Categorie: Man-Vrouw

Pofmaïs

Om kwart voor twaalf komt ze de trap naar boven opgelopen.Het is zaterdagmiddag. Elke week komt ze omstreeks dat uur thuis. Met zakken vol boodschappen. Wat niet expliciet op het boodschappenlijstje opgeschreven is, wordt niet gekocht. Wellicht daarom dat ik bijna elke week, ongeveer een kwartier later opnieuw naar de supermarkt ga om datgene te kopen wat zij vergeten is. Steevast ontstaat dan discussie over of zij die dingen vergeten is of ik ze niet opgeschreven heb. Die woordenwisseling is meestal het startschot om samen in de kasten te duiken en uit te vissen wat nog ontbreekt zodat even later eensgezind een nieuw boodschappenlijstje geboren wordt. Het blijft vooralsnog een raadsel waarom dat ritueel zich wekelijks niet een uur vroeger afspeelt, maar daarom is het een raadsel natuurlijk.

‘Ik moest je de goeie dag doen’, zegt ze terwijl ze een bokaal schorseneren in de proviandkast zet.

‘Ah van wie’, vraag ik oprecht geïnteresseerd. Hoewel deze vraag me redelijk defensief lijkt. Ik stel ze per slot van rekening alleen maar  om  te weten te komen wie ze zonet ontmoet heeft, kijkt ze me toch met lichte irritatie aan. Ze had ondertussen haar rode pumps uitgetrokken en begon aan de rits van haar jas, die ze nog steeds aan had, te frunniken.

‘Ja, van wie? Dat is het nu juist. Wie was het ook al weer? De naam ligt op het puntje van mijn tong, maar het komt niet. Dat heb ik tegenwoordig meer en meer. Gezichten vergeet ik nooit maar namen kan ik niet onthouden.’

‘Ik heb daar ook meer en meer last van. Was het een man, een vrouw?’, probeer ik behulpzaam.

‘Een vrouw natuurlijk!’

‘Is dat zo natuurlijk? Het is toch niet omdat driekwart van de wereldbevolking vrouwelijk is dat je daarom een vrouw ontmoette. Hoewel de kans statistisch gezien kleiner is kon het toch ook een man zijn?’

‘Maar ik heb haar toch met mijn eigen ogen gezien.’

‘Ja, maar ik toch niet? Wat voor vrouw? Van waar moet ik haar kennen dan?’

‘Wel, toen we vroeger nog samen gingen winkelen en dan nadien in het dorp gingen aperitieven, was ze daar ook altijd. Donker haar. Iets groter dan ik. Ze rookte gelijk een Turk. Bastos, denk ik. Nu zal ze een jaar of vijftig zijn, schat ik. Hoewel ze ook vijfenvijftig zou kunnen zijn. Want sigaretten roken veroudert. Je krijgt daar oud vel van.’ ‘Ik ben niet zeker of ze nu nog rookt.Ik heb haar dat niet gevraagd, want zulke vragen stel je niet in de supermarkt aan de kassa.  Tenzij er een farde Bastos in haar karretje zou liggen, maar dat was niet het geval.’

‘Vijftig, dat is te oud om jeugd te zijn en jeugdig om oud te zijn’, antwoord ik bijdehands, in een poging om het gesprek een andere richting te laten uitgaan zodat ik eindelijk kon vertrekken om de overige “vergeten” boodschappen te gaan kopen.

‘Waar slaat dat nu weer al op? Wat is dat nu weer voor een opmerking. Dat is weer zo een uitspraak uit een van je verhaaltjes zeker?’

‘Ze was meestal alleen, hoewel er soms een man bij was maar die kennen we niet.’ Ze dronk pinten in zo’n sierlijk lang glas, van s’ middags al’.

‘Zo wordt het moeilijk. Een vrouw van vijftig die sigaretten rookt gelijk een Turk en lange fluiten drinkt.  Een verrimpelde madame met donker haar, van wie je de naam vergeten bent en die soms vergezeld was van een man die we niet kennen.’ ‘Daar kom ik niet verder mee.’ ‘Weet je er niet meer van?’

‘Deodorant, keukenrol en pofmaïs’, zei ze plotseling alsof die nieuwe informatie me zou doen inzien van wie ze me de groeten moest doen.

‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’

‘Deodorant, omdat je zonder, muf onder je oksels ruikt. Keukenrol omdat die er niet meer is en ik je rommel niet blijf op deppen met toiletpapier want dat plakt daar in.  Pofmaïs omdat er morgen een vriendinnetje van ons dochter komt slapen, ze naar een film willen kijken en ik hen popcorn beloofd heb’, zei ze nu echt geïrriteerd.

Het gesprek eindigde even onduidelijk dan dat het begonnen was. Het nachtlampje werd aangeklikt, het dekbed werd weg getrokken en mijn vrouw ging aan de rand van het bed zitten. Met een kartonnen tong en ogen vol slapers trachtte ik te achterhalen wat er aan de hand was. ‘Wat scheelt er aan?’

‘Ik had haar bijna. Jac… Nath… damn ik ben het weer kwijt.’’Haar naam!’

 ‘Doe het licht uit en ga slapen, het belangrijkste is dat we de groeten hebben. En dat ik deodorant en pofmaïs gekocht heb.’

‘En keukenrol? Je bent die keukenrol toch niet vergeten?’

Paard zonder teugel

 

Alle  amoureuze verhoudingen worden wel eens op de proef gesteld want elke relatie is een machtsstrijd, een soort van battle of sex(es). Autoriteit voor intimiteit. Iedereen wil immers toch in min of meerdere mate een beetje controle of autonomie over zijn leventje om dingen doen die hij of zij spannend of belangrijk vindt. Vanuit die verschillen en vanuit die soms tegenstrijdige persoonlijke keuzes en verwachtingen, kan een relatie wel eens onder spanning komen te staan en omgetoverd worden tot een frontlinie.

De generaties van een paar decennia geleden maakten er minder moeilijke woorden aan vuil. ‘Het is stil waar het nooit waait’, zei ons moe indertijd, toen het weer eens ‘groen hout’ was omdat onze va zijn goesting weer eens niet gekregen had en daarom naar het estaminet was getrokken. ‘Het waait wel over want een vent zonder vrouw is als een paard zonder teugel’. Hij komt wel terug straks. ‘ Met zijne steert tussen zijn benen!’

Onbegrensd mijn zin doen of straf uithalen ten koste van een andere, om gelijk te krijgen, om de mond te snoeren of omdat ik mijn goesting weer eens niet gekregen heb. Ik hoop dat ik het niet te dikwijls meer doe. Maar soms, wanneer ik in mijn grensposten aangevallen word en mijn tolerantie op de proef gesteld wordt, doe ik het toch. Op die zeldzame momenten, wanneer ik vind dat ik niet behandeld word zoals ik het graag wil of hoe ik denk dat ik het verdien, kan ik het nog. Dan loos ik verbale bagger om de vlucht vooruit te nemen.

‘Schijt op een hoop! Trek je hobbel en stik in je gelijk!’ en dan volgt soms nog ‘trut’, ‘kalf’ of ‘kutwijf’ Afhankelijk of zij me eerst haar favoriete koosnaam, ‘eikel’ of ‘luibakken lul’ naar het hoofd geslingerd had.

Op die momenten is er geen connectie of verwantschap en wordt de bedstee door rookgordijnen en afweergeschut een paar dagen lang omgebouwd tot oorlogsgebied, waar de ene mijnen zaait en de andere zich in loopgraven terugtrekt, afhankelijk van wie het meeste gelijk opeiste of wie ongepast te veel noten op de zang had.

Er mag best wel duidelijke limieten gezet worden om aan te geven waar grenzen liggen. En het hoeft niet altijd expliciet gezegd of luid uitgeroepen worden tot waar de andere mag gaan en tot waar zeker niet. Want ruzie maken doen we beschaafd.

Al vind ik maar zelden gelijk in straffe macho koppigheid want ‘stil is het waar het nooit waait’ en in de confrontatie schuilt ware intimiteit. Nadat alle potten door het huis vlogen en nadat  lakens scheurden door ze te hard naar me toe te trekken, worden harde woorden teruggetrokken en compromissen bezegeld. Zij meestal met een traan. Ik dikwijls met ongemakkelijke schone woorden. 

De mythe dat ik alleen maar persoonlijk zou groeien door maar wat  aan mezelf te sleutelen wordt dan met een snelle veeg van de tafel gekeerd.  Als ik het uiteindelijk aandurf om met de witte vlag omhoog en met ‘de steert tussen de benen’, de loopgraaf te verlaten voelt het niet als capitulatie of nederlaag maar als een dikke zode aan de dijk van toekomstige eensgezindheid.

En dan worden we door dat nieuwe vredesverdrag uiteindelijk alle twee winnaar van de battle of the sex(es). Zij met haar ondeugende glimlach, ik omdat ik nog steeds met twee snelle vingers haar bh kan los prutsen.

Pijpen en vrouwendag

 

Op een dag als deze ben ik des temeer opgelucht dat mijn seksuele identiteit helemaal overeen stemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. Mijn ochtenderectie heeft me dat daarstraks heel duidelijk gemaakt toen ik half wakker en met zandslapers in mijn ogen, mijn nog slapende vrouw in de gaten kreeg. Het dekbed was weg gewroet zodat ze ongeveer tot aan het middel bloot lag. Een spaghettibandje van haar slaaptopje was van haar schouder gerold zodat een borst zich half ontblootte. De jongeman in kwestie had niet meer nodig.

Ik was stiekem trots want mijn mannelijkheid werd bevestigd. Vanaf vijftig worden wij daar blij van geloof me. Al dient in dezelfde adem gezegd, dat ik me ‘die sta(a)t(d)us’ of ‘staat’ van dienst een paar luttele tellen beklaagde, toen ik met volgestroomde zwellichamen probeerde te pissen.

In die toestand de blaas legen, blijft een uitdaging en een hachelijk huzarenstuk want pissen terwijl de eenogige slang je recht in de ogen kijkt is geen sinecure. Het is alleen geriefelijk en bruikbaar wanneer ik een ‘Z’ in de sneeuw wil mikken maar daarvoor is het lang nog niet de tijd van het jaar.

Hoewel verpleegsters met deze plaatselijke ‘rigor mortis’ doorgaans  raad weten, durf ik dat voorzichtige hoofdstandje niet te geven. Ik wacht dus maar geduldig tot het dier terug in zijn kot kruipt. Gelukkig was er vanmorgen geen hoog water voorspeld.

Voor zo lang het nog duurt ben ik blij met mijn mannelijkheid want vandaag het is vrouwendag. Je zult het geweten hebben want newsfeeds lopen over.  Straffe vrouwen met gebalde ‘forceballen’ prijken op internettegels of in nieuwsartikels van organisaties die’ topvrouwen’ of ‘vrouwen on top’ al als vanzelfsprekend achten. Mijn mening doet er niet toe maar volgens mij zouden vrouwen, alle dagen van het jaar deze aandacht mogen krijgen want ze zijn tot meer in staat dan wij mannen. Ze kunnen bijvoorbeeld ’s morgens wel zonder problemen pissen zonder het risico dit in hun eigen gezicht te doen. Toch verkrijgen ze tot op heden nog steeds niet de aandacht, de sociale, politieke, morele of intellectuele gelijkwaardigheid, laat staan de lonen, die ze verdienen.

Zelfs leeuwin Gwendolyn Rutten klauwde kwaad.  ‘Maak daar maar heel kwaad van!’: brieste ze. Toen volgens de blauwe hofdame, de kandidaat voor het Oost-Vlaams gouverneurschap Carina Van Cauter, afgelopen week genadeloos werd geslachtofferd door mannelijke politieke afrekeningen.

Misschien dat wij mannen, de vrouw daarom vandaag zo graag betuttelen en hen met veel bravoure op een pied de stalle zetten. Om hen met een illusie kalm te houden of heel misschien om in de verf te zetten dat ze er nog lang niet zijn.

Toch is de toekomst vrouwelijk want ze hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld want het sterke geslacht dient al veel langer een veel hoger doel dan er goed uit te zien of de krant of de sloffen te brengen voor hun pijpen rokende vent.

Al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

 

.

 

 

Emo vs ratio

Doe ik het te niet dikwijls en veel te verregaand vraag ik me af. Stel ik me niet steeds veel te veel vragen? Over mezelf, over het leven in het algemeen of over mijn intieme beslommeringen? Ben ik met mijn publiek gedachtengespin dan een zielsverwant of eerder een rare zonderling die solitaire speelt met zijn private zielenroerselen? 

Als ik haar die kwestie voor de voeten gooi, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen hoort donderen! Ze wikt en weegt woorden, om te reageren maar buiten stilte die lawaai maakt, komt er niet veel. 

Met die plotse diepe frons op haar anders zo strakke voorhoofd, verraadt ze dat ze me niet begrijpt. Alsof we opeens een anders soort taal spreken. Ze geeft indruk niet te vatten wat ik probeer duidelijk te maken. Soms is praten moeilijk, alsof we op twee sporen koersen aan verschillende snelheden, in tegenovergestelde richting.

Soms wil ik een van mijn netelige kronkels begrijpelijk maken. Het gaat dan meestal over persoonlijke hindernissen, waar ik tegen aan bots. Kwesties waar ik loop op te bijten of waar ik mijn geweten mee aan de waggel houd. Op die momenten wordt mijn uitleg, of wat daar moet voor doorgaan, eerder een obstakel voor verduidelijking dan een poging tot toenadering. Ik voel dan te veel. Daar staan we dan, emo versus inzicht.

Met geargumenteerde ratio redeneert ze dan, alsof het geen moeite kost, mijn veel te gevoelsmatige benadering stuk. Hoewel ik voelsprieten heb die te vertrouwen zijn, of die ik vertrouw, mis ik meestal toch alle harde bewijs om mijn punt te maken, en dan voel ik me stom en stupide. Niet in staat om op te tornen tegen te veel beredeneerde argumenten.

“Je bent te verstandig voor mij” denk ik dan want vleierij is peper en zout in de relatie. Al zou ik om die te proeven, die paar woorden, de volgende keer gewoon beter ridderlijk en luidop uitspreken zodat haar blazoen ook opgeblonken blijft. 

Alles wat ik weet

 

Toen ik klein was, amper een duim hoog, deed ik het al. Ik blufte, sprak groot en hakte op, tegen andere snotapen die het beter wisten. Tegen de juf of tegen ons ma en bij uitbreiding tegen iedereen van wie ik vermoedde dat ze me zouden zeggen hoe het moest. Hoe het hoorde, om er te komen. Ik deed het om meer man te zijn. Althans meer man voor de centimeters die ik maar groot was. Ik wist het allemaal al en veel beter dan de rest. Het was maar het begin, daar ergens in de lente van het leven. Wist ik veel dat ik nog moest rijpen om zoet te worden.

Op 17 was ik overtuigd het wel te weten. Zeker!  Deze keer wel. Nu zag ik het in. Ik kon beseffen en ik kon bevatten. Ik dacht te weten wat het leven in voor mij in petto had. Nu zou het lukken want ik had al eerste zachte eelt op mijn ziel. Ze zouden me niet opnieuw vangen, voor dat zelfde gat.  Ik had mijn lessen goed geleerd en ging het maken. Recht op mijn doel af, hongerig en bezeten.

Als ik me nu soms terugtrek in mezelf en ik kijk naar de wereld waar ik miljoenen passen in zette, snap ik nog steeds niet hoe hij draait. Hoe hij steeds verandert, snel gaat en soms stopt. Hoe wetten ervan omslaan en er nieuwe in ontstaan. Negenentwintig was ik. Dan wist ik alles. Alles over de liefde en hoe het niet werkt. Over rozen met doornen en over het leven. Over vrouwen en geld en over hoe ik van beide steeds te kort had. Ik dacht echt dat ik alles al had gedaan. Ik had gereisd en al een stukje wereld gezien. Ik had verspild, gehoerd en geboerd. Ik had harten gebroken en gelijmd. Ik wist het nu wel. Hoe het in elkaar steekt, dat leven. Maar ik had mijn korsten nog niet op. Wist ik veel, daar in de helft van mijn leven. Maar misschien leerde ik dan wel wat het belangrijkste is. Ik schrijf het hier snel op in vier, vijf woorden. Om het nooit te vergeten. De dag dat je iemand ontmoet waar het mee klikt, is de mooiste. Ik geloof niet dat ik het beter kan zeggen. Het is de mooiste. Nachten van stil verdriet raak je kwijt. Die vervagen en worden gewist in een logica die ik niet begrijp. Maar nooit de ochtenden. Die vroegtes van intense, verliefde tederheid. Die blijven plakken. Voor altijd. Zoals de zoute lijven in de lakens gedraaid waarin ze ontwaakten.

Gans mijn jeugd, en tot gisteren wou ik jullie overtuigen dat ik het wist. De waarheid is dat hoe langer ik er achter zocht des te minder ik vond. Des te minder ik er van af wist. En nu ik in het blauwe van mijn scherm staar weet ik het wel. Ik weet dat ik het nooit zal weten. Dat ik er niets van begrijp. Van het leven, van geld, van vrienden en van vrouwen. Van de liefde of van de kleur van rozen. Dat is alles wat ik weet. Maar dat, dat weet ik wel zeker!

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Over tuinbonen en borstvergrotingen

 

Het is verwarrend. Waarschijnlijk ben ik wat trager. Misschien zijn vrouwen en tattoo’s echt “wel” een goede combinatie. Misschien moet ik dringend mee met de tijd zodat ik ook het mooie van lichaamskunst op een vrouwenlijf kan leren appreciëren. Maar dan heb ik het zeker niet over smakeloze reetgeweien, opzichtige indianentribes of in het oog springende borstenpoëzie.  Eerder over subtiel geplaatste lichaamsfresco’s. Fijnzinnige zinnebeeldjes met betekenis. Die doen afleiden van de essentie of die vrouwen er wulpser of harstochtelijker en uitdagender doen uitzien. Zulke lichaamsschilderingen kan ik nog wel pruimen. Al hoeft dat deeltje vrouwenlijf, of de dichte omgeving ervan, nu ook weer niet noodzakelijk permanent bedrukt. Laat dat maar zo. Dat stukje vrouw spreekt meestal wel genoeg vanzelf tot de verbeelding. Dat hoeft niet in de verf. Less is more!

Van al wat neigt naar altijddurende lichaamsversiering heb ik doorgaans een lichte tot sterke, natuurlijke afkeur. Waarschijnlijk omdat de oren van die fout geplaatse Mickey Mouse, er na verloop van tijd, helemaal anders zullen uitzien dan het figuurtje dat Walt Disney er ooit mee in gedachten had. Mogelijks ook omdat een konijntje met een strik ter hoogte van die linker eierstok niet langer bij je past nu je zelf, je dochter probeert te overtuigen dat een tattoos echt wel voor altijd zijn.

Of gewoon maar omdat oorlellen met uitgerokken, grote gaten er ronduit afzichtelijk uitzien. En dan heb ik het nog niet eens over tepelspijkers, vulvaringen of andere extreme lichaamsmodificaties. 

Dus dames kleur jullie vooral vol maar laat de dingen die voor zich spreken onbeschreven. Zo blijven ze ook onbesproken. 

Wie schrijft die blijft. Dat staat als een paal maar dat opstel op de tieten of die proza op jullie dij. Dat hoeft niet hoor. Al wil ik jullie met plezier allemaal, helemaal komen vol schrijven. Pagina’s vol. In henna. Dan kan ik er volgende week iets anders op verzinnen.

Over tuinbonen of zo of over borstvergrotingen.

Overbodige informatie in een spannende BH.

Geen minuut duurt het of ik ben aan de praat. Is het zenuwachtigheid die me loslippiger maakt? Is het die veel te smalle zetel waar ik in opgespannen zit zoals een clown in een springdoos? Of is het omdat  mijn vrouw en dochter drie rijen achter mij zitten en ik hen niet kan lastigvallen met mijn vliegfobie? Ik weet het niet. In elk geval, ik kom er na tien minuten achter dat de man naast mij dit tripje een aantal keer per maand doet. Voor zaken. Hij vertrouwt me toe dat het vliegpersoneel op deze vlucht, je geen twee minuten met rust laat. Hij kan het weten. Luttele tellen later krijgt hij gelijk want net dan wordt nuttige en overbodige informatie  in een hels tempo, in onverstaanbaar Engels door de intercom gebrabbeld. Zo snel, zonder articulatie of intonatie dat onmogelijk te achterhalen valt welke informatie nuttig is of welke overbodig. Ik besluit dat het allemaal even overbodig is. De lichtgele reddingsvest en het potsierlijk toneeltje dat erbij hoort gaan zoals bij elke vlucht aan mij voorbij. Evenals het okergele bekertje dat uit het plafond valt wanneer we voor welke reden dan ook zonder zuurstof zouden raken. De doorkijkbloes van de vliegactrice maakt het schouwspel op een vreemde manier helemaal gênant. Vooral voor haar dan, wel te verstaan.. Mijn aandacht verslapt  want als deze kist neerstuikt zitten we toch met zijn allen in een wip bij magere hein. Daar zullen die gele ondingen niet veel aan kunnen verhelpen. Wat me wel opviel was dat de bh van de stewardess van dienst zo krap zat dat het leek alsof ze precies wel wat  zuurstof zou kunnen bezigen. 

De wat zwaardere zakenman had een punt. De vliegcrew heeft blijkbaar opdracht gekregen om ons constant lastig te vallen. Met wakke sponsbroodjes, belegen met plastiek cheddar.  Met Heineken in blikjes, met hete slappe koffie of met lotjes van de loterij voor een of ander goed doel. “Misschien zou de vliegtiran van Rayanair zijn personeel een beetje menswaardiger behandelen zodat ze niet met lotjes hoeven, lopen te leuren”, bedenk ik licht geïrriteerd. Mocht dit een liefdadigheidsproject zijn, ik kocht tien lotjes of 20. Zeker weten. Van die hostess met het te spannend ondergoed wel te verstaan.

De man naast mij die een klein beetje met zijn Bmi worstelt, is aangenaam gezelschap. Al had ik liever gehad dat hij, toen we nog op de grond stonden, voor een broodje kaas had gekozen in plaats van voor een pitta met looksaus. En die pepermuntjes die hij opknabbelt, zijn het alleen maar erger aan het maken.

 “Als België wereldwijd vermaard is voor frieten, bier en chocolade is Malta het land bij uitstek voor games en spelletjes”, gaat hij verder, terwijl hij de gamingbrowser van zijn macbook opzij schuift. 

De bezienswaardigheden van Malta zijn me na een half uur bekend. The Blue Lagoon zijn te mijden, Gozo is een must do een Valetta aan aanrader. Op dat zakdoekeiland is buiten lekker eten en mooi weer niet veel meer te beleven. 

“Net genoeg voor mij”, schat ik.

Vliegen. Om de een of andere reden heb ik er een bloedhekel aan al heeft de vriendelijke, wat zwaardere pittaman de vlucht zeker aangenamer gemaakt. Alleszins onderhoudender dan de loterijmadam met de te spannende soutien want het was niet door haar dat ik weer weet hoe een kebab met look smaakt en dat Maltezers diep gelovig zijn. Al zou je dat aan die spannende, niets aan de verbeelding overlatend corset van die vlieg-escorte niet onmiddellijk verwachten.

Gelukkig is de strijk gedaan.

 

De zwoele zomeravond doet traag zijn intrede. Er deunt zachte muziek uit de box en eerste vleermuizen flirten door de donkere schemerzone. Ze zit vlak voor mij en kijkt me indringend aan maar alleen wanneer ze denkt dat ik het niet merk. Als afleidingsmanoeuvre blader ik achteloos door mijn smartphone maar mis geen enkele beweging in de achtergrond.

Als ze me stiekem gadeslaat, houdt ze het hoofd schuin en ondersteunt het met haar rechterhand. Met haar wijsvinger draait ze voorzichtige denkbeeldige krulletjes, net boven haar oor. Laconiek gooit ze haar lokken achteruit zodat haar hals ontbloot wordt. Ze denkt dat ik het niet merk of misschien zoekt ze op die manier wel aandacht waar ik strategisch probeer aan te weerstaan.

In de andere hand houdt ze sierlijk maar nonchalant een halfvol tulpglas vast. We lijken op hetzelfde tempo te drinken. Zij witte wijn ik water, met ijsblokjes. We nippen en ademen in hetzelfde ritme, alsof ze me imiteert. Haar lichtgrijze ogen zoeken vluchtig contact. De lichtgrijze kijkers lijken donkerder en blinken vochtiger alsof er pretlichtjes in fonkelen. Wanneer ze zich met haar indringende blik betrapt voelt, kijkt ze kort weg. Het lijkt alsof ze het laatste greintje spanning, met een diepe ademstoot uit haar lijf zucht. Na elk slokje wijn gaat ze verleidelijk met haar tong zacht over de lippen. Haar mond kleurt roder en voller. De blosjes op haar wangen lijken plotseling veel minder onschuldige gedachten te verraden. Ze is ver in gedachten verzonken en glimlacht. Ze bijt op haar lip. Haar denkwereld fluistert haar zachtjes toe. Ze luistert en kijkt op zo een manier dat ze elk woord en elk beeld lijkt op te nemen om het nooit meer te vergeten. De ondergaande zon stuurt nog een paar laatste stralen alvorens te verdwijnen achter een horizon die eveneens rustig afwacht.

Gelukkig is de was, de strijk en de afwas gedaan zodat ze daar nu niet kan door worden afgeleid.

Ik wil ook zo iets!

 

Laat er vooral geen twijfel over bestaan. Vrouwen die lippen vuurrood kleuren, het zet iets in gang bij een vent. Daar hoeven wij, minderbedeelden der natuur, niet flauw over te doen. Zelfs antropologen zijn het roerend eens. Hoe roder de lippen hoe vruchtbaarder de vrouw. 

En ze weten het verdomd goed. Die van het sterke geslacht.  Mannen associëren getuite rode lippen nu eenmaal, ongewild met sex, met paren en met voortplanten. Zo beweren diezelfde menskundige wetenschappers toch. Hoewel ik van dat laatste maar moeilijk te overtuigen ben. Dat zullen die er zeker wel bij gesleurd hebben om al die vrouwen met hun rode lippen gerust te stellen.

Maar is het dan te kort door de bocht te stellen dat vrouwen met felrode mondcontouren bronstige, op sex beluste, hete manverslinders zijn? 

Zijn zij dan niet die ogenschijnlijk hulpeloos ogende prooien waarvoor wij mannen hen sinds Darwin aanzien?  Zijn zij dan de “gedoodverfde” medogenloze jagers bij uitstek? De roofdieren die met hun rode vettigheid mannen om de tuin weten te leiden omdat zij de associatie aan flapperende schaamlippen niet kunnen weerstaan waardoor automatisch de werking van de rest van hun neo-cortex wordt stil gelegd? Want daar zijn diezelfde antropologen het ook nog over eens. Bij fel rode lippen denken wij verdorven, zieke mannen zowizo eerst aan rupsje rimpel! Dat beeld floept bij rode lippen bij ons mannen als eerste binnen. Als close-up van de flamoes. Van de vochtspelonk en als oester op de ijsberg.

Zien jullie dames dan niet in en kunnen jullie de gevolgen dan niet inschatten van wat jullie met die rode verf allemaal aanrichten in ons brein? Ici-Paris-XL wordt een pornofilm. Een catwalk van venusheuvels, schaamdriehoekjes en wandelende gleuven.

Jullie moesten beschaamd zijn!

Vrouwen zijn dus al eeuwen in staat om alleen met rode verf het verleidingsspel en de paringsdans in gang te zetten! Een ritueel dat bij ons venten altijd het startschot is om ons gelijk halve zotten beginnen uit te sloven om op die manier in de gratie te vallen van een stel bedriegelijke rode lippen? 

Hoe oneerlijk is dat niet? Zeg? Ik wil ook zo iets…

Gekleurde wangen

 

Ik had een klak van de Rode Duivels opgezet en droeg oorlogskleuren. Op mijn kaken waren zorgvuldig 2 keer 3 strepen getrokken. De zwarte streep moest links, de rode rechts, de gele daartussen. Niet omgekeerd want dat brengt ongeluk. Dat wist ik nog van het vorige WK. Hoewel buienradar droog, zon en 22° voorspeld had, had ik een dikke sjaal rond mijn nek. Eveneens in oorlogskleuren. Rond mijn middel was een Belgische driekleur gedrappeerd die ik ooit eens gekregen heb bij een bak Jupiler. Het rood ervan was al een beetje afgegaan zodat het leek alsof ik voor de Roze Duivels ging supporteren.

Wanneer om de vier jaar, 22 mannen met gekleurde lichaamsversieringen een spelletje spelen met een bal, begin ik klaarblijkelijk mee raar te doen.

Noor heeft ook een duivels petje, Nele ook. Maar om onverklaarbare redenen verschenen zij beiden op het kerkplein zonder. Ze droegen beide een strak wit topje van H&M en blauwe jeans van Levis. Ik denk dat ze zich bekeken moeten gevoeld hebben omdat de zwart-geel-rood gekleurde modeshow volledig aan hen was voorbij gegaan. Al vielen ze uit de toon, toch waren ze mogelijks de enige 2 die “normaal” gekleed waren om naar het spelletje te komen kijken. 

Ze arriveerden aan de late kant want er waren al 3 doelpunten gevallen al leek dat detail hen geen van de twee te deren.

Het viel me op dat mijn vrouwen op een speciale manier voetbal kijken. Steeds druk pratend en gesticulerend. De kleinste met een cola de oudste met een cava. Beiden met hun rug naar het scherm. Toen het 4-1 werd voor de “Gele Duivels” vroeg Noor of al die “Rode” mensen zich niet van tenue hadden vergist. Ze zei me ook dat ze volgende keer haar pet ging opzetten en dat ze haar gele scouts t-shirt zou aantrekken. Dan zou zij de enige duivelssupporter zijn die tenminste de moeite had gedaan om assorti gekleed te zijn met de spelers. 

Gelukkig stonden er ondertussen ook 3 vegen op haar wangen anders had ze zich misschien te veel bekeken gevoeld.

Belle-vue

 

Ik drink graag koffie aan de favoriete toog van mijn favoriet cafeetje. Ik lach praat en redekalf er doorgaans met mensen die er even vertrouwd zijn als ik. Ze zijn even gemeenzaam als het cafeetje zelf. De gesprekken variëren.  De mensen, de standpunten en de manier waarop ze verdedigd worden zelden. Hoewel het garnituur op het eerste zicht weinig tot niets met elkaar gemeenschappelijk heeft ontstaat er toch een soort praatsysteem waar ieder zijn rol in heeft. Soms met geroep en getier of met een okkazionele “nondedju” godverdomme!

Aan de bar zitten ze door elkaar. Alle mannelijke stereotypen vertegenwoordigd en op een rij verzameld. De grootmoedige, grootsprekende ego’s zijn er eerst. Ze zijn meestal in de meerderheid. Ze proberen op iedereen indruk te maken terwijl ze wachten op hun vrouwen.  Die laten tijdens het obligaat wekelijks cafébezoek van hun bink, haar watergolven, wimpers wat langer krullen of ze doen een tintje donkerder op tussen de bank van het plaatselijke zonnecentrum. Nadien kopen ze allemaal nieuwe schoenen of een nieuw tailleurreke uit een vitrine van de plaatselijke middenstand.

De roepers verzamelen op dat moment dicht bij de bierkranen. Je herkent ze onmiddellijk omdat ze luid zijn.  Een onhebbelijke eigenschap die hun vrouwen hen na 20 jaar huwelijk niet afgeleerd krijgen. Thuis lukt het soms wel maar eens de vrouwelijke leiband er niet meer is, hervallen ze met een pint in aanslag in oude gewoonten. Ze zijn dan het vaakste aan het woord en nemen fors en overtuigend standpunt in over onderwerpen waarover zij zich thuis, met wikipedia bij de hand eerst over geïnformeerd hebben. Meestal staat hun volumeknop zo hoog omdat ze in de buurt van een tapkast meer zelfvertrouwen krijgen. Ook wel omdat hun vrouwen niet onmiddellijk in de buurt zijn. Het zijn de gangmakers.  Zij brengen met branie de boel op gang en oreren overtuigend controversiële onderwerpen.

De ja-knikkende conformisten zitten daar ook. Torenhanen die draaien met de wind en die thuis meestal nog minder te vertellen hebben omdat hun broek door moeder de vrouw daar ook al werd opgeëist. Ze zijn het gewoon naar de mond te praten en ondersteunen elke mening ook al wijkt deze 180° af van diegene waarvoor ze nog nooit durfden uitkomen. Nooit en nergens. Zij zijn de saaiste compagnie. Zij doen er niet toe. Om “iets” te compenseren dat wat groter had mogen uitvallen rijden ze in dure duitse auto’s  met 3 letters en dragen rayban omdat ze er op die manier hopen bij te horen.  Al zouden ze zeker ook gele oliejekkers of kaki zuidwesters dragen mocht een gangmaker met overtuiging beweren dat dit straks in Milaan de nieuwste modetrend wordt. 

Verwar hen niet met de scherpzinnige diplomaten. Want zij onderscheiden zich van de conformisten. Ze hebben wel een eigen mening. Komen er voor uit als ze zeker zijn en verstaan de kunst om te bemiddelen tussen de gangmakers en de dwarsen. Ze zeggen tegen de ja-knikkers dat ze moeten zwijgen of halen met hun: “Patron laat ons nog een keer drinken”, net op tijd -voor gemoederen echt oververhitten- de lont uit het kruidvat.

De “dwarsen” zijn naast de “opgepompte ego’s “ voor de “verstandige zwijgers” het meest interssantste mannentiepetje om te observeren. Volgens hen vergaat de wereld overmorgen en zal de 8e plaag nadien alles in een puinhoop veranderen. Net voor de wereld op ons hoofd valt. Ze nemen geen blad voor de mond en er durft al eens een vloek aan te pas komen om dingen wat krachtdadiger te stellen.

Mannen aan een toog. Soms durf ik echt betwijfelen of ze wel weten waarom!

Gelukkig is het gespreksonderwerp vandaag Naingolan, de bloedvorm van Hazard en de stijfheid van Martinez. En prijs me nog gelukkiger dat ons wekelijks cafeetje niet Facebook heet maar café Belle-Vue. Er waren anders doden gevallen of minstens zwaar gewonden.

Botergeil van tuinkruiden

Hoe krijg ik mijn vrouw weer botergeil?
Ondertussen zijn we een halve eeuw verder en kan je het pillendraaiers bezwaarlijk aanvrijven niet begaan geweest te zijn met de vrouwelijke sexualiteit en lust. De pil was al een revolutionaire uitvinding die begin jaren 60 vrouwen eindelijk hun verdiende wipgoesting teruggaf zodat vanaf dat moment eindelijk volop klokken geluid konden worden tijdens volle hoogmis. Haleluja. Vrouwen konden en mochten. Ad libitum, eindelijk. En dat er wat afgevogeld werd.
Als vrouw werd je niet langer als promiscue, vulgair of los van zeden bestempeld als je het graag deed en veel. Riscoloos, histig sensueel of wellustig.
Als ik echter de recente berichtgeving mag geloven zitten we opnieuw opgescheept met een massale sexdroogte. Maar niet getreurd er wordt op dat vlak hard onderzoek gevoerd. De vrouwelijke libidopil is in aantocht zodat veluxen of andere slaapkamerramen opnieuw vol condens bedampt kunnen worden.
Waar viagra paal en perk zet bij de man in nood zal de vrouwelijke lustpil dijken in het zuiden doen overstromen bij diegenen die het onderaan wat moeilijker vochtig krijgen. Of toch niet?
Wat met bijwerkingen? Zal onze enige favoriete sexpoes geen snor krijgen? De baard in de keel of hoofdpijn, en had ze die niet al? Zal vermoeidheid geen lastig bijfenomeen worden? Want te moe, dat was ze toch ook al? Maar belangrijker misschien, zal ze zich niet blijven storen aan mijn favoriete slaapmarcelleke zodat ze mij daarmee nog steeds met Onslow uit keeping up appearences zal associeren? Zal mijn onfrisse ochtend-walm die doorgaans sterk genoeg is om bootvluchtelingen finaal voor Engeland als eindstek te laten opteren, de pret niet onderdrukken?
Sex en goesting of het gebrek eraan afdoen als een epidemische vrouwelijke hersenaandoening is misschien wat bruggen te ver. Misschien moeten wij venten gewoon ook wat meer moeite doen. Misschien zouden we ons favoriete marcelleke waar onze mannentronie 25 jaar geleden mee kon geaccentueerd worden voortaan niet beter inruilen voor een mooie gestreken pyjama. En zouden we ‘s morgens niet eerst een rolletje king-muntjes wegknabbelen alvorens onze nieuwste pornomoves te etaleren. Misschien is tegen vrijwillige monogamie, sleur en een hespenrolletje meer wel geen pillenkruid gewassen?
Nu dan? Want Ik heb net mijn teennagels geknipt, mijn boxershortje gesteven en heb een halve tube tandpsta opgefret.
Btw ik ruik naar lavendel en kamille. Ik hoop nu maar dat ze geen hooikoorts heeft of allergisch is aan tuinkruiden.

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

50/50 of 60/40?

Laten we er vooral eerlijk over zijn. Wanneer tijdens een gezellig avondje onder vrienden, bij een etentje of op café, de gesprekken plots gaan over klassieke rolpatronen is de kans niet onbestaande dat de sfeer wat grimmig of venijnig wordt. Tot er groen hout van komt.

Vrouwen vegen vandaag nog steeds de grot proper en zorgen nog altijd voor blinkende stalagmieten en –tieten.

In het hol van Lascaux en Altamira of in het Neanderthal ergerden ze zich indertijd al blauw over speren en bogen die veilig moesten weggelegd worden voor de kinderen opdat knotsen niet op verkeerde hoofden terecht zouden komen. Of over de verf die nog gemaakt moest worden om er de wanden mee te beschilderen met jachttaferelen.

Rondslingerende sokken en dopjes van tandpasta zijn clichés en scoren vandaag nog steeds hoog in de top 10 van de vrouwelijke ergernissen. Ze blijven een terugkerend discussiepunt. Het ouderwetse plaatje dat vrouwen wassen, plassen en het grut verzorgen terwijl mannen zelfs hun eigen viezigheid niet zien, blijft overeind.

Statistieken bevestigen. Huishoudelijk werk en er met veel zelfbeklag over klagen, is anno 2018 na christus nog steeds hoofdzakelijk een vrouwending. Waarom worden vrouwen anders al miljoenen jaren obsessief-compulsief als het stof, vuil en rommel gaat? Maar belangrijker waarom willen vrouwen de regeling die al sinds mensenheugenis overeind blijft, veranderen in een modernere 50/50 regeling? In het genderdebat hoeft de maatschappelijke vooruitgang van de vrouw toch niet de achteruitgang van de man te betekenen? Alsof de man een soort communicerend vat wordt waarin de opmars van de vrouw alleen maar kan geregeld worden door het zwakkere geslacht naar beneden te halen.

Moeten mannen dan mee onder huishoudelijke druk bezwijken terwijl het hun genetisch gezien en volgens de evolutieanalyse van Darwin geen zak uitmaakt? Dat er stof op het aanrecht ligt of dat de ramen niet perfect streep-loos en doorzichtig zijn?

Misschien wel! Want hulpvaardige mannen hebben een beter seksleven. Behulpzame, altruïstische heren zouden volgens statistieken sneller worden gekozen als potentiële sekspartner. Zelfs voor een korte stomende flirt.

Dames! Vergeet dus snel het genderdebat en zeg me waar dat vuilblik ligt. Geef me die dweil en die handleiding van die stofzuiger?

En is een 60/40 regeling ook ok?