Categorie: Filosofisch

Gezelligheidscollectief.

Ik droom weer. In tegenstelling tot met het allesomvattende niets, waar ik bij de klaarte van de dag dikwijls uren mee vul, ben ik ‘s nachts een hele bezige bij en ben ik met van alles drukdoende. Je zou me hier bezig moeten zien. In mijn ingebeelde utopie kan ik bergen verzetten. Mijn metgezellen zouden er tegelijk boos en trots van worden. Boos, omdat ze me, wanneer ik wakker ben, niet in gang krijgen en ze me dikwijls een trap onder mijn kont moeten geven om me met iets aan de slag te krijgen, maar ook trots omdat ik de drukte van de dag ongecompliceerd naar de nacht kan verschuiven.

Soms trek ik helemaal krom wanneer het duister wordt, dan word ik zo ijverig dat ik, wanneer de morgen aanbreekt moe moet opstaan. Waarschijnlijk doe ik al die dingen tijdens de kleinste uren omdat me die beter uitkomen en ik op die tijdstippen wel wat tijd kan vinden om al de chaotische informatie te ordenen of om die lastige kwesties te overpeinzen waar ik overdag niet toe kom omdat er dan teveel gedoe is.

Met dag-restanten ga ik s’ nachts aan de slag, om ze daar verder af te werken of om ze op het juiste hoopje te leggen, voor later, wanneer ik er eindelijk aan toe zal zijn. Ik heb vele hoopjes. Op het hoopje ‘Voor tijdens de vakantie’, kan ik niets bijleggen want dan zou ik het niet langer hoopje noemen meer eerder ‘berg’. Het valt me op dat op het hoopje ‘Nu voor mezelf’, haast niks ligt, tenzij ‘Hemden strijken’ en ‘Voor iets eetbaars zorgen’. In elk geval, als ik al die dag-overschotjes tijdens de nacht afhaspel, lijken ze veel minder vermoeiend en overzichtelijker en kan ik ze het juiste plekje toewijzen.

Vandaag krijg ik onverwacht een snipperdag. De vrouwen zijn er voor het weekend op uitgetrokken, naar Den Haag. Ze doen dat één tot twee keer per jaar. Ik denk dat ze die uitjes maken om stoom af te laten en om zo even aan de dagelijkse gezinsdrukte te ontsnappen of om er achter te komen of ze nog wel in de markt liggen, wanneer ze de nachtdrukte opzoeken. Eten en drinken doen ze dan ook veel maar dat is allemaal goed.

Door die omstandigheden mag ik me het grootste gedeelte van het weekend alleen en ongestoord opsluiten met mijn utopische zinsbegoochelingen als gezelschap, zelfs overdag, wat een luxe. Ik glimlach in gedachten en ik prijs me gelukkig dat ik vandaag met niets anders dan met fantastische veronderstellingen mijn dag mag vullen, met mezelf als gezelligheidscollectief, al blijf ik kauwen op de gedachte dat wanneer ik niet iemands anders leven beter maak, ik dat van mij misschien verkeerd leef en is het niet met die overpeinzing die me al het hele weekend kwelt?

Oneerlijk wreed.

Ik neem er alle tijd voor alvorens ik eraan begin. Hoewel het weken, zo niet maanden zal duren voor ik ze allemaal doorworsteld zal hebben, lees ik de eerste regels bewust heel traag en geduldig. Ik wist heel goed dat hij ze had, alleen had ik er geen weet van waar hij ze precies verborgen had. Niet dat hij ze weggemoffeld had om nooit meer terug te vinden, neen want daarvoor had hij erbij leven te veel tijd en energie ingestoken om ze zomaar in de vergetelheid te laten opgaan.

Toen ik voor het eerst sinds een hele lange tijd, de oude kolenkelder betrad, en ik voorzichtig een oud wit laken wegtrok, viel een grote kartonnen doos me eerst op. Daarin waren ooit de glazen inmaakbokalen, spanijzers en verduurde rode elastieken gelegd om er het jaar nadien bonen en tomaten mee te conserveren. Ik kan me niet precies herinneren wanneer ze voor het laatst werden gebruikt maar het is in elk geval heel lang geleden. In de schemer van de muffe kelder, viel mijn blik plots op een houten wijnkistje dat mijn moeder ooit van Mercedes-Benz-Belgium, haar toenmalige werkgever, had gekregen toen ze eindelijk in brugpensioen kon gaan. Wijnflessen trof ik er niet meer aan. Die zullen bij een passende gelegenheid wel dienst gedaan hebben, maar de dagboeken van mijn vader, die hij fier zijn memoires noemde, vond ik er wel terug. Ze waren volgens jaartal in de juiste volgorde gestapeld. Geen enkel boekje was eender. Sommige hadden een kunstlederen kaft en hadden wat geld gekost, andere, die er goedkoper uitzagen, had hij als nieuwjaarsgeschenk gekregen bij zijn bank- of verzekeringskantoor.

Ik ben er heel zeker van dat hij dagelijks zijn pen ter hand genomen heeft om ons iets na te laten, waar we nu mee aan de slag kunnen, al staan de boekjes ook bol met nietszeggende fait divers.  Zo lees ik bijvoorbeeld dat het op drieëntwintig oktober 1987, 11 graden en bewolkt was, dat hij met zijn fiets naar de markt gereden was om gebakken vis te kopen en om een keukenmes te laten slijpen bij de scharenslijper die daar toen wekelijks zijn kraampje had. Wanneer echter bleek dat die ambachtelijke stiel, op die bewuste zaterdag van de wekelijkse markt verdwenen was, had hem dat mateloos geïrriteerd. ‘Een uur heb ik gezocht naar het kraam van Armand. Ik denk dat hij ermee gestopt is. Ge moet dat ook maar willen doen. Elke dag opnieuw, in weer en wind. Ik kan daar allemaal goed inkomen maar waar moet ik nu mijn botte messen laten slijpen nu die ‘scharensliep’ verdwenen is. Jonge mensen gaan dat niet meer willen doen, peins ik en zo is alweer een stuk folklore voorgoed verdwenen, maar zo is het leven zeker?’

Hoewel de feiten zich tweeëndertig jaar geleden hebben voorgedaan komen ze opnieuw tot leven uit de woorden die hij met zijn eenvoudig geschrift vereeuwigd heeft. Elke dag opnieuw en wanneer het moment hem uitkwam, nam hij plaats aan de keukentafel om daar op een halve bladzijde neer te schrijven met wat hem die dag was opgevallen, wat hem had geërgerd of waar hij op zijn manier vrolijk van geworden was. Ik lees het allemaal gulzig maar traag, met een grote glimlach.

Ik kijk naar de boekjes met levensherinneringen en ik bedenk dat het leven oneerlijk in elkaar zit. Belangrijke dingen geven hun echte waarde maar prijs wordt wanneer ze voorgoed onbereikbaar geworden zijn. Misschien is het leven op zichzelf daarom wel helemaal oneerlijk want je mag het maar één keer doen. Eigenlijk mag je alles maar één keer, voor de eerste keer doen en vooraleer je dat eindelijk kan doen moet je er eerst nog heel veel geduld voor hebben. Hoe oneerlijk wreed is dat niet?

Mening.

Denk ik te benepen als ik zeg datik wellicht meer behoefte heb aan tijd en aan nuance om uit te zoeken of ik ergens al dan niet een mening over wil hebben, en houd ik die dan soms niet betervoor mezelf?

Overal waar ik ronddwaal of waar ik mijn neus tegen het venster houd, word ik binnengetrokken en wordt van mij verwacht dat ik me uitspreek over het ene of het ander maatschappelijk fenomeen of over een groot of klein wereldprobleem. Is het niet over de klimaatproblematiek dan is het wel over onderwijs of over migratie of over de digitalisering waar ik expert van tien minuten over moet zijn. Ik word dan geacht om snel een gefundeerd standpunt te hebben en om me straf uit te spreken zodat ik me kan aansluiten bij de voor- of de tegenstanders.

Op zulke momenten betrap ik me er opdat ik ook wel eens verleid word tot uitspraken over dingen waar ik niets of maar weinig van af weet. Laatst ging een gesprek in onze wekelijkse mannenvergadering over Netflix en de niet te missen series die daar ‘gebingewatched’ kunnen worden. Opeens zat ik gewrongen tussen iets wat lijkt op verlegenheid en wat weg heeft van schuldgevoel omdat ik moest opbiechten dat ik geen Netflix bezat en daar niets vanaf wist. Ik mompelde dan maar dat die rommel bij mij niet binnenkomt omdat ik vind dat teveel schermen de huisvrede zullen bedreigen. Ik stuitte op niet gespeelde weerstand, want het gros van mijn vrienden, ‘bingewatched’ wel, sommigen zelfs dagelijks. Ze doen maar, mij kunnen ze onmogelijk overtuigen.  De volgende tien minuten gingen aan mij voorbij want er werd honderduit gepraat over allerlei Amerikaanse series waarvan ik zelfs het bestaan niet eens kende. Toen echter bleek dat ik niet de enige was in het gezelschap die geen Netflix had, voelde ik me een beetje opgelucht. Opeens had ik een partner in crime die zich door zijn bekentenis eveneens medeplichtig maakte aan dezelfde maatschappelijke onbeholpenheid die ik gewaarwerd. Mogelijks voelde mijn gedurfde outing ongemakkelijk aan omdat ik de laatste tijd precies wel vaker moest uitleggen waarom ik iets niet doe, of iets niet bezit. Of misschien was het gewoon omdat ik niet aan mezelf wilde toegeven dat ik van nature een beetje trager ben dan anderen. Het leek haast dat ik me zelfs in die vertrouwde omgeving moest verantwoorden voor wie ik was of voor wat ik dreigde te worden, namelijk Netflixloos.

Maar goed, terwijl ik daar aan mijn koffie zat te nippen, bedacht ik: ‘zou het niet beter zijn, mochten we met zijn allen eens een keer geen mening hebben?’ Niet uit gemakzucht of uit onverschilligheid, ofzo maar gewoon om wat afstand te laten tussen uiteenlopende visies. Om ze daar in stilte te laten rijpen zodat het grotere perspectief gevonden wordt en zo kan uitgevist worden welke het juiste is, met aandacht voor gevoeligheden en andere zienswijzen. Om het daar dan, in alle rust en kalmte eens te worden dat we het even niet te weten of dat we het gewoonweg oneens zijn.

De manier hoe mensen soms fel reageren op ogenschijnlijk ongevaarlijke meningen stoort me, erger nog, het choqueert me. In zulke situaties denk ik dikwijls, ‘houd nu eens vijf minuten je wafel en laat eens wat ruimte voor een andere mening. Toon misschien eens wat respect of nederigheid of denk je nu echt dat je het allemaal beter weet?’

Is het de leeftijd, of is het iets anders maar minder en minder heb ik behoefte aan meningen, zeker als ze niet of slecht geargumenteerd zijn of wanneer ze niet in mijn grotere kraam te paskomen. Meer en meer heb ik nood aan verfijnde en gefundeerde argumenten of aan vadsige sloomheid. Je mag dat nuance noemen of een soort van traag denken, dat stoort me niet. Soms wil ik het zelfs gewoonweg kunnen zeggen, ‘ik weet het nog niet en misschien wil ik het zelfs niet weten, voor mijn gemoedsrust en mijn zielenrust want, eerlijk, hoe jij naar de zaak kijkt, laat me Siberisch koud,en is dat dan ook geen mening?

Want je bent het waard.

Een dreigende regenbui dwong me vanmiddag in een te smalle steeg, die nooit straat had mogen genoemd worden, een groezelig estaminet binnen. Aan één van de met rood tafelkleed bedekte tafeltjes, zat een echtpaar. Althans dat had er alle schijn van. De vrouw in kwestie zag er uit zoals de beste remedie tegen de liefde en hij als de beste remedie tegen de rest van het leven. Een echtpaar dus, al lijkt dat ze van dat substantief niet al te dikwijls een werkwoord gemaakt hebben. Op een vreemde manier leken ze zich achter hun bierglazen voor elkaar te verbergen. Om erger te voorkomen.

Ik wou schuilen voor de regen en aan donderwolken had ik geen boodschap dus nam ik plaats op veilige afstand. Ik bestelde koffie en inspecteerde hen met een blik die bij hun hoofden begon en bij de schoenen eindigde. Tot haar oorspronkelijke ronde witte gezicht, had de cosmetische industrie zich ruim toegang weten te verschaffen. Om niet te zeggen dat ze er een aardige duit aan verdiend hebben. De bruine smurrie bladderde af zoals oud gezette verf op versleten rolluiken. Wanneer ze grijnsde blonk op de tweede rij van haar eetkamer  een gouden kies en haar kneuterig, geforceerde glimlach trok een fijne streep die haar gezicht helemaal een akelige uitdrukking gaf. Van hem ging ook een treurige onbeholpenheid uit. Alles aan zijn lichaam leek breekbaar, zelfs zijn grijs fluitjeshaar. Het vale, gele vel verraadde dat zijn lever het fel te verduren had. Hij zag er eigenlijk helemaal grauw en uitgeteerd uit maar zijn boven zijn bittere mond waarvan de uithoeken naar beneden hingen, prijkte een dun getrimd, grijs, Clark-Gable-snorretje. Een onbenullige versiering welke zijn matte gelaatsuitdrukking maar nauwelijks kon opvrolijken.

Zij wierp hem een blik van gewapend beton toe. Hij was compleet in zichzelf terug geplooid. Spreken deed hij niet. Hij opteerde er veilig voor om te zwijgen. Niet dat argumenteren überhaupt zin zou hebben gehad want het leek alsof zij de toegang tot haar hart en ziel had gebarricadeerd met vooroordelen en misvattingen. Het zwijgen tussen het tweetal droeg onmiskenbaar een zekere spanning mee die kon gesneden worden maar ze ondernamen helemaal niets om die geladenheid in de verf te zetten of om die te verminderen. Toch voelde ik intuïtief dat de atmosfeer tussen de twee gedupeerden explosieve stoffen bevatte. Het volgende tafereel was onvoorspelbaar. Het zou zo maar kunnen dat ze elkaar plots gingen bestoken met hele lelijke woorden om te diep kwetsen. Of dat ze elkaar in het haar zouden vliegen om elkaar zo die genadeslag te geven waarop ze al een tijdje lijken te wachten. Waarover zouden ze ruzie hebben? Of zou dit het waardeloze residu zijn van een spannend leven dat ze ooit met elkaar deelden maar dat het omwille van onopgeloste woordenwisselingen en onuitgesproken frustratie geworden was?

Misschien zal ik straks, wanneer ik thuis kom maar proberen een beetje ijs te breken en zal ik misschien een scheut water in de wijn doen zodat ik kan uit vissen waarom die mol in de tuin ons al vier dagen het zwijgen oplegt. Want voor ik het goed en wel in de gaten heb, zit ik straks ook opgescheept met permanente radiostilte of erger met een kleurrijk cosmeticafiasco.

Ook al is ze het waard!

Uitgesteld relais

Dit is een kerstkaart met heel veel vertraging en een nieuwjaarswens met maar een klein beetje retard.

Ten eerste heel erg bedankt dat je hier in mijn postclubje zit en dat je af en toe een verhaaltje oppikt. Het is telkens leuk om te ervaren dat een paar kromme woorden of een koppel scheve gedachten tot een frons of een glimlach kunnen leiden. Daar fleur ik helemaal van op. Noem het maar ijdelheid of snobisme. Doe gerust, ik zeg dat daar ook tegen!

Het is misschienwat ‘old school’ om een nieuwjaarsbrief te sturen maar ik houd ervan om het opdeze manier en persoonlijk te doen dan lees je het als je er de tijd voor hebt,of niet als je het niet wil.

Een nieuwjaarsbriefzou bij voorkeur een terugblik op het afgelopen jaar moeten bevatten en diekomt er ook maar eerst wil ik al zeggen dat ik het nog altijd graag doe en datik er nog even mee doorga.  Ik wil zolang mijn wekelijkse portie zin en onzin uit mijn inktpot blijven schudden, totik er geen goesting meer in heb. Tot de lichtheid van mijn bestaan zo zwaar zalbeginnen doorwegen dat ik er geen woorden meer wil aan verspillen. Maar zo verben ik nog niet. Dat zal nog niet voor morgen zijn. Niet vooraleer ik dekelders en de zolders van mijn brein heb leeg gehaald en ze hier heb uitgeschud.Als de wind goed zit, of als de zomer en het mooie weer samenvalt zit ermogelijks zelfs een tweede boek in. Als de sterren juist staan. Ik kijk er al naaruit.

Dat brengt me naadloos tot 2018. Om er een paar tellen bij stil te staan en er even op terug te kijken. 2018 heeft me verbaasd. Nadat ik onze pa verloor en daarmee een stukje van mezelf, kwam ik er ongevraagd achter dat je het leven niet kan berekenen. Emoties zijn niet te controleren of te beheersen, anders heetten ze fysica of chemie en ik ben geen wetenschapper. Eerder een troubadour of zo, of een verhalenboer van vertelsels waar niemand zit op te wachten. Het duurde even voor rouw en treurnis baan kon ruimen voor herinneringen. Sterke herinneringen en scherpe beelden die me opnieuw deden glimlachen. Ik schreef er al over. Je weet het al.

Ik ben hetblijven doen, hoe ik me ook voelde. En met schrijven verdween het gepieker. Ikheb niet veel nodig om me te ergeren aan de wereld. Ik kwam er achter dat doordie ergernis, ik me nog meer ging martelen. Ik ging inzien dat ongenoegen eenperfecte voedingsbodem is voor nog meer wervel en ander misnoegen. Ergenshalverwege ben ik er mee gestopt. Ik heb me afgezonderd van het onheil. Het heeftmij deugd gedaan. Ik kwam tot inzicht dat ik ongelooflijk veel geluk heb en dathet voor het oprapen ligt, vlak voor mijn voeten, als ik maar de moeite neem omhet te zien liggen. Mijn vrouw, mijn kinderen, mijn huis en mijn zetel waar ikhet liefst van al languit in lig. En dan ben ik soms beschaamd dat ik hetaandurf om neerslachtig te zijn.

In januari mochtik op you tube getuigen hoe het voelt om weer baas te zijn, over het leven datik leid en over duivels die ik bezweer. Meer dan negenduizend mensen luisterdennaar wat ik te vertellen had. Tot dan wist ik niet eens dat ik iets tevertellen had. Het zou een vreemd jaar worden.

In februari wasik in Leuven in café de l’ industrie. Het was een uitzonderlijke ervaring om daarte vernemen dat twee wildvreemde mensen die toevallig een uitgeverij draaiendehouden een boek wilden drukken, over dingen die ik geschreven had. Toen ik dat kladboekvoor de eerste keer kon vastnemen was ik tegelijk fier als een weekluis enbevreesd als een wezel. Er moest nog geschrapt en verbeterd worden enbijgeschreven. Ik kwam er achter dat een boek als een kind is dat zijn eigenweg gaat.  Dat het nooit af is maar dat hetgoed genoeg bevonden was en dat een punt of komma meer of minder, het nietbeter of slechter zou maken.

In juni mocht iker over praten. Bij de introductie kreeg ik al wat vegen uit de pan van MarcHenderickx, die het niet kon laten intieme details van mijn jeugd teontluisteren. Net na de voorstelling, waar Roos Van Acker me uit het slijk hadgetrokken, zodat ik niet wegzonk, vroeg een journalist me hoe het boek totstand gekomen was. Door het slijk dat nog aan mijn hemd kleefde voelde ik meeen uitgeputte veldrijder die alleen maar kon prevelen: ‘Omdat ik goei benenhad.’

In 2018 is erheel wat gebeurd. Op de boekenbeurs en op signeersessies leerde ik naast kookboekschrijversook vele andere auteurs kennen, van straffe boeken en van nog moedigereverhalen. Dat blijken dezelfde mensen te zijn zoals u en ik. Mensen metdezelfde droom en met dezelfde angsten en zenuwen. Met dezelfde vragen en twijfelsen met dezelfde geveinsde zelfzekerheid. Maar met dat verschil dat ze allemaalde schaamte en de vrees overwonnen, om drempels te nemen. Om hun waarheid tevertellen en er in eigen taal voor uit te komen. Om in sierlijke woorden tevertellen wat zij er van vinden zonder zich te laten beïnvloeden door wat degrote massa wil of denkt.

Met jegoedvinden wil ik dat in 2019 ook nog doen. Als je dat ok vindt tenminste en als je het niet leuk vindt, ga ik er geenslaap voor laten. Dat doe ik alleen om eigenwijze verhaaltjes te verzinnen. Endan hoop ik dat je curieus geworden bent naar wat er in 2019 in dat tweedeboekje zal staan.

Topjaar

Het is 29 december 2018. Op de analoge wereldklok van mijn gsm verspringt de secondewijzer precies om 6 uur 19, van 23 naar 24. Hoewel ik me volgens de gps coördinaten van mij Smart Phone, in de grootheide 28 te Bornem bevind, verklapt datzelfde toestel me ongevraagd dat het in Temse (dat 5km verwijderd is van de plaats waar ik me bevind) plus vier graden is. Dat de luchtvochtigheid er 95% is, dat wind er aan 19 km per uur blaast en dat de atmosferische luchtdruk er 1034,2 hectopascal bedraagt. Dit is 49.6 punten lager dan in Bornem waar de luchtdruk 984, 6 hectopascal is. Ik wijt dat verschil aan het Scheldewater dat tussen de twee meetpunten stroomt.  

Op dat zelfde moment zit een zeldzame mug, die de eerste vrieskou overleefde, op de wreef van de voet van mijn dochter. Ze prikt haar puntige snuit in het jonge vel en zuigt zich helemaal vol bloed tot ze voldaan is. De mug zuigt zo gulzig dat het lichaamsgewicht van het insect met 80% is toegenomen en de vluchtsnelheid met 50% is afgenomen. Onder andere daardoor zal straks van die muskiet niets meer overblijven dan een rode vlek. Wanneer mijn dochter haar met de handpalm genadeloos plat zal slaan tegen de wit gelakte kleerkast. Uit wraak voor die irritant jeukende bobbel op haar voet. Vermijden dat de mug steekt, gaat niet omdat mijn dochter op het steekmoment nog slaapt en een nachtmerrie heeft over haar eerste veranderingen die eveneens een rood vlekje zullen achter laten in haar nieuwe slaapshortje. Het ene bloedbad is het andere niet.

Tegelijkertijd is mijn vrouw, die zich snurkend twee verdiepingen hoger bevindt, bomen aan het omzagen. Over exact 40 minuten en 36 seconden zal ze daar abrupt mee stoppen en zal ze het dekbed over haar hoofd trekken. Niet om zich af te weren voor die zoemende mug want die zal op dat moment, door het bloed van mijn dochter, te veel wegen om de afstand tussen de twee verdiepingen te kunnen overbruggen. Maar wel voor de wekker die nog op alarmstand staat en hels lawaai zal maken. Ze zal te slaapdronken zijn om de off-knop te vinden en zal daarom de wekker op de vloer gooien. Hierdoor zullen de batterijen uit de wekker floepen en zal het irritant gejengel even abrupt ophouden als dat het begonnen is. Het slechte humeur zal zich de hele dag laten voelen en zal dompers zetten op normale vreugde. Maar eerst zal ze me geïrriteerd vragen waarom ik in hemelsnaam een alarm gezet heb op een zaterdagmorgen.

Al deze taferelen en de gevolgen ervan zullen plaats hebben over precies 8 minuten en 32 seconden.

Ik lig op de sofa en van achter mijn laptop kijk naar de mistige vochtigheid buiten. Het is al een hele poos geleden dat ik nog zo lang naar een wit blad gestaard heb. Ik maak koffie en scheur het derde laatste blaadje van de kalender.

‘Draait de kat haar rug naar het vuur, komt daar sneeuw van op den duur.’ Ik lees de achterkant van negenentwintig december en bedenk: ‘Wat moet ik daar nu mee? Ik heb geen vuur en geen kat.’  Daarom ga ik naar beneden. Naar de kamer van mijn dochter, om de mug die nog niet gestoken heeft, plat te meppen.  Aangezien al het bloed nog in de aders van mijn dochter zit, laat dit geweld geen bloedsporen achter op de wit gelakte kast.

Een aantal ogenblikken later en nadat ik het alarm van de wekker heb afgezet begin ik de voordelen te zien om door het leven te gaan als superman. Ik heb er vandaag al zeker één en mogelijks meer bloedbaden mee kunnen voorkomen maar al zeker heel wat andere persoonlijke ellende.

2018 wordt toch nog een topjaar!

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak.

Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen.

Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde.

Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde.

Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel.

‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was.

Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden.

Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben.

Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.


Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


Oorkonde van deugdzaamheid

Onbezonnen groot worden, wat een voorrecht. In mijn kuikens-jaren bleef ik grotendeels gespaard van eeltvorming op mijn ziel toen ik uit me uit mijn schelpje bevrijdde. Ik mocht lichtvaardig en onbesuisd groeien als een kool zonder me over al te veel grote zorgen hoeven te maken. Pijnlijk leed hoefde ik niet te negeren want het was er gewoonweg niet. Toch niet in de leefwereld onder mijn kerktorentje. Ik was geprivilegieerd en rijk geboren. Wat een luxe.

Al weken lang volg ik de één productie kinderziekenhuis. Zonder tussen beiden te kunnen komen krijg ik inkijk in het leed, in emotie en vertwijfeling maar ook in hoop moed, veerkracht en doorzettingsvermogen van jonge patiëntjes en hun ouders. Ik hoef het onzekere lot van een ziek kind niet uit handen te geven aan dokters of verpleegsters in een kinderziekenhuis. Ik moet niet dagelijks in onzekerheid leven en wachten op een onheilspellende diagnose die het leven van een van mijn kinderen door de willekeur van het lot, ingrijpend zou kunnen veranderen. De verhalen en de getuigenissen van gekwetste zielen komen hard binnen. Met een kramp in mijn maag en met natte ogen kom ik tot besef. Ik ben bevoorrecht met mijn gezonde kinderen.

 Een uurtje later kom ik zappend aan in Jemen, een land zich op de rand van de afgrond bevindt. Het ondergaat de grootste mogelijke menselijke crisis ter wereld. Elf miljoen kinderen worden dagelijks geconfronteerd met geweld, ontbering ziekte of ondervoeding en zijn er onrechtvaardig groot slachtoffer van. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ondervoede schimmen van wie de buik aan de rug kleeft komen, smekend om een aalmoes of een korst, de huiskamer binnen gestrompeld. Ik krijg de beelden ervan niet gecensureerd en ik besef. Ik ben bevoorrecht met mijn land, met mijn afkomst en met patatten in de kelder.

 Vandaag bestel ik koffie, zoals gewoonlijk. Ik speur rondom mij naar wat levendigheid. Vier mannen, gezegend met jaren zitten langs mij. Ze drinken trappist, de ene blonde de anderen donkere. Door hun uitlatingen en gebaren geven ze indruk elkaar te vervloeken. De ene omdat hij voor zijn beurt speelde. De andere omdat hij vergat troef te volgen. Elke week zitten ze hier in elkaars gezelschap de namiddag door te brengen. Ze klagen niet want ze zijn bezig met wat zij op dat ogenblik het belangrijkste vinden.Vrouwen worden in dat gezelschap niet getolereerd. Hen maak je niets meer wijs hoor ik mezelf denken. Zij weten al beter. Op een speciale manier zijn ze ook geprivilegieerd. Door leeftijd en door jaren en omdat ze voor even verlost zijn van hun vrouwen die het beter weten.

De krant die ik vastneem staat bol met slecht nieuws. Ze is gevuld met artikels over politiekers van wie het ego groter is dan de toren van Babel. Reportages van gore figuren die het in de wereld voor het zeggen hebben. Met onze centen bekampen ze elkaar voor persoonlijke doelen die ze over veertig dagen willen behalen. Zij zijn ook bevoorrecht maar op een vieze manier. Ze zijn geprivilegieerd om, met een alleenrecht en het voorwendsel van een betere wereld, persoonlijke ambities die met rode bolletjes ingekleurd worden, te realiseren. Op de kap van arme zielen zoals wij.

 Rode neuzen, ze zijn maar pas van het scherm verdwenen en de warmste week springt al in beeld. Otto-Jan Ham, Eva De Roo en Michèle Cuvelier zullen ons proberen met het juiste goede doel en met het gepaste hippe verzoeknummer een geweten te schoppen. Terwijl de rest van de wereld naar de kloten draait.

En dan denk ik, ‘Ik ben bevoorrecht om me zorgen te kunnen maken over problemen en vast te stellen dat een probleem maar een probleem is wanneer ik er zelf geen last van heb’.

Ik bestel nog een koffie. Een van de oudjes heeft een solo verloren. Hij zal zich straks vast ook niet bevoorrecht voelen. Wanneer de rekening moet vereffend worden.

Jan en Jantelov

Vraag me niet hoe het komt of waarom het ooit mijn aandacht opeiste en het sinds dan aan mijn vel is blijven plakken. Ik kan me het niet meer precies voor de geest halen.

Misschien was het wel mijn verre Deense vriendin die me er in een hoog opgelopen politieke discussie over links en rechts op alludeerde. Wellicht heeft ze me het toen voor de voeten gegooid. Ik weet het niet meer precies maar sinds ik er lucht van gekregen heb, heeft het me nooit meer helemaal losgelaten.

‘Janteloven’ zo wordt het in het Noorden genoemd.  Het zijn eigenlijk maar tien regels die me iets duidelijk willen maken:

  1. Je moet niet denken dat je wat bent.
  2. Je moet niet denken dat je even veel bent als wij.
  3. Je moet niet denken dat je slimmer bent dan wij.
  4. Je moet je niet inbeelden dat je beter bent dan wij.
  5. Je moet niet denken dat je meer weet dan wij.
  6. Je moet niet denken dat je meer bent dan wij.
  7. Je moet niet denken dat je deugt.
  8. Je moet niet om ons lachen.
  9. Je moet niet denken dat iemand om je geeft.
  10. Je moet niet denken dat je ons wat kunt leren.

Jantelov is Scandinavisch dat is zeker. Het lijken tien arrogante vingerwijzingen die bedoeling hebben om kort te houden. Om spiegel voor te houden en me in te peperen dat ik eigenlijk niet al te veel voorstel zodat ik niet te hoog van de toren ga blazen. Maar is dat wel zo? Klopt dat wel? Ik ben al even op zoek naar wat er precies tussen de regels te lezen staat. Ik vraag het me af, of het wel geschreven is als gedragscode of als reglement om initiatief te beknotten en om volgzaamheid te cultiveren. Of is het net het omgekeerde en moet het net daarom beschouwd worden als kritiek op dit soort van denken en handelen?

Het is geleden van de godsdienstles uit mijn humaniora dat tien regels me nog zo bezig hielden maar dat was omdat ik ze toen van buiten moest leren.

Toen ik deze nieuwe tien geboden voor de eerste keer las, was ik inderdaad van mening dat het maar brute kritiek was die tien keer krachtig gespuid werd op een bekrompen manier van denken. Als een soort berisping of waarschuwing van de ‘champignonmaatschappij’, die me er moest doen aan herinneren dat, eens mijn wit kopje in de mest is uitgekomen, het toch onmiddellijk zal afgemaaid worden. En dat ik daarom maar best, gewoon met de stroom mee kan stromen zoals dode vis die meedrijft in een rivier. Niet te weerspannig maar gedwee en mak om klakkeloos en zonder nadenken mijn lot te aanvaarden.

De tekst kreeg plots een hele andere betekenis toen ik met de persoonlijke voornaamwoorden begon te spelen. In de ik-vorm worden de regels opeens een uitdrukking van bescheidenheid en nederigheid. ‘ ik moet toch niet denken dat jij van mij wat kan leren.’ In de jij-vorm werd het dan weer een ode aan gelijkwaardigheid tussen mensen waar de ene niet beter of slechter is dan de andere. Al zou ‘Jantelov’ evengoed kunnen geïnterpreteerd worden op de manier zoals ik het de eerste keer deed, om mensen te beknotten en te betuttelen.

Hoe ik het ook wend of keer ‘Jantelov’ is nog zo onnozel niet. Op de een of andere manier vind ik er wel een boodschap in waar ik verder mee aan de slag kan. Om dingen te relativeren, om me met mijn voeten op de grond te houden wanneer ik wat hoogdravend word of om me er mee onder mijn kont te trappen als ik ingedommeld raak.

En dan hoop ik maar dat de grootsprekers in de politiek, in het bedrijfsleven of in de financiële wereld ook een beetje ‘Jantelov’ worden zodat dat de machtswellust of de zelfverheerlijking een beetje getemperd wordt en bescheidenheid wat bovenhand krijgt.

Want of je nu wereldleider, top politicus, minister of staatssecretaris bent: ‘Je moet niet denken dat je wat bent!’

Kauwgom en een hondendrol

 

Wanneer mijn humeur overslaat, en dat overkomt me soms meer dan dat ik het graag heb, probeer ik wel eens stil te staan, om er achter te komen, wat het is dat deze ‘moodswings’ uitlokt.

Wanneer wordt goed slecht en wanneer wordt slecht goed of beter?

Ik ben er gaandeweg, met vallen en opstaan achter gekomen dat het kleine dingen moeten zijn want aan de grote hecht ik überhaupt niet zoveel waarde. Die zullen het verschil niet maken. Dure auto’s, een groot huis, carrière, overvloed, geld, reizen of status zijn niet onmiddellijk zaken die mij druk bezighouden of die me contenter of ambetanter zullen maken.

Ik ben redelijk zeker dat het meeste wat ik nodig heb om normaal gelukkig en comfortabel door te dobberen, al bezit. Ik leef mijn dagelijks onbezonnen, niet al te ongezond leventje met huis, tuin en boom, kabbelend en rustig verder. Maar hoe komt het toch dat ik me soms plotseling en zonder grote aanleiding precies in een doodlopende steeg waan, zoekende. Naar iets dat ik niet vind. Alsof ik reik en streef naar iets dat onbereikbaar is of naar iets dat misschien zelfs niet eens bestaat.

Sommigen beweren dat tevredenheid in het alledaagse kan gevonden worden zonder te vergelijken met anderen. Dat zal zo wel zijn en het zal zo wel horen te zijn. Maar moet ik daarvoor dan dankbaar zijn? Moet ik daarvoor dan dank-u zeggen omdat er altijd wel een groter sukkelaar op deze aardkluit zal rondlopen die er slechter aan toe is dan ikzelf? Om er dan gevuld van schuldgevoel achter te komen dat ik me eigenlijk alleen maar druk aan het maken ben omdat ik dik, oud, lelijk en met de dag senieler aan het worden ben. Terwijl ik het tot nu toe alleen maar gewend ben geweest om jong en hip door het leven te dartelen. Is het dat dan en zet dat besef me dan op een dwaalspoor? Ik zal weer maar eens met mezelf lachen en dankbaar zijn dat ik dat nog kan. Dat ik mezelf nog kan relativeren tot een slechte mop.

Moet ik mijn persoonlijke voldoening dan voortaan niet eerder zoeken in een groene grasspriet en in het gesjirp van een vogel? Of in een zonsopkomst of –ondergang zodat ik op die momenten ga beseffen dat ik voor die momenten geen eurocent hoef te betalen. Om daarmee dan tot inzicht kom dat niemand zich dat tafereel ooit zal kunnen veroorloven. Zelfs niet met al het geld van de wereld.

Zal ik me dan maar gewoon maar een beetje verder blijven ergeren aan mijn omgeving, mijn werk en mijn vrienden? En aan mijn vrouw die wellicht op dit ogenblik met net hetzelfde bezig is als ik. Of zal ik voortaan trachten me niet meer te storen aan de onzekerheid van het leven en aan de dingen ervan zodat ik me wat tijd kan gunnen om te beslissen wat ik er verder mee wil aanvangen? Zodat ik bij elke fout die ik zeker nog zal maken misschien dankbaar wordt omdat ik er altijd iemand anders de schuld kan van geven. Mijn vrouw, het weer, of de Walen en de Sossen.

De belangrijkste dingen in het leven zijn gratis en voor niets en dat is een zegen want op die manier kan de rest van mijn vermogen besteden aan het op één na belangrijkste.

Van die gedachte word ik blij en bijzonder dankbaar omdat ik het op een andere manier geworden ben dan dat ik het verwachtte. En dan wordt plots die kauwgom en die hondendrol waar ik zonet in trapte het hoogtepunt omdat die me er aan herinneren dat perfectie niet bestaat. De rechtse rijstrook van het leven wordt op die manier een perfecte vluchtweg voor de bumperklevers die me van het linkse willen duwen. En met die gedachte leer ik eindelijk de dingen te zien zoals ze misschien ooit zouden zullen worden. Wanneer ik zot genoeg geworden ben en mezelf geen tijd meer gun om me er zorgen over te maken wanneer het weer  niet loopt zoals ik het verwacht had.

En als je denkt dat ik wartaal uitkraam of ongelijk heb, wil ik toch voorzichtig proberen jou van het tegendeel te overtuigen. Door me hier het recht toe te eigenen te zeggen wat ik denk, zelfs al is het niet eens de moeite waard om het te zeggen, laat staan om er deze woorden aan te verspillen.

Dank u.

Nachtgesprek.

 

Ik spreek soms tegen haar. Stom he? Ik doe dat meestal s’ avonds. Alleen, wanneer het stikdonker is en ik zeker ben dat niemand kijkt of luistert. Vanop mijn terras staar ik omhoog, in het zwarte zwerk. Ik inspecteer het donkere hemelgewelf en de maan en ik ontwar de sterren en hun beelden tussen de grijze wolken. Ik steek een sigaret op en beeld me in dat ze daar ergens rondzweeft, dichtbij hemelpoort zeven.

Een dialoog kan je het niet noemen want door de band genomen, voeren we geen diepzinnige gesprekken met lange epistels en uitgerekte standpunten. Neen, ik geloof dat ik meestal alleen aan het woord ben en zij luistert gewoon maar, als ze al luistert. Het is net zoals vroeger eigenlijk. Toen kon ze met haar binnensmonds geprevel ook de indruk geven dat ze helemaal je aandacht had, terwijl ze eigenlijk met haar gedachten ergens anders vertoefde. Hoewel ze soms ook wel het hoge woord voerde. Om zich te beklagen en om me in haar taaltje, fors de les te spellen of om me te zeggen dat ik het wat kalmer moest aandoen. Ze zal wel gelijk gehad hebben. Zoals gisteren…

 

 

<‘Ah zijde daar eindelijk? Zeg, waarom schrijft ge feitelijke nooit eens iets over mij in uw boekskes? Ik ben toch uw moeder? Of zijt ge dat allemaal al vergeten?’

>‘Vergeten? Ik ben niets vergeten. Alles weet ik nog. Ik had alleen niet verwacht dat ik u hier, zou tegenkomen. Hier in het duister van de nacht en dat je eindelijk eens iets zou terug zeggen. Ik sta hier meestal moederziel alleen in de nacht te brabbelen.’

< Ja, manneke, gij zijt ook altijd zo in gedachten verzonken en zo met uw eigen zaken begaan, dat ge me niet hoort of niet ziet. Juist gelijk vroeger.’ ‘Alles en iedereen moest altijd al wijken voor uw ideeën en plezierekes.’ ‘Hoe dikwijls heb ik dat niet gezegd tegen onze Jef.’ Die kleinste, ik weet niet waar dat hij nu weer mee bezig is maar veel goeds zullen we daar maar niet van verwachten. Daar gaan weer vodden van komen, schrijf het maar al op.’

‘Alles moest altijd verlopen hoe dat gij het in uwe kop had en als ge iets in uwe kop had, had ge het niet in uw gat he.’ ‘Pakt nu uw studies. Eerst ging ge boekhouder worden.’ ‘Toen ge daar in den tijd mee voor de pinnen kwam zei ik tegen onze Jef, daar zal veel volk naar komen zien, hij kan nog niet met zijn eigen pree omgaan, laat staan met die van een ander.’ ‘Dat zijn kosten op het sterfhuis heb ik toen gezegd en ziet, een boekhouder is er aan u niet verloren gegaan he manneke.’ ‘Dat stond hier toen al in de sterren geschreven dat ge daar geen prijzen in ging halen.’

‘Als ge dan het jaar nadien, met al uw buizen in uwe zak thuis kwam en ons op uw blote knieën kwam smeken om het nog eens te proberen in de communicatiewetenschappen, had ik daar wel een beter oog in.’ ‘Want klappen, dat kon ge als den beste, nu nog trouwens zolang het maar niet in een vreemde taal is en zolang ge niet te veel moet uitsteken.’ ‘Uw lui zweet is rap gereed en ge weet wat ze zeggen he: ‘Een ezel zweet al van te kakken’. ‘Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden zou ons Heer over u gezegd hebben.’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, van werken had ge een broertje dood he. Altijd al gehad en nu nog peins ik, al zie ik je af en toe wel al eens achter het fornuis staan of een stofzuiger vast pakken. Dat hebt ge van ons vader geloof ik, die mens heeft ook altijd mee zijne nikkel afgedraaid in het huishouden.’

‘Nu dat ik toch bezig ben. Zeg, zoon, dat boekske?  Serieus, moest dat nu?’ ‘Voor wie zijn heiligen hebt ge dat nu weer gedaan? Waarvoor of voor wie smijt ge feitelijk al uwe vuile was op ’t straat?’ ‘De mensen hebben daar toch geen affaires mee?’ ‘Peisde nu echt dat ge daar iemand een dienst mee bewijst?’ ‘U zelve ja, maar ziet toch maar uit uw doppen, dat ge genen dikke nek krijgt want soms denk ik dat ge peinst dat ge Herman Deconinck zijt.’

‘Past op, ik ga alle redenen plaats geven’: ‘Chapeau dat ge gedaan hebt hetgeen ge gedaan hebt, ik zou het niet gekund hebben. Maar om dat nu zo in het lang en in het breed, allemaal in een boekske uit te smeren.’ ‘Ik heb er mijn gedacht van maar ja naar uw moeder luistert gij toch niet he.’

‘Gij zijt nog geen haar veranderd, misschien een rimpeltje meer aan uwe mond maar ik ga het zeggen gelijk dat ik het peins. Klinkt het niet dan botst het maar. Ik vind wel dat ge het precies wel wat hoog in uwen bol gekregen hebt.’  ‘De laatsten tijd klapt ge zelfs al op de letter.’ ‘Soms zeg ik dat hier tegen onze Jef.’ ‘Die kleinste, die is al lang vergeten van waar dat hij gekomen is met zijn Jannestreken.’  ‘Juist uw vader. Zeg ik dan, want die dacht ook altijd dat hij Rockefeller was.’

‘Maar, bon ik ben de piste in nu. Ik heb genoeg op je dak gezeten en ik moet hier nog al die kruiswoordraadsels oplossen. Voor dat ik het vergeet.’ ‘Breng de volgende keer eens een paar pakjes blauwe Belga filter mee en een fles porto, ah nee want dat moogt gij niet drinken zeker?’

‘Doet ze daar allemaal de goeiedag ik zijn naar huis …’

Paard zonder teugel

 

Alle  amoureuze verhoudingen worden wel eens op de proef gesteld want elke relatie is een machtsstrijd, een soort van battle of sex(es). Autoriteit voor intimiteit. Iedereen wil immers toch in min of meerdere mate een beetje controle of autonomie over zijn leventje om dingen doen die hij of zij spannend of belangrijk vindt. Vanuit die verschillen en vanuit die soms tegenstrijdige persoonlijke keuzes en verwachtingen, kan een relatie wel eens onder spanning komen te staan en omgetoverd worden tot een frontlinie.

De generaties van een paar decennia geleden maakten er minder moeilijke woorden aan vuil. ‘Het is stil waar het nooit waait’, zei ons moe indertijd, toen het weer eens ‘groen hout’ was omdat onze va zijn goesting weer eens niet gekregen had en daarom naar het estaminet was getrokken. ‘Het waait wel over want een vent zonder vrouw is als een paard zonder teugel’. Hij komt wel terug straks. ‘ Met zijne steert tussen zijn benen!’

Onbegrensd mijn zin doen of straf uithalen ten koste van een andere, om gelijk te krijgen, om de mond te snoeren of omdat ik mijn goesting weer eens niet gekregen heb. Ik hoop dat ik het niet te dikwijls meer doe. Maar soms, wanneer ik in mijn grensposten aangevallen word en mijn tolerantie op de proef gesteld wordt, doe ik het toch. Op die zeldzame momenten, wanneer ik vind dat ik niet behandeld word zoals ik het graag wil of hoe ik denk dat ik het verdien, kan ik het nog. Dan loos ik verbale bagger om de vlucht vooruit te nemen.

‘Schijt op een hoop! Trek je hobbel en stik in je gelijk!’ en dan volgt soms nog ‘trut’, ‘kalf’ of ‘kutwijf’ Afhankelijk of zij me eerst haar favoriete koosnaam, ‘eikel’ of ‘luibakken lul’ naar het hoofd geslingerd had.

Op die momenten is er geen connectie of verwantschap en wordt de bedstee door rookgordijnen en afweergeschut een paar dagen lang omgebouwd tot oorlogsgebied, waar de ene mijnen zaait en de andere zich in loopgraven terugtrekt, afhankelijk van wie het meeste gelijk opeiste of wie ongepast te veel noten op de zang had.

Er mag best wel duidelijke limieten gezet worden om aan te geven waar grenzen liggen. En het hoeft niet altijd expliciet gezegd of luid uitgeroepen worden tot waar de andere mag gaan en tot waar zeker niet. Want ruzie maken doen we beschaafd.

Al vind ik maar zelden gelijk in straffe macho koppigheid want ‘stil is het waar het nooit waait’ en in de confrontatie schuilt ware intimiteit. Nadat alle potten door het huis vlogen en nadat  lakens scheurden door ze te hard naar me toe te trekken, worden harde woorden teruggetrokken en compromissen bezegeld. Zij meestal met een traan. Ik dikwijls met ongemakkelijke schone woorden. 

De mythe dat ik alleen maar persoonlijk zou groeien door maar wat  aan mezelf te sleutelen wordt dan met een snelle veeg van de tafel gekeerd.  Als ik het uiteindelijk aandurf om met de witte vlag omhoog en met ‘de steert tussen de benen’, de loopgraaf te verlaten voelt het niet als capitulatie of nederlaag maar als een dikke zode aan de dijk van toekomstige eensgezindheid.

En dan worden we door dat nieuwe vredesverdrag uiteindelijk alle twee winnaar van de battle of the sex(es). Zij met haar ondeugende glimlach, ik omdat ik nog steeds met twee snelle vingers haar bh kan los prutsen.

Versie 2.0. van de onnozelheid

 

Tot nog niet zo lang geleden kenden we het fenomeen alleen van horen zeggen of van uit Amerikaanse filmpjes die ons bereikten via het journaal of via You Tube.

Ik weet nog hoe we verbouwereerd, voor de beeldbuis gekluisterd zaten en massaal wenkbrauwen fronsten omdat we stille getuige waren hoe hysterische dames elkaar bekampten in de ‘catfight’ van het jaar. Ze vochten een gladiatorengevecht voor het juiste trouwkleed aan halve prijs, voor de laatste afgeprijsde roze i-phone of voor de grootste, platste flatscreen van het moment. ‘L(ife’s) G(reat)’ maar alleen maar als het plat is. Hoe platter hoe beter. Elke Amerikaan ging plichtsbewust op strooptocht naar de passende platte 2.0 versie van onzinnigheid en onnozelheid.

Vandaag zie ik in de Hoogstraat dezelfde verbaasde meute, massaal mee kwijlen met de kunstmatig opgedrongen Angelsaksische koophysterie die god weet hoe en god weet van waar, is binnen gewaaid. God betert want de West-Europese waardigheid is om zeep. Alle Amerikaanse onnozelheid wordt ten langen leste toch netjes met een ‘trick or treat’ gekopieerd alsof het al eeuwen kostbaar cultureel erfgoed is geweest.

Het is Black Friday en je zult het geweten hebben. De advertenties en verborgen verleiders worden via alle beeld poriën van gangbare schermen op mijn netvlies gespuwd om me ongevraagd te tonen dat alles te koop is, zelfs mijn kritische waardigheid.

Op Black Friday wordt iedereen meegesleurd in dezelfde koopjes orkaan of stormachtige solden windhoos waar je alles kunt kopen wat je wilt, niet op zit te wachten en zeker niet nodig hebt. Op deze hoogdag van koning kapitalisme wordt kopen, opdoen, inslaan, stockeren en consumeren de lijfspreuk van de dag. Het liefst kosteloos op afbetaling tot het maximum krediet bereikt is zodat je persoonlijke gegevens bij de volgende gelegenheid, schalks en leep opnieuw gerecycleerd en misbruikt kunnen worden.

Gelukkig is het volgende week Cyber Monday zodat alle overbodige of dubbel gekochte rommel on-line kan aangeboden worden op de betere E-bay shop. Enkel op die manier zal je binnen dertig dagen genoeg sollen over hebben om mee te kunnen doen  met de kersthysterie en broodnodig Nieuwjaar solden.

Superheld in de gouden kooi

 

Het liefst van al zou ik de wereld redden. Mocht ik een beetje moediger zijn,  ik zou een onbevreesde voorvechter zijn. Een soort superheld van rust en geluk, die elke dag nobele doelen na streeft, spannende dingen doet en mensen begeestert om ze juiste keuzes voor te leggen zodat ze gemaakt worden. Maar ik ben het niet. Ik vlieg niet zo door het leven. Ik mis er de ambitie en de eerzucht voor of ik ben er te bescheiden voor.

Carrière en aanzien, houden me weinig of zelfs helemaal niet (meer) bezig. Ik leef eerder met mijn ‘juist’ idee dat vrijheid, geluk en plezier het hoogst bereikbare level van succes is. De overschot is een illusie van opgedrongen levensdoelen die verpakt zitten in uitgedokterde loopbanen en strategische promoties.

Ik loop ze dagelijks tegen het lijf, de uitslovers, de loonslaven of statusgijzelaars, de strebers die tot eer en glorie van onbereikbaar aanzien en nutteloze status, in de gouden kooi geketend zitten. Om daar op zoek te gaan naar het hoogst ‘onhaalbare’ met klein geluk dat dient als onderpand om het net niet te kunnen verwezenlijken. Omdat de wortel te ver hangt.

In een enquête geeft een op vijf van alle werkenden voor zijn persoonlijk werkgeluk niet meer dan een zes of scoort zelfs onvoldoende, terwijl één op vijf, minimum een zeven scoort op de vraag hoe werkdruk ervaren wordt.

In mijn hoofd zie ik haastige of duffe mensen die zich geïrriteerd voortslepen in een file waar nauwelijks nog beweging in zit. Ze torsen gewicht op schouders en manoeuvreren met noeste arbeid of met ellebogenwerk naar een denkbeeldige top, net zo hard tot ze denken dat ze er zijn. Ze worden voortgedreven door de illusie van macht, status of promotie en opslag. Tegen beter weten in trekken ze verder. In slierten en lange rijen, naar kantoor of een ‘chantier’ om daar in hun hoofden aan planmatige carrières te prutsen om rijker en beter te worden, terwijl ze snakkend naar verlof, uren en dagen af tellen. Naar de avond en het weekend om daar dan zonder groot resultaat proberen te recupereren wat onderweg verloren raakte, in de jachtigheid van de ratrace.

‘Niets lijkt zo flexibel als ambities’ Want ze passen zich in hetzelfde tempo aan naar mate ze bereikt worden om uiteindelijk ongrijpbaar te worden of te duur. Tenminste als men de prijs durft te bekijken die er uiteindelijk voor betaald werd.

En dan denk ik: ‘Carrière en rijk, dat is voor idioten’ al zal het wel leuker zijn om ongelukkig te zijn in een Mercedes dan in Lada.