Categorie: Filosofisch

Kleuren van bloemen

 

De kinderen gaan binnenkort opnieuw naar school. Dan is de vakantie voorbij. De meesten onder ons gaan ook terug werken om er haastig te leven van de ene dag in de andere. De ene snel gevolgd door de andere. Het einde van de vakantie is dan het startschot om ons weer achter gesloten deuren en ramen op te sluiten, in onze dagelijkse sleur. Sommigen worden er zwaarmoedig van anderen lichten op en genieten van die geregelde drukte om weer indruk te kunnen maken of om levenswerken af te maken. Of er aan te beginnen.  Het maakt niet uit. Houd ervan, van het leven dat je leeft! En doe het met vuur en hartstocht.  De balans van het leven is zo subtiel omdat we leven op breedtegraden waar zelfbeschikking grotendeels bepaald wordt door onze omgeving en diegenen waarvoor we werken. In plaats van het heft zelf, in eigen handen te nemen. Begin er anders aan. Nu dan?

 

Hoewel ik van nature eerder pessimistisch ben, heb ik toch geleerd te leven met een relatief positieve geest. Met hoop en vertrouwen. Hoewel ik ook soms kan wegzinken in het duistere logboek van mijn leven. Om daar dan vast te stellen dat ik de cursus ervan slecht onthouden heb en gebuisd ben met onderscheiding! Stress en twijfel zijn docenten waar ik constant aan vraag hoe het verder moet. Hoe ik de dag, de week en de maand het beste indeel om er niet door opgeslokt te worden. Ze lijken wel eeuwige levenspartners in een moeilijke driehoeksverhouding. De relatie is ingewikkeld!
Hoewel ik beschik over een solide overlevings-gen en door wel wat dingen begeesterd raak pers ik mijn citroen soms ook wel veel te ver uit.  Tot er geen druppel meer in zit. Ik houd op zo veel manieren van mijn nieuwe leven, waar ik zelf architect van ben, dat ik het soms allemaal wil. Alles en ineens.  Als ik dan niet alert ben, wint de duivel op de ene schouder het van de engel op de andere. Op die momenten heb ik rust nodig zodat ik de duisternis van de herfst nog even kan uitstellen. Zodat de bloemen nog eventjes mooie kleuren sturen en ik de geur van mijn pad kan blijven volgen. Op de rechte weg. Met de juiste richting en dezelfde koers.  Met vaste tred zodat ik eindelijk die cursus vind en kan afmaken waar ik aan begonnen ben om er oude deuren te sluiten er er nieuwe te openen.

Op een dag is alles veranderd. Het is nooit te laat om te leren leven op de landweg van ons leven. Op die wegel die bezaaid is met wolfijzers en schietgeweren maar ook met kleuren van de bloemen!

Als je ze ziet staan, tenminste!

Iedereen socialist!

 

Natuurlijk ben ik een socialist. Wat anders?

Persoonlijk ben ik zeker dat er zich in ieder van ons een socialist schuil houdt. Soms sluimerend als een klein waakvlammetje dan weer hevig oplaaiend rond een kampvuur wanneer kumbaya gezongen wordt. Soms als stille toeschouwer of als supporter dan weer als activist of overtuigde pleitbezorger en voorvechter. Afhankelijk van de situatie. Wanneer we ons diep in onze democratische vezels getroffen voelen. Of wanneer fundamenteel onrecht is aangedaan, muteren we dan niet allemaal in een grote solidaire massa die zich rood van woede schaamt en zich verzet? Tegen onrecht, misbruik of waanzin? Verzamelen en verenigen we ons op die momenten dan niet allemaal in een witte mars of in een lange kaarsenstoet? Om ons collectief af te vragen hoe het zo ver is kunnen komen. Of om ons in groep te bezinnen of we nog wel Charlie genoeg zijn?

Gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit? Staan we daar op zulke momenten niet allemaal voor? Zijn dat niet universele menselijke waarden die ons onderscheiden van het dierlijk gedrag van andere soorten? Tegen verdrukking van de kleinsten. Voor een plasticvrije oceaan en zuivere lucht. Of voor wat meer comfort en waardigheid voor onze grijzer wordende generatie voorgangers? Is dat niet het soort socialisme waar we ons allemaal een beetje door aangetrokken voelen en waar we een natuurlijke aantrekkingskracht voor hebben? Voelen we niet allemaal een beetje sympathie voor Che Guevara die dolde en rebeleerde tegen Amerikaans arrogantie? Was Robin Hood niet onze held omdat hij pikte van de sherrif en voste en vogelde met de dochter van de koning? Die koning die zijn onderdanen onderdrukte en hen als misdadigers of ciminelen vogelvrij verklaarde.

Natuurlijk ging het mis toen verkeerde mensen zich Robin Hood of Che Guevara waanden. Toen figuren zich uit opportunisme en eigenbelang verrijkten op de kap van sukkelaars. En zich met rode vlag in handen en al dan niet democratisch gelegaliseerd, een post toe eigenden om mee te kunnen te tafelen rond de honingpot van dewelke ze mee konden likken. Geflankeerd door diegenen tegen wie ze zich verzetten. Zogezegd om minderheden of maatschappelijk zwakkeren te vertegenwoordigen.

Maar dat zegt niets over socialisme. Dat zegt niets over de waarden ervan. Dat zegt allesover charlatans die zich onrechtmatig die waarden toe eigenen om er voordeel mee te halen.

Maar dat socialisme raakt stilaan uitgeroeid. Dat socialsme is op sterven na dood. Laten we het begraven.

Het socialisme is dood. Leve het socialisme.

Iedereen socialist!

Lichaamsopeningen in de cloud.

 

Terwijl polen smelten, bossen verschrompelen en lucht met de dag smeriger wordt, zitten supergeeks zich geilend op The Internet of Things, intellectueel te masturberen op nieuwe apps en toepassingen. In de cloud rukken ze zich wild af op nieuwe nutteloze gimmicks waarop niemand zit te wachten. Ze bedenken en ontwikkelen onzichtbare digitale enkelbanden die onze privacy te grabbel gooien voor moderne legale maffiosi die er misbruik van maken. Terwijl wetgevers en psychologen digitale detox prediken of wetten proberen te bedenken om ons van een beetje privacy en life-balans te verzekeren, freewheelen zij zich suf over virtuele, intelligente digitale systemen die automatisch communiceren met nog intelligentere digitale netwerken zodat wij dom achterblijven. De bewegingsvrijheid beperkt tot het pad dat vooraf voor ons digitaal werd uitgestippeld. Veel mensen wandelen mee. Zoals varkens naar de voerbak van waaruit ze vetgemest worden. Ze denken er niet over na en schoffelen zich gulzig vol met voorgekauwde pulp.

Verstand en intelligentie. Ik ben er te matig mee bedeeld. De slechtste van de klas werd wel eens gezegd. Het zal wel. Maar de bollebozen van de klas van toen denken er niets van. Ze lachen me opnieuw uit. Nu als doem denkende filosoof die zich terug trekt in zijn persoonlijke grot van Altamira. Voor hen ben ik een fossiel die de moderne wereld niet kan bevatten. Volgens hen begrijp ik de snelle nieuwe wereld niet waar het privéleven zich afspeelt op het internet die veilig bewaard wordt in de cloud.

In mijn toekomstige horrorwereld zullen vroegere onschuldig en onschadelijk ogende apparaten zoals tandenborstels, tv’s, thermostaten, koelkasten, matrassen, vibrators, diepvriezers, wc-papier houders etc. die overal in ons huis aanwezig zijn, ons beloeren en bespioneren. Ze zullen er voor zorgen dat onze persoonlijke en intieme gegevens naar de cloud zullen worden getransfereerd naar het internet van de dingen.

Als ik dan in de wereld van morgen een koortsthermometer onder mijn oksel steek of hem rectaal inbreng bij mijn 3 maand oude jammerende baby. Of wanneer ik mijn tanden een wittere tint geef met mijn elektronische tandenborstel, zal ik via usb-poorten van mijn lichaamsopeningen informatie doorgeven naar mijn veilige cloud. Zodat wanneer ik me aanmeld bij mijn volgende internetsessie het winkelmandje automatisch gevuld wordt met glutenvrije koekjes en zeep voor de intieme hygiëne. Mijn tandarts zal me automatisch whatsappen en me laten weten dat ik bij mijn volgende virtuele controle volle pot zal moeten betalen. Omdat ik het afgelopen jaar gemiddeld genomen mijn tanden maar 2 keer gepoetst heb in plaats van 3 keer zoals mijn tandverzekeringspolis het me het had voorgeschreven.

Gelukkig ben ik maar een cynische doemdenker en heb ik geen rectale koortsthermometer. Ik lach met mezelf en sla een bladzijde om van een boekje dat vanmorgen in de brievenbus viel en ik lees de kop van het eerste artikel. There is no bigger high than discovery… Het zal wel.

Cara en 4 Roses?

 

Heb ik een probleem? Als ik die vraag voor de kiezen krijg (en dat overkomt me de laatste tijd vaker) ken ik doorgaans het antwoord wel.

De vraag stellen is ze beantwoorden! Althans zo is het toch bij mij gegaan. Op het ogenblik dat het voor mezelf helder werd dat ik weerloos was geworden en dat het spul me volledig in zijn greep had kon ik pas een volgende stap zetten. De eerste eigenlijk. De belangrijkste. Vanaf dat moment kon het anders en beter.

Als ik het thema tegenwoordig ongevraagd voor de voeten geworpen krijg en ik geconfronteerd wordt met heel persoonlijke problemen, schrijnende verhalen of situaties, worstel ik met een dilemma:

Ben ik wel de juiste persoon om antwoorden te geven?

Heb ik al recht van spreken?

Ben ik wel sterk en betrouwbaar genoeg om te zeggen hoe het anders kan?

Elke situatie is toch verschillend en wie ben ik om te prediken hoe het moet? Want er moet toch niets! Dat is toch niet voor niets mijn persoonlijke lijfspreuk geworden. De leuze waar ik elke dag tot vervelens toe mijn omgeving mee tracht te beïnvloeden?

Een dilema dus. Omdat, toen ik het destijds allemaal niet meer wist, wel antwoorden kreeg op vragen die ik mezelf nog niet had gesteld. Door iemand die met hetzelfde worstelde en zich eveneens afvroeg: “Wie ben ik om over jou te oordelen en je als alcoholverslaafde te bestempelen? Er is maar een persoon op de wereld in staat hierop een juist antwoord te geven en dat ben jezelf’”

Als ik er nu op terugkijk op dat levensbelangrijke ogenblik denk ik dat dit het enige juiste antwoord was, waar ik destijds met enige kans van slagen mee verder kon. Indien hij me toen in mijn schuchter vermoeden bevestigd had, was ik vermoedelijk weg gelopen. Ver weg van mezelf en van mijn levensprobleem. Om nooit meer terug te keren.

Vorige week zocht ik door de straten van Parijs naar vertier, opgelgde cultuur en culinaire hoogstand. Waarvoor gaat een mens anders naar de lichtstad? Toch niet om 2 uur aan te schuiven en op een ijzeren toren te klimmen? In de buurt van Het Louvre laveerde ik plots ongemakkelijk tussen clochards. Tussen vale, onfrisse buitenslapers die zich met gans hun hebben en houden in een verhakkelde slaapzak, ongemakkelijk onder een gaanderij hadden geïnstalleerd. Vanop hun stuk karton keken ze wezenloos en verdwaasd naar de wereld. De lege flessen goedkope bocht lagen verspreid aan hun voeteneind. Aan de halfvolle of halflege klampten ze zich vast al was het hun dierbaarste bezit. Dat zal het in hun ogen ook wel geweest zijn. Ik zag het er aan. Aan de ogen die ik herkende.

Zowel de toeristen als de Parijzenaars gunden hen geen blik. De massa passeerde en stapte er onachtzaam over, zoals over een plas modder! Zoon van of dochter van? Vader, moeder of broer van… geen mens geeft om hun verhaal of aan hoe zij precies op dat stuk karton zijn beland met hun onafscheidelijke fles binnen handbereik.

Gisteren brak Avicii zijn pijp. Oorzaak drank! Al mag dat niet op die manier gezegd worden. Want dat is geen voorbeeld voor de jeugd.

Over de doden niets dan goeds. Zeker niet over bekende doden. Wellicht zal de doodsoorzaak de komende dagen dan ook wel als orgaan falen bestempeld worden. Net zoals bij Amy Winehouse, Whitney Huston, … of dichterbij, Luc De Vos. Je bent per slot van rekening voor iets toch een publiek figuur (geweest).

Echter, als clochard uit Parijs er met vier komma zes promille alcohol in zijn bloed, van tussen valt heeft hij zich simpelweg dood gezopen.

Wat is het verschil? De keuze tussen een krat Cara en 2 flessen Four Roses?

Op momenten als deze heb ik minder last van mijn dilemma. Omdat ik de wanhoop herken in de ogen van die zwervende sloeber en juist kan gissen naar dezelfde wanhoop als waar Tim Bergling eenzaam ten onder ging op zijn hotelkamer in Oman.

En jij? Hoe zit het met jou? Hoe wil jij de pijp aan Maarten geven? Met Cara of met Four Roses? Of ergens halverwege, met iets daar tussenin?

Zwarte vogels

Ik sta in de keuken en drink koffie. Zwart want zo heb ik hem graag.  Dan proef ik de bitterheid het sterkste. Van achter het glas kijk ik in de tuin. Het is windstil. Dat zie ik aan de bomen. Blad loze takken hangen doods af. “Treurwilg”, die naam is niet slecht zo gekozen. Het grijze wolkendek is rimpelloos strak gespannen en lijkt roerloos. Zonder het geritsel dicht bij de composthoop zou ik denken dat de wereld stilstaat.

Een kwartier al speur ik naar fladderende vleugels. Tot nu toe telde ik 2 Spreeuwen, een Merel, een koppel Pimpelmezen en een zwarte vogel. Dat blijkt een Kauw te zijn maar om daar zeker van te zijn moest ik dat opzoeken. Er bestaan veel zwarte vogels. Zelf kende ik het verschil niet tussen een Kraai of een Kauw. Nu dus wel. Er blijken meer verschillen dan overeenkomsten te zijn. Alleen het roepen en krijsen, dat hebben ze met elkaar gemeen. Er vliegen meer vogels over de dorre Buksus dan dat dat ik er op een andere zaterdagmorgen aandacht voor heb. Ik noteer de soorten en het aantal vliegende passanten netjes op een velletje papier zodat ik straks mijn telling kan doorsturen naar Natuurpunt. Ze hadden dat gevraagd. Vraag me niet waarom.

2 zwarte Kauwen, want ze hebben een dikkere kop en zijn grijzer van kleur dan Kraaien of Raven, krijsen luid. Ka-ka roepen ze tegen elkaar. Ook al zien ze er net eender uit, lijken ze elkaar hun kleur wel te verwijten. Zwart en lawaaierig dat zijn ze alle twee. “De pot verwijt de ketel”: lach ik in gedachten. Ik denk dat het mannetjeskauwen moeten zijn want hun wijfjes zullen wel andere zaken aan hun kop en cloaca hebben, zo een paar weken voor het broedseizoen.

Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Ook al vind ik dat ka-ka-roepen niet veel uitstaan heeft met lied of vogelzang. Toch maakt hun scheer-je-weg-gejoel maar weinig indruk op de andere vogels. De Spreeuwen en de kussende Pimpelmezen gaan gewoon verder waarmee ze bezig waren. De ijverige merel trappelt zenuwachtig een pier uit het zompige gazon. Zijn morgen kon slechter beginnen want op deze tijd van het jaar zitten doorgaans niet veel pieren in het gazon. Die vind je eerder op een warme mesthoop. Vreemd dat die Merel dat niet weet.

Deze week weerde ik bewust alle mediaberichten uit mijn dagelijks dieet. Geen nieuws, goed nieuws! Mijn humeur werd de afgelopen 7 dagen niet bezoedeld door droevige of ergerlijke berichtgeving. Of door haantjesgedrag van menselijke zwarte vogels.

Wat een onbeschrijfelijke luxe, wat een rust! Ik werd er niet door geïndoctrineerd of beïnvloed. Ook niet door de mediamannen of madammen die met hun versie van de feiten hun gelijk wilden halen van diegenen waarvoor ze het opschrijven of uitroepen. Ze hadden geen vat op mij. Ik heb ze niet gehoord want ik heb niet geluisterd. Ik hoef dus geen partij te kiezen want ik heb geen benul over welke onderwerpen de meningen uit elkaar getrokken werden.

Ik kijk verder naar mijn tuin. Naar het gevrij van de Mezen en naar het getrappel in het gazon.

Er vliegt een grote zwerm zwarte vogels over. Spreeuwen denk ik.  Ze zijn terug van Spanje of van Catalonië.  Dat kan ook. Ze komen in elk geval uit het zuiden. Sommigen vliegen links anderen rechts. Een aantal kiest gewoon voor rechtdoor. Een paar 100 meter verder komen ze mooi in harmonie terug bij elkaar en vliegen verder. In één grote zwerm.

De mannelijke zwarte vogels geven luid commentaar met hun enerverende ka ka kreten. Om aandacht te trekken, om af te schrikken of om indruk te maken.

Verder gebeurt er niet veel. Behalve dan dat de andere vogels geen aandacht geven aan het gekrijs. Ze doen gewoon verder. Met hun pier of met hun paringszang. Zo eisen ze ook beetje tuin-ether op.

Elk vogeltje zingt zoals hij gebekt is.

Het gaat nog goed komen.

 

Krekels

Ik staarde de hele morgen al naar de schermbeveiliging van mijn computer. De kleurschakeringen ervan waren me nog nooit opgevallen. Als ik er lang naar staar krijg ik hoofdpijn. Het kleurrijke bureaublad is handig ingedeeld. Bovenaan links verzamel ik de nuttige snelkoppelingen.  Ze brengen me met één of met hoogstens 2 klikken bij de gewenste informatie. “Sites voor professionele doeleinden.” Ze bleven al een tijdje onaangeroerd. Ook wel omdat het wat langer verlof geweest is.

Van alle MS office snelkoppelingen die links onderaan bij elkaar gepakt staan word enkel MS Word gebruikt. De rekenbladen, de relationele database-applicaties en de overige MS Office toepassingen staan er gewoon de hoop te vergroten. Misschien zijn ze daar gewoon maar zichtbaar uitgestald om indruk te maken op mezelf? Of op anderen. Wanneer die heel af en toe eens iets mee lezen en ik op die manier naar zelfbevestiging zoek, voor iets wat ik geschreven heb.

De sociale media apps prijken rechts bovenaan. Handig in het zicht. Wellicht is dat geen toeval. Waarschijnlijk staan ze daar bij elkaar omdat ik een beschik over een dominantere rechter hersenhelft. Met deze handicap behoor ik tot een select clubje van beelddenkers. Niet dat ik daar verder groot nadeel van ondervind of dat ik er mijn scherm zo voor ingedeeld heb. Neen, ik ben namelijk niet zo bezig met hersenhelften. Niet met de linkse en ook niet met de rechtse. Ook niet met indelen van computerschermen, trouwens.

Ik klik op het facebooklogo. Dat staat tussen twitter en whats app en onder het instagramlogo. De sociale media checken is een bezigheid die ik wel meer dan eens per dag uitvoer. Meestal uit verveling, vaak uit nieuwsgierigheid. Een icoon in het midden van de navigatiebalk valt me onmiddellijk op. Het icoontje dat zich rood kleurt wanneer een nieuw vriendschapsverzoek zich heeft aankondigt. Hoe mooi is dat toch geformuleerd. Er is zeker strategisch denkwerk aan vooraf gegaan. Vriendschapsverzoek. Ik lees het woord luid op en ik moet lachen. Want het brengt me helemaal terug naar vroeger. Naar de tijd toen ik met opgetrokken kousen in mijn sandalen op de speelplaats van mijn nieuwe school vroeg: “Wil jij mijn vriendje zijn?” In de choreografie van mijn denken haalt de rechter hersenhelft even voorsprong op de linkse helft maar ik duw het beeld weg naar mijn mentale prullenmand.

Een vriendschapsverzoek. Wie kan deze smeekbede zomaar negeren zonder er zich nadien slecht bij te voelen? Dus ik accepteer het net zoals ik vroeger ook gemakkelijk aanvaard werd. Gaan we knikkeren of spelen we verstoppertje? Die rechter helft toch.

De artikels op facebook worden fel becommentarieerd. Iedereen heeft zijn zeg. Van op veilige afstand wordt duchtig gal gespuwd. Op alles en iedereen.  Meningen ongezouten. Ik lees de scherpe kritiek die met dezelfde zuurtegraad opgemaakt werd als waarmee Andras Pandy zijn nabestaanden heeft opgelost. Ik word er niet vrolijker van.

Gelukkig zijn mensen in het echt leven iets vreedzamer en bedachtzamer op hoe ze het zeggen. Althans daar roddelen mensen eerder zoals krekels dat doen. Ze maken nog wel irritant lawaai maar vallen geruisloos stil als je dichterbij komt. Misschien moet ik daarom nu naar buiten om de krekels te bedaren of om een echt vriendschapsverzoek te krijgen aan een toog.

Zullen we nog een koffie drinken of had je liever iets sterker en heb je dat artikel al gelezen op facebook?

50

Het jaar is nog maar 14 dagen oud en gemeende nieuwjaarswensen worden al ingewisseld voor onheilsberichten. Rampspoed voorspellingen over niet te vermijden gebeurtenissen die dit jaar zeker zullen plaats vinden.

“Je wordt 50 he dit jaar? ” Ik denk niet dat de vraagstellers op deze retorische vraag een antwoord verwachten. Maar ze zullen het wel zo bedoeld hebben dat ik me erdoor aangesproken voel. Dus knik ik bevestigend zonder deze waarheid verder uitgebreid te bevestigen of te ontkennen. Mijn paspoort liegt er namelijk niet over. Mijn grijze haren evenmin.

Met welk doel wordt ze dan wel gesteld? Om me met de neus mee op de feiten te drukken dat mijn toekomst korter is geworden dan mijn verleden? Want dat is door de gemiddelde levensverwachting toch een statistische zekerheid. Misschien doen ze het om er hun eigen ogenschijnlijk eeuwige jeugdigheid mee in de verf te zetten? Ik weet het niet.

Het feit dat ik aanstoot neem aan deze materie laat wellicht een ontluikende midlife crisis vermoeden. Dat moet het wel zijn anders zou ik me er niet zo aan storen. 50, het cijfer galmt nog na onder mijn hersenpan. Het weerklinkt in de open ruimte die vrijgekomen is door de grijze massa die er door de tand des tijds in verschrompeld werd.

Een midlife crisis is alles behalve een amusante gebeurtenis. Ik weet er geen weg mee. Voor het eerst verdenk ik mijn lichaam van hoogverraad en meineed omdat het probeert feiten te ontkennen die voor toeschouwers en getuigen niet te verdoezelen blijken. Hoewel een strakker onderlijfje de bewijslast tijdelijk kan ontkrachten, klinkt na het pleidooi het vonnis toch onverbiddelijk. 50

Opeens word ik geconfronteerd dat ik misschien sterfelijk ben en dat er niet zo veel tijd meer overschiet om oud te worden omdat alle andere mensen opeens allemaal jonger lijken te worden. Op 49 begin ik me er al zelfs op te betrappen liever een dutje te doen dan naar buiten te gaan om er iets leukers te doen. Ik maak me zorgen over wat er nog gaat komen.

Het valt me ook op dat het andere geslacht lang niet meer zo sexy is als vroeger. Toen hun aantrekkelijke lijven nog strak en niet uit proportie oogden. Het rolletje bil valt me opeens op in dezelfde slip die het tot voor kort verborgen hield. Ligt het aan mij of is het mijn persoonlijk cijfer dat mijn zintuigen op een nieuwe manier doet waarnemen? Op een helder moment herinner ik me nog precies wat seks was al ben ik niet meer zeker hoe er met een kans op succes aan te beginnen. Al wil ik dan nog wel een spannende affaire, ik ben niet zeker of ik er de tijd en de energie nog wel voor heb.

De kleine lettertjes maken me argwanend alsof er achter elke boodschap onheil verborgen zit. Al zou het ook gewoon maar kunnen dat door een leesbril de tekst minder noodlottig wordt. Opeens lijkt het alsof ik alles al gedaan heb maar ik me niet meer kan herinneren of ik het leuk vond of niet. Ik moet me gewoonweg ook meer herinneren dan dat ik het gewoon ben. Soms denk ik zelfs dat mijn kinderen al vergeten zijn hoe ik echt ben. Dat er nog wel een kind schuilt in dat omhulsel dat ouder wordt en minder aantrekkelijk oogt. Met een rimpel meer.

Toch ben ik er van overtuigd dat mijn badkamerspiegel niet altijd de waarheid spreekt en dat hij binnenkort zal ontmaskerd worden. Net zoals jullie. En dan hoop ik maar dat jullie jullie verdiende straf niet zullen ontlopen. Dat jullie zich ook in een strakker onderlijfje zullen moeten wringen. Of in een korset met walvisbaleinen. In een vruchteloze opging om er dan net zo sexy te blijven uitzien dan ik.

Flipperkast

Het is een onbetaalbare luxe om zo maar 15 dagen uit mijn agenda te kunnen scheuren. Er volledig tussen uit te knijpen en er gewoon mee weg te komen. Ik besef het en ik voel me geprivilegieerd. Er bestaat niemand die het meer waardeert dan ik.

Voor mijn break zat een volledig jaar verpakt in 15 dagen. Al wat normaal over een wat langere periode gespreid wordt, zat nu tussen kortere mijlpalen op elkaar geperst. Dood en feesten met een verjaardag als apotheose.

Veel grotere contradicties zijn er niet. Al had een geboorte of lottowinst het plaatje misschien wel helemaal compleet gemaakt.  En toch is het allemaal op de een of andere mysterieuze wijze wel gelukt. Op een vreemde manier kreeg alles en iedereen wel een plaatsje en een pakje met wat warme aandacht op het juiste moment. Maar het was soms geen sinecure.

In de flipperkast van het leven sprongen alle bellen en lampjes tegelijkertijd, fel hectisch aan en uit. De ijzeren bal vloog in een onhoudbaar tempo, oncontroleerbaar over het speelveld terwijl ik als een gek flipperend dat ding probeerde in bedwang te houden. Ik kreeg door dat in dit spelletje geen plaats is voor winnaars en na een paar extra ballen en wat gratis credits hield ik het voor bekeken. Game Over. Want zo eindigt het toch steeds. Met steeds weer datzelfde irritante geluidje.

Loslaten biedt ruimte en maakt plaats voor iets anders zeggen levensprofeten. Ze hebben overschot van gelijk weet ik nu. Ik ben dan ook vast besloten in de toekomst nog meer platte rust te nemen. Gewoon doen zoals nu. Bewust niets met toegewijde ambitie tot nog minder. Om de boel terug op te laden.

Ik zal de rattenkoers koppig blijven ontlopen. Me er vast besloten ver van afwenden tot de op de laatste dag. Tot alle 15 dagen gevuld zijn met onbetaalbare onbenulligheden.  En dan zal ik mijn agenda vast nemen. Om er een volgende time-out in vast te leggen zodat ik me zelf scherp houd en niet meegesleurd word in dingen die er niet toe doen. Zoals in een zinloos flipperkast spelletje.

Een kanten slipje en een pyjamabroek met strepen.

Wat ik al een tijdje vermoedde. Mijn dagen zijn geteld. Ik ben niet meer nodig. Mijn bestaansrecht is bedreigd. Ik ben even overbodig als zonnecrème in de winter. Ik voel me als een beer op de Noordpool.

Voor mijn denkbeeldige ogen loop ik in een lange rechte rij naar een recyclagepark. Voorgegaan en gevolgd door dezelfde nuttelozen. Overtollig en redundant! We slenteren naar een park waar walkmans uit de jaren 80, computers, oude tv’s of cd-spelers gesorteerd en geperst worden tot nieuw, herbruikbaar recyclage-ijzer.

Jarenlang duwde ik de signalen weg. Alsof ze niet bestonden. Alsof het wel allemaal wel zou overwaaien. Sinds vanmorgen mag ik echter mijn ogen niet langer sluiten. Ik moet het onder ogen zien. Ik mag het sein niet negeren.  Dat mijn lot bezegeld is.

Vroeger zat ze mij op te wachten. Met gekookte eitjes en confituur. Ze wachtte geduldig op warme broodjes en koeken van bakkerij Verhelst. Dat waren de beste. Zeker die met krieken of met ingebakken chocolade. En op de krant. Op zaterdag konden we dan lang ontbijten. Zij, in een kanten slipje en een oud T-shirt. Ik in mijn hippe, tot op de draad versleten pyjamabroek met strepen. We hingen dan door tot ver na 12 uur. Met koffie, vers geperst sinaasappelsap en elk ons deel van de weekendkatern. Ik met de neus in sport en de politiek. Zij in de lifestyle- of in de reisbijlage. Halverwege wisselden we dan even om interesse te tonen in wat bij de andere zo lang de aandacht had opgeëist. Kans groot na de 2e lezing dat slipje en die verhakkelde pyjamabroek van ons lijf gleden en nog een paar uur bleven rondslingeren onder de keukentafel.

Toen ik vanmorgen van de bakker binnen viel met dezelfde broodjes en koeken, èn de gazet, viel het me op dat alles opeens anders was. “Ik had al afbakbroodjes in de oven gezet. Is dat geen verspilling? Zoveel koeken?”. De krant bleek ook overbodig want de IPad had al het nieuws al binnen gegooid. De sport en de nieuwe lifestyle. De zacht gekookte eitjes ontbraken. Het slipje ook maar het sinaasappelsap was er wel. In een vierkant tetra pak. De krant bleef onaangeroerd  en een kwartier later spoelde de vaat de kruimels van onze borden proper.

Met heimwee blik ik terug op dat paradijs van vroeger. Toen ik nog voor meer dan 10 dingen het gepaste instrument was. Toen ik op zondagmorgen nog facteur van dienst mocht spelen om een krant te brengen.  Of glazenwasser, die meer aandacht mocht hebben voor de taferelen die zich achter het glas afspeelden dan voor de strepen die zijn zeemvel achterliet. Af en toe werd ik zelfs joystick van een apart X-box-spelletje. Op de keukentafel, als melkboer.

Wij venten doen er niet meer toe. Al langer hoe minder. We worden meer en meer vijfde wiel aan de wagen.

Misschien hebben vrouwen zich gewoon veel beter aangepast aan de moderne wereld dan wij mannen. En lopen we daarom een beetje achterop in onze processie van Echternach. Wij leven immers al beduidend korter dan vrouwen. Is dat geen voorteken?  Een bewijs van onze zwakte? Ons zelfvertrouwen wordt ook meer en meer op de proef gesteld? Zeker nu vrouwen het steeds meer met elkaar beginnen doen. En zelfs manloos moeder worden, zonder onze tussenkomst. Het wordt stilaan ernstig.

Ze spelen het allemaal op hun eentje klaar. Vanzelf. En dan vraag ik me af of ze zich soms schuldig voelen. Omdat ze ogenschijnlijk zelfrijdend door het leven fietsen. Als grote overwinnaar van de oorlog der seksen?

Wij venten daarentegen moeten dringend gereanimeerd worden opdat we niet vervagen. Misschien kunnen vrouwen een handje helpen. Ons af en toe kunstmatig, mond op mond beademen zodat we niet uitsterven en achter glas terecht komen. Achter een vitrine van een of ander museum. Tijdens een expositie van andere, met uitsterven bedreigde diersoorten.

 

Zweet en testosteron.

Ik loop gevaar. Misschien haal ik de morele Vlaming en bij uitbreiding een groot deel van de wereld over me heen. Wellicht zal #metoo zich roeren. Mogelijkerwijs zullen feministen me uitbraken en word ik door hen straks leidend voorwerp als een brandend slipje of een smeulende BH.

Meer dan 20 jaar bracht ik door in een kleedkamer van een handbalploeg.  In dat venten hok rook het naar mannenzweet en proefde je testosteron. Zeker na een overwinning. Opgenaaid door adrenaline en te veel gulzige pinten deden we rare dingen. In geen tijd kon de elite van het Vlaamse handbal dan muteren tot heel veel helaasheid der dingen.

Lag je op je buik op de massagetafel liep je risico op hars in je reet.  Eens onder het stortbad lachten we met elkaars piemels. Alle formaten werden even hard op de korrel genomen. De te grote, de te kleine, de te dunne en de te dikke. Met te veel schaamhaar werd ook gelachen. Het was per slot van rekening nog steeds de jaren ‘90. Een bijgeknipt plukje werd nog wel getolereerd maar te veel al-qaida was in dat tijdperk ook al uit den Boze. Was je niet genoeg  getrimd, werd spot en nijd je deel. Voor de rest van de avond.

We urineerden onopgemerkt tegen elkaars benen of knepen shampooflessen leeg tot iedereen een Fellaini kapsel had. Al heette dat toen zo nog niet. Toen was dat nog gewoon een Michael Jackson-coupe omdat de King of Pop toen nog gewoon een zwarte was met Afro haar dat een beetje te bol stond. In die tijd was hij nog niet af gebleekt en accordeerde zijn Afro-neus nog helemaal met de rest van zijn tronie.

Naakte branieschoppers waren we. Macho’s met afgetrainde torso’s maar met een te klein of een te groot pietje. Of een te dik dat kon ook.

De grootte van onze mond en de vunzigheid dat we ermee uitkraamden was omgekeerd evenredig aan de grootte van ons zelfvertrouwen en de gevoeligheden die we er probeerden mee te verdoezelen. In de kleedkamer golden nu eenmaal heel andere wetten. Onoverwinnelijk waanden we ons. De zwaksten moesten er van tussen.

Met geribbelde pint in aanslag schopten we keet en zongen uit volle borst en in een valse toonaard: “Hete wijven voor de werkman.” De kans niet onbestaand dat nadien “De-keizer-van-China” en “De-Dochter-van-de-Paster” in alle uithoeken van de kleedkamer door iedereen werd mee gekweeld. … Ne keer langs hier.. ne keer langs daar.. ne keer langs voor… ne keer langs aahaaaachter…

Sommigen echter, bij wie het licht al gedoofd was en bij wie de hersencellen begonnen op te spelen tegen zo veel kuddegedrag, beperkten zich enkel nog tot: “Blote Tetten” en “Ein Prosit!”

Van fijnbesnaarde gevoeligheid mocht je ons niet verdenken. Van gemeende vrouwvriendelijkheid al evenmin. Toch niet in de kleedkamer. We gedroegen er ons als lompe boeren. Na winst werd de kleedkamer een vunzige concertzaal. Een soort van cantus vol platte liedjes met stomme teksten waarin vrouwen de hoofdrol kregen als lustobject of handig gebruiksmiddel. “Buurman wat doe je nu?”

Maar het was geen seksisme.  “Blote Tetten of Kleine Pietjes” waren geen luidruchtige uitdrukkingen van vrouwelijke of mannelijke onderdrukking. Wat we in gedachten deden als Keizer-van-China en met de Dochter-van-de-Paster was groen en onschuldig gestoef. We deden het toch niet bloot op de straat. Het was toch niet echt?

Met dat onhandig haantjesgedrag blonken we enkel onze denkbeeldige pluimen op. Omdat we hoopten dat ons kleurenpalet zo wel een beetje meer zou opvallen als we straks tussen de echte kippen moesten laveren.

En dan moet ik eerlijkheidshalve nog toegeven dat wanneer de eerste slow door de luidsprekers galmde ik mijn portefeuille wel eens vooraan in mijn onderbroek gestoken heb. Om hem niet kwijt te raken denk ik.

 

 

 

Alles komt goed.

2 minuten rust gun ik me nu.
Om even afstand te nemen van de drukte en het gedoe.
De voorbereidingen van zo een feest zetten altijd al mijn zintuigen op scherp.
Zal er genoeg zijn? Alle alarmbellen beginnen te rinkelen.
Zal het wel lekker zijn want zo een homp vlees bak ik niet alle dagen?
Een uur op 160 of 50 minuten op 180°?
Moelleux? Moeten die gebarsten zijn of net niet? Meus en Huysentruyt spreken elkaar tegen.
Mijn hart slaat sneller dan gewoonlijk en er vormen zich pareltjes zweet op mijn slapen. Ben ik aan ’t panikeren?

“Doe maar gewoon”: fluistert iemand. “Alles komt altijd goed.”
Ik weet dat ik dat altijd zeg als iemand door de omstandigheden in overdrive raakt.
Ik ga languit op mijn bed liggen en overloop in gedachten alle lijstjes.
Als ik gewoon doe, rustig blijf en vertrouw op mijn intuïtie zal het goed komen, zoals het dat altijd wel doet.
En als het iets te is of als net niet genoeg zal men me daar niet voor afschieten.
“Het komt wel goed.”
“Alles komt altijd goed.”

Laat je niet opjagen. Vergeet niet te genieten van de zorgvuldigheid die je besteedt aan het koken. Als je de kalkoen vult, je wildstuk lardeert of je pan déglasseert. Je doet het voor de mensen die je graag ziet.

Straks wordt de kamer gevuld met gezellige luidruchtigheid die de temperatuur van je gebraad zal relativeren. De ingezakte moelleux zal niet eens opmerkt worden.

Geniet van wat op je bord komt maar toch vooral van elkaar!
Fijn kerstfeest aan iedereen die van goeie wil is en niet vergeten.
Alles komt goed! Dat doet het altijd.

 

Geesten van het verleden.

Persoonlijk zie ik me eerder als iemand die meer vooruit blikt dan achteruit.
Ik probeer vandaag te leven. Met mijn wortels in het nu. Om niet omver geblazen te worden door gisteren.
Dat lijkt me een goede manier. Misschien is dat de juiste tactiek voor mezelf. Om te leren leven met de ervaringen uit het verleden maar met de blik gericht op wat nog moet komen.
Vooruit, met gedachten en energie gericht op de toekomst. Of op straks.

Ik ben soms wel eens nostalgisch. Op die momenten blader ik graag in een oud fotoalbum. Dan komt wel eens een beeld of een geur helder terug op de voorgrond. Maar ik bewaar geen stapels krantenartikels of schoolrapporten. Tenzij op zolder ergens in een vergeelde doos. Maar dan niet om er sentimentele herinneringen in gevangen te houden. Maar omdat ze deel uitmaken van wie ik ooit was.  En opdat mijn kinderen straks ook nog weten wie ik ooit geweest ben wanneer ik het zelf vergeten ben.
Als ik iets 2 jaar niet gebruikt heb gooi ik het doorgaans weg. Om maar te zeggen. Mijn geschiedenis is niet zo belangrijk. Ik ben er niet heel erg mee bezig. Dacht ik. Tot de laatste dagen. Tot deze week.
Deze week was een ongewone week. De stekker werd uit een verleden getrokken. Daardoor kwam ik in contact met een deel van mezelf dat ik vergeten was. Door de gesprekken kwamen herinneringen binnen die me terug brachten naar mijn roots. Of ik het wou of niet. Of ik ze wou zien of niet!
Ik kwam opnieuw op al die plaatsen, bij al die mensen, bij al die geesten uit het verleden.
Ze hielden zich wellicht al die tijd ergens stil verscholen op een plaats mij onbekend. Ergens in een klein donker plekje van mezelf. Maar ze waren er nog. Ze zijn nooit weg geweest.
De laatste dagen werd ik door de gebeurtenissen achteruit geslingerd en door de tijd terug gereisd naar al die plaatsen. Waar ik al was geweest. Lang geleden.

In een boekje bij de dokter las ik ooit. Het leven draait rond in cirkels. Ik zal zeker mijn voorhoofd gefronst hebben en zonder er verder aandacht aan te geven gedacht hebben: “Ja, dat zal wel!”
Maar als het wel zo is, helpt het misschien dat ik voor ik weet waar ik naar toe ga, eerst probeer te achterhalen waar ik al geweest ben.
Dan komt het verleden en de toekomst straks bij de volgende slingerbeweging misschien samen en worden 2 dimensies op mysterieuze wijze terug verenigd.
En dan zal ik de persoon die ik toen was misschien wel herkennen om te beseffen dat ik dat was!

Tweeduizend-vroeger.

De wereld wordt langzamerhand wit geschilderd. Het open vuur knettert en vult de kamer met een gezellig ruikende warmte. Dennenhout gok ik. Want het vuur verteert het hout te snel om beuk of eik te zijn.
De gelige verlichting langs de straatkant projecteert de schaduw van vallende sneeuwvlokken tegen het strakke, voile gordijn.
De meeste pakjes onder de boom zijn verpakt in goud of zilver. Rood kan ook. Tenzij de cadeautjes voor de kleinsten bestemd zijn. Dan mogen ze ook felblauw of roze.
Als je zelf al op jaarlijkse cadeautjes rooftocht geweest bent, weet je aan de verpakking alleen al uit welke etalage ze komen. Als je ze schudt ken je de inhoud. Meestal toch. Ik deed het elk jaar opnieuw. In het geniep. Wanneer er niemand thuis was en zeker niet betrapt kon worden.
Het rode pakje met het gouden strakke, in professioneel gedraaide krullen is parfum. Want er plakt een stickertje op. ici paris xl. Dat zie je, als je van dicht genoeg kijkt.
De flessen voor de mannen haal je er ook uit. Straf spul van Prik & Tik. Of hele dure rode. Dat kan ook.
De kleinste pakjes zijn de duurste. De grootste het goedkoopst. Want die moeten door hun omvang goed maken wat er maar voor betaald werd. Een nieuwe pmd vuilbak is een kanshebber, gis ik.
Al zou ik dit jaar ook wel eens dat kleinste doosje willen maar dat zal voor volgend jaar zijn.
Het maakt niet veel uit.
Er zijn al 5 echte glazen ballen aan gruzelementen gevallen. De eerste kerstbal brak toen ik het kleinste pakje wou verbergen tussen de naalden en de lichtjes. De laatste toen mijn eega een passende plek zocht voor het grootste pakje.
Het maakt niet zo veel uit.
Volgend jaar moeten er toch nieuwe gekocht worden omdat deze verzameling niet meer compleet is. En omdat er geen 2 verschillende soorten tegelijkertijd in mogen. Dat vloekt. Gelijk een tang op een varken. Zegt ze. Ze zal wel gelijk hebben want ik ken niet veel van kerstballen.
De feestdis staat ook op punt. Geen gevulde kalkoen met airellen en gestoofde peer met kroketten maar iets met lam en verloren groenten. En creme brulee als dessert. Alleen mag ik niet vergeten te zorgen voor een keukenbrander. Het oog wil ook wat. Anders blijft het gewoon maar creme patissiere met suiker. Ook niet slecht maar niet zo chique.
Het maakt niet heel veel uit.
Eigenlijk maakt het niets uit. Want één stoel zal onbezet zijn. Die van onze pa. En hij vond het allemaal niet zo belangrijk. De ballen, de dure rode of de paris xl. Die werd gewoon elk jaar opnieuw al gelukkig met die paar woorden die steevast de pakjesavond inluidden…Van je kleinkind Noor, Thijs of Dries, Bornem 1 januari “tweeduizend-vroeger”…

 

Stem

Ik wil niet laten blijken dat het me soms allemaal zwaar valt.

Ik wil niet zielig zijn en al helemaal niet pathetisch overkomen. Hoe simpel zou het leven zijn als ik er oppervlakkig zou kunnen door fietsen. Zonder moeilijke vragen. Zonder antwoorden die ik niet ken. Of hoe het verder gaat of zou moeten gaan?

Ik zoek toch geen geforceerde goedkope aandacht of airtime om zo maar wat te praten? Over koetjes en kalfjes of over wat er echt speelt?
Natuurlijk stoort het me dat ik je niet op val. Dat ik helemaal radio stil en geruisloos onder jouw radar blijf manoeuvreren. Dat het voor jou gewoon niet belangrijk genoeg is. Misschien is het dat ook gewoon wel? Voor jou. Van geen enkel belang.

Dan zwijg ik ook maar. Ogenschijnlijk ook onverschillig of niet geïnteresseerd. Maar eigenlijk sta ik mezelf gewoon toe om weerloos te ondergaan en af te wachten op wat er komt of niet komt.

Als jij er mee zat had je dat toch al laten blijken? Dan was je er toch al over begonnen? Je had dat dan toch al op de een of andere manier kenbaar gemaakt. Of bespreekbaar? Al dan niet subtiel? Of met geroep en getier?

Misschien beeld ik het me allemaal maar wat in en worstel ik er alleen maar zelf mee. Dan hoef ik er jou toch niet mee lastig te vallen? Dan zit het gewoon tussen mijn oren te wachten op een verlossende bevrijding die niet komt.

Tijdverlies!

Maar die constant twijfelende innerlijke stem hoor jij niet. Die praat alleen maar tegen mezelf. Luid en klaar. Ze heeft het steeds verwijtend lang over elk uitvergroot klein ingewikkeld detail van mezelf. Maar zo geruisloos stil zodat jij het zeker niet hoort…

 

 

 

Te vroeg op vrijdagavond

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee.
De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van.
De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo.
Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren.

Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe.
Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren.
Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen.
Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden.
Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet.

Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen.
Voldoende niets doen werkt!
En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.