Categorie: Autobiografisch

Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

De voorlaatste

In zijn hoofd had hij de voorlaatste dag van een ingebeelde kalender doorstreept. Dat was vannacht gebeurd. Gedurende de nachten die voorafgegaan waren aan deze, had hij in zijn terugkerende zinsbegoocheling, al de voorafgaande dagen ook al doorgehaald met een dikke rode streep. Deze ochtend was net zo begonnen zoals elke andere morgen, met snelle koffie en nog rappere verslavende nicotine. Ochtenden als deze vatten het laatste jaar steeds op dezelfde manier aan als die van de dag tevoren, bedacht hij zich snel zonder enige aanleiding. Misschien gebeurde dat wel gewoon omdat hij zo veel nadacht, ongezond veel, over onbenulligheden. Zijn hoofd zat er overvol van. Zo dacht hij een paar tellen geleden nog aan het vriespunt van water en aan waarom warm water sneller bevriest dan koud water. Hij wist dat dat te maken heeft met gassen die meer aanwezig zijn in koud dan in warm water, waardoor een natuurlijke isolatielaag gelegd wordt tussen de watermoleculen zodat koud water minder snel bevriest dan warm. Hij wist dat. Zijn overvol brein dat onophoudelijk gedachten maalt, zit zo vol nutteloze weetjes alsof het soms lijkt dat hij slimmer is dan anderen terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is.  Niemand, zeker geen verstandig persoon zou anders op een dag als deze zijn gedachten laten afdwalen naar de vriestemperatuur van water, en al helemaal niet op dit moment, omdat hij als enige zeker wist dat morgen de wereld zou vergaan.

‘Veel dingen weten waar je niets mee bent is nutteloos, zoveel is zeker maar vergeefs wachten op iets dat komt of niet komt is nog stommer’, zei hij tegen het espressomachine dat tergend traag een nieuwe dosis cafeïne uitbraakte. Dit alles speelde zich af om 6:52 van de laatste zaterdag van de laatste maand van het laatste jaar, terwijl hij zich, wachtend op koffie inbeeldde, hoe dat einde van de wereld zich morgen precies zou voltrekken. In een verse vlaag van zinloosheid werd hij er zich opeens heel erg bewust van dat hij in zijn eigen leven heel veel tijd had verscheten. Zo ook, de voorbije week nog, waar hij wachtend in de file, tergend traag naar plaatsen was gevoerd waar hij eigenlijk liever niet had willen zijn. Of in de wachtkamer van de dokterspraktijk waar hij op een voorschrift cholesterolmedicatie had gewacht en op de diagnose van een kwaal die al een tijdje aan het opspelen is. In zijn leven had hij al veel geduld geoefend en had hij al veel gewacht, alleen of in lange rijen en files. Een paar nachten geleden had hij aan de hand van zorgvuldig berekende statistieken uitgeteld dat een gemiddelde mens vijf tot zeven jaar verspeelt door te wachten al lopen er zeker mensen rond die hun hele leven in een of andere wachtkamer doorbrengen en er vol onbereikbare verwachtingen hun leven vertreuzelen.

In zijn hoofd is het vandaag de voorlaatste dag en die is met voorsprong veel moeilijker dan de laatste, van dat feit was hij zich ten volle bewust. De voorlaatste is veel lastiger dan de laatste dag omdat die al ver van tevoren is vol gepland met een overvolle bucketlist. De ultieme bungeejump, het laatste glas dure champagne en laatste keer vrijen maar dat kan morgen allemaal nog worden geregeld. Maar wat doet hij dan vandaag? En wat als zijn berekeningen niet kloppen, wat als de waarheid van mijn vriend niet de waarheid is en morgen niet bestaat? Zal hij het dan allemaal vandaag nog kunnen doen of had hij het gisteren moeten doen en wat dan als gisteren dan ook niet meer bestaat?

Ik zwijg in alle talen.

Ik ben het verleerd of ik ben het kwijtgespeeld. Ergens onderweg moet het gebeurd zijn, net zoals met die wollen handschoenen die ik nooit droeg maar die voor een onverklaarbare reden steeds in de zakken van mijn winterjas staken. Vroeger deed ik het wel en veel, de hele tijd eigenlijk. Dan kon ik me beklagen over alles en iedereen omdat ik dacht dat ik altijd en overal een mening moest over hebben, dat ik altijd ergens ‘iets van moest vinden.’ Het was een tweede natuur geworden want overal waar ik kwam, had ik kritiek en vond ik overal, ergens wel wat van. Ik verstond als geen ander de kunst van het beter weten. Als ik later aan de hemelpoort zal aankloppen, zal Sint-Pieter me zeker vragen waar ik het grootste gedeelte van mijn leven mee heb doorgebracht. Ik zal dan antwoorden, ‘Pieter jong, ik heb veel tijd verscheten met beter weten en ergens iets van te vinden en het heeft me geen kloten opgebracht.’ Nog niet zo lang, eigenlijk de laatste paar jaren pas en telkens er een nieuw seizoen aanbreekt krijg ik het ervan op de heupen, van dat snel en gemakkelijk pessimisme en van dat betweteren. Niets is namelijk zo vernietigend dan in twee seconden, met een straf oordeel brandhout te maken over iets waar iemand een heel leven heeft aan gesleuteld bijvoorbeeld aan, zichzelf. ‘Doe jij het anders ook maar eens, probeer anders ook eens op te komen waar jij echt voor staat in plaats van af te kraken waar iemand anders in gelooft of na te apen wat iemand anders je voorkauwde.’

Als tegenwoordig iemand mijn eigenheid aanvalt gaan mijn stekels recht staan, worden mijn ogen vuurspleten en wordt mijn tong scherp als een speer. Het is zelfs zo dat wanneer ik tegenwoordig verslechtering bij anderen signaleer ik zelfs wat milder voor mezelf word omdat ik weet dat kritiek zoveel meer zegt over mezelf dan over de gebeurtenis, de persoon of het gedrag dat ik bekritiseer. In het echt verdraag ik ze amper nog, de mensen die met het vingertje omhoog zeggen hoe ik het zou moeten doen. Ik geef veel meer voorkeur aan intelligente, stijlvolle of nederige mensen die een tikje geestig zijn en de kunst verstaan om met fijngevoeligheid te bemiddelen tussen pientere kennis en bescheiden nieuwsgierigheid. De te kritische beterweters die geen ruimte laten voor anderen of andere gedachten, mijd ik als hondendrollen op het trottoir.

Ik huil niet meer mee met wolven in het bos. Laat mij mijn eigen gang maar gaan en jullie? Als het me zou gevraagd worden zou ik zeggen dat jullie misschien beter ook een beetje meer koppige zalm of eigenzinnige paling zouden kunnen worden, om compromisloos stroomop -of stroomafwaarts naar de juiste bestemming te zwemmen, om er te paren en te sterven in de plaats van als een sprot in de ogenschijnlijk veilige school te blijven zwemmen om gevangen en gerookt te worden, maar het wordt me niet gevraagd dus zwijg ik, in alle talen.

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

Voornemen…

… De nacht was net zolang bloedheet geweest tot de koelte van verse regen de zwoele hitte had weggespoeld. De kerkklok van het nabijgelegen klooster had net een vijfde keer slag geslagen en dat gedempt geklingel had me bruusk uit mijn broeierige nachtmerrie bevrijd. Nog enigszins slaapdronken tuurde ik vanuit het open raam over het zwarte zadeldak dat met veertien zonnepanelen bekleed was. In de weerglans daarvan koepelde helder en weids de hemel waartegen de blauwe maan, die omgeven was met helder sterrenstof, een plaats had gezocht. De straten waren nog kletsnat en ik sperde mijn neusgaten ver open om de natte geuren van de malse regenbui op te snuiven. Aan de horizon in het Oosten werd het duister van de nacht stilaan opgeslokt door de opkomende zon en op de takken van de half-kale appelboom die onder het gewicht van tientallen halfrijpe appelen gebukt ging, speelden een paar luidruchtige kauwen of zaten zich roerloos met hun opgezette dons in de koele ochtendbries te warmen aan de eerste schuchtere zonnestralen. In het overgrote gedeelte van de slapeloze nacht had ik zolang mijn recente leven overpeinsd tot dat gepeins overging in een donkere droom waarin de gedachten even hobbelig waren als de kasseien van de oprit naar mijn ingebeeld luchtkasteel. Ze waren even koud en kil als een winterzolder met een raam op het Noorden van waar ik nu naar de uitdovende sterren tuurde en in de donkere hoeken van mijn denkwereld weefde de spin van valse vooroordelen onhoorbaar vastberaden haar web …

In de nevel van mijn droom stelde ik me de vraag hoe ik onvrede, die soms even veranderlijk kan zijn als de wolken in de lucht en die even wervelend kan zijn als een zomeronweer na een slapeloze nacht, een plaats kon geven? Het enige wat ik met mijn nachtgepieker bereikt had was dat de dreigende doemscenario’s zo fijn ontrafeld werden dat ze vanuit de hemel op mijn kop dreigden te vallen. In die nutteloze nachtelijke queeste had ik gezocht naar oorzaken van verloren idealen en verbannen doelen die ik door omstandigheden ver buiten mezelf een wachtplaats hadden gegeven. Ik stelde vast dat ik met mijn gedub geen centimeter in de richting van een minnelijke regeling was opgeschoven en ik besefte opeens dat zolang ik hoog boven de wolken, in het duister van de nacht of in het verleden en in de toekomst naar oplossingen zocht ik geen voldoening of rust zou kunnen vinden, alsof dat inzicht met die laatste regenbui door het open dakraam was binnen gesijpeld. Opeens wist ik dat zolang ik buiten mezelf bleef zoeken ik geen gepaste repliek zou kunnen vinden om mezelf in eer te herstellen.

Toen bij het krieken van de dag alle donkere gedachten waren ingeruild voor opgewekter ochtendgloren, nam ik mezelf voor om niet langer uit te reiken naar bevestiging of erkenning van anderen maar dat ik wat meer energie zou steken in het slopen van mijn eigen hindernissen die ik zelf op mijn pad had opgezet. Ik hoop nu maar dat het vannacht niet regent zodat dat voornemen ook niet wordt weggespoeld.

Traag en saai.

… Neem nu mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In de keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was. ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie. Koffie die doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat in dat kleine kruip-in teveel mensen woonden en dat ik als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen.

Omdat vader de bonen zelf maalde in een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst moest fluiten was zelfs de koffie traag. Alles nam tijd, tijd tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was en we eindelijk aan onze tas zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig. We mopperden niet…

Toen was traag niet saai, wist ik veel.

Nu denk ik dat langzaam betekent dat ik bedachtzaam bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen en ik gemakkelijker kan absorberen. Het is alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen. Dan ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen opnieuw vervult raakt met aroma’s van pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn traag leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid niet altijd even hard geapprecieerd. Voor sommigen is het leven pas interessant wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Mag ik mijn joker inzetten?

Misschien ben ik gewoon rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan ik het besef. Ik ben vastbesloten om geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets omdat ze me geen voldoening schenken. Ik zoek andere dingen. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan de ratrace. Een nutteloze wedstrijd waarin ik toch als laatste eindig omdat ik koers zonder versnellingen.

Voor mezelf hoeven niet alle grenzen verlegd. Grenzeloosheid beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben en om te zien dat aan elke grens nog een andere limiet zit, om die ook na te jagen omdat anderen het doen. Aaarrrrggg….

Mag het nu wat trager alstublieft? Met een slakkengang kom je ook wel aan de eindstreep hoor!

Denk je dat ik het ben?

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of dertig, was lelijk en spichtig, zo mager als een riet en even puistig als een afgeknotte wilgentak. Haar onverzorgde gebit stond schots en scheef en haar blik was zo hol als een vergeetput. Hoewel ze zichtbaar moeite gedaan had om er een beetje toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de houten zolen van haar te iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met doorzopen stem terwijl ze een zelf gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie leek. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een geruime tijd geen afwaswater meer had gezien. Ik had al minstens vijf vliegen geteld die af en aan vlogen van een bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik ook een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met niet gespeelde eerlijke nieuwsgierigheid. Door die astrante vraag dwaalde ik in gedachten ver af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te ratelen… over mezelf zoals ik dat altijd doe in situaties als deze.

‘Ik ben zeker dat ik doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag verschool zich voortdurend onder de oppervlakte. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik er een soort light-versie probeerde van te maken maar met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem en dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik nog een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een illusie was. Als ik ‘s avonds in de spiegel keek en ik zag de ellende die terugkeek, was ik zo bang omdat ik zeker wist dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt en voelde me met elke poging om te minderen dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen, omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie om de roes via mijn keel in mijn bloed te voelen stromen en met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel wanneer door diezelfde slome roes de ruwe randen van het leven geëffend werden. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Ik kon niet drinken zoals normale mensen dat doen omdat ik er niet mee kon stoppen omdat ik steeds maar op zoek ging naar iets wat niet bestaat.’

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag niet meer hoefde te stellen of ik een probleem had, of ik alcoholist was. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere kleine stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik had mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink en ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai.

Het leven is moeilijk.

Het leven is wreed.

Ik ben gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk.

Ik ben ongelukkig.

Het is weekend.

De kinderen zijn er niet.

Oma is dood.

Het is elf uur.

Ik heb toch ontbeten.

Ik heb een rotdag.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen.

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen, wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist ben.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van de zaak is dat dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden dus als je jezelf herkent in een of alle excuses hoef je geen test meer afleggen of moet je mij of jezelf die vraag niet meer stellen omdat je het antwoord al kent.’ ‘Er is geen juist moment om te stoppen zoals er geen slechter moment bestaat om te beginnen maar wacht er niet mee want met elke nieuwe verzopen dag wordt het moeilijker. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas opnieuw een kruimel eigenwaarde doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan, stoppen. Als ik het kon, kan jij het ook want er bestaat nog leven na de fles. Niet dat alles zonder drank perfect en gemakkelijk wordt maar alles wordt rustig op een rommelige manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het zelfs gemakkelijk als je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

Vader van zijn zoon

Ik ben niet zeker of iemand het opmerkte dat mijn ogen een beetje vochtiger staan te blinken dan anders. Niet dat ik me daarvoor zou schamen moest dat wel het geval zijn omdat ik bijna zeker weet dat de meeste mensen die zich in deze zaal bevinden in min of meerdere mate ook met dezelfde emoties aan het vechten zijn. De jongsten in de menigte zijn of opgelucht of uitgelaten of trots en blij of iets dat zich daar tussenin bevindt al bespeur ik hier en daar wel wat weemoed of spijt omdat ze hier nu een belangrijk tijdperk komen afsluiten. Op sommige plaatsen word ik lichte angst, spanning en onzekerheid gewaar omdat de oudsten van nu straks als nieuwe piepkuikens op ongekend terrein een nieuwe weg zullen moeten zoeken. Sommige uitverkorenen genieten zichtbaar van de aandacht wanneer ze achter het spreekgestoelte mogen plaatsnemen om daar hun zwanenzang voor te dragen, terwijl anderen zich door hun schuchterheid of door hun stuntelige lijf, dat nog niet helemaal in proportie geggroeid is, geen juiste houding weten aan te meten bij dit laatste publieke examen. Opgetut zijn ze wel allemaal. Jonge vrouwen hebben voor de spiegel met elkaar een ingebeelde onderlinge strijd gevoerd, voor het juiste kapsel, voor de hipste jurk of voor de duurste halsketting die ze van hun moeder in bruikleen kregen om aandacht van hun operaspleet af te leiden. De meeste van de jonge mannen weten zich ook niet echt een juiste houding te geven in hun gesteven maatpakken omdat de afgedragen sneakers of de adidaskousen die ze er onder dragen hen net iets te veel van een clown doen weg hebben of misschien is het gewoonweg omdat in die strakke kostuums de afgelopen weken mondelingse examens moesten afleggen. Hier en daar bespeur ik nog een zeldzame puist terwijl sommige onder hen al lopen te pronken met een volle baard of met een borstelige knevel. Op de ingebeelde catwalk defileren ze één voor één naar voren. De ene achter de andere om daar van oudere wijzen met wie ze de afgelopen zes jaar lief en leed gedeeld hebben, kussen en een eerste belangrijke adelbrief in ontvangst te nemen.

“… hebben hun diploma secundair onderwijs richting Latijn-Moderne-Talen behaald.” Met die laatste woorden worden hij en zijn klasmaten door de directeur, met een stem die minstens evenveel trilling vertoonde die van de sprekers van daarstraks, afgezwaaid. De onderdrukte emoties, die door de bewogen toespraken van de jonge schouders waren gevallen, worden door mij allemaal geabsorbeerd. Hoewel ik zelf geen lauweren aan dit meesterwerk verdien, voel ik me een pauw die zijn staart wil tonen maar ik doe het niet omdat hij die pluimen allemaal zelf mag opstrijken, één voor één om ze op zijn eigen hoed te steken. Voor deze grote stap is hij zeker klaar maar wat zijn vader betreft.. ach die zal ook wel goed terecht komen hij is per slot van rekening toch de vader van zijn zoon.

Blaas je bel eens stuk!

Licht geïrriteerd trek ik in twee trekken de vuurkegel van mijn Marlboro light zo heet zoals ik alleen dat kan. In twee halen en in evenveel tellen stook ik het papier en de tabak van mijn sigaret in geen tijd op tot aan de filter. Op dat zelfde moment giet een kalende man van middelbare leeftijd, die op minder dan tien passen van mij verwijderd is, zijn ribbeltjespint met één langgerekte teug en zonder te slikken in één keer naar binnen. De handelingen waar van sprake, hadden zich het afgelopen half uur al vier keer herhaald. Mocht ik ervoor gekozen hebben om op dat moment voor de tv te hangen, hadden deze volstrekt onbelangrijke feiten die zich op donderdagavond omstreeks 9u38 op het buitenterras van een oerdegelijk Vlaams bruin biercafé afspeelden, niet plaatsgevonden. Nu dus wel, zoals elke week trouwens op donderdag want ikzelf en nog een paar andere verstokte rokers staan daar wekelijks. We zuigen daar aan onze sigaret, aan onze sigaar of aan onze met nicotine gevulde elektrische pijp omdat we al een tijdje en meer bepaald, sinds we in de eeuw van de betutteling zijn aanbeland, naar buiten zijn verbannen om daar gezellig rond een hoge ronde partytafel in de rook te hangen. De paria’s van de kroeg moeten namelijk sinds dan buiten paffen. De al vervuilde fijne stoflucht van niet-rokers die binnen blijven zitten, wordt zo niet met nog meer fijn, vuil stof bezoedeld zodat deze er net iets properder kan ingeademd worden. Diegenen met wie ik wekelijks op donderdagavond omstreeks 9u38 mee rond de tafel hang om te paffen, begrijpen dat allemaal omdat ze nadenken en een beetje sociaal normbesef vertonen opdat mensen die toevallig op donderdagavond ook naar dat oervlaams biercafé trekken hun longen er niet per c  met teer, nicotine of met andere schadelijke brol hoeven te vullen omdat wij daar voor kiezen. Zij zullen er op donderdag en vaak op alle andere weekdagen die eindigen op dag wel voor opteren om hun lijven tot aan hun adamsappels vol te gieten met pinten of met andere geest verrijkende drank. Dat is namelijk hun manier om vijftien jaar eerder de pijp aan Maarten te kunnen geven omdat levercirrose en maag- of darmkanker hun uitverkoren terminus is. Wij kiezen met ware doodsverachting in onze blik eerder voor longkanker en dat is ook ons goed recht. Eigen kanker eerst!

Maar het was niet dat grote maatschappelijk thema dat ik hier wil aansnijden. Niet dat ik mij niet aan rook- of drankonverdraagzaamheid stoor maar omdat bubbels bij mij nog meer innerlijke onrust veroorzaken. En voor de duidelijkheid, ik heb het niet over doorzichtige, wiebelende door afwasmiddel geproduceerde balletjes die door de wind mee gedragen worden en waarin regenbogen wonen en die een vlek achterlaten net nadat ze zijn uiteengespat. Ik heb het over verontrustende bubbels waarin we ons allemaal bevinden en waarin we ons terugtrekken om ons te beschermen tegen mensen die in andere bubbels wonen van waar ze naar de wereld kijken. Om van achter glazig vlies te kijken naar een wereld die ze niet meer begrijpen omdat ze zich in hun persoonlijke bubbel enkel nog met gelijkgestemden omringd hebben. Ze zijn beperkt in klankbord en in tegenspraak zodat ze stom worden en afgestompt raken en niets meer kunnen relativeren. Mak en laks omdat ze door het vlies van de bubbel waarin ze zich verschuilen elkaar niet meer horen en elkaar niet meer verstaan. Over die bubbels heb ik het, over de isoleercellen waarin we ons met mensen van dezelfde soort opsluiten en waarin we ons rood van woede kunnen ergeren aan gedrag en aan geroep van anderen of aan de rook- en drinkgewoonten van diegenen die zich in de andere bubbel bevinden. Maar wees op uw hoede want het zijn geen bubbels met regenbogen waarin we ons bevinden. Het zijn betonnen kooien die onze blikken versmallen en onze natuurlijke aard om te ontdekken teniet doen.

 En jij? In welke bubbel zit jij en wanneer blaas jij je bel eens stuk?

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Als de peer rijp is.

De laatste dagen denk ik dikwijls aan die jonge snaak uit mijn gemeente. Midden twintig schat ik hem, ferme kerel, goed van hart en rad van tong. Hij zou zomaar een vriend van mijn zoon kunnen zijn. Vroeger maakte ik er regelmatig een praatje mee, over dingen die zich in het dorp afspeelden, over voetbal of over koers of zo, niet dat ik van beide sporten veel af weet, hij trouwens ook niet maar dat onderwerp praat nu éénmaal gemakkelijk en het sloopt denkbeeldige barrières tussen generaties. De laatste tijd wisselen we niet veel woorden meer met elkaar daar aan de toog van het dorpscafé. Niet dat het leeftijdsverschil de afstand tussen ons plotseling heeft vergroot of omdat er niet meer over voetbal, de koers of over de nakende verkiezingen gepraat wordt maar gewoon omdat hij meestal te zat is. Het meeste van de keren dat ik hem er tref is hij zo ver over zijn theewater dat hij niet meer in staat is woorden in de juiste volgorde te plaatsen. Een gesprek is dan voor ons alle twee zo een opgave dat we het maar zo laten. Ook al zou ik hem veel te vertellen hebben, mocht hij de moed vinden om even te luisteren.

Toen ik vorige week zaterdagmiddag mijn dagelijks noodzakelijk pakje rook ging kopen in de krantenwinkel, die een paar huizen verder verderop een andere soort verslaafde onderhoudt, zag ik hem zitten op het terras van het café, waar we het gewoonlijk over voetbal en de koers hadden. Hij was alleen en zat met lange tanden aan een clubsandwich te knabbelen, zoals hamsters dat doen aan een noot. Hij dronk koffie en dat maakte me voor een of andere reden goed gezind. Zou hij tot inkeer gekomen zijn en zou hij doorhebben dat het op die manier niet verder kon en had hij daarom glazen boterhammen voor echte gewisseld?

Toen ik ‘s avonds na het voetbal in onze stamkroeg met een paar gelijkgestemden nog wat napraatte over de 0-5 pandoering die onze ploeg geslikt had, bleek mijn hoop ijdel. Hij was er ook. De koffie, van eerder op de dag, was overduidelijk geruild voor ander spul. Hij had er zoveel van op dat hij er zielig en hulpeloos uitzag. Stomdronken kraamde hij luide onsamenhangende onzin uit en het kostte hem moeite om op zijn benen te blijven staan. Zijn adem stonk naar braaksel en hij werd door iedereen gemeden alsof hij besmet was met één of ander virus. Sommigen lachten hem uit, goten er nog pinten bij of beschimpten hem, anderen, hoofdzakelijk vrouwen trokken bedenkelijk de ene wenkbrauw hoger op dan de andere. Eventjes ging het door mijn hoofd om naar hem toe te gaan om er op in te praten maar ik deed het niet. Misschien zou hij me bemoeiziek vinden en me beginnen verwijten of voor hetzelfde geld werd hij agressief. Hij strompelde naar buiten en verdween in de nacht. …  Het leek alsof ik naar een film van mezelf keek het haalde me helemaal onderuit.

Ik schrijf dit verhaal niet om te choqueren. Iedereen weet over wie ik het heb want in elke familie leeft eenzelfde hoofdpersonage in een gelijkaardig verhaal, alleen wordt hij of zij in de meeste van de gevallen angstvallig verzwegen, uit schaamte of omdat alcoholmisbruik algemeen aanvaard is. Maar het is niet omdat overdaad gemeen goed is dat het ok is. Het is ook niet zo dat als we er onze ogen voor sluiten, het er niet meer is.

Plezier wordt dikwijls met alcohol en pintelieren geassocieerd. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik ook op die manier en zei ik het ook heel luid en met een hele grote mond, ‘Ik? Een alcoholprobleem? Hoe kan je in Vlaanderen nu een alcoholprobleem hebben als je op elke hoek van de straat pinten kan kopen? Giet ze nog eens vol want het dient niet om te schuren.’

Op het einde van mijn alcoholcarrière stamelde ik ook luid onzin uit en stonk ik ook de hele dag naar gist en zuur.

Het kostte me geen enkele moeite om verslaafd te worden, dat gebeurde gewoon. Langzaam, met een dagje sevvens maar het kostte bloed, zweet en tranen om er vanaf te komen om er dan uiteindelijk achter te komen dat je er nooit helemaal klaar mee bent, tenzij ik die eerste pint laat staan hopelijk doet hij het ook. Ik zal hem er heel hard bij helpen, wanneer zijn peer rijp is en hij het me vraagt!

Creatief vertraagd.

Na elke nieuwe, volgeschreven lege bladzijde wacht een volgende lege bladzijde. Het witte blad dat me aanstaart zou angstaanjagend kunnen zijn, mocht ik de ambitie hebben om het helemaal vol te schrijven.  Dat lukt soms niet omdat mijn innerlijke criticus me het zwijgen oplegt en zijn rode pen al schrapt wat nog niet is opgeschreven. Op zo’n momenten komt er niets, ben ik creatief vertraagd en vind ik geen inspiratie om een fris of puntig verhaaltje te verzinnen. De juiste hersengolf wil dan niet rollen. Dat overkomt me meestal wanneer ik niet met schrijven kan beginnen omdat het alledaagse leven in de weg zit, omdat ik sociale verplichtingen heb of omdat het gezinsleven me tot andere verplichtingen dwingt. Of wanneer ik te veel tijd en massa’s ideeën heb, dat valt ook voor. Dan heb ik zoveel ingevingen dat ik er ook niet in slaag om er één uit te kiezen en er passende zinnen of een juiste wending bij te verzinnen. Misschien schrijf ik wel het beste op momenten dat van mij verwacht wordt dat ik me met nuttigere dingen bezighoud om dan vast te stellen dat op momenten dat ik er wel tijd voor heb, er niets meer is. Niet productief zijn, is dan de schuld van ‘writers-block’, een aandoening die trouwens niet lijkt te bestaan bij mensen met meer alledaagse vrijetijdsbezigheden. Vissers of voetballers hebben namelijk nooit last van een ‘vissers-block’ of een ‘voetballers-block’, al blijft hun ego wel overeind staan als ze er voor de ene of de andere reden niet toe komen er hun tijd aan te besteden.

Meestal echter vindt de creativiteit mij wel, zelfs op momenten wanneer ik het gevoel heb dat ik haar helemaal uit het oog verloren ben. Als ik mezelf dan opsluit en vastketen in mijn gedachten, lijkt de wereld van buiten beter binnen te komen. Fijne details of een op het eerste zicht overbodig feit wordt dan met bezieling in mijn hoofd ingekleurd tot een zotte kronkel of een uitgesponnen anekdote. Op die momenten vergeet ik perfectie en productie en schrijft mijn pen bijna automatisch bladzijden vol met zinnige en onzinnige dingen of over uitgesproken mensen die me opvielen. Ik laat dat graag gebeuren. Wanneer ik er dan zonder verwachtingen aan begin en ik de ambitie kan laten varen om mezelf te overtreffen gebeurt de magie haast vanzelf maar nooit wanneer ik er als een bezetene naar streef. En dan denk ik, ik kan mezelf niet uit een ‘writers-block’ denken, ik kan me er alleen maar uit schrijven en misschien is schrijven over een ‘writers-block’ wel honderd keer beter dan helemaal niets te schrijven.

Wrede maand

Door de band genomen leid ik een redelijk sociaal en een sociaal redelijk bestaan, denk ik. Ik plaats anderen op de eerste plaats en een afwijkende zienswijze schuif ik niet meteen van de tafel.  In de meeste gevallen tracht ik eerst een standpunt helemaal te begrijpen alvorens ik me erover uitspreek. Doorgaans lukt het me redelijk goed om zo, niet als impulsieve roeptoeter door het leven te gaan omdat ik niet zo een hoge dunk van mezelf heb om over elke situatie en iedereen een mening te hebben. Laat staan dat, mocht dit wel het geval zijn, ik de behoefte zou voelen om die in alle omstandigheden kenbaar te maken, tenzij ik me in mijn bekend gezelschap bevind want daar geniet ik vertrouwen en kan ik het me kan permitteren om zonder kleerscheuren of gezichtsverlies op mijn bek te gaan. Soms verandert mijn standpunt omdat ik met de juiste argumenten tot andere inzichten gebracht wordt. Als ik dan de manier waarop ik naar de dingen kijk verander, veranderen de dingen. Dit, om maar te zeggen dat ik mezelf het gros van de tijd, redelijk sociaal en sociaal redelijk acht.

Maar het laatste paar dagen lukt het niet zo goed. Het gaat opeens niet zo goed met mij. Ik zit weerspannig in mijn vel en ben kort van stof, alsof mijn tenen langer zijn dan dat ik het wil. Ik kan er de vinger niet opleggen maar waar ik het meeste last van ondervind is dat ik de mensen wel hoor praten maar dat het me te veel moeite kost om te luisteren. Dikwijls lijkt het alsof alle omgevingsgeluiden, het geroezemoes en de impulsen op hetzelfde moment ongefilterd binnen floepen, precies alsof ik niet in staat ben om details van hoofdzaken te onderscheiden. Als je tegen me zou praten zou ik je de indruk kunnen geven dat ik niet geïnteresseerd ben in wat je me te vertellen hebt, maar dat is maar schijn. Het is gewoon alsof het me niet lukt om datgene wat je me toevertrouwt, in de juiste volgorde te rangschikken, alsof er ruis op de lijn zit. Hoe harder ik probeer de draad niet te verliezen hoe meer moeite het me kost om te blijven luisteren, tot snerpende hoofdpijn me doet afhaken.

Om het tij te keren kan ik niets anders verzinnen dan de komende dagen wat meer afstand te nemen om zo een beetje ruimte te laten tussen de dingen. Misschien moet ik de schermen dempen en het volume een paar streepjes lager zetten. Zou het me helpen wanneer ik een beetje luier word om zo mezelf opnieuw in pole-position te brengen in plaats van alle grote en kleine problemen van mensen rondom mij op te sponsen?

Wellicht wel, en als ik daarin slaag wordt april vast een minder wrede maand, zeker als het me lukt een klein beetje luier te worden zodat ik met een laatste dut mijn uitgestelde winterslaap kan weg doezelen.