” reclameerde Jozef die zijn aangroeiende irritatie niet langer meester was.

“Jef, zwegt!” krijste Maria fel als een hysterische furie. Haar stem deed zelfs de schapen en de herders met schrik recht veren, een beetje verder aan een bouwvallige stal.

 “Gij zijt ni in positie, hé Jef. Ik voel begot mijne rug al drie dagen ni meer. Die kleine zit op mijn blaas te sjotten, mijn voeten doen zeer en mijn uierzalf en mijn kompressen zijn op!”

Jozef stopte en keek haar ietwat vragend met gefronste wenkbrauwen aan. “Kompressen, uierzalf? Waarom hebt gij nu, in de naam van uw ongeboren kind, (godsnaam) uierzalf en kompressen vandoen?”

“Voor die striemen op mijn buik, he Jef en voor mijn tetten. Ja, voor mijn tetten, Jef. ’t Zijn precies kapotte ballonnen, ze lekken langs alle kanten!” Maria’s stem was zo luid en schel dat de oude ezel luid begon te balken en er met schrik van doorging, op de hielen gevolgd door de kudde schapen.

Jozef mompelde onverstaanbare woorden over horens dragen die versierd waren met kerstlichtjes en over een complot, maar hij besloot wijselijk om verder zijn mond te houden. Hij was ten andere nog steeds niet bekomen van het ‘goddelijke ingrijpen’ waarmee Marja in positie was geraakt. “Den Heilige Geest, mijn gat ja,” snoof hij binnensmonds, “als ik hem ooit tegenkom, ik snij zijn fluit eraf. Met een bot mes.”

“Oh nee, Jef”, permitteerde Maria ineens.

“Wat is ’t nu weer”, zuchtte Jozef.

“Mijn water is gebroken!” Maria gilde, de ogen angstig gericht op de natte plek van haar kleed.

“Serieus Marjake, hoe moet ik dat hier nu allemaal oplossen? Ik ben maar ne simpele timmerman, he zeg, geen vroedvrouw”, riep Jozef, wanhopig met zijn handen in het haar.

Maria keek hem woest met vlammende ogen aan. “Misschien had ge daar maar eerder aan moeten denken voor ge mij naar dit godvergeten gat sleepte. Daarbij ’t is nu niet het moment om ambras te maken!”

Op het moment dat de situatie helemaal uit de hand dreigde te lopen, verscheen er boven hun hoofden plotseling een felle lichtflits. Een stem galmde door de lucht. “Vrede, op Aarde beste mensen! Hier ben ik, de Heilige Geest!”

Maria en Jozef keken elkaar met grote ogen aan. “Zie je wel”, riep Maria ontroerd, “Eindelijk! Ik wist wel dat hij zou komen, de vader van mijne kleine.”

“Hoe zit dat hier feitelijk, is de Heiland al geboren”, vroeg de Heilige Geest nieuwsgierig, terwijl hij nonchalant van zijn wolk neerdaalde. Hij droeg een witte, doorschijnende toga met het provocerende opschrift ‘Ik doe wonderen’.

“Gij smeerlap! Gij hebt dit gedaan,” tierde Jozef, wijzend naar Maria’s buik. “Kon gij uw goddelijke fluit ni thuishouden. Kom hier da’k hem eraf snij?”

“Wacht, Jef,” zei de Heilige Geest met trillende stem. “Ik ben maar één van de drie. Dit is allemaal onderdeel van een goddelijk plan. Ik kan het allemaal uitleggen. Het is echt niet wat je denkt.”

“Wat? Eén van de drie? Sloerie, alsof één nog niet genoeg is, kom hier”, riep Jozef hysterisch.

“Een goddelijk plan?” Maria wierp haar handen in de lucht. “Wat is dees eigenlijk voor een goddelijk plan? Heb je misschien ook een plan voor mijn zere voeten, mijn lekkende tetten, en voor die stomme ezel die al drie dagen naar uierzalf riekt, een vroedvrouw misschien, toevallig?”

Net toen de Heilige Geest wilde antwoorden, klonk er luid getrappel van paardenhoeven. Vier figuren kwamen aanstormen, vanuit het Oosten.

“Wacht nu eens even,” zei Jozef stomverbaasd. “Zijn hier nu ineens ook vier koningen?”

De grootste van de vier, een rijzige man met een gouden kroon op zijn hoofd, kwam van zijn paard en haalde zijn schouders op. “Melchior kon ni meekomen, die heeft zijn knie zeer gedaan bij een kamelenrace. Dus hebben we den Barry meegenomen. Hij is een verre neef maar ’t kan ook een nicht zijn.”

Barry zwaaide enthousiast en riep met een opvallend hoge verwijfde stem, “En ik heb koekskes meegebracht!”

Maria keek Barry woest aan. “Koekskes, ‘k ga hier direct bevallen, waarom heb je geen vroedvrouw mee?”

Barry keek een beetje beteuterd naar de grond, en zei, “euh neu geen vroedvrouw, maar wel een thermos kamillethee, voor bij de koekskes.”

Toen de chaos een hoogtepunt dreigde te bereiken en ze het allemaal op de heupen kregen, Maria nog het meeste, kon ze het niet meer houden. Ze begon met persen en puffen. Onder geschreeuw, zweet, bloed en tranen werd er een klein, krijsend kindje geboren. Jezus trok zijn aureool recht en keek om zich heen, alsof hij zich ook afvroeg hoe hij hier terecht was gekomen.

De Heilige Geest glimlachte tevreden, “ziede wel, Jef. Alles komt altijd goed.”

Jozef keek met grote ogen. Eerst naar het pasgeboren kind, dan naar Maria en vervolgens naar Barry, die vroeg, “Waaroem hee die kleine na agelak-fatelak een talloor op zijne kop, die kleine zijn fontanelleke is nog nie eens oneengegroeid.”

Maria, helemaal aan het einde van haar latijn gilde hysterisch in ’t plat Nazareths, “zwegt na is efkes allemaal en houd allemaal ulle bakkes. “Ik zen hie vanonder hielemaa ingescheurd en mijn foef is ontploft, ik eis een mirakel en wel nu”, waarna ze plots ook een witte talloor op haar hoofd kreeg.

Als je stopt begin het pas

Het was laat of vroeg.  Dat hangt af van hoe je naar tijd kijkt. In elk geval, ik was op tijd om te zien hoeveel leven je in een uur kunt proppen en hoeveel leegte in tien jaar. Mensen die dicht bij me staan, weten dat. Ik kan dagen vullen met niets zonder dat het tijdverspilling is. Dat lijkt misschien gemakkelijk maar ik heb het moeten leren. Vroeger leefde ik snel of niet. Dat hangt af van hoe je ernaar kijkt.

Ik zit op een plaats, waar de lucht droog is maar de koffie sterk. Hij is sterk genoeg. De troebele herfstzon staat laag en werpt licht over de tafel alsof ze mijn gedachten wil wegvegen.

Mensen glijden voorbij. Ze passeren in mijn blikveld. Bekende mensen, collega’s, allen zijn ze gehaast, en ernstig. Hun ruggen onder een denkbeeldige last gekromd, de ogen ergens opgericht waar ze nooit zullen aankomen maar dat weten ze nog niet. Sommige spreken, anderen luisteren. De sprekers spreken, de luisteraars luisteren, de zwijgers zwijgen of knikken instemmend alsof ze het eens zijn. Bijna nooit is het andersom. Het is precies een film die ik te vaak heb gezien, en waarin ik veel te dikwijls en veel te lang de hoofdrol had. Ikzelf was ooit spreker, één die niets te vertellen had, ook al dacht hij toen van wel.

Ik was niet alleen spreker, ik gaf ook alles weg. Mijn tijd, mijn aandacht, mijn geld, mijn liefde… mijn eigenwaarde. Ik strooide het rond alsof het nooit op kon raken. Dat deed het toch, op een dag. Mensen pikken op wat ze nodig hebben en verdwijnen nadien om nooit terug te keren. Buiten enkele uitzonderingen waren de meeste geen verrijking, eerder een beperking. Beperkers van geluk, van ademruimte en van vrijheid. Niet dat het slechteriken waren, ik geloof niet in slechteriken.

Het zou een ongemakkelijke keuze kunnen zijn om mijn dagen met hen te vullen, met gesprekken die niets zeggen en met gezichten die niets geven, zelfs als ze meer vragen dan ze bieden. Alleen ik heb het te lang gedaan. Ik besef dat sommige connecties maar blijven bestaan als je ze blijft voeden. Toen ik stopte met geven, begon ik pas te ademen.

Leven is lastig, maar sterven is lastiger, denk ik. Leven is volhouden. Loslaten wat je moet loslaten en vasthouden wat je nodig hebt, wat je completer maakt. Doe je dat niet, dan dreig je jaren te verliezen. Niet letterlijk, maar erger want je merkt het pas later, als je terugblikt en ziet hoeveel tijd je verspild hebt aan zaken die het niet waard waren. En ik spreek voor mezelf want ik stond te vaak stil waar ik had moeten lopen, ging door waar ik had moeten stoppen en zweeg te dikwijls waar ik had moeten roepen.

De kunst van het leven is volgens mij dat je leert wanneer je moet stoppen. Dat je leert om te durven veranderen en dat je geen slingers bij anderen moet hangen als je eigen muren nog kaal zijn. Ik had recht op ademruimte. Ik verdiende een dag die gevuld is met niets zonder tijdverspilling en een leven dat echt van mij is.  Misschien was ik ermee aan de late kant, maar laat is beter dan nooit.

Misschien komt mijn wens voor het nieuwe jaar te vroeg of te laat. Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Toch komt hij recht uit mijn hart, met ruimte en moed om het leven te pakken zoals het voor jou goed voelt, zonder druk van buitenaf, zonder opgedrongen verwachtingen van anderen, met lessen uit het verleden en hoop voor de toekomst maar vooral met de juiste keuze, voor jezelf, omdat niemand anders het voor jou gaat doen.

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Als je naast de rimpels kijkt

Net zoals altijd bij uitbundige feesten, sta ik een beetje op de achtergrond, kijkend naar mensen, als een vlieg op de muur. Vijftigers, de meeste toch zijn halverwege. Een handvol, een minderheid lijkt zich al bij het einde te hebben neergelegd, anderen zijn duidelijk op zoek naar een tweede jeugd alsof ze in een oude jas nog een vergeten briefje willen vinden.

Zelf ben ik al een tijdje niet echt meer helemaal één van hen, je weet wel, toch voel ik me hier vreemd genoeg thuis. Ik ben hier, niet jong genoeg om nog naïef te zijn, niet oud genoeg om al wijs te zijn. Halfweg dus, net als zij.

Ik sta een beetje aan de kant, losgeweekt van de uitbundigheid, met een glimlach die niet helemaal in de stemming past. Deze generatie lijkt alles te hebben, tijd, geld maar ook rimpels waarin ervaringen verborgen zitten die niet veel daglicht kunnen verdragen. Net als iedereen draag ik ook duidelijke sporen van de jaren.  Ik ben hier, niet jong genoeg om nog onrealistisch groots te dromen, niet oud genoeg om het niet te kunnen laten. Halfweg dus, net als zij.

Even waan ik me onzichtbaar voor de oppervlakkige blikken toch ben ik duidelijk zichtbaar, wie goed kijkt, ziet me. Even kijken we het met dezelfde blik die vraagt, “Wat nu?”

De muziek is luid, iets te luid voor mij. Buiten mij lijkt het niemand anders te storen. De laatste show band speelt nummers die we dertig jaar geleden al meebrulden. De zanger, ook een vijftiger zoals de rest van ons, probeert een noot te raken die al jaren niet meer bereikbaar is. Iemand speelt luchtgitaar de andere waant zich Céline Dion, maar de betere versie. Iedereen applaudisseert. We klappen allemaal even luid en uitbundig. Hier gaat het al lang niet meer over perfectie maar om de illusie ervan. De perfecte avond is halfweg. Net zoals wij.

Mijn generatie in het midden, samengepakt op een paar vierkante meter. De avond halfweg, een fractie waarop alles lijkt te kloppen. Deze generatie, niet oud genoeg om al stil te staan, niet jong genoeg om nog te rennen maar nog steeds gek genoeg om twintig te blijven, al is het maar in ons hoofd en je naast de rimpels kan kijken.

Al is het maar een seconde

Herfst, zondagmiddag. Grijze lucht hangt neer met een mistige stilte, zo stil dat ik haar bijna kan aanraken. Alles voelt versteend alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. Toch zie ik in de dreef van het bos nogal wat mensen slenteren. Hun uitdrukkingsloze gezichten vertellen me niets. Hun passen zijn hetzelfde, stap na stap, alsof ze allemaal aanvaard hebben dat er op deze weg geen zijsprongen meer zijn, alleen dit ene pad.

Als ik naar ze kijk, lijkt het alsof ik zelf leef op automatische piloot.  Ik stel me de vraag wanneer ik voor het laatst iets gedaan of gelezen heb dat mezelf of iemand anders in beweging heeft gezet. En bedoel ik niet de alledaagse dingen of de gewone woorden die gemakkelijk inwisselbaar zijn met woorden van gisteren.  Ik bedoel woorden die blijven hangen alsof ze de moed hebben gehad om belangrijk genoeg te zijn, om hun eigen weg te gaan en voor altijd te blijven. Woorden die niemand hardop durft uitspreken en slechts een enkeling durft te schrijven.

Daarstraks sprak ik mijn jongste zoon. Hij is in Nepal om daar zijn wereld te veranderen. Na ons gesprek voelde ik een steek, althans ik denk dat het er een was. Misschien ben ik vergeten hoe het voelt om iets wezenlijks of zinvols te doen zoals hij, of om iets te lezen dat verschil maakt, iets te denken dat niet per se veilig hoeft te zijn. Even voel ik me met deze gedachte alsof ik drijf in een stroom van ideeën waarin de oevers nooit veranderen en het uitzicht altijd hetzelfde blijft.

Misschien ervaar je het ook soms, dat gevoel dat je met de stroom wordt meegedreven en dat je zonder logische verklaring gedachten van anderen in je opneemt zonder je af te vragen of ze wel echt van jou zijn. We lezen snel en vluchtig wat ons wordt voorgekauwd en worden de gedachten die anderen ons opdringen.  We zijn niet meer kritisch over onze acties en doen gewoon wat men van ons verwacht, netjes in het gareel, veilig en ogenschijnlijk comfortabel.

Maar ergens in die stroom, zitten gelukkig nog mensen die tegen de stroming in bewegen. Mensen die zich herinneren dat ze eigen gedachten hebben, een eigen wil of een eigen, onduidelijk plan. Soms vraag ik me af of ik daar nog toe behoor, tot die groep die er liever voor kiest om vergeten te worden door de meerderheid dan hun eigen ideeën en gedachten in een mal te laten persen. Misschien herken je dat gevoel wel, dat je soms onbewust of uit gemakzucht meegevoerd wordt met de stroom zonder echt stil te staan bij datgene wat je beweegt?

Als het zo is, en je hebt even haltgehouden bij deze gedachten of je hebt ze misschien heel even hebt gedeeld, dan voelt het dat ik je niet helemaal kwijt ben en dat ik niet echt verdwenen ben.

Mocht je er morgen ook nog aan denken, zelfs al is het maar een seconde, maakt het voor mij niet zo veel meer uit dat de rest van de hoop me vandaag al vergeten is.

Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.

De hel van het jargon

Het moet gezegd, mensen die ik in het wild kan verdragen, ze lopen niet dik gezaaid. Ze zijn eerder schaars maar ze bestaan. Zelfs op kantoor ken ik er een paar. Het zijn meestal gezellige zielen, vriendelijke types met wie ik bij een koffie moeiteloos een gesprek kan voeren over het weer, vakanties en hoe die altijd te kort zijn of over de nieuwste Netflix-serie en waarom ik vind dat die absoluut niet te missen is.

Maar zet ze bij elkaar in een vergaderruimte en voor je het goed en wel doorhebt, zijn ze getransformeerd in jargon spuwende, terminator-achtige wezens. Zelfs AI-robots verbleken bij elke vergelijking. Ik zie de verandering onmiddellijk. Hun ogen beginnen fel te glimmen en hun mondhoeken krullen zelfvoldaan omhoog of omlaag.  

Zodra ze een whitebord naderen, raken ze, de ene na de andere, zelfgenoegzaam in hun “zone”. Eenmaal ze in hun “vibe” zitten, beginnen ze onophoudelijk nietszeggende woorden uit te braken. Precies die “vibe en zone” is de plek waar ik absoluut niet wil zijn, om niet te zeggen dat het mijn persoonlijke hel op Aarde is.

Deze mensen lijken ogenschijnlijk normaal, ze doen geen vlieg kwaad, zijn soms zelfs een beetje saai maar altijd beleefd. Toch transformeren ze bijna allemaal in taalexorcisten, vastberaden om normaal taalgebruik uit te drijven en uit te roeien, met wortel enal.

De wekelijkse stand-up meeting is de ultieme hoogmis van de onzin. “We moeten KPI’ s drillen en de synergiën upscalen,” zegt iemand terwijl hij diep in z’n laptop staart alsof hij net de geheimen van het universum heeft ontrafeld. Ik knik slaperig, niet omdat ik er iets van begrijp, maar omdat ik een heel zwakke poging wil doen om te overleven in de jungle van het corporate-gebrabbel. “Zorg aub dat de “deliverables aligned” zijn met onze Q4-goals,” hoor ik in de verte. “Vanzelfsprekend”, prevel ik onhoorbaar, “wie wil nu deliverables die níet aligned zijn?”

Dan heb je x (naam en adres bekend bij de redactie), buiten het kantoor is het een vriendelijke geitenwollen-sokken-vrouw met een voorliefde voor yoga, groene thee en vegan-koekjes maar met een grondige hekel aan mensen die op het voetpad fietsen of die in een zin haar, hun en het niet bij het juiste gender plaatsen. Zodra ze de vergaderzaal betreedt, verandert ze in een wandelende Van Daele vol corporate buzzwords. “We moeten de “stakeholders re-engagen”, zodat we de “buy- in” van onze “communities” optimaliseren voor de vernieuwde “agile implementatie.” En ze voegt er met een dooddoener aan toe, “We zitten nu eenmaal midden in een “transformation journey.”  Mijn gedachten zijn ondertussen al ver afgedwaald naar mijn laatste journey, het strand.

Bijna iedereen doet een gooi naar de titel van ongekroonde koning(in) van de bullshitbingo.  Ze doen het met passie, “out of the box” en met een jargon alsof hij of zij de eerste mens op aarde zijn die deze woorden-bullshit ooit hardop heeft durven uitspreken. Een verhaal is geen verhaal meer maar een “narratief”.  Dat is voor mij een eye-opener en het juiste signaal om mentaal de ruimte te verlaten en me terug te trekken in mijn “inner-space”.  Terwijl ze klassikaal een “paradigm shift” maken en een “value proposition maximaliseren” voel ik het respect voor het vermogen om begrijpelijke, coherente zinnen te vormen heel snel op mijn mentale grafiek naar links verschuiven.

Ik gok dat niemand in de kamer precies begrijpt wat al die onzin betekent, toch knikt iedereen hevig en instemmend.  Wie wil er nu betrapt worden om niet te maximaliseren? Iedereen lalt en zwamt verder met alle ingrediënten van het beste jargonfeestje en doet alsof elk duurder klinkend woord een Nobelprijswaardige doorbraak is in pak weg borstkankeronderzoek.

Waarom toch verandert een ogenschijnlijk normaal mens in een jargonmachine zodra ze een vergaderruimte binnenlopen? Is het angst of ambitie, ik vraag het me zomaar af.

Of misschien een collectieve onzekerheid want niemand wil de domste van de kamer zijn.  Luljargon is toch het beste rookgordijn? Hoe meer ingewikkelde termen je gebruikt, hoe meer het lijkt dat je weet waarmee je bezig bent. Jargon als beste bescherming tegen ontmaskering. “Oh, ze hebben het over synergiën, dan zullen ze vast en zeker weten wat ze doen!”

Hoe meer jargon, hoe hoger op de corporate ladder. Althans zo lijkt het. Gebruik je termen als “leverage”, “scalability” en “value chain” dan suggereer je dat je op een strategisch verantwoord niveau meedenkt. Je speelt het spel mee en wie niet meedoet, blijft achter als muurbloem die niets bijdraagt aan ‘de strategische conversatie’. Jargon als statussymbool, alsof je een geheime taal spreekt die alleen de elite begrijpt, terwijl eigenlijk niemand het snapt.

Jargon is angst om door de mand te vallen en zit verpakt in woorden die geen mens zonder migraine begrijpt.

Het slechte nieuws is dat in tegenstelling met het dodelijke marburgvirus uit Rwanda een vaccin niet onmiddellijk in zicht is.  Het enige wat je dus te doen staat, is proberen te overleven door in stilte te lachen en dat net zo lang vol te houden, tot iemand in de vergaderzaal oppert dat we dringend moeten “level setten” voor het volgende kwartaal.  

Spoiler alert: Niemand heeft enig benul wat dat betekent, niet jij, niet de lezers van deze tekst, laat staan de mensen die aanwezig waren in de vergaderzaal!