Categorie: Lachen

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

De tetten van de premier.

Persoonlijk denk ik dat ik hoogst geschikt ben om geld uit te geven dat ik niet heb. Mijn vrouw weet dat ook maar zegt het anders, die zegt,  ‘Soms denk ik dat gij een gat in uw hand hebt, somtijds doet ge maar op alsof dat ge peinst dat ge Rockefeller zijt.’

Rond de pot draaien kan ik ook gelijk de besten. Dat kan ze ook getuigen. Ik kan namelijk zo hard uit mijn nek leuteren om de essentie van een probleem te mijden dat ik mij haast uit elke benarde situatie kan bevrijden, Houdini is er niks tegen.

Waar ik ook meester in ben is in beloftes doen zonder dat het resultaat moet afgedekt worden. Dat kan ik misschien nog het beste.  

Ok, ik heb geen 8 miljard schuld en ik word niet elke dag opgezadeld met tienduizend nieuwe gepensioneerden. Daar heb ik ook niet echt een oplossing voor, net zoals ik voor het opwarmende klimaat, de migratiegolf, de economische situatie, het drama in justitie, de pensioenen en de achteruitgang van het onderwijs me geen enkel zinvol gedacht kan vormen wat ik er mee zou aanvangen…

Ik zou precies wel een goede politicus kunnen zijn, al moet ik misschien nog beter worden in ruzie maken, in mijn gezin in tweeën splitsen en in anderen de schuld te geven van dingen waar ik zelf oorzaak aan heb maar eens ik dat helemaal onder de knie krijg dan word ik het misschien. Op een schone dag als de zomer en het mooi weer samenvalt, zodat ik eindelijk op mezelf kan stemmen en het niet meer zal moeten stellen met het Vlaemsch Belang of met de marxisten van de PVDA en al de rotzooi dat tussen deze twee uitersten een positie tracht te bemachtigen zodat ze nog even mee aan de pot kunnen likken.

Een ding is zeker, zondag stem ik voor een vrouw met de dikste tetten en ik wens haar het premierschap toe zodat de al aandacht van de heren van de macht tijdens de parlementaire zittingen zo is afgeleid dat ze alleen maar bezig zijn met de boezem van de premier zodat ze geen ander, groter onheil kunnen aanrichten.

Jan de oerman.

Er was geen bezit, geen onderlinge competitie en geen sociale ongelijkheid zodat eenzaamheid, depressie en burn-out niet of nauwelijks bestonden. In die tijd liep er wel wat minder volk rond zodat iedereen in het nu leefde en er geen aandacht besteed werd aan overbodige zaken. De belangrijkste levensvragen in die tijd waren, ‘Waar ga ik slapen? Wat ga ik eten? Weegt mijn knots wel zwaar genoeg om er die sabeltandtijger de hersens mee in te slaan en met wie ga ik praten’, en zelfs dat hoefde niet zo nodig want met dierlijk gegrom raakte je toen al een heel eind op weg? Met die zaken vulde Jan de oermens het grootste gedeelte van zijn dag. Het resterende gedeelte ervan lag hij op de rug in zijn grot of zat hij aan een vuurtje, aan een bot van een sabeltandtijger te peuzelen. Als de dag tegenzat en wanneer een regenbui zijn vuur had gedoofd, mocht hij dagenlang aan stokjes draaien om er opnieuw vlam in te krijgen, en zelfs daar maakte Oerjan niet al te veel spel van. Met overschot van de tijd bedacht hij slinkse plannen om madam de oermens uit haar tijgervel te krijgen of schilderde hij muren vol met heroïsche jachttaferelen.

In een poging om de gelukzaligheid en de onbezonnenheid van dat vervlogen leven te benaderen trekt de hedendaagse homo erectus er twee weken van het jaar in de zomer op uit. Het liefst van al verkast hij dan gans zijn hebben en houwen naar het zuiden om daar, op een overvolle camping, wat te lanterfanten of om op een kunstmatig vuurtje voorverpakte spareribs te roosteren, of slooft hij zich veel te hard uit om zijn verslonsde vrouw nog eens in en uit dat tijgervelletje te krijgen. Het mannelijk oerinstinct om die activiteit op te leuken is hij helemaal vergeten zodat de vrouwelijke homo erectus haar oerman met wat dierlijk gegrom indruk zal geven een goede beurt gemaakt te hebben.

Antropologen en andere mensenkenners die erover gestudeerd hebben, maken er onderling geen ruzie over want ze zijn het er meestal roerend met elkaar over eens dat het met deze kluit dramatisch achteruit is gegaan vanaf het ogenblik dat de mensheid is beginnen te werken en wanneer de inhoud van de portefeuille de wereld is beginnen regeren. De club werd daardoor opgedeeld in twee soorten, een minderheid die het goed heeft en een meerderheid die het met wat minder moet doen. Vandaag draait het boeltje helemaal in de soep omdat die minderheid beslist voor de meerderheid en de meerderheid zich druk maakt over die minderheid. Veel goeds kan daar niet van terecht komen, mijn gedacht.

Die oermensen waren zo lomp nog niet want je moest slim zijn om lui te kunnen zijn. Als de zon wat meewil en als mijn vuurtje niet uitgeregend wordt ga ik ook nog eens op mijn rug liggen, om aan een bot te knagen. Misschien bedenk ik wel een plan om haar nog eens in dat tijgervelletje te krijgen. Hopelijk kan ik dan nog rekenen op mijn oerinstincten zodat ik me niet tevreden moet stellen met wat dierlijk gegrom. Ik had een prima oermens geweest.

Fel licht dooft ook.

Tot het mannelijk geslacht behoren is een toevallig levenslot waar ik niet zelf voor gekozen heb en dingen waar ik geen persoonlijk aandeel in heb, kan ik moeilijk als verdienste beschouwen of met een schaduwkant aanzien. Persoonlijk zie ik het als vanzelfsprekend om te proberen een voorbeeldige relatie uit te bouwen met het lot en het geslacht dat me door de natuur werd toebedeeld. Mij daartegen verzetten zou net zo onnozel zijn als ermee te stoefen, hoewel sommige kenmerken die mannen van vrouwen onderscheiden net iets prominenter aanwezig hadden mogen zijn. Het is niet anders en ik ga er geen slaap meer voor laten. Nochtans zeggen leden van de andere sekse soms wel eens, ‘Ja, maar jij bent een man.’ En man, wordt dan met zo een verhevenheid benadrukt al ware ik Thomas Edison die net de gloeilamp heeft uitgevonden, terwijl hij daar net zoveel verdienste aan gehad heeft als pak weg jij of ik. De man in kwestie hamsterde gewoon honderden octrooien en patenten met uitvindingen die aan andermans brein of creativiteit ontsproten waren, zo ook de gloeilamp. Met die ten onrechte verworven exploitatierechten kon hij de echte uitvinders de loef afsteken die dat aanzien veel meer verdienden dan hijzelf.

Macht erotiseert en die wetenschap gaat wellicht ook al langer mee dan de gloeilamp, de stoommachine of de wetenschap zelf. Machtige mannen met geld en aanzien worden maatschappelijk gezien nu eenmaal hoger aangeschreven en staan langer in de spotlights dan hun anonieme mannelijke lotgenoten. Door hun status liggen ze beter in de markt en rijden ze vaker en langer een bochtiger erotisch parcours dan rustigere types. Wil een vent zich met de toebedeelde culturele genderidentiteit staande houden, verwacht de tegenpartij van het levensspel dat hij zich onbevreesd een weg door het leven baant en dat hij zelfstandig, assertief-agressief of belust op macht en aanzien het lot naar zijn mannelijke hand probeert te zetten. In ruil daarvoor mag hij dan aanspraak maken op wat aandacht en aanzien van hoenders die met hun witte pluimen paraderen tussen andere agressieve hanen in het overvolle kippenhok.

Edison zal daar geen uitzondering op geweest zijn. Jammer dat ik hem dat niet meer kan vragen, dat ik hem niet kan interpelleren of hij van al zijn macho capriolen nu beter geworden is omdat zijn peertje natuurlijk ook al een tijdje is uitgedoofd.

Want zelfs een groot licht gaat uit!

Kitscherige jarretels.

Sommige mensen zoeken hun heil in allerhande soorten vrijetijdsbestedingen zoals, computers, muziek of sport. Ik ben bang dat ik gezegend of vervloekt ben met het opslaan van allerhande onbenullige gedachten of indrukken. Mijn geheugenzolder raakt op die manier vol gepropt met souvenirs uit het verleden, met toekomstige scenario’s die zich nog moeten voltrekken of met absurde invallen of gedachten die eigenlijk te gek zijn om er woorden aan te verspillen. Elk onopgelost probleem, elke romantische herinnering of elke hilarisch idee vindt daar dan wel een tijdelijk onderkomen om, wanneer de tijd rijp is, in woorden en in excentrieke beelden te veranderen alvorens uit mijn pen te vloeien. Vandaag echter zou ik willen dat dit krankzinnige verhaal uit zichzelf kon spreken zodat ik eindelijk een beetje zou kunnen zwijgen want ik bedenk me net dat er geen betere manier bestaat om me helemaal weg te stoppen dan veel over mezelf te schrijven. Zo kan ik eenvoudige dingen er gecompliceerd doen uitzien of ze interessanter laten lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Op die manier laat schrijven me toe om enkel die dingen prijs te geven die interessant zijn en die er toe doen maar die zaken verborgen te houden die essentieel zijn, een beetje zoals pikante vrouwenlingerie maar dan met kitscherige jarretels want die hebben ook geen enkele toegevoegde waarde wanneer het er op aan komt.

Mening.

Denk ik te benepen als ik zeg datik wellicht meer behoefte heb aan tijd en aan nuance om uit te zoeken of ik ergens al dan niet een mening over wil hebben, en houd ik die dan soms niet betervoor mezelf?

Overal waar ik ronddwaal of waar ik mijn neus tegen het venster houd, word ik binnengetrokken en wordt van mij verwacht dat ik me uitspreek over het ene of het ander maatschappelijk fenomeen of over een groot of klein wereldprobleem. Is het niet over de klimaatproblematiek dan is het wel over onderwijs of over migratie of over de digitalisering waar ik expert van tien minuten over moet zijn. Ik word dan geacht om snel een gefundeerd standpunt te hebben en om me straf uit te spreken zodat ik me kan aansluiten bij de voor- of de tegenstanders.

Op zulke momenten betrap ik me er opdat ik ook wel eens verleid word tot uitspraken over dingen waar ik niets of maar weinig van af weet. Laatst ging een gesprek in onze wekelijkse mannenvergadering over Netflix en de niet te missen series die daar ‘gebingewatched’ kunnen worden. Opeens zat ik gewrongen tussen iets wat lijkt op verlegenheid en wat weg heeft van schuldgevoel omdat ik moest opbiechten dat ik geen Netflix bezat en daar niets vanaf wist. Ik mompelde dan maar dat die rommel bij mij niet binnenkomt omdat ik vind dat teveel schermen de huisvrede zullen bedreigen. Ik stuitte op niet gespeelde weerstand, want het gros van mijn vrienden, ‘bingewatched’ wel, sommigen zelfs dagelijks. Ze doen maar, mij kunnen ze onmogelijk overtuigen.  De volgende tien minuten gingen aan mij voorbij want er werd honderduit gepraat over allerlei Amerikaanse series waarvan ik zelfs het bestaan niet eens kende. Toen echter bleek dat ik niet de enige was in het gezelschap die geen Netflix had, voelde ik me een beetje opgelucht. Opeens had ik een partner in crime die zich door zijn bekentenis eveneens medeplichtig maakte aan dezelfde maatschappelijke onbeholpenheid die ik gewaarwerd. Mogelijks voelde mijn gedurfde outing ongemakkelijk aan omdat ik de laatste tijd precies wel vaker moest uitleggen waarom ik iets niet doe, of iets niet bezit. Of misschien was het gewoon omdat ik niet aan mezelf wilde toegeven dat ik van nature een beetje trager ben dan anderen. Het leek haast dat ik me zelfs in die vertrouwde omgeving moest verantwoorden voor wie ik was of voor wat ik dreigde te worden, namelijk Netflixloos.

Maar goed, terwijl ik daar aan mijn koffie zat te nippen, bedacht ik: ‘zou het niet beter zijn, mochten we met zijn allen eens een keer geen mening hebben?’ Niet uit gemakzucht of uit onverschilligheid, ofzo maar gewoon om wat afstand te laten tussen uiteenlopende visies. Om ze daar in stilte te laten rijpen zodat het grotere perspectief gevonden wordt en zo kan uitgevist worden welke het juiste is, met aandacht voor gevoeligheden en andere zienswijzen. Om het daar dan, in alle rust en kalmte eens te worden dat we het even niet te weten of dat we het gewoonweg oneens zijn.

De manier hoe mensen soms fel reageren op ogenschijnlijk ongevaarlijke meningen stoort me, erger nog, het choqueert me. In zulke situaties denk ik dikwijls, ‘houd nu eens vijf minuten je wafel en laat eens wat ruimte voor een andere mening. Toon misschien eens wat respect of nederigheid of denk je nu echt dat je het allemaal beter weet?’

Is het de leeftijd, of is het iets anders maar minder en minder heb ik behoefte aan meningen, zeker als ze niet of slecht geargumenteerd zijn of wanneer ze niet in mijn grotere kraam te paskomen. Meer en meer heb ik nood aan verfijnde en gefundeerde argumenten of aan vadsige sloomheid. Je mag dat nuance noemen of een soort van traag denken, dat stoort me niet. Soms wil ik het zelfs gewoonweg kunnen zeggen, ‘ik weet het nog niet en misschien wil ik het zelfs niet weten, voor mijn gemoedsrust en mijn zielenrust want, eerlijk, hoe jij naar de zaak kijkt, laat me Siberisch koud,en is dat dan ook geen mening?

Een mol.

Niet dat ik zo moe ben hoor, neen. Ik heb vandaag al een uur gezeten en twee kwartier gehangen. Verder heb ik één oude schoen gepoetst. Ik heb geen haast en ik moet nergens naar toe. Als ik het goed begrijp en de situatie juist overzie, wordt er vandaag niets van mij verwacht. Een stemming die grenst aan geluk beklijft me. Het is zondagmorgen. Als ik naar buiten tuur, valt me op dat een mol noest te keer is gegaan in mijn grasperk. Dertien tel ik er. Molshopen. Mijn vrouw zal er spel van maken. Ze zal mij schuld geven. Het gebeurt niet zo dikwijls maar als een mol zich in mijn gazon waagt, denk ik dat mijn vrouw vermoed dat ik Mols praat en met hem samenzweer. Dat ik hen uitnodig in dat grasperkje, om daar voor ophef te zorgen.  Straks ga ik een poging doen. Ik zal hem vriendelijk vragen of hij niet honderd meter verderop wil gaan graven. Ik zal hem zeggen, ‘beste mol ik weet dat je blind bent maar vooralsnog heb ik geen weet van doofheid, dus als je leven je lief is, hoepel dan maar op.’ ‘Nestel je daar maar in het bos. Daar kan je naar hartenlust graven maar hier is je leven in gevaar. ‘Zeker als het van mijn vrouw afhangt’, zal ik daar nog aan toevoegen om mijn woorden en haar voorspelbare intenties kracht bij te zetten.

Ik broddel verder aan een veter waarvan het uiteinde is uitgerafeld. Na minstens twintig pogingen en evenveel mislukkingen slaag ik er uiteindelijk in om de te dikke nestel in het laatste te kleine gaatje van mijn schoen te friemelen. Dit niet meer te verwachten succes tovert een glimlacht op mijn snuit.

Mijn oog valt op een stuk krant dat rondslingert. Ik lees hardop wat er staat. ‘Tevreden noemt men hem, wiens gemoedsrust door geen onbevredigde wens gestoord wordt. Voldaan is diegene die zijn tevredenheid door een opgeruimde stemming kenbaar maakt. Gelukkig hem die wat hem zo volkomen bevredigt, dat er als het ware niets te wensen overblijft en hij zo onder de indruk verkeert van zijn eigen gunstige lot.’ Even nog geniet ik van de stilte, de rust en het niets en stel al het andere zo lang mogelijk uit.

Ze is net wakker geworden. De slaap heeft haar kennelijk goedgedaan want haar ogen lijken onbedorven en schijnen lichtblauw. Zoals de lucht aan de horizon, waar het gekarteld landschap overgaat in ogenschijnlijk onbedorven zwerk.

Mannen zijn kampioen om situaties verkeerd in te schatten. Vrouwen dan weer, kunnen minstens drie dingen maken uit niets. Rommel, stoofpotjes van kip en ruzie. Het vierde is ongetwijfeld stomende seks om de vorige drie mislukkingen mee goed te maken. Maar dat valt me steeds minder op omdat we te veel woorden hebben en ik meestal zelf achter de kookpotten sta.

Gisterenavond aten we kip. Haar kip. Het vrije uitloop kieken dat op mijn bord verscheen had veel te lang rond gekakeld en veel te hard van haar kippenleven genoten dat er voor mij niets overbleef om van te genieten. De obligate glutenvrije korrels die erbij waren geserveerd waren even hard en smakeloos als de overjaarse haan zelf. Ze waren destijds ook beter aan die kip gevoederd. Maar dat had ik zo niet mogen zeggen. Ik had de situatie beter moeten doorzien en ik had de hormonen er niet mogen bij betrekken.

In de lichtblauwe ogen verschenen winter donderwolken die blikken doen verstarren en woestijnen bevriezen, en dan had ze die molshopen in de hof nog niet eens gezien.

Liefdesbrief

Liefste vrouw,

Het zou gemakkelijk moeten zijn om het over jou te hebben. Om in een paar zinnen lof te betuigen en jouw persoonlijke jaarwissel te bejubelen. Maar dat is het niet. Jij spreekt niet dikwijls over mij en als je het dan al eens doet, lijkt het alsof je het over een oude hond hebt. Als over een oude blaffer die meurt wanneer hijnat is en kwijlt wanneer hij zijn been ziet. En dan lach je wat raar als ik na een te vermoeiende wandeling door mijnpoten zak.

Vandaag mag ik niet in die valkuil trappen. Ik mag jouw kleine dingetjes niet uitvergroten en je grote minimaliseren. Dat zou te gemakkelijk zijn want dan moest ik het alleen maar over je decolleté en je kont hebben. Vandaag mag dat niet. Nu zal ik je maar best beschrijven met de grandeur die je toekomt. En niet alleen omdat je jarig bent.Maar vooral omdat je ook eens in de spotlights mag. Op een pied de stal. Ik doe dat te weinig en er is niemand ter wereld die het meer verdient dan jij.

Dus, en voor de goede orde. Je maakt het me wel niet zo gemakkelijk want je leeftijd mag ik al niet onthullen. ‘Een kroon ontbloot je niet’, zeg je. ‘Dat is tegen de etiquette van de juiste wensen’. Dus zal ik het niet hebben over het feit dat je leeftijd afgerond naar beneden veertig is en afgerond naar boven vijfenveertig. Ondertussen ben je wel al zo ontgroend dat je je identiteitskaart niet meer moet tonen bij zestien plus activiteiten. Mogelijks heeft het feit dat je doorgaans van Noor vergezeld bent daar mee te maken. Zij ziet er namelijk wel al bijna zestien uit. Althans, zij gedraagt er zich toch al naar.

Over je werklust en je aanstekelijk irritant doorzettingsvermogen ga ik niet uitweiden. Ik zal ook niet verklappen dat je een controlefreak bent en dat je geen zittend gat hebt. Dat bewijs je elke dag wel aan iedereen die in min of meerdere mate met jou te maken heeft, althans als je ze met je aanstekelijke zenuwachtigheid nog niet in de gordijnen hebt gejaagd. Slachtoffers die er het ergste aan toe zijn hebben zich in een zelfhulpgroep gegroepeerd en komen wekelijks samen om hun vooruitgang te bespreken. Hun herstelprogramma verloopt moeizaam.

Je kledingkeuze en smaak voor couture zijn dan wel weergaloos en ongezien. De manier hoe jij trends zet met rode tijger pofbroeken en netkousen met gatenzijn hun tijd ver vooruit. Je combineert lang met kort en rood met groen.  Met dat gedurfd kleurenpalet zie je er dansoms uit als een dessertbord uit het Hof van Cleve. Helemaal klaar om opgelepeld te worden. Ik denk trouwens dat je dat zelf al gedaan hebt en het erom doet zodat die pofbroek straks helemaal gevuld raakt. Ik begrijp dat ik deze onthullingen niet publiek kan maken omdat dit het imago waar je veel tijd in steekt mogelijks zou kunnen aantasten.

Je slaapritueel is ook al niet onbesproken. Je draait en keert net zo lang tot alde lucht die tot voor kort verspreid was over gans je lichaam bij een gespaard zit voor de uitgang. De nieuwe stijgingswind die daar ontstaat, heeft weg vande Mistral maar heeft ook wel iets van de warme Vento die in de zomer verantwoordelijk is voor de bosbranden op het Iberische schiereiland.

Maar al de ongemakken en onhebbelijkheden. Ik neem ze er graag bij omdat ze in het niets vergaan wanneer ik op een verloren, zwoele zomeravond nog eens in je ogen mag verdrinken om daar opnieuw te ontdekken dat ik beste vrouw van de wereld aan de haak geslagen heb.

Nu alleen die rode pofbroek nog uit je hoofd praten voor dat feestje van morgen.

Topjaar

Het is 29 december 2018. Op de analoge wereldklok van mijn gsm verspringt de secondewijzer precies om 6 uur 19, van 23 naar 24. Hoewel ik me volgens de gps coördinaten van mij Smart Phone, in de grootheide 28 te Bornem bevind, verklapt datzelfde toestel me ongevraagd dat het in Temse (dat 5km verwijderd is van de plaats waar ik me bevind) plus vier graden is. Dat de luchtvochtigheid er 95% is, dat wind er aan 19 km per uur blaast en dat de atmosferische luchtdruk er 1034,2 hectopascal bedraagt. Dit is 49.6 punten lager dan in Bornem waar de luchtdruk 984, 6 hectopascal is. Ik wijt dat verschil aan het Scheldewater dat tussen de twee meetpunten stroomt.  

Op dat zelfde moment zit een zeldzame mug, die de eerste vrieskou overleefde, op de wreef van de voet van mijn dochter. Ze prikt haar puntige snuit in het jonge vel en zuigt zich helemaal vol bloed tot ze voldaan is. De mug zuigt zo gulzig dat het lichaamsgewicht van het insect met 80% is toegenomen en de vluchtsnelheid met 50% is afgenomen. Onder andere daardoor zal straks van die muskiet niets meer overblijven dan een rode vlek. Wanneer mijn dochter haar met de handpalm genadeloos plat zal slaan tegen de wit gelakte kleerkast. Uit wraak voor die irritant jeukende bobbel op haar voet. Vermijden dat de mug steekt, gaat niet omdat mijn dochter op het steekmoment nog slaapt en een nachtmerrie heeft over haar eerste veranderingen die eveneens een rood vlekje zullen achter laten in haar nieuwe slaapshortje. Het ene bloedbad is het andere niet.

Tegelijkertijd is mijn vrouw, die zich snurkend twee verdiepingen hoger bevindt, bomen aan het omzagen. Over exact 40 minuten en 36 seconden zal ze daar abrupt mee stoppen en zal ze het dekbed over haar hoofd trekken. Niet om zich af te weren voor die zoemende mug want die zal op dat moment, door het bloed van mijn dochter, te veel wegen om de afstand tussen de twee verdiepingen te kunnen overbruggen. Maar wel voor de wekker die nog op alarmstand staat en hels lawaai zal maken. Ze zal te slaapdronken zijn om de off-knop te vinden en zal daarom de wekker op de vloer gooien. Hierdoor zullen de batterijen uit de wekker floepen en zal het irritant gejengel even abrupt ophouden als dat het begonnen is. Het slechte humeur zal zich de hele dag laten voelen en zal dompers zetten op normale vreugde. Maar eerst zal ze me geïrriteerd vragen waarom ik in hemelsnaam een alarm gezet heb op een zaterdagmorgen.

Al deze taferelen en de gevolgen ervan zullen plaats hebben over precies 8 minuten en 32 seconden.

Ik lig op de sofa en van achter mijn laptop kijk naar de mistige vochtigheid buiten. Het is al een hele poos geleden dat ik nog zo lang naar een wit blad gestaard heb. Ik maak koffie en scheur het derde laatste blaadje van de kalender.

‘Draait de kat haar rug naar het vuur, komt daar sneeuw van op den duur.’ Ik lees de achterkant van negenentwintig december en bedenk: ‘Wat moet ik daar nu mee? Ik heb geen vuur en geen kat.’  Daarom ga ik naar beneden. Naar de kamer van mijn dochter, om de mug die nog niet gestoken heeft, plat te meppen.  Aangezien al het bloed nog in de aders van mijn dochter zit, laat dit geweld geen bloedsporen achter op de wit gelakte kast.

Een aantal ogenblikken later en nadat ik het alarm van de wekker heb afgezet begin ik de voordelen te zien om door het leven te gaan als superman. Ik heb er vandaag al zeker één en mogelijks meer bloedbaden mee kunnen voorkomen maar al zeker heel wat andere persoonlijke ellende.

2018 wordt toch nog een topjaar!

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak.

Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen.

Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde.

Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde.

Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel.

‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was.

Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden.

Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben.

Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.


Bootcamp

Sinds mijn vrouw er voor koos om sportiever door het leven te gaan, is mijn leven ingrijpend veranderd met als gevolg dat mijn persoonlijke levenskwaliteit er drastisch is op achteruit gegaan. Af en toe trekt ze loopschoenen aan, gaat ze spinnen of zit ze aan gewichtjes te trekken in een hippe fitnessclub maar helemaal wild wordt ze van bootcamp op zondagmorgen. Daar kan ze zo overenthousiast over doen dat het me af en toe een beetje op de zenuwen werkt. Of ze dan eerder kwijlt op de rek -en strekoefeningen zelf, dan wel op die bruin aangebrande fitness macho die in te klein onderlijfje eerst alle oefeningen voordoet, doet niets ter zake.

Feit is wel dat ze zichzelf elke zondag, rond de klok van tien, plichtbewust in een iets te strak sportpakje wurmt. In een soort van fluo duikpak dat  zo aanspannend is dat het geen enkele ronding onbesproken laat. Aangestoten als modellen, trekken ze even later de vrije natuur in om er samen met nog andere lotgenoten stramme gewrichten los te gooien of dat overtollig rolletje weg te sporten.

Doet ze het om er die wat overdadige levensstijl mee te compenseren en om van dat extra kilootje af te raken? Voelt ze zich verplicht omdat iedereen van haar generatie het doet? Of zoekt ze eerder naar de bevestiging dat haar lijf, met de kilometers op de teller, er nog niet zo slecht aan toe is? Zeker niet in vergelijking met dat van haar collega-masochisten, van wie het tenue soms al iets strakker rond de billen spant dan rond die van haar. Ik weet het niet. Ze doet maar.

Met: ‘Je zou beter ook wat bewegen en mee gaan’, begeeft ze zich voor de eerste keer die zondag op mijn terrein. Het zal de laatste keer niet zijn. Met wekelijks terugkerende, ongepaste terechtwijzingen probeert ze me telkens opnieuw een schuldgevoel aan te praten. Met die geraffineerde charge wil ze me een slecht gevoel geven, omdat ik er nu eenmaal voor kies om gewoon lamlendig in de zetel te blijven hangen en dingen te doen die er ogenschijnlijk voor haar niet toe doen. Veel succes hebben die intimidatiepogingen niet want in tegenstelling tot haar ben ik wel redelijk tevreden met het lijf waarmee moeder natuur mij bedeelde.

Twintig is ze niet meer en dat vergeet ze soms. In haar enthousiasme gaat ze dan wel eens over een grens en worden de gewrichten en spieren die ze met haar hard labeur wou versoepelen, pijnlijker dan voor ze aan die wekelijkse marteling begon. Wanneer haar pijnlijke rug, schouder en knie dan echt beginnen op te spelen zodat ze niet anders kan dan ook een stuk van de zetel op te eisen, is dat precies het kantelmoment waarop mijn lui lekker leven radicaal verandert. Dat is het ogenblik waarop ik ongewild maar ingrijpend aan levenskwaliteit begin in te boeten.

Nu ze door koppigheid opgezadeld is met een zeer lijf en noodgedwongen doet wat ik de hele morgen gedaan heb, word ik door de omstandigheden subtiel geforceerd om een totaal ander bestaan te leiden dan toen ze nog op eigen benen kon staan. Toen kon ik liggen, hangen, zitten, en van hier naar ginder zappen. Ik kon het pand verlaten om koffie te gaan drinken. Kortom ik reilde en zeilde hoe het me uitkwam.

Nu sist ze op kordate toon van op haar troon: ‘Waarom heb je die borden van het ontbijt niet onmiddellijk afgewassen? En die pan?’

‘Waarom?’: mor ik terug?

‘Omdat dat spekvet aankoekt en je dat eigeel er nu moeilijk af kan wassen’, gaat ze verder.

Dik tegen mijn zin slof ik naar de keuken en laat water lopen in de gootsteen. Toen we indertijd over de indeling van onze leefruimte nadachten, hadden we om ‘communicatie te bevorderen’ geopteerd voor een open sfeer. Daardoor vormen keuken, salon en eethoek één grote ruimte. Dat blijkt een keuze die ik me nu beklaag.

‘Mettenoorenvertekken’,roept ze veel te luid omdat die schijtmuziek veel te hard in de oortjes van haar i-pad galmt.

 Zo klinkt het althans en ik doe teken dat ze haar oortjes even moet uitnemen.

‘Wat zei je juist’, vraag ik op een toon die behulpzamer klinkt dan dat ik het bedoel.

‘Messen en vorken ook afwassen. In de afwasmachine worden die bot’, antwoordt ze met een licht bevelende intonatie.

Ik slenter opnieuw naar de keuken en begin aan de afwas. Het te hete water zorgt er voor dat ik met twee vorken de afgewassen borden uit het water moet vissen. Trots en een tikkeltje provocerend, toon ik één voor één de borden, de pan en het bestek zodat ze zich er van kan vergewissen dat ze properder zijn dan dat zij ze ooit laat worden.

‘Laat je die twee Tupperware plastieken boterhammendozen eerst uitlekken, anders krijg je die niet droog en dan heb ik straks weer kringen in mijn kasten. Neem zeker proper water en doe er een scheutje azijn in als je aan de glazen begint, dat ontvet beter. En nu je toch bezig bent, zou je de filters van de dampkamp straks ook te week willen leggen. Dat is ook al een tijdje geleden dat die nog proper gemaakt zijn.’ ‘Ja, en neem je zeker een propere handdoek als je die glazen afdroogt? Anders blijven daar duimen op staan.’

Ik zucht en terwijl ik dat doe schuift de pan uit mijn handen omdat de steel nog nat was.

‘Wat gebeurt daar allemaal? Je bent toch geen brokken aan het maken want elke keer als jij in de keuken staat en zoals altijd dingen laat vallen zijn er stukken uit de vloer.’‘Jij maakt meer kapot dan dat we kunnen verdienen.’

‘Je moet niet zo roepen hoor’, probeer ik.  ‘Je zou die oortjes beter uitdoen. Dat is slecht voor je gehoor het is bovendien enorm asociaal. Weet je dat radiopresentatoren daar op termijn doof van worden? Trouwens het lijkt wel, alsof ik niet mag weten naar welke muziek je luistert. Kan je niet gewoon de radio aanzetten?

‘Let maar niet op mij ik ben mijn Spaanse les aan het studeren. Jij hoeft daar toch niet naar te luisteren. Je zou daar alleen maar zotter van worden.’ ‘Is er nog koffie? Eén suikertje alstublieft.’

Zei ik al dat ik het van sporten en bootcamp moe word en het er van op mijn zenuwen krijg?

Pofmaïs

Om kwart voor twaalf komt ze de trap naar boven opgelopen.Het is zaterdagmiddag. Elke week komt ze omstreeks dat uur thuis. Met zakken vol boodschappen. Wat niet expliciet op het boodschappenlijstje opgeschreven is, wordt niet gekocht. Wellicht daarom dat ik bijna elke week, ongeveer een kwartier later opnieuw naar de supermarkt ga om datgene te kopen wat zij vergeten is. Steevast ontstaat dan discussie over of zij die dingen vergeten is of ik ze niet opgeschreven heb. Die woordenwisseling is meestal het startschot om samen in de kasten te duiken en uit te vissen wat nog ontbreekt zodat even later eensgezind een nieuw boodschappenlijstje geboren wordt. Het blijft vooralsnog een raadsel waarom dat ritueel zich wekelijks niet een uur vroeger afspeelt, maar daarom is het een raadsel natuurlijk.

‘Ik moest je de goeie dag doen’, zegt ze terwijl ze een bokaal schorseneren in de proviandkast zet.

‘Ah van wie’, vraag ik oprecht geïnteresseerd. Hoewel deze vraag me redelijk defensief lijkt. Ik stel ze per slot van rekening alleen maar  om  te weten te komen wie ze zonet ontmoet heeft, kijkt ze me toch met lichte irritatie aan. Ze had ondertussen haar rode pumps uitgetrokken en begon aan de rits van haar jas, die ze nog steeds aan had, te frunniken.

‘Ja, van wie? Dat is het nu juist. Wie was het ook al weer? De naam ligt op het puntje van mijn tong, maar het komt niet. Dat heb ik tegenwoordig meer en meer. Gezichten vergeet ik nooit maar namen kan ik niet onthouden.’

‘Ik heb daar ook meer en meer last van. Was het een man, een vrouw?’, probeer ik behulpzaam.

‘Een vrouw natuurlijk!’

‘Is dat zo natuurlijk? Het is toch niet omdat driekwart van de wereldbevolking vrouwelijk is dat je daarom een vrouw ontmoette. Hoewel de kans statistisch gezien kleiner is kon het toch ook een man zijn?’

‘Maar ik heb haar toch met mijn eigen ogen gezien.’

‘Ja, maar ik toch niet? Wat voor vrouw? Van waar moet ik haar kennen dan?’

‘Wel, toen we vroeger nog samen gingen winkelen en dan nadien in het dorp gingen aperitieven, was ze daar ook altijd. Donker haar. Iets groter dan ik. Ze rookte gelijk een Turk. Bastos, denk ik. Nu zal ze een jaar of vijftig zijn, schat ik. Hoewel ze ook vijfenvijftig zou kunnen zijn. Want sigaretten roken veroudert. Je krijgt daar oud vel van.’ ‘Ik ben niet zeker of ze nu nog rookt.Ik heb haar dat niet gevraagd, want zulke vragen stel je niet in de supermarkt aan de kassa.  Tenzij er een farde Bastos in haar karretje zou liggen, maar dat was niet het geval.’

‘Vijftig, dat is te oud om jeugd te zijn en jeugdig om oud te zijn’, antwoord ik bijdehands, in een poging om het gesprek een andere richting te laten uitgaan zodat ik eindelijk kon vertrekken om de overige “vergeten” boodschappen te gaan kopen.

‘Waar slaat dat nu weer al op? Wat is dat nu weer voor een opmerking. Dat is weer zo een uitspraak uit een van je verhaaltjes zeker?’

‘Ze was meestal alleen, hoewel er soms een man bij was maar die kennen we niet.’ Ze dronk pinten in zo’n sierlijk lang glas, van s’ middags al’.

‘Zo wordt het moeilijk. Een vrouw van vijftig die sigaretten rookt gelijk een Turk en lange fluiten drinkt.  Een verrimpelde madame met donker haar, van wie je de naam vergeten bent en die soms vergezeld was van een man die we niet kennen.’ ‘Daar kom ik niet verder mee.’ ‘Weet je er niet meer van?’

‘Deodorant, keukenrol en pofmaïs’, zei ze plotseling alsof die nieuwe informatie me zou doen inzien van wie ze me de groeten moest doen.

‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’

‘Deodorant, omdat je zonder, muf onder je oksels ruikt. Keukenrol omdat die er niet meer is en ik je rommel niet blijf op deppen met toiletpapier want dat plakt daar in.  Pofmaïs omdat er morgen een vriendinnetje van ons dochter komt slapen, ze naar een film willen kijken en ik hen popcorn beloofd heb’, zei ze nu echt geïrriteerd.

Het gesprek eindigde even onduidelijk dan dat het begonnen was. Het nachtlampje werd aangeklikt, het dekbed werd weg getrokken en mijn vrouw ging aan de rand van het bed zitten. Met een kartonnen tong en ogen vol slapers trachtte ik te achterhalen wat er aan de hand was. ‘Wat scheelt er aan?’

‘Ik had haar bijna. Jac… Nath… damn ik ben het weer kwijt.’’Haar naam!’

 ‘Doe het licht uit en ga slapen, het belangrijkste is dat we de groeten hebben. En dat ik deodorant en pofmaïs gekocht heb.’

‘En keukenrol? Je bent die keukenrol toch niet vergeten?’

Kauwgom en een hondendrol

 

Wanneer mijn humeur overslaat, en dat overkomt me soms meer dan dat ik het graag heb, probeer ik wel eens stil te staan, om er achter te komen, wat het is dat deze ‘moodswings’ uitlokt.

Wanneer wordt goed slecht en wanneer wordt slecht goed of beter?

Ik ben er gaandeweg, met vallen en opstaan achter gekomen dat het kleine dingen moeten zijn want aan de grote hecht ik überhaupt niet zoveel waarde. Die zullen het verschil niet maken. Dure auto’s, een groot huis, carrière, overvloed, geld, reizen of status zijn niet onmiddellijk zaken die mij druk bezighouden of die me contenter of ambetanter zullen maken.

Ik ben redelijk zeker dat het meeste wat ik nodig heb om normaal gelukkig en comfortabel door te dobberen, al bezit. Ik leef mijn dagelijks onbezonnen, niet al te ongezond leventje met huis, tuin en boom, kabbelend en rustig verder. Maar hoe komt het toch dat ik me soms plotseling en zonder grote aanleiding precies in een doodlopende steeg waan, zoekende. Naar iets dat ik niet vind. Alsof ik reik en streef naar iets dat onbereikbaar is of naar iets dat misschien zelfs niet eens bestaat.

Sommigen beweren dat tevredenheid in het alledaagse kan gevonden worden zonder te vergelijken met anderen. Dat zal zo wel zijn en het zal zo wel horen te zijn. Maar moet ik daarvoor dan dankbaar zijn? Moet ik daarvoor dan dank-u zeggen omdat er altijd wel een groter sukkelaar op deze aardkluit zal rondlopen die er slechter aan toe is dan ikzelf? Om er dan gevuld van schuldgevoel achter te komen dat ik me eigenlijk alleen maar druk aan het maken ben omdat ik dik, oud, lelijk en met de dag senieler aan het worden ben. Terwijl ik het tot nu toe alleen maar gewend ben geweest om jong en hip door het leven te dartelen. Is het dat dan en zet dat besef me dan op een dwaalspoor? Ik zal weer maar eens met mezelf lachen en dankbaar zijn dat ik dat nog kan. Dat ik mezelf nog kan relativeren tot een slechte mop.

Moet ik mijn persoonlijke voldoening dan voortaan niet eerder zoeken in een groene grasspriet en in het gesjirp van een vogel? Of in een zonsopkomst of –ondergang zodat ik op die momenten ga beseffen dat ik voor die momenten geen eurocent hoef te betalen. Om daarmee dan tot inzicht kom dat niemand zich dat tafereel ooit zal kunnen veroorloven. Zelfs niet met al het geld van de wereld.

Zal ik me dan maar gewoon maar een beetje verder blijven ergeren aan mijn omgeving, mijn werk en mijn vrienden? En aan mijn vrouw die wellicht op dit ogenblik met net hetzelfde bezig is als ik. Of zal ik voortaan trachten me niet meer te storen aan de onzekerheid van het leven en aan de dingen ervan zodat ik me wat tijd kan gunnen om te beslissen wat ik er verder mee wil aanvangen? Zodat ik bij elke fout die ik zeker nog zal maken misschien dankbaar wordt omdat ik er altijd iemand anders de schuld kan van geven. Mijn vrouw, het weer, of de Walen en de Sossen.

De belangrijkste dingen in het leven zijn gratis en voor niets en dat is een zegen want op die manier kan de rest van mijn vermogen besteden aan het op één na belangrijkste.

Van die gedachte word ik blij en bijzonder dankbaar omdat ik het op een andere manier geworden ben dan dat ik het verwachtte. En dan wordt plots die kauwgom en die hondendrol waar ik zonet in trapte het hoogtepunt omdat die me er aan herinneren dat perfectie niet bestaat. De rechtse rijstrook van het leven wordt op die manier een perfecte vluchtweg voor de bumperklevers die me van het linkse willen duwen. En met die gedachte leer ik eindelijk de dingen te zien zoals ze misschien ooit zouden zullen worden. Wanneer ik zot genoeg geworden ben en mezelf geen tijd meer gun om me er zorgen over te maken wanneer het weer  niet loopt zoals ik het verwacht had.

En als je denkt dat ik wartaal uitkraam of ongelijk heb, wil ik toch voorzichtig proberen jou van het tegendeel te overtuigen. Door me hier het recht toe te eigenen te zeggen wat ik denk, zelfs al is het niet eens de moeite waard om het te zeggen, laat staan om er deze woorden aan te verspillen.

Dank u.

Nachtgesprek.

 

Ik spreek soms tegen haar. Stom he? Ik doe dat meestal s’ avonds. Alleen, wanneer het stikdonker is en ik zeker ben dat niemand kijkt of luistert. Vanop mijn terras staar ik omhoog, in het zwarte zwerk. Ik inspecteer het donkere hemelgewelf en de maan en ik ontwar de sterren en hun beelden tussen de grijze wolken. Ik steek een sigaret op en beeld me in dat ze daar ergens rondzweeft, dichtbij hemelpoort zeven.

Een dialoog kan je het niet noemen want door de band genomen, voeren we geen diepzinnige gesprekken met lange epistels en uitgerekte standpunten. Neen, ik geloof dat ik meestal alleen aan het woord ben en zij luistert gewoon maar, als ze al luistert. Het is net zoals vroeger eigenlijk. Toen kon ze met haar binnensmonds geprevel ook de indruk geven dat ze helemaal je aandacht had, terwijl ze eigenlijk met haar gedachten ergens anders vertoefde. Hoewel ze soms ook wel het hoge woord voerde. Om zich te beklagen en om me in haar taaltje, fors de les te spellen of om me te zeggen dat ik het wat kalmer moest aandoen. Ze zal wel gelijk gehad hebben. Zoals gisteren…

 

 

<‘Ah zijde daar eindelijk? Zeg, waarom schrijft ge feitelijke nooit eens iets over mij in uw boekskes? Ik ben toch uw moeder? Of zijt ge dat allemaal al vergeten?’

>‘Vergeten? Ik ben niets vergeten. Alles weet ik nog. Ik had alleen niet verwacht dat ik u hier, zou tegenkomen. Hier in het duister van de nacht en dat je eindelijk eens iets zou terug zeggen. Ik sta hier meestal moederziel alleen in de nacht te brabbelen.’

< Ja, manneke, gij zijt ook altijd zo in gedachten verzonken en zo met uw eigen zaken begaan, dat ge me niet hoort of niet ziet. Juist gelijk vroeger.’ ‘Alles en iedereen moest altijd al wijken voor uw ideeën en plezierekes.’ ‘Hoe dikwijls heb ik dat niet gezegd tegen onze Jef.’ Die kleinste, ik weet niet waar dat hij nu weer mee bezig is maar veel goeds zullen we daar maar niet van verwachten. Daar gaan weer vodden van komen, schrijf het maar al op.’

‘Alles moest altijd verlopen hoe dat gij het in uwe kop had en als ge iets in uwe kop had, had ge het niet in uw gat he.’ ‘Pakt nu uw studies. Eerst ging ge boekhouder worden.’ ‘Toen ge daar in den tijd mee voor de pinnen kwam zei ik tegen onze Jef, daar zal veel volk naar komen zien, hij kan nog niet met zijn eigen pree omgaan, laat staan met die van een ander.’ ‘Dat zijn kosten op het sterfhuis heb ik toen gezegd en ziet, een boekhouder is er aan u niet verloren gegaan he manneke.’ ‘Dat stond hier toen al in de sterren geschreven dat ge daar geen prijzen in ging halen.’

‘Als ge dan het jaar nadien, met al uw buizen in uwe zak thuis kwam en ons op uw blote knieën kwam smeken om het nog eens te proberen in de communicatiewetenschappen, had ik daar wel een beter oog in.’ ‘Want klappen, dat kon ge als den beste, nu nog trouwens zolang het maar niet in een vreemde taal is en zolang ge niet te veel moet uitsteken.’ ‘Uw lui zweet is rap gereed en ge weet wat ze zeggen he: ‘Een ezel zweet al van te kakken’. ‘Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden zou ons Heer over u gezegd hebben.’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, van werken had ge een broertje dood he. Altijd al gehad en nu nog peins ik, al zie ik je af en toe wel al eens achter het fornuis staan of een stofzuiger vast pakken. Dat hebt ge van ons vader geloof ik, die mens heeft ook altijd mee zijne nikkel afgedraaid in het huishouden.’

‘Nu dat ik toch bezig ben. Zeg, zoon, dat boekske?  Serieus, moest dat nu?’ ‘Voor wie zijn heiligen hebt ge dat nu weer gedaan? Waarvoor of voor wie smijt ge feitelijk al uwe vuile was op ’t straat?’ ‘De mensen hebben daar toch geen affaires mee?’ ‘Peisde nu echt dat ge daar iemand een dienst mee bewijst?’ ‘U zelve ja, maar ziet toch maar uit uw doppen, dat ge genen dikke nek krijgt want soms denk ik dat ge peinst dat ge Herman Deconinck zijt.’

‘Past op, ik ga alle redenen plaats geven’: ‘Chapeau dat ge gedaan hebt hetgeen ge gedaan hebt, ik zou het niet gekund hebben. Maar om dat nu zo in het lang en in het breed, allemaal in een boekske uit te smeren.’ ‘Ik heb er mijn gedacht van maar ja naar uw moeder luistert gij toch niet he.’

‘Gij zijt nog geen haar veranderd, misschien een rimpeltje meer aan uwe mond maar ik ga het zeggen gelijk dat ik het peins. Klinkt het niet dan botst het maar. Ik vind wel dat ge het precies wel wat hoog in uwen bol gekregen hebt.’  ‘De laatsten tijd klapt ge zelfs al op de letter.’ ‘Soms zeg ik dat hier tegen onze Jef.’ ‘Die kleinste, die is al lang vergeten van waar dat hij gekomen is met zijn Jannestreken.’  ‘Juist uw vader. Zeg ik dan, want die dacht ook altijd dat hij Rockefeller was.’

‘Maar, bon ik ben de piste in nu. Ik heb genoeg op je dak gezeten en ik moet hier nog al die kruiswoordraadsels oplossen. Voor dat ik het vergeet.’ ‘Breng de volgende keer eens een paar pakjes blauwe Belga filter mee en een fles porto, ah nee want dat moogt gij niet drinken zeker?’

‘Doet ze daar allemaal de goeiedag ik zijn naar huis …’

Versie 2.0. van de onnozelheid

 

Tot nog niet zo lang geleden kenden we het fenomeen alleen van horen zeggen of van uit Amerikaanse filmpjes die ons bereikten via het journaal of via You Tube.

Ik weet nog hoe we verbouwereerd, voor de beeldbuis gekluisterd zaten en massaal wenkbrauwen fronsten omdat we stille getuige waren hoe hysterische dames elkaar bekampten in de ‘catfight’ van het jaar. Ze vochten een gladiatorengevecht voor het juiste trouwkleed aan halve prijs, voor de laatste afgeprijsde roze i-phone of voor de grootste, platste flatscreen van het moment. ‘L(ife’s) G(reat)’ maar alleen maar als het plat is. Hoe platter hoe beter. Elke Amerikaan ging plichtsbewust op strooptocht naar de passende platte 2.0 versie van onzinnigheid en onnozelheid.

Vandaag zie ik in de Hoogstraat dezelfde verbaasde meute, massaal mee kwijlen met de kunstmatig opgedrongen Angelsaksische koophysterie die god weet hoe en god weet van waar, is binnen gewaaid. God betert want de West-Europese waardigheid is om zeep. Alle Amerikaanse onnozelheid wordt ten langen leste toch netjes met een ‘trick or treat’ gekopieerd alsof het al eeuwen kostbaar cultureel erfgoed is geweest.

Het is Black Friday en je zult het geweten hebben. De advertenties en verborgen verleiders worden via alle beeld poriën van gangbare schermen op mijn netvlies gespuwd om me ongevraagd te tonen dat alles te koop is, zelfs mijn kritische waardigheid.

Op Black Friday wordt iedereen meegesleurd in dezelfde koopjes orkaan of stormachtige solden windhoos waar je alles kunt kopen wat je wilt, niet op zit te wachten en zeker niet nodig hebt. Op deze hoogdag van koning kapitalisme wordt kopen, opdoen, inslaan, stockeren en consumeren de lijfspreuk van de dag. Het liefst kosteloos op afbetaling tot het maximum krediet bereikt is zodat je persoonlijke gegevens bij de volgende gelegenheid, schalks en leep opnieuw gerecycleerd en misbruikt kunnen worden.

Gelukkig is het volgende week Cyber Monday zodat alle overbodige of dubbel gekochte rommel on-line kan aangeboden worden op de betere E-bay shop. Enkel op die manier zal je binnen dertig dagen genoeg sollen over hebben om mee te kunnen doen  met de kersthysterie en broodnodig Nieuwjaar solden.