Categorie: Lachen

Slappe Lotus.

 

Blijf uit mijn energiebaan want ik raak uit balans. Het ene moment ben ik overmatig actief en heel dominant aanwezig. Dan weer vind je me stilletjes op de achtergrond. Diep in mezelf teruggetrokken. Een beetje afwezig en op zoek naar een strohalm. Het voelt aan alsof er te veel in mijn hoofd zit waardoor ik me licht en onevenwichtig voel. Ik heb nochtans een groot hoofd. Toch groter dan het gemiddeld hoofd. 

Zou mijn wortelchakra droog staan?

Ingeborg zou er zeker een gepaste uitleg voor hebben. Mocht ik haar kennen dan zou ze me zeggen: “Jan, je sacraalchakra leeft op oorlogsvoet met je navelchakra waardoor je zonnevlecht in de knoop zit. Laten we samen zingen. Toe! Please! Ik ken nog een topper. Gratitude before me, Gratitude behind me….”  

Ik krijg er spontaan bobbelen van en kom innerlijk in opstand tegen zoveel bewierookte, aansteklijke, opdringerigheid waarmee ze steeds ongevraagd probeert de edelstenen van mijn energie te bekrachtigen. Zeker wanneer ze me wil doen dansen om mijn opkomende depressieve gevoelens te onderdrukken. 

Terwijl ik het schrijf voel ik mijn sacraalchakra in opstand komen. 

Door de wind en door de regen probeert ze me er dwars door alles heen van te overtuigen dat ik een twijfelaar ben. Ze beschuldigt me van onzekerheid op het werk, in relaties en in de liefde. Wellicht is mijn zonnevlecht verkeerd geknoopt of zit ze helemaal in elkaar geklit. 

Ik begin me slechter te voelen. Lichamelijk zelfs. Mijn keelchakra heeft blijkbaar ook al afgehaakt want die zure boer voorspelde weinig goeds. Hopelijk is hij niet de voorbode van echte brokken.

Mijn hartchakra dan maar. Is deze al back on track? Ja, want ik voel de revolutie in mezelf in alle hevigheid los barsten. Ik doe wat ik het beste kan en kom in opstand tegen de zee van zweverigheid.  Pas wanneer ik Ingeborg en haar gratitude heb weggezapt ontstaat een beetje ruimte voor innerlijke vrede. 

Mijn derde oogchakra en mijn kruinchakra zijn het roerend eens. Ik ben zonet in mijn eigen kracht gestapt zodat ik eindelijk opnieuw verbinding heb met mijn eigen universum. Ik onhoud opnieuw mijn dromen zodat wanneer ik wakker word mijn lot vastbesloten in de handen kan leggen van lotus. Al hoop ik wel dat ik hem niet te lang in mijn koffie sop zoniet kan ik weer helemaal van voorafaan beginnen.

Harra harra harra….

 

Belle-vue

 

Ik drink graag koffie aan de favoriete toog van mijn favoriet cafeetje. Ik lach praat en redekalf er doorgaans met mensen die er even vertrouwd zijn als ik. Ze zijn even gemeenzaam als het cafeetje zelf. De gesprekken variëren.  De mensen, de standpunten en de manier waarop ze verdedigd worden zelden. Hoewel het garnituur op het eerste zicht weinig tot niets met elkaar gemeenschappelijk heeft ontstaat er toch een soort praatsysteem waar ieder zijn rol in heeft. Soms met geroep en getier of met een okkazionele “nondedju” godverdomme!

Aan de bar zitten ze door elkaar. Alle mannelijke stereotypen vertegenwoordigd en op een rij verzameld. De grootmoedige, grootsprekende ego’s zijn er eerst. Ze zijn meestal in de meerderheid. Ze proberen op iedereen indruk te maken terwijl ze wachten op hun vrouwen.  Die laten tijdens het obligaat wekelijks cafébezoek van hun bink, haar watergolven, wimpers wat langer krullen of ze doen een tintje donkerder op tussen de bank van het plaatselijke zonnecentrum. Nadien kopen ze allemaal nieuwe schoenen of een nieuw tailleurreke uit een vitrine van de plaatselijke middenstand.

De roepers verzamelen op dat moment dicht bij de bierkranen. Je herkent ze onmiddellijk omdat ze luid zijn.  Een onhebbelijke eigenschap die hun vrouwen hen na 20 jaar huwelijk niet afgeleerd krijgen. Thuis lukt het soms wel maar eens de vrouwelijke leiband er niet meer is, hervallen ze met een pint in aanslag in oude gewoonten. Ze zijn dan het vaakste aan het woord en nemen fors en overtuigend standpunt in over onderwerpen waarover zij zich thuis, met wikipedia bij de hand eerst over geïnformeerd hebben. Meestal staat hun volumeknop zo hoog omdat ze in de buurt van een tapkast meer zelfvertrouwen krijgen. Ook wel omdat hun vrouwen niet onmiddellijk in de buurt zijn. Het zijn de gangmakers.  Zij brengen met branie de boel op gang en oreren overtuigend controversiële onderwerpen.

De ja-knikkende conformisten zitten daar ook. Torenhanen die draaien met de wind en die thuis meestal nog minder te vertellen hebben omdat hun broek door moeder de vrouw daar ook al werd opgeëist. Ze zijn het gewoon naar de mond te praten en ondersteunen elke mening ook al wijkt deze 180° af van diegene waarvoor ze nog nooit durfden uitkomen. Nooit en nergens. Zij zijn de saaiste compagnie. Zij doen er niet toe. Om “iets” te compenseren dat wat groter had mogen uitvallen rijden ze in dure duitse auto’s  met 3 letters en dragen rayban omdat ze er op die manier hopen bij te horen.  Al zouden ze zeker ook gele oliejekkers of kaki zuidwesters dragen mocht een gangmaker met overtuiging beweren dat dit straks in Milaan de nieuwste modetrend wordt. 

Verwar hen niet met de scherpzinnige diplomaten. Want zij onderscheiden zich van de conformisten. Ze hebben wel een eigen mening. Komen er voor uit als ze zeker zijn en verstaan de kunst om te bemiddelen tussen de gangmakers en de dwarsen. Ze zeggen tegen de ja-knikkers dat ze moeten zwijgen of halen met hun: “Patron laat ons nog een keer drinken”, net op tijd -voor gemoederen echt oververhitten- de lont uit het kruidvat.

De “dwarsen” zijn naast de “opgepompte ego’s “ voor de “verstandige zwijgers” het meest interssantste mannentiepetje om te observeren. Volgens hen vergaat de wereld overmorgen en zal de 8e plaag nadien alles in een puinhoop veranderen. Net voor de wereld op ons hoofd valt. Ze nemen geen blad voor de mond en er durft al eens een vloek aan te pas komen om dingen wat krachtdadiger te stellen.

Mannen aan een toog. Soms durf ik echt betwijfelen of ze wel weten waarom!

Gelukkig is het gespreksonderwerp vandaag Naingolan, de bloedvorm van Hazard en de stijfheid van Martinez. En prijs me nog gelukkiger dat ons wekelijks cafeetje niet Facebook heet maar café Belle-Vue. Er waren anders doden gevallen of minstens zwaar gewonden.

Botergeil van tuinkruiden

Hoe krijg ik mijn vrouw weer botergeil?
Ondertussen zijn we een halve eeuw verder en kan je het pillendraaiers bezwaarlijk aanvrijven niet begaan geweest te zijn met de vrouwelijke sexualiteit en lust. De pil was al een revolutionaire uitvinding die begin jaren 60 vrouwen eindelijk hun verdiende wipgoesting teruggaf zodat vanaf dat moment eindelijk volop klokken geluid konden worden tijdens volle hoogmis. Haleluja. Vrouwen konden en mochten. Ad libitum, eindelijk. En dat er wat afgevogeld werd.
Als vrouw werd je niet langer als promiscue, vulgair of los van zeden bestempeld als je het graag deed en veel. Riscoloos, histig sensueel of wellustig.
Als ik echter de recente berichtgeving mag geloven zitten we opnieuw opgescheept met een massale sexdroogte. Maar niet getreurd er wordt op dat vlak hard onderzoek gevoerd. De vrouwelijke libidopil is in aantocht zodat veluxen of andere slaapkamerramen opnieuw vol condens bedampt kunnen worden.
Waar viagra paal en perk zet bij de man in nood zal de vrouwelijke lustpil dijken in het zuiden doen overstromen bij diegenen die het onderaan wat moeilijker vochtig krijgen. Of toch niet?
Wat met bijwerkingen? Zal onze enige favoriete sexpoes geen snor krijgen? De baard in de keel of hoofdpijn, en had ze die niet al? Zal vermoeidheid geen lastig bijfenomeen worden? Want te moe, dat was ze toch ook al? Maar belangrijker misschien, zal ze zich niet blijven storen aan mijn favoriete slaapmarcelleke zodat ze mij daarmee nog steeds met Onslow uit keeping up appearences zal associeren? Zal mijn onfrisse ochtend-walm die doorgaans sterk genoeg is om bootvluchtelingen finaal voor Engeland als eindstek te laten opteren, de pret niet onderdrukken?
Sex en goesting of het gebrek eraan afdoen als een epidemische vrouwelijke hersenaandoening is misschien wat bruggen te ver. Misschien moeten wij venten gewoon ook wat meer moeite doen. Misschien zouden we ons favoriete marcelleke waar onze mannentronie 25 jaar geleden mee kon geaccentueerd worden voortaan niet beter inruilen voor een mooie gestreken pyjama. En zouden we ‘s morgens niet eerst een rolletje king-muntjes wegknabbelen alvorens onze nieuwste pornomoves te etaleren. Misschien is tegen vrijwillige monogamie, sleur en een hespenrolletje meer wel geen pillenkruid gewassen?
Nu dan? Want Ik heb net mijn teennagels geknipt, mijn boxershortje gesteven en heb een halve tube tandpsta opgefret.
Btw ik ruik naar lavendel en kamille. Ik hoop nu maar dat ze geen hooikoorts heeft of allergisch is aan tuinkruiden.

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

50/50 of 60/40?

Laten we er vooral eerlijk over zijn. Wanneer tijdens een gezellig avondje onder vrienden, bij een etentje of op café, de gesprekken plots gaan over klassieke rolpatronen is de kans niet onbestaande dat de sfeer wat grimmig of venijnig wordt. Tot er groen hout van komt.

Vrouwen vegen vandaag nog steeds de grot proper en zorgen nog altijd voor blinkende stalagmieten en –tieten.

In het hol van Lascaux en Altamira of in het Neanderthal ergerden ze zich indertijd al blauw over speren en bogen die veilig moesten weggelegd worden voor de kinderen opdat knotsen niet op verkeerde hoofden terecht zouden komen. Of over de verf die nog gemaakt moest worden om er de wanden mee te beschilderen met jachttaferelen.

Rondslingerende sokken en dopjes van tandpasta zijn clichés en scoren vandaag nog steeds hoog in de top 10 van de vrouwelijke ergernissen. Ze blijven een terugkerend discussiepunt. Het ouderwetse plaatje dat vrouwen wassen, plassen en het grut verzorgen terwijl mannen zelfs hun eigen viezigheid niet zien, blijft overeind.

Statistieken bevestigen. Huishoudelijk werk en er met veel zelfbeklag over klagen, is anno 2018 na christus nog steeds hoofdzakelijk een vrouwending. Waarom worden vrouwen anders al miljoenen jaren obsessief-compulsief als het stof, vuil en rommel gaat? Maar belangrijker waarom willen vrouwen de regeling die al sinds mensenheugenis overeind blijft, veranderen in een modernere 50/50 regeling? In het genderdebat hoeft de maatschappelijke vooruitgang van de vrouw toch niet de achteruitgang van de man te betekenen? Alsof de man een soort communicerend vat wordt waarin de opmars van de vrouw alleen maar kan geregeld worden door het zwakkere geslacht naar beneden te halen.

Moeten mannen dan mee onder huishoudelijke druk bezwijken terwijl het hun genetisch gezien en volgens de evolutieanalyse van Darwin geen zak uitmaakt? Dat er stof op het aanrecht ligt of dat de ramen niet perfect streep-loos en doorzichtig zijn?

Misschien wel! Want hulpvaardige mannen hebben een beter seksleven. Behulpzame, altruïstische heren zouden volgens statistieken sneller worden gekozen als potentiële sekspartner. Zelfs voor een korte stomende flirt.

Dames! Vergeet dus snel het genderdebat en zeg me waar dat vuilblik ligt. Geef me die dweil en die handleiding van die stofzuiger?

En is een 60/40 regeling ook ok?

Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

Een kamelenteen en oxytocine.

 

Evy Gruyaert is opnieuw mijn heldin want zij weet hoe ik gelukkig word in 21 dagen.

Van eigens. Telkens ik haar op het scherm tegen het lijf bots, slaat mijn hart minstens een slag over. Dat is zonder twijfel nog een gevolg van toen ze met haar veel te sensuele stemgeluid: “Nu,! Sneller! Harder! Je bent er bijna!” in mijn oor hijgde. Al was ik telkens wel blij dat ik na 3 minuten mocht wandelen.  Wanneer die eerste ellendige kilometers achter de rug waren.

Als ik Evy mag geloven hoeven de kilo’s er niet af te vliegen door aan gewichten te sleuren of door als een gek te sporten. Om me 100% begenadigd te voelen, word ik ook niet gedwongen om mijn lijf in onmogelijke kronkels plooien op een yoga mat. Al zou ik  niet ongelooflijk ongelukkig worden om vanop dat plekje naar perfecte vrouwen te staren. Naar vrouwen van wie de rondingen in hun niets verhullende, te strakke spandex geprangd zit, zodat hun verticale glimlach mij uitdagend tegemoet lacht.  Al hoeft die occasionele kamelenteen niet zo nodig. Die heeft geen meerwaarde in de setting en belemmert uiteindelijk alleen maar de suggestie.

Wat moet ik dan wel precies doen om die zweverige gelukzaligheid in al mijn vezels gewaar te worden? Volgens Evy moet ik zoveel als mogelijk mensen vast grabbelen. Bekenden en onbekenden. Hen knuffelen en fijn knijpen. 21 dagen lang, minstens 10 minuten per dag. Daar word je blij van, al  wordt dat een opgave want ik voel me oprecht ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Knuffelen dus en dat met Jan en alleman, het wordt nog wat!

Hoewel deze activiteit ver uit mijn comfortzone ligt ga ik het er toch op wagen.  Evy oogt immers ook altijd opgewekt en opgetogen. Misschien heeft het op mij wel het zelfde effect. Daarbij de comfortzone is niet het plekje “where the magic happens”. Dat heb ik ooit ergens gelezen. In een boekje bij de psychiater denk ik.

Knuffelen schijnt onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot de hormonen die ik ken en die het maandelijkse onheil bij mijn vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel al verlagen met een paar punten. Als ik Evy mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik nog meer zelfzeker en socialer.

Dus verschiet niet als ik je een van komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid.

Ik laat je ook nog weten hoeveel toeken ik tegen mijn bakkes gehad heb als ik die nietsvermoedende voorbijganger heb vast gegrepen.

 

 

Betrapt.

 

Laat één ding duidelijk zijn. Vrouwen hebben ook vreemde gewoonten. Ze houden zich soms ook bezig met opmerkelijke activiteiten. Met zaken die ze angstvallig proberen achter te houden. Zelfs voor hun soortgenoten.
Hun lotgenoten daarentegen confronteren ze er dan weer wel graag mee wanneer ze er ongevraagd getuige van zijn. Zo zijn ze dan weer wel.
Het lijkt een soort van natuurlijk verstopgedrag dat ogenschijnlijk plaats vindt in een vlaag van onweerstaanbare drang.
Hoewel de vrouw in kwestie er zich diep over schaamt zal ze het bestaan van ervan ten allen tijde ontkennen. Zelfs wanneer ze ermee op heterdaad betrapt wordt. Hoewel dit slechts uiterst zelden gebeurt omdat ze deze bedrijvigheid meestal in het geniep uitoefent.
Geen vent die het begrijpt. Niemand die er ook ooit aan gewend raakt of zich afvraagt waarom ze het doen. Zelfs de meest geëmancipeerde vrouwen niet vermoed ik.
Wij mannen kunnen die zaken ongebruikelijk of ongepast vinden maar zullen nooit kunnen achterhalen hoe vrouwen in het algemeen er over zelf denken of hoe zij er zelf tegenover staan. Hoewel uit de feiten of omstandigheden dikwijls kan blijken dat enig zelfbesef of een redelijk vermoeden van dit afwijkend gedrag hen toch bezighoudt of parten speelt.

Mannen heb ik er nog nooit aan weten ruiken. Aan hun ondergoed. Snuffelen om te achterhalen wat nog draagbaar is en wat niet. En wanneer is het dat dan niet meer? Waar ligt de geurgrens? En wat hopen vrouwen (niet) te ruiken? Zichzelf of de andere?
Voor mannen zijn strepen en zweetvlekken of het ontbreken ervan, doorgaans voldoende en afdoende bewijs om zelfzeker uit te maken of een slip of T-shirt nog toonbaar is of niet. Daarom moeten we die toch niet besnuffelen?

Vrouwen berispen ons ook heel fel als we er te diep in zitten. Als we er zo ver in lurken dat we er onze hersenen mee lijken te aaien. Maar wij voelen ons niet betrapt. Mannen zitten in hun neus. Dat doen wij. Venten peuteren, en dan? Maar we eten er tenminste niet uit wanneer we aanschuiven in de file. We draaien er ook niet in het geniep bolletjes van. Wij ontdekken ze wel hoor. De door de tijd hard geworden keuteltjes, vastgekleefd of weggeschoten wanneer ze niet meer aan de nagelgelakte vingers bleven plakken en zo een nieuwe bestemming kregen. Onder de autostoel bijvoorbeeld of op de mat van de passagiersplaats.

En dan heb ik het nog niet eens over stiekem geloste winden in de lift. De angstig met billen toegeknepen, geruisloze stinkers die de te kleine ruimte vullen met walm van slechtverteerde quinoa.

Laat het los. De schaamte en gêne want ze dienen geen meester. Integendeel. Het wordt zelfs ongeloofwaardig wanneer je de volgende keer je vent betrapt en hem met veel lawaai de mantel mantel uitveegt omdat hij weer eens aan zijn kruis ligt te krabben. Of dacht je misschien dat ik het niet gezien had.

 

Meedoen of winnen?

 

De komende weken zullen we van uit Pyeongchang kennismaken met 15 sporten die alleen maar in de vrieskou beoefend worden. De Olympische winterspelen zijn namelijk begonnen. Let the games begin.

De populairste sport van de winterspelen is ongetwijfeld het skiën. Deze discipline is onderverdeeld in 5 onderdelen waarvan de afdaling er één is. Afdalen is logisch bij skiën. Al doet deze naamgeving mogelijks verkeerdelijk vermoeden dat de overige disciplines zoals de Super G of de Reuzeslalom bergop dienen afgelegd te worden.

Het onderdeel langlaufen of Cross country dekt dan weer wel helemaal wel de lading en verklaart zich helemaal zelf. Het is gewoon heel lang lopen op dunne latten. Bij biatlon is de lading zelfs een essentieel onderdeel van de discipline aangezien je moet schieten terwijl je glijdt. Verder glijden alsof er niets gebeurd is na een trefzeker schot lijkt mij het meest lastige aan die sport. Gezien de terreurdreiging vind ik die sport wat vreemd. Ook wel een beetje gevaarlijk zelfs. Raar dat deze sport nog steeds kan beoefend worden zonder militaire bewaking. Al is het maar om de verliezers in het Noorse kamp in de gaten te houden. Er moest nog maar eens eenzelfde halve gek tussen zitten die bij waterspelen ook al eens zijn noorden verloor.

Voorlopig werd de biatlon nog niet uitgebreid tot triatlon, pentatlon of tienkamp. Wellicht omdat er problemen zijn met wapenvergunningen bij deelnemende landen of omdat de leden van het Olympisch Comité nog discussiëren of een bommengordel al dan niet op de lijst van verboden producten thuishoort. Er zit nog rek op de Olympische gedachte.

Snowboarders maken de spelen ook steeds spectaculairder en gewaagder. In de Kicker doen ze behendig hun Ollies en Nollies, ook al hangen ze met hun backflip of rodeoflip meer ondersteboven in de lucht dan dat ze glijden. Vroeger dacht ik dat ze zo dikwijls per oefening over kop moesten hangen om hun broek op te houden. Iets waar hun collega’ s op wielen in een ramp in het skatepark zich minder zorgen over maken.

En dan is er schaatsten. Schaatssport bestaat uit hockey, lange afstand rijden en kunstschaatsen. Bij lange afstand rijden komt het er op aan om met één hand op de rug  in een strakke-rubberen-niets-verhullende-spandex  zoveel mogelijk rondjes te toeren tot de bel gaat. Vanaf dat moment moet men zich beginnen haasten.

Olympisch ijshockeykampioen wordt je door heel gemeen, hard vals te spelen of door tegenspelers zo ruw mogelijk tegen plexiglazen boarding te kwakken. Het spel draait eigenlijk om een zwarte puck. Maar die is te onzichtbaar en verder compleet overbodig om er de rest van het spel mee te beoordelen.

De puntenverdeling bij kunstschaatsen blijft ook raadselachtig onduidelijk. Ik vermoed dat met één voet boven het hoofd pirouettes draaien zonder duizelig worden door de jury beter beoordeeld wordt dan over de bloemen van de vorige deelnemer te struikelen. Toch vraag ik af of de glitter op de schaatsjurken en de lijmsteentjes die op de oogleden van de vrouwelijke deelnemers geplakt worden ook mee tellen voor de punten.

En dan rest nog curling. Deze ijs-petanque is mijn favoriete sport. De huisvrouwen van elke ploeg doen wat ze beste kunnen en waarvoor ze betaald worden. Met hun borstels moeten ze voorkomen dat houten kaasbollen vuil worden wanneer ze naar hun doel geschoven worden. Dit is zonder twijfel de properste sport die ooit werd uitgevonden. Dit is mijn Olympisch winter hoogtepunt. De letterlijke grote kuis naar dopingmisbruik. Daarom wellicht dat de Russen hiervoor passen.

Winterspelen zijn leuker dan de Zomerspelen. Want hier is meedoen echt belangrijker dan winnen. Want wie kan exact  beoordelen welke kaasbol de properste is? In Pyeongchang wordt nog gesport volgens de edele Olympische gedachte en dat is de kern van de Olympische Spelen.  Al is het optellen van medailles misschien toch wel waar het echt en alleen maar om te doen is. De gouden, zilveren en bronzen.  Ook al zijn de gouden en zilveren medailles allebei van zilver toch lijkt een gouden beter te smaken wanneer winnaars er hun tanden inzetten om te zien of ze wel echt zijn.

 

 

Cadeau voor Valentijn.

 

Maak ik me er niet heel gemakkelijk van af door te denken dat haar verwachtingen voor Valentijnsdag door de band aanzienlijk lager liggen dan al het geen is uitgestald in etalages van dure merkwinkels?

Willen de meeste vrouwen niet gewoon een beetje spontane romantische aandacht?

Natuurlijk is ze niet zoals de meeste vrouwen. Die insinuatie zou een grove denkfout zijn. Het vermoeden dat die gedachte bij me binnen floept, zou ze absoluut niet weten appreciëren. Ze zou er kwaad van worden. Ze wil namelijk niet zijn zoals de meeste vrouwen. Ze is uniek. Dat hoort ze me graag zeggen. Telkens ik dat zonder bijbedoelingen benadruk wordt ze blij en gewillig en komt daar uiteindelijk seks van. Dikwijls toch. Misschien moet ik daar iets mee? Het is per slot van rekening Valentijn.

Mijn originele Valentijnscadeau verschilt van jaar tot jaar en varieert tussen bloemen en een juweeltje. En alles wat zich daar tussen bevindt. Het kan ook lingerie zijn maar dat is iets delicater.

Moet ik dit jaar eigenlijk wel een cadeau kopen? Misschien moet ik gewoon maar eens op een speciale manier uitdrukking geven aan mijn gevoelens? Met iets origineels? Met iets wat ik zelf maak en wat geen geld kost? Dat werkt toch ook zo bij mijn dochter. Op Moederdag. Wanneer zij komt aandraven met een schroef in een geschilderde plank en een wazige foto van zichzelf.  Dan houdt ze het nooit droog. Waarom zou mij dat niet lukken? Zal ik anders dit jaar een romantische boodschap op de spiegel schrijven of tekenen? Met lippenstift. Met een rood gekleurd hartje er onder. Maar dan zeker niet gezet met die dure van vorig jaar want die kostte me 159 €.  Die verspil ik er niet aan?

Of zal ik een attent briefje achterlaten? Een soort geparfumeerde liefdesbrief die ik achter haar ruitenwisser klem. Dat zal wel een leuke verrassing zijn want de meeste andere boodschappen die ze daar normaal vindt zijn boetes van parkeerwachters.

Chocolade kan natuurlijk ook want dat is een afrodisiacum. Dat zet onmiddellijk sfeer. Maar is dat niet te suggestief en te expliciet? Te geforceerd voor de avond waarop normaal gezien alles spontaan gebeurt? En geldt datzelfde argument niet voor lingerie? De kruis loze slip van drie jaar geleden had niet het verhoopte resultaat. Dat heb ik al eens geprobeerd.

Rozen? Maar die verwelken zo stel en liefde mag nu wel wat langer na deinen na zo een avond.

Is het niet gewoon het gebaar dat telt? Moet het zo nodig schitteren en zal het wel fel genoeg blinken? Moet zij zich er per se naakt mee kunnen inpakken? Zal er wel voldoende stof en kant aan zitten om er de verkeerde dingen mee te verdoezelen en er de juiste mee te accentueren?

Valentijn. Het blijft een dilemma.

Misschien is een romantisch etentje wel het veiligste. Dan verspil ik al geen dure lippenstift aan een klef rijmpje. Of loop ik het risico dat ik met een te dure en te grote cup maat mijn dromen of wensen voor werkelijkheid neem?

Iets decoratiefs dan maar. Voor in huis? Iets dat niet moet afgestoft worden of dat ik naar mijn hoofd kan geslingerd krijgen bij een volgend hoogoplopend misverstand. Een kussen of zo, uit zelfbescherming?

Cupido

2 jaar geleden besliste mijn vrouw om een stukje keukenmuur te beschilderen met magnetisch verf. Het was een esthetisch verantwoorde keuze want het was of verf ofwel een prikbord in kurk. Aangezien je op een kurken bord meestal te weinig punaises vindt om er alle post mee op te hangen kozen we voor verf. Geen klachten over de verf trouwens.  Al blijkt de aantrekkingskracht ervan lang niet zo sterk als ze in de verfwinkel deden geloven. Bovendien heb ik nog steeds evenveel magneten te kort dan dat ik vroeger punaises miste.

Alle papieren rommel die anders op tafel blijft slingeren wordt nu met magneten tegen de muur geplakt. Facturen met een vervaldatum in de toekomst hangen daar ook. Om me eraan te herinneren dat het saldo op mijn zichtrekening zwaar overschat is.  Op dure maanden lijkt die keukenmuur wel een bedevaartsoord waar alle rouwrekeningen waarmee we ons dagelijks leven bekostigen daar om medeleven smeken.

Mijn oog valt op een stukje kalender dat goed verborgen zit onder een lijvig energiefactuur, een schoolrekening, en een aanmaning ter betaling van onze schuldsaldo verzekering. “Februari is een dure maand, neen februari is een waardeloze maand”: zeg ik tegen het prikbord. En ik voeg er nog aan toe: “Al zou het allemaal nog veel erger klinken indien ik de r niet zou kunnen uitspreken.”

Wat voor een soort maand is februari eigenlijk? Lang voor deze werd uitgeroepen als maand van de soberheid was ze al niet te pruimen. Er zitten gewoon te weinig dagen in om een kalender volwaardig mee op te vullen.

Elke vijfde vrijdag van elke andere maand staat steevast aangekruist met een rood hartje. Dat maandelijks kattenbelletje op de almanak geeft aan dat we het niet mogen vergeten. Die bewuste vrijdag zit namelijk altijd in de juiste week van de menstruatiecyclus. Maar deze maand is er dus geen vijfde vrijdag. Hij valt er af. Tenzij om de vier jaar maar dan alleen maar op die momenten dat februari ook op een vrijdag begint. Dat had ik al uitgerekend.

Misschien net dat daarom Sint-Valentijn er tijdens deze maand ergens halverwege is tussen geschoven. Om met de overschot van de rode kaarsen van nieuwjaar de romantiek wat aan te wakkeren.  Al kan het even goed zijn dat poeperkesdag gewoonweg niet in de zomermaanden gepland werd omdat dan alle chocolade hartjes zouden smelten. Of omdat het dan toch te warm zou zijn om dat nieuwe bunnypakje aan en uit te trekken?

Gelukkig is er de weerspreuk van 14 februari. “Zonneschijn op Sint-Valentijn, geeft goede wijn!”  Al zal cupido wel andere pijlen op zijn boog moeten toveren om er de harten van de tournee minerale aanhangers mee te treffen. Maar we zullen maar niet zeuren zeker? Dat hadden we toch ook beloofd?

Zwarte vogels

Ik sta in de keuken en drink koffie. Zwart want zo heb ik hem graag.  Dan proef ik de bitterheid het sterkste. Van achter het glas kijk ik in de tuin. Het is windstil. Dat zie ik aan de bomen. Blad loze takken hangen doods af. “Treurwilg”, die naam is niet slecht zo gekozen. Het grijze wolkendek is rimpelloos strak gespannen en lijkt roerloos. Zonder het geritsel dicht bij de composthoop zou ik denken dat de wereld stilstaat.

Een kwartier al speur ik naar fladderende vleugels. Tot nu toe telde ik 2 Spreeuwen, een Merel, een koppel Pimpelmezen en een zwarte vogel. Dat blijkt een Kauw te zijn maar om daar zeker van te zijn moest ik dat opzoeken. Er bestaan veel zwarte vogels. Zelf kende ik het verschil niet tussen een Kraai of een Kauw. Nu dus wel. Er blijken meer verschillen dan overeenkomsten te zijn. Alleen het roepen en krijsen, dat hebben ze met elkaar gemeen. Er vliegen meer vogels over de dorre Buksus dan dat dat ik er op een andere zaterdagmorgen aandacht voor heb. Ik noteer de soorten en het aantal vliegende passanten netjes op een velletje papier zodat ik straks mijn telling kan doorsturen naar Natuurpunt. Ze hadden dat gevraagd. Vraag me niet waarom.

2 zwarte Kauwen, want ze hebben een dikkere kop en zijn grijzer van kleur dan Kraaien of Raven, krijsen luid. Ka-ka roepen ze tegen elkaar. Ook al zien ze er net eender uit, lijken ze elkaar hun kleur wel te verwijten. Zwart en lawaaierig dat zijn ze alle twee. “De pot verwijt de ketel”: lach ik in gedachten. Ik denk dat het mannetjeskauwen moeten zijn want hun wijfjes zullen wel andere zaken aan hun kop en cloaca hebben, zo een paar weken voor het broedseizoen.

Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Ook al vind ik dat ka-ka-roepen niet veel uitstaan heeft met lied of vogelzang. Toch maakt hun scheer-je-weg-gejoel maar weinig indruk op de andere vogels. De Spreeuwen en de kussende Pimpelmezen gaan gewoon verder waarmee ze bezig waren. De ijverige merel trappelt zenuwachtig een pier uit het zompige gazon. Zijn morgen kon slechter beginnen want op deze tijd van het jaar zitten doorgaans niet veel pieren in het gazon. Die vind je eerder op een warme mesthoop. Vreemd dat die Merel dat niet weet.

Deze week weerde ik bewust alle mediaberichten uit mijn dagelijks dieet. Geen nieuws, goed nieuws! Mijn humeur werd de afgelopen 7 dagen niet bezoedeld door droevige of ergerlijke berichtgeving. Of door haantjesgedrag van menselijke zwarte vogels.

Wat een onbeschrijfelijke luxe, wat een rust! Ik werd er niet door geïndoctrineerd of beïnvloed. Ook niet door de mediamannen of madammen die met hun versie van de feiten hun gelijk wilden halen van diegenen waarvoor ze het opschrijven of uitroepen. Ze hadden geen vat op mij. Ik heb ze niet gehoord want ik heb niet geluisterd. Ik hoef dus geen partij te kiezen want ik heb geen benul over welke onderwerpen de meningen uit elkaar getrokken werden.

Ik kijk verder naar mijn tuin. Naar het gevrij van de Mezen en naar het getrappel in het gazon.

Er vliegt een grote zwerm zwarte vogels over. Spreeuwen denk ik.  Ze zijn terug van Spanje of van Catalonië.  Dat kan ook. Ze komen in elk geval uit het zuiden. Sommigen vliegen links anderen rechts. Een aantal kiest gewoon voor rechtdoor. Een paar 100 meter verder komen ze mooi in harmonie terug bij elkaar en vliegen verder. In één grote zwerm.

De mannelijke zwarte vogels geven luid commentaar met hun enerverende ka ka kreten. Om aandacht te trekken, om af te schrikken of om indruk te maken.

Verder gebeurt er niet veel. Behalve dan dat de andere vogels geen aandacht geven aan het gekrijs. Ze doen gewoon verder. Met hun pier of met hun paringszang. Zo eisen ze ook beetje tuin-ether op.

Elk vogeltje zingt zoals hij gebekt is.

Het gaat nog goed komen.

 

Mijn eerste keer.

Waren we hier al wel aan toe?
Waren we echt al zo ver en ging het allemaal niet wat te snel?

Ik kan het me nog precies voor de geest halen.  Alsof het gisteren was. Buiten was het ijskoud. Het vroor dat het kraakte en we waren ingeduffeld als ijsberen.
De eerste keer is voor iedereen een bijzonder moment. Spannend ook wel want je kunt net voor dat ultieme moment niet juist voorspellen wat te verwachten. We hadden er al een tijdje naar uitgekeken maar de omstandigheden hadden tot dan toe nog nooit meegezeten.

Tot op dat moment. Voor de eerste keer leek het er op dat het er die dag eindelijk ging van komen. Het ging gebeuren. We hadden het er al een paar keer klungelig over gehad en waren allebei opgehitst. Hoewel we alle voorzieningen hadden getroffen en we er op dat moment allebei dachten echt klaar voor leken te zijn, stak twijfel toch de kop op. Zou het wel lukken van de eerste keer? Of eerder met vallen en opstaan zoals dat steeds het geval is bij mij?
Mijn twijfels waren heviger dan die van haar. Jonge mannen zijn daar anders in denk ik. Altijd met een grote mond maar als het er op aan komt?

We waren nog groen achter de oren en alles was nog pril. Dan ben je nooit klaar voor een grote stap. Glad ijs!

Laagje je per laagje ontdekten we hoe we er voor stonden. Spannend was het zeker. Opwindend ook. Dat konden we niet langer wegsteken.

Stuntelig en onhandig snel deden we onze schoenen uit want zo hoort het. Anders zou het nooit lukken.
Is het niet te snel? Zijn de omstandigheden echt wel de juiste?
Is het dik genoeg? Niet te nat of te glibberig glad?

De eerste keer. Ik zal het nooit vergeten.
Onzeker, niet goed wetend hoe of wat namen we een volgende stap en gingen iets verder. Houterig en onbehouwen gingen we op verkenning tot hoe ver moeder natuur ons zou brengen.

Langs de zijkanten was het nog nat en vettig maar in het midden was het glad en klaar om bereden te worden.

De eerste keer schaatsen op natuurijs. Onze pa had ons goed gewaarschuwd. Niet onder de bomen want daar zijn wakken. Daar zak je door.

Krekels

Ik staarde de hele morgen al naar de schermbeveiliging van mijn computer. De kleurschakeringen ervan waren me nog nooit opgevallen. Als ik er lang naar staar krijg ik hoofdpijn. Het kleurrijke bureaublad is handig ingedeeld. Bovenaan links verzamel ik de nuttige snelkoppelingen.  Ze brengen me met één of met hoogstens 2 klikken bij de gewenste informatie. “Sites voor professionele doeleinden.” Ze bleven al een tijdje onaangeroerd. Ook wel omdat het wat langer verlof geweest is.

Van alle MS office snelkoppelingen die links onderaan bij elkaar gepakt staan word enkel MS Word gebruikt. De rekenbladen, de relationele database-applicaties en de overige MS Office toepassingen staan er gewoon de hoop te vergroten. Misschien zijn ze daar gewoon maar zichtbaar uitgestald om indruk te maken op mezelf? Of op anderen. Wanneer die heel af en toe eens iets mee lezen en ik op die manier naar zelfbevestiging zoek, voor iets wat ik geschreven heb.

De sociale media apps prijken rechts bovenaan. Handig in het zicht. Wellicht is dat geen toeval. Waarschijnlijk staan ze daar bij elkaar omdat ik een beschik over een dominantere rechter hersenhelft. Met deze handicap behoor ik tot een select clubje van beelddenkers. Niet dat ik daar verder groot nadeel van ondervind of dat ik er mijn scherm zo voor ingedeeld heb. Neen, ik ben namelijk niet zo bezig met hersenhelften. Niet met de linkse en ook niet met de rechtse. Ook niet met indelen van computerschermen, trouwens.

Ik klik op het facebooklogo. Dat staat tussen twitter en whats app en onder het instagramlogo. De sociale media checken is een bezigheid die ik wel meer dan eens per dag uitvoer. Meestal uit verveling, vaak uit nieuwsgierigheid. Een icoon in het midden van de navigatiebalk valt me onmiddellijk op. Het icoontje dat zich rood kleurt wanneer een nieuw vriendschapsverzoek zich heeft aankondigt. Hoe mooi is dat toch geformuleerd. Er is zeker strategisch denkwerk aan vooraf gegaan. Vriendschapsverzoek. Ik lees het woord luid op en ik moet lachen. Want het brengt me helemaal terug naar vroeger. Naar de tijd toen ik met opgetrokken kousen in mijn sandalen op de speelplaats van mijn nieuwe school vroeg: “Wil jij mijn vriendje zijn?” In de choreografie van mijn denken haalt de rechter hersenhelft even voorsprong op de linkse helft maar ik duw het beeld weg naar mijn mentale prullenmand.

Een vriendschapsverzoek. Wie kan deze smeekbede zomaar negeren zonder er zich nadien slecht bij te voelen? Dus ik accepteer het net zoals ik vroeger ook gemakkelijk aanvaard werd. Gaan we knikkeren of spelen we verstoppertje? Die rechter helft toch.

De artikels op facebook worden fel becommentarieerd. Iedereen heeft zijn zeg. Van op veilige afstand wordt duchtig gal gespuwd. Op alles en iedereen.  Meningen ongezouten. Ik lees de scherpe kritiek die met dezelfde zuurtegraad opgemaakt werd als waarmee Andras Pandy zijn nabestaanden heeft opgelost. Ik word er niet vrolijker van.

Gelukkig zijn mensen in het echt leven iets vreedzamer en bedachtzamer op hoe ze het zeggen. Althans daar roddelen mensen eerder zoals krekels dat doen. Ze maken nog wel irritant lawaai maar vallen geruisloos stil als je dichterbij komt. Misschien moet ik daarom nu naar buiten om de krekels te bedaren of om een echt vriendschapsverzoek te krijgen aan een toog.

Zullen we nog een koffie drinken of had je liever iets sterker en heb je dat artikel al gelezen op facebook?

50

Het jaar is nog maar 14 dagen oud en gemeende nieuwjaarswensen worden al ingewisseld voor onheilsberichten. Rampspoed voorspellingen over niet te vermijden gebeurtenissen die dit jaar zeker zullen plaats vinden.

“Je wordt 50 he dit jaar? ” Ik denk niet dat de vraagstellers op deze retorische vraag een antwoord verwachten. Maar ze zullen het wel zo bedoeld hebben dat ik me erdoor aangesproken voel. Dus knik ik bevestigend zonder deze waarheid verder uitgebreid te bevestigen of te ontkennen. Mijn paspoort liegt er namelijk niet over. Mijn grijze haren evenmin.

Met welk doel wordt ze dan wel gesteld? Om me met de neus mee op de feiten te drukken dat mijn toekomst korter is geworden dan mijn verleden? Want dat is door de gemiddelde levensverwachting toch een statistische zekerheid. Misschien doen ze het om er hun eigen ogenschijnlijk eeuwige jeugdigheid mee in de verf te zetten? Ik weet het niet.

Het feit dat ik aanstoot neem aan deze materie laat wellicht een ontluikende midlife crisis vermoeden. Dat moet het wel zijn anders zou ik me er niet zo aan storen. 50, het cijfer galmt nog na onder mijn hersenpan. Het weerklinkt in de open ruimte die vrijgekomen is door de grijze massa die er door de tand des tijds in verschrompeld werd.

Een midlife crisis is alles behalve een amusante gebeurtenis. Ik weet er geen weg mee. Voor het eerst verdenk ik mijn lichaam van hoogverraad en meineed omdat het probeert feiten te ontkennen die voor toeschouwers en getuigen niet te verdoezelen blijken. Hoewel een strakker onderlijfje de bewijslast tijdelijk kan ontkrachten, klinkt na het pleidooi het vonnis toch onverbiddelijk. 50

Opeens word ik geconfronteerd dat ik misschien sterfelijk ben en dat er niet zo veel tijd meer overschiet om oud te worden omdat alle andere mensen opeens allemaal jonger lijken te worden. Op 49 begin ik me er al zelfs op te betrappen liever een dutje te doen dan naar buiten te gaan om er iets leukers te doen. Ik maak me zorgen over wat er nog gaat komen.

Het valt me ook op dat het andere geslacht lang niet meer zo sexy is als vroeger. Toen hun aantrekkelijke lijven nog strak en niet uit proportie oogden. Het rolletje bil valt me opeens op in dezelfde slip die het tot voor kort verborgen hield. Ligt het aan mij of is het mijn persoonlijk cijfer dat mijn zintuigen op een nieuwe manier doet waarnemen? Op een helder moment herinner ik me nog precies wat seks was al ben ik niet meer zeker hoe er met een kans op succes aan te beginnen. Al wil ik dan nog wel een spannende affaire, ik ben niet zeker of ik er de tijd en de energie nog wel voor heb.

De kleine lettertjes maken me argwanend alsof er achter elke boodschap onheil verborgen zit. Al zou het ook gewoon maar kunnen dat door een leesbril de tekst minder noodlottig wordt. Opeens lijkt het alsof ik alles al gedaan heb maar ik me niet meer kan herinneren of ik het leuk vond of niet. Ik moet me gewoonweg ook meer herinneren dan dat ik het gewoon ben. Soms denk ik zelfs dat mijn kinderen al vergeten zijn hoe ik echt ben. Dat er nog wel een kind schuilt in dat omhulsel dat ouder wordt en minder aantrekkelijk oogt. Met een rimpel meer.

Toch ben ik er van overtuigd dat mijn badkamerspiegel niet altijd de waarheid spreekt en dat hij binnenkort zal ontmaskerd worden. Net zoals jullie. En dan hoop ik maar dat jullie jullie verdiende straf niet zullen ontlopen. Dat jullie zich ook in een strakker onderlijfje zullen moeten wringen. Of in een korset met walvisbaleinen. In een vruchteloze opging om er dan net zo sexy te blijven uitzien dan ik.