Categorie: Vertelsel

Een alledaags verhaal van een niet alledaagse BMW-bestuurder

Zondagmorgen, met een slaapkop en met mijn verfrommelde net-uit-het-bed-look, strompelde ik naar de ijskast, op zoek naar iets eetbaars. Brood was er niet. Dat had ik al gezien. Maar er was ook geen melk, geen yoghurt en tot overmaat van ramp was ook de pot choco leeg. De Dodentocht was dit weekend gepasseerd. Drie dagen lang had heel Bornem, naar jaarlijkse gewoonte, collectief besloten om alle supermarkten te mijden. Ik dus ook. Even maakte ik de overweging om gewoon te blijven waar ik was en te doen alsof een paar augurken, twee gekookte eieren, een bokaal vervallen ansjovis en zeven cashewnoten een volwaardige maaltijd kunnen vormen. Niet omdat dat een goed plan was, maar omdat ik op een leeftijd gekomen ben waarop ik mijn luiheid met zoveel overtuiging kan cultiveren dat die een nieuwe streng aan mijn DNA gevormd heeft.  Maar nu zat er echt niks anders op dan aan mezelf toe te geven dat ik dringend een paar boodschappen moest gaan doen. Zonder choco zou ik de dag niet doorkomen.

Een kwartier later reed ik dus vloekend en tierend met mijn net-uit-de-badkamer-look maar ook met mijn aftandse VW Polo, de parking van de Carefour op.

Ik zag hem direct.  Die BMW. Hij stond compleet scheef geparkeerd en niet zo maar een beetje scheef, maar echt gewoon los over twee parkeervakken, alsof witte lijnen alleen maar getrokken zijn voor normale stervelingen zonder BMW. De eigenaar van de patserbak was in heinde en verre niet te bespeuren en ik voelde in mijn hoofd een licht tot matige storm opsteken.

“Sommige mensen nemen wel erg veel plaats in”, dacht ik. Maar dat is de gekuiste versie van wat door mijn hoofd ging voor ik alles censureerde.

Een zwarte BMW dus. In mijn hoofd, maar nu dus ook op de parking van de Carfour, is de eigenaar zo’n figuur die altijd twee parkeerplaatsen nodig heeft, één voor zijn Bak Met Wielen en één voor zijn ego.  Elke dag knippert hij minstens tien keer met zijn lichten omdat iemand die het aandurft om voor hem te rijden, volgens hem altijd twee kilometer per uur te traag rijdt. Hij spreekt je aan met  “vriend” maar zegt dat op zo’n manier alsof hij juist een vergunning heeft gekregen om overal een klootzak te zijn. Natuurlijk draagt hij een zonnebril en staat zijn kapsel stijf van de gel. Dag in dag uit loopt hij tegen iedereen te stoefen over de prestaties van zijn “Beemer”. Prestaties die omgekeerd evenredig zijn aan die van zichzelf. Ongetwijfeld is hij van mening dat verkeersregels belangrijk zijn, maar alleen voor mensen zonder “Beemer”.

Ik wist niets van hem maar tegen de tijd dat ik een winkelkar had gevonden, had ik hem al schuldig bevonden voor parkeerterreur, een overdosis aftershave, chronische ombeschoftigheid en minstens drie gevallen van verkeersagressie. Ik kan dat heel goed, van op afstand van iemand een complete idioot maken zonder dat ik hem ooit ontmoet heb. Er zijn dagen waarop ik daarin uitblink, zeker na een weekend dodentocht en ik geen boterhammen met choco heb gehad.

Sorry, maar gelijk hebben is een rare hobby.

Ge krijgt daar geen medaille voor. Niemand belt ooit aan de voordeur met een boeket bloemen om te zeggen, “Janneke, we hebben het allemaal nog eens goe bekeken. En ge had gelijk. Niet alleen over die BMW, maar ook over uw theorie dat mensen die altijd gelijk hebben zich daar altijd vooraf voor excuseren, zodat ze nadien vals bescheiden kunnen zijn wanneer blijkt dat ze toch gelijk hadden.

Dat gebeurt dus nooit. Wat wel gebeurt, is dat ik, opnieuw in mijn hoofd (ik moet daar toch precies dringend eens weggaan), altijd wordt gefeliciteerd door mensen die niet bestaan.

Onder die dakpan van mij zit een vernuftig beloningssysteem, met een jury, punten en een klassement enal. Daar alleen krijg ik de erkenning die niemand in het echte leven mij ooit geeft. Tien op tien voor een juiste observatie, vijf bonuspunten voor een scherp inzicht en een eervolle vermelding omdat ik tijdens een discussie pas drie uur later het perfecte antwoord kan bedenken. Daarom zeg ik dus altijd eerst sorry. Niet omdat ik beleefd wil zijn maar omdat ik gelijk heb en hoop dat iemand mij ooit zal tegenspreken anders krijg ik echt altijd gelijk.

Alleen, de waarheid is iets minder spectaculair. Toen ik buitenkwam, stond er naast die BMW een man van een eind in de zeventig, misschien net over de tachtig. Hij was klein, stond een beetje krom en leunde met zijn linkerhand op een wandelstok. In zijn andere hand droeg hij een boodschappenzak.

Hij keek bedenkelijk naar zijn auto, schudde met zijn hoofd en zei tegen zichzelf en niemand anders in het bijzonder, “Dedju, ik staan zelf zo scheef als een zichel en dien bak van mijne jongste ook .” Daarna wrong hij zich in zijn geleende bolide en reed tegen drie kilometer per uur weg, met een file achter hem.

Dat was alles. Hij had geen zonnebril op, had geen gel in zijn haren want hij was zo kaal als een knikker en hij vertoonde geen branie of verkeersagressie. Hij was gewoon een kramikkig oud mannetje dat blijkbaar even slecht kon parkeren als ik kan oordelen en conclusies trekken.

De jury in mijn hoofd heb ik voor het binnengaan in de Carefour buitengesmeten. Ze waren druk in beraad over wie van ons twee op die parking de grootste idioot was. Ik had hun oordeel niet langer vandoen. Ik wist al dat ik het was.

Buitenspelval op zaterdagnacht

De bal ligt stil op het scherm. Misschien ligt de bal echt stil of misschien heeft mijn digibox beslist dat bewegende beelden een betalende optie zijn en ik maar een basispakket heb. Het is moeilijk te zeggen. Ik lig languit in de zetel. Natuurlijk lig ik hier, het is al zondag.  Eén hand zit in een zak chips. De andere in mijn short, twee plaatsen waar zelden belangrijke dingen ontstaan die later van pas kunnen komen.

“Het zit hem in de details,” zegt Eddy Demarez. En hij zegt dat alsof hij zelf die waarheid heeft uitgevonden. Ik neem hem dat niet kwalijk. Demarez is niet slecht, daar niet van, want hij klinkt dikwijls alsof hij begrijpt wat er op het veld gebeurt, en dat is veel meer dan ikzelf kan zeggen. Want het interesseert me allemaal maar matig en juist daarom moet ik opletten. Even niet kijken en ik ritsel in de verkeerde zak. Geloof me, paprika aan je scrotum is een risico dat je maar één keer bewust neemt.

“Ze moeten het spel beter lezen”, hoor ik hem stil, bijna gedempt zeggen alsof hij ook weet dat mannen in deze huiskamer meestal in de leegte praten.  “Zien wanneer het gat er is.” Deze zin doet mijn gedachten naar boven schieten, naar mijn vrouw die ligt te slapen. “Beter het spel lezen”. Ik probeer al zo lang haar spel te lezen maar raak meestal niet verder dan de eerste zin terwijl zij al aan de laatste alinea zit.

Op het scherm wordt iemand in de diepte gestuurd. De spits staat meters buitenspel. Ik zie de vlag, hoor het fluitje en alles stopt om opnieuw te beginnen. Fascinerend is dat niet echt.  Iedereen probeert als eerste aan de goal te zijn en dan word je gestraft omdat je te vroeg bent. Precies mijn leven, denk ik.  Ik herken dat.  Soms peis ik dat ik heel mijn leven al buitenspel sta, met een verkeerde timing. Ook al is het paal binnen, ik word afgevlagd. Het telt niet. Het voelt nochtans alsof het wel telde maar ik zat dan een fractie te vroeg of te laat in het gat.

Zo’n WK heeft iets geruststellends want iedereen doet alsof het ertoe doet, en daardoor doet het er ook toe. Er is een spelschema, met groepsfases, een knock-outfase, twee halve finales en uiteindelijk een finale met een duidelijk einde, één ploeg wint en die is kampioen. De rest gaat naar huis. Zelf heb ik niet dikwijls zo’n duidelijke afspraak met de toekomst gehad.

Ondertussen is het bijna twee uur. “Die moet erin,” Demarez zegt dat luider, met een soort vermoeide woede, waarschijnlijk omdat hij voelt dat hij in de leegte spreekt. De spits staat weer alleen voor doel maar hij twijfelt een fractie te lang en dat is genoeg. Hij trapt. De bal schampt de paal en botst terug het veld in.

“Dat scheelde niets!” En dat is het soort zin waar ik kwaad van word want het scheelde alles. Het is het verschil tussen iets waar je later over stoeft en iets waar je over zwijgt. Ik heb die momenten ook gehad. Dan dacht ik die zit er goed in, op de juiste plaats, de timing klopt, alles gaat vanzelf en dan zat ik juist niet ver genoeg of juist te ver om hem gewoon binnen te duwen.

Gewoon. Dat woord heeft ook zoiets onnozels. Alsof alles altijd zo simpel is. Alsof faalangst en twijfel, wegvallen zodra iemand “gewoon” zegt. In gesprekken is dat ook zo. “Ge moet gewoon wat meer praten, “gewoon” beter luisteren, “gewoon” beter uw best doen, alsof het leven zelf een lege goal is en je hem gewoon maar moet binnen duwen.

De match kabbelt verder. Er is minder tempo en meer misverstanden. Er wordt minder gelopen en er worden nog minder ballen goed geraakt. Af en toe is er een duel dat meer weg heeft van een misverstand of van commedia dell’arte. De scheidsrechter laat doorspelen, met het fluitje in de mond maar met te weinig goesting om erop te blazen.

Mijn vrouw roept ineens van boven. “Kom je sebiet ook?” Ik hoor de vraag duidelijk, misschien iets te duidelijk. Ze klinkt zelfs een beetje onheilspellend. Vragen die te duidelijk of onheilspellend zijn, kan  je best op voorhand interpreteren.

 “Kom je sebiet?” en ik denk aan die spits van daarnet en kijk nog eens naar het veld. De verdediging schuift naar voor en is klaar om de spits opnieuw te verrassen.

Demarez zegt: “Hij geloofde erin, maar hij dook toch weer iets te vlug in het gat.”

“Kom je sebiet?” Volgens mij is mijn buitenspelval net opengegaan.

‘De P-300 padelzak’

De rosé stond koud genoeg om gevaarlijk te worden. Natuurlijk zaten de dames eerst aan de toog want de eerste fles was al half. Hun hoofden waren tomatenrood aangelopen en hun lijven waren nog bezweet van die laatste rally die juist iets te kort was geweest om het sport te noemen maar net lang genoeg had geduurd om het als excuus te kunnen gebruiken dat het wel sport was.

Wij venten kwamen lichtjes manktend aangestrompeld, allemaal met een lijf dat alle tijd neemt om nu nog niet beginnen op te spelen. Daar is het morgenvroeg, als we aan de kuis moeten beginnen meer dan tijd genoeg voor. De meeste van ons nemen ook rosé, ik hou het bij water en koffie.

Zij, naam bekend bij de redactie, had een nieuwe padeltas.

Iedereen zag dat direct. Nog voor ze er zelf iets over had gezegd. De zak was groot en zwart, maar zwart genoeg zoals dingen die zwart zijn, zijn wanneer ze serieus willen genomen worden. Hij leek handig ook, maar was toch vooral groot maar zonder dat het stoeferig werd. Er waren geen blinkende ritsen of overdreven logo’s. Je zag aan alles dat dit geen impulsaankoop was die vrouwen soms durven doen als ze slecht in hun vel zitten. Neen deze zak was overwogen en beslist.

Die padelzak was een statement, misschien vooral voor zichzelf, zo van, “mannekes kijk nu efkes naar mijne padelzak en neem hem serieus, of anders neem ik mijzelf serieus.”

“Alleen P300-spelers hebben die,” zei ze, langs haar neus.

Niemand had al iets over haar nieuwe tas gezegd. “Het is een P-300-zak”, zei het half lachend, maar precies ook een beetje verontschuldigend alsof ze al haar padelambities in die zak had verstopt en ze die wilde neutraliseren met een mop.

Ik keek naar die tas en dacht, hoe handig moet het zijn om alles bij te hebben. Extra grips, extra ballen, zeep, shampoo, een frisse handdoek die naar wasmiddel ruikt in plaats van naar oud zweet en er zal zeker ook genoeg plaats zijn voor alle ambities en twijfels want die nemen meestal meer plaats in dan je in één padelzak kwijt kan.

De gesprekken gingen verder, zoals gesprekken dat doen op vrijdagavond als er genoeg rosé is en niemand nog moet winnen. Al leek rosé drinken zelf ook wel een soort competitie te worden. Van padel naar eten, het is  a small step for man, maar one giant leap for een padelgezelschap.  Want, in dat gezelschap worden soms dingen gezegd zonder dat iemand zeker weet of ze wel kloppen.

“Beuling, dat is toch zoute vis?” , zei iemand met zekerheid die exact één seconde overeind bleef.

“Neen,” zei zij, die met de nieuwe padeltas. “Beuling, dat zijn pensen.”

Die bewering werd gefactcheckt op een telefoon die al vettige vingers had van de nootjes en van de gebakken bouletten. En ze kreeg gelijk, al gaf haar dat niet onmiddellijk groot plezier.

Iemand vroeg wat er allemaal in die padeltas zat.

Ze haalde haar schouders op en opende de rits een heel klein beetje. Genoeg om iets te tonen, niet genoeg om iets te zien.

“Gewoon,” zei ze. Maar een volle padeltas is nooit zomaar “gewoon”. Dat weet ik als geen ander. Ik ben zeker dat er onderin die zak een halve kilo beuling verstop zit. Voor straks, als het gesprek stilvalt en iemand ineens zegt dat honger eigenlijk gewoon dorst is die zich vergist heeft.
Ik ben zeker dat in die zak geen halve kilo maar vijf kilo pensen versopt zit. Of een oude blessure, misschien zelfs een verloren match die nog niet helemaal verwerkt is.  Al zou het ook zomaar kunnen dat er een reservespeler inzit, voor later, als zij alleen P300 geworden is.

Tussen verdiepingen

De lift ruikt naar goedkope parfum van een vrouwelijke collega die zonet op de tweede verdieping is uitgestapt. Hij staat naast mij. Het is nog geen negen uur en ik wacht tot hij op een knop duwt die blijkbaar al ingedrukt was. Ik kijk naar de cijfers die te traag bewegen. Ik weet wie het is, maar zijn naam… Die zit in dezelfde schuif verborgen tussen alle andere namen die ik moest onthouden maar dat voor onduidelijke redenen niet meer kan.

De lift hapert tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping. Het is zo’n schok die ik in mijn knieën voel.  Ik probeer het weg te lachen, maar doe het niet. We staan met z’n tweeën in de lift. De man naast mij, ik kom echt niet op zijn naam, houdt zijn laptop vast alsof het zijn enige houvast is. Hij knikt kort, alsof hij me ook van ergens kent maar dat liever vergeet.

“Warm he,” zeg ik.  Hij zucht, “ja zo is dat hier altijd”. Het zijn woorden die niets vragen en niets geven en alleen maar dienen om een ongemakkelijke stilte op te vullen.

Ik hoor ons praten. We lachen niet. We glimlachen ook niet. We blijven gewoon staan zonder iets te riskeren. Ik voel mij plots heel zichtbaar in mijn korte broek en met mijn poging om iets open te trekken wat niet open wil. Alsof er een handleiding bestaat voor dit soort ontmoetingen en ik de verkeerde bladzijde heb opengeslagen.

Hij kijkt naar het plafond, ik naar de spiegel die ons iets eerlijk laat zien. Twee mensen die iets proberen maar het niet vinden. Ik vraag mij af of hij dat ook voelt of gewoon… doorgaat. Sommige mensen lijken dat te kunnen. Gewoon bestaan en doorgaan.

De lift stopt. Hij stapt uit zonder afscheid te nemen. Ik blijf nog een seconde staan, alsof ik nog iets wou redden, maar de lift beslist voor mij. Hij sluit en trekt naar een andere verdieping, opgelucht dat hij verder kan zonder ons.

Later op de dag, ik stop aan een bureau van een vrouw die ik eigenlijk maar net ken. Een nieuwe collega want haar naam plakt ook nog niet helemaal vast aan mijn geheugen,  haar aanwezigheid doet dat wel. Ze zit niet stil. Haar handen bewegen als ze praat, niet storend maar alsof gewoon stilzitten niet bij haar past. Op haar bureau ligt haar telefoon met het scherm naar beneden. “Anders ga ik er te veel op kijken,” zegt ze, zonder dat ik ernaar gevraagd heb.

Ze vertelt dat ze migraine heeft. Niet dat soort koppijn dat je wegslikt met een pilletje en een glas water. Ze heeft er gisteren een inspuiting voor gekregen. “Het begint altijd achter mijn ogen en dan neemt het langzaam alles over. Alsof iemand het licht uitdoet, maar dan alleen in mijn hoofd.” Ze lacht ermee. Niet omdat het grappig is, maar omdat het zo serieus is.

Ze wrijft kort over haar slaap. “Ik voel het op voorhand opkomen,” zegt ze, bijna alsof ze zich ervoor excuseert. Ikzelf merk dat ik rechter ga zitten om te luisteren en voel dat ik iets moet zeggen. Maar wat? Ik ben misschien goed in woorden die een gat vullen maar veel minder in woorden die iets oplossen.

“Heb je dat… dikwijls?” vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. “Soms. Te veel geluid. Te veel mensen. Of gewoon mijn lijf dat beslist dat het genoeg geweest is. Misschien is het overprikkeling. Of hormonen. Of gewoon pech.” Ze zegt het droog, alsof ze een weerbericht geeft over haar eigen hoofd. Het zijn allemaal even geldige verklaringen voor dezelfde koppijn.

Ik wil iets verstandigs zeggen, iets wat kan helpen. Maar alles wat in mij opkomt klinkt als advies van dokter Google. Dus ik zeg niets. Ik luister gewoon. Dat blijkt voldoende.

We gaan voorbij de logica van klachten en triggers. Ze vertelt me over hoe ze soms midden in een vergadering voelt dat het eraan komt en dat ze dan blijft zitten, knikken en doen alsof ze nog volgt, terwijl ze al lang mentaal op pauze staat. “Je wil niet weer degene zijn die weer moet afhaken,” zegt ze. Dat woord ‘weer’ blijft even hangen tussen ons.

“Ik doe dat ook,” zeg ik. “Niet afhaken maar blijven terwijl ik er eigenlijk al lang niet meer ben.” Ik vertel haar niets spectaculairs over mezelf, geen grote verhalen. Alleen kleine dingen en ook dat ik soms gesprekken voer die nergens landen en dat ik me dan erger aan mijn eigen beleefdheid. Dat ik soms liever stilte heb die iets betekent dan woorden die lawaai maken. Ze knikt instemmend. Het is dat soort knik dat je niet kan faken.

Het bureau is ondertussen leeg. Buiten ons twee is er niemand.  De tl-lampen zoemen zacht, alsof zij ook iets willen zeggen maar niet weten hoe. We praten rustig verder over hoe mensen soms passen, elkaar aanvoelen en soms helemaal niet. Ze zegt dat ze die situaties herkent en dat ze het ook niet kan uitleggen. Ik zeg haar dat het misschien niet moet.

“Raar,” zegt ze plots. “Het trekt weg.”

Ze wijst naar haar slapen, alsof ze me wil laten zien waar de koppijn zat. “Die druk. Het is minder.” Ze zegt het voorzichtig, alsof ze schrik heeft dat het terugkomt als ze het te luid uitspreekt.

Ik sta recht. Het gesprek is niet afgerond. Het stopte gewoon, zonder dat het een einde nodig had om te kloppen.

Op de gang kom ik de man van de lift weer tegen. Hij knikt opnieuw. Dezelfde knik, dezelfde afstand. Ik knik terug maar net iets sneller deze keer, en ik besef dat ik me zijn naam nog altijd niet herinner en dat ik nog altijd niet weet wat ik hem zou moeten zeggen.

Misschien wil ik het zelfs niet meer weten.

Op voorhand crisis

Onlangs las ik ergens in één of andere blog voor wanhopige mannen dat de gemiddelde midlifecrisis ergens rond uw vijftigste begint. Ergens rond uw vijftigste? Maar wat is dat juist? Is dat vijfenveertig, vijfenvijftig of achtenvijftig met een overdreven interesse voor de kleur van gras waardoor ik elk weekend gelijk een gepensioneerde tuinarchitect in mijn hof loop te koteren? Niemand weet het. Het is voor iedereen verschillend en laat dat het nu zijn met die midlifecrisis. Ze komt wanneer ze goesting heeft, zonder brief en zonder uitnodiging.  Enfin een beetje gelijk mijn ex. Ge ziet of hoort daar jaren niks van en ge peist dat ge er voorgoed vanaf zijt tot ze u voor welke reden dan ook dringend moet spreken.  Blijkt dat ze gewoon geld vandoen heeft en ze dat bij mij hoopt af te troggelen.

Midlifecrisis komt dus ergens halverwege, maar wanneer was ik daar, daar ergens in den helft? Met mijn ADHD heb ik graag structuur, een duidelijke planning, het liefst in Excel met minstens één tabblad in fluo, “toekomstige miserie”. Overzicht dus. Maar het probleem is, mij leven heeft geen structuur. Het heeft alles weg van een rommelige schuif met elastiekjes, opladers, vervallen condooms en drie identieke Ikea-inbussleutels zonder te weten wat die dingen daar liggen te doen.

Daarom kies ik nu al voor crisis.

Mijn madam, die voor onduidelijke redenen nog dikwijls in mijn buurt vertoeft, bekijkt me zoals ze naar een kat kijkt die net de zetel heeft kapot gekrabt en daar zelf heel tevreden over lijkt te zijn.

“Wij zitten al 25 jaar in een relatie,” zei ze. “Dat is de crisis.”

Misschien heeft ze een punt. Het is allemaal al lang geen romantische film meer. Misschien is het ooit zo begonnen maar halverwege, tijdens zijn midlifecrisis, heeft de regisseur voor een ander genre gekozen. Het werd een documentaire over een nieuw logistiek samenlevingssysteem. Wat wij hebben heeft dan ook veel weg van die kleine luchthaven die je ziet in Aircrash Investigations op National Geografic, met vertragingen, onverstaanbare aankondigingen en af en toe een onverwachte noodlanding, en één persoon die altijd kwaad naar de security kijkt.

Vroeger droomden we samen. Nu bespreken we in detail of kaas met groene schimmel nog eetbaar is en wie eerst naar het wc mag.

Een midlifecrisis zou daar allemaal verandering in moeten brengen. Dat heb ik toch gelezen in die blog. Venten kopen een sportwagen, nemen een minares of erger, ze beginnen te padellen en leren Spaans “voor later, op reis”.
Zelf heb ik het bescheidener aangepakt. Ik heb online gekeken of een tweedehands camper betaalbaar is, niet eens om te kopen, gewoon om te kijken. Een uur lang en dat was al redelijk revolutionair.

Ze had het natuurlijk direct gezien, “ga je een camper kopen?”  “Nee”, brabbel ik, “Ik ben gewoon aan ‘t kijken.”

Ik denk dat elke midlifecrisis ongeveer zo begint, met een zoekterm op Google.

En ergens snap ik het allemaal wel want rond deze leeftijd begint alles te kraken. Mijn lijf bijvoorbeeld klinkt gelijk een houten trap uit mijn ouderlijk huis van 1974. En mijne kop begint vragen te stellen over zaken waar ik vroeger helemaal geen tijd voor had. Wat heb ik gedaan? Is dit het? Heb ik hier veertig jaar mijn botten voor afgedraaid en waarom heb ik drie verschillende opladers waarvan geen enkele deftig marcheert?

Zij daarentegen heeft geen crisis nodig. Zij is de structuur zelf, de Excel in ons leven. Met kleurcodes, filters, draaitabellen en met een verborgen tabblad waarin al mijn fouten systematisch worden bijgehouden.

Misschien is een lange relatie gewoon een permanente oefening in hoe je een crisis uitstelt. Ik schuift ze ook voor me uit, jaar na jaar, gelijk dat krantenabonnement dat ik altijd vergeet op te zeggen.

Ineens zegt ze, “we moeten hier eens naar kijken.”
En ik antwoord, “is ‘t dringend?”
“Nee”, zegt ze,  “laat maar. We hebben nog kaas. Ik vroeg me gewoon af of die nog goed is.”

Misschien kies ik bewust voor die dagelijkse kleine crisis. Niet omdat het moet maar omdat het dan eindelijk eens alleen over mij gaat.

Tot ze vraagt wanneer de vuilkar komt en wie de vuilnis buitenzet.

Dan ineens besef ik, dit is geen midlifecrisis.

Het is gewoon zondag.

De ultieme Padel-les voor koppels

Ze hadden het nochtans vooraf afgesproken “gewoon voor het plezier”. Het spelletje start dan ook zoals het spelletje hoort te starten, met ballen die braaf over en weer gaan, maar dat ook doen met een onheilspellende rust die veel te kalm is om onschuldig te blijven. Twee lichamen die al lang niet meer in topconditie zijn. Maar zich voor de gelegenheid hebben uitgedost in een tot in de puntjes doordachte sportoutfit, een padeloutfit die voor beiden veel meer belooft dan hij kan waarmaken.

Haar lijf zit als gegoten in dat laatste nieuwe padelpakje. Je moet haar zien. Ze ziet eruit alsof ze net uit een reclamefilmpje van Bullpadel is gestapt. Haar perfect uitgekozen ‘ensemble’ zit strak en oogt professioneel. De kleuren zijn assorti met de schoenen, de sokken met haar ondergoed. Ze kan zo défilé lopen op de padel catwalk van een sports illustrated modeshow. Ze zou er niet op misstaan. Haar modieuze rokje volgt haar lichaam met een soort zelfvertrouwen en elegantie die haar voeten niet altijd lijken te delen. Zij heeft een splinternieuw, vederlicht racket dat blinkt in wit carbon, een model waarmee vermoedelijk de halve World Padel Tour-finalisten ontelbare winners hebben geslagen. Alles aan haar ademt controle, elegantie, finesse en ervaring.

Hij daarentegen houdt zijn racket vast alsof het een biljartkeu is. Hij kocht het onlangs in dezelfde winkel.  Topmateriaal, had de verkoper gezegd. Sinds dan is hij er van overtuigd dat hij zich ergens in de buurt van een P-1000 bevindt, een niveau dat er in zijn hoofd alleen maar uit bestaat om in gedachten heel hard “vamos” te denken zonder het luid te durven uitspreken.  Hij draagt compressiesokken die zijn onderbenen er doen uitzien als kiekepoten. Ze zijn voorzien van twee orthopedische kniebraces die elke stap die hij zet, laat voorafgaan door veel te lange onderhandelingen.  De schouderbrace die hij op maat heeft laten maken, houdt zijn bovenlijf bijeen alsof dat ook een fragiele constructie is die anders uit elkaar valt bij de eerste voorzichtige slag. Zijn outfit is hip, al zou die veel beter passen bij iemand anders (jonger, sportiever, cooler) maar hij was wel duur. Dat telt ook ergens.

De eerste spelletjes verlopen ontspannen en staan bol van goede bedoelingen. Tijdens de opwarming al slaat zij voor hem onhoudbare ballen terug.  Hij corrigeert, vooral tactisch en voorzichtig, “iets dichter bij het glas en iets meer naar het net”, zo klinkt het.  Het zijn kleine, bijna liefdevolle aanwijzingen, die nog net geen kritiek zijn. Zij knikt van achter haar zonnebril, maar haar blik blijft toch al een fractie langer op de baan hangen, alsof zijn boodschap onderweg nog even moest uitwijken langs een omweg in haar hoofd alvorens hij landde waar het bedoeld was. “Ja ja,” zegt ze, al lichtjes geprikkeld en iets luider dan strikt noodzakelijk. Ze wil immers ook leren en winnen maar vooral, ze wil tonen dat ze zelf haar balletje (mannetje) wel kan slaan (staan).

Tijdens het eerste spelletje valt een bal tussen hen in. Hij was niet beslissend want nadat het splinternieuw wit carbon racket zijn minder dure racket raakte, belandde de bal ergens in het achterveld.  Die bewuste bal vloog naar de overkant van de baan en werd geslagen met genoeg ernst om het plezier te laten verdwijnen. Het was dat soort bal die in een relatie hetzelfde gewicht heeft als een lege rol wc-papier die niet tijdig vervangen is of de spreekwoordelijke wc-bril die niet dicht is , triviaal en niets op zich maar symbolisch in alles. 

Zij zegt dat bewegen en communicatie belangrijk zijn.  Hij hoort alleen maar, “tamme zak, beweeg eens dat was jouw fout.”  Als het tweede spelletje start, spreken ze ineens een andere taal. Het zijn geen zinnen meer. Hun communicatie heeft veel weg van oerkreten waarmee Neanderthalers elkaar afblaffen. Ze blijven ergens hangen tussen sturen en verwijten. “Die was van jou”, snoeft ze. “ Maar je zei niks”, reposteert hij, nog enigszins beleefd.

De padelbaan verandert. De lijnen blijven waar ze altijd al zaten, het glas blijft ook op zijn plaats maar met elke slag lijkt het veld kleiner en de afstand naar de overkant van het net groter. Elke bal krijgt de lading mee van de vorige.  Niets begint nog op nul, zelfs het volgende spelletje niet.

Een bal valt opnieuw tussen hen in. Hij staat links zij rechts. Eerst kijken ze er allebei naar, dan  naar elkaar. Niemand beweegt. “Serieus?” zegt hij. “Wat?”, blaft zij terug. Ze kijken elkaar aan alsof ze zelfs niet meer weten dat de bal moet opgeraapt worden. “Pak hem zelf!”, bitst ze.

Vanaf dan gaat het sneller. Zij begint nog harder te slaan alsof kracht kan redden wat ze al lang niet meer onder controle hebben.  Ballen vliegen tegen het glas, tegen het net of over de kooi. Het maakt nog weinig uit. Het moet vooruit gaan. Hij vergeet zijn eigen blunders en geeft een theoretische verklaring voor elke fout en voor elke reden een uitleg die ook in het net beland of tegen het glas.  Alleen zijn woorden worden scherper, zijn slagen volgen niet.

Op het veld ernaast wordt niet meer gespeeld. Er wordt met open mond gekeken naar het spectakel. Iemand leunt tegen het hek.  Iemand anders verslikt zich in een slok water. Vanuit de cafetaria schuift een stoel en nog één.  “Zij zijn precies niet meer aan het padellen,” zegt iemand. “Moeten we niet eens gaan kijken?”

Aan de overkant kijken de tegenstanders elkaar eerst nog  glimlachend aan. Een soort glimlach die zegt, “dit gaat wel over”. Ze proberen nog even, een bal terug en nog één. Uiteindelijk laten ze een punt lopen dat ze makkelijk hadden kunnen winnen, uit voorzichtigheid of medelijden, wie zal het zeggen? Elke rally dreigt drie keer onderbroken te worden met, “Je moet op tijd ‘los’ roepen! En jij moet niet elke bal tegen de ruiten kloppen!”

Zij vindt dat hij te veel analyseert. Hij vindt dat zij niet luistert.
Hij vindt dat zij altijd controle wil. Zij vindt dat hij te veel ‘ballen van haar’ neemt.

Haar outfit blijft ondanks alles perfect zitten. Wanneer ze een bal mist, doet ze dat esthetisch verantwoord. Het rokje vangt elke beweging op en het racket volgt een lijn die op papier misschien nog wel klopt, alleen de bal doet niet meer mee. Die heeft ondertussen alle ruiten proper gemaakt. Dat maakt het voor hem allemaal nog erger.

Hij daarentegen begint, zoals dat in YouTube-filpmjes uitgelegd wordt, zijn greep op het racket te verleggen, subtiel maar compleet fout. Een teken dat hij wil terugvallen op instinct, alleen heeft hij nog nooit instinct ontwikkeld omdat hij te trots is om les te volgen. De combinatie van overtuiging en onkunde krijgt iets ontroerends, tot het dat niet meer is.

Bij 1-9 is het voorbij. Officieel toch. Ze tikken af, correct en beleefd, zoals het hoort, met rackets tegen elkaar, maar ook met een hand die net iets te hard wordt geschud. Het einde kwam veel sneller dan verwacht of niet snel genoeg, dat kan ook.  De uitslag was al lang bijzaak, want het spelletje vertoonde veel te veel gelijkenissen met de Roses uit The war of the Roses net voor ze in hun alles verwoestende vechtscheiding terecht kwamen.

 Ze verloren dan ook roemloos en dat stond al een tijdje vast. Wat niet vaststaat, is wat er tijdens dat spelletje precies nog allemaal is verloren gegaan.

Het advies vanuit de cafetaria komt ongevraagd, maar het is voor hen beiden heel duidelijk. Niet meer samen spelen. Niet omdat het niet kan maar omdat niemand wil zien wat er dan echt kapotgaat.

Een bad dat koud geworden is

Overal duiken ze op, reclame en podcasts. Ze kruipen onder je vel gelijk schimmel in een slecht verluchte badkamer. Hoewel ik het niet echt wil, betrap ik me erop dat ik weer zit te luisteren naar twee duffe koppen rond een micro.  Zogezegd scherpe geesten maar in werkelijkheid, niet de scherpste messen uit de schuif. Voor de verandering, het zijn twee vrouwen maar dat is bijzaak. Het geslacht doet er niet toe, leegte is uniseks. Domheid kent geen gender, leegte geen identiteit. Er is alleen gebrabbel, traag, ritmisch, zonder ooit tot een climax te komen.

Ze zitten daar te ratelen alsof ze liggen te weken in een warm bad van hun eigen dampen. De ene klinkt alsof ze permanent op een yogamat woont tussen wierook en trauma.  De andere alsof ze recht uit een yurt komt gekropen, met grond onder haar nagels en een mening over alles. Je mag dat een gesprek noemen maar eigenlijk is het gewoon een intellectueel bubbelbad waar iedereen zijn eigen scheet laat en hoopt dat die naar lavendel ruikt.

Nog voor ze goed en wel begonnen zijn, zijn ze al irritant. Die geforceerde glimlachjes hoor je door de micro, dat samenzweerderig gegremel alsof ze iets gevaarlijks gaan zeggen. Spoiler, dat doen ze niet.

De ene heet Merel, een typische naam die standaard geleverd wordt met een totebag, een Instagramprofiel in sepia en een moreel kompas dat altijd naar zichzelf wijst. Ze praat traag, niet bedachtzaam, gewoon traag zodat elke zin lijkt alsof ik een breekbaar cadeau moet uitpakken. Om de drie woorden slikt ze hoorbaar, precies of ze bang is dat haar stem in twee zal breken.

“Wat ik heel sterk aanvoel,” zegt ze, “is die individuele zelfoptimalisatiedruk.” Lap, tien seconden bezig en we zijn al waar we moeten zijn. Er is een eerste term gedropt, iedereen content.

“Individuele zelfoptimalisatiedruk”, ze zegt dat op zo’n toon, alsof ze echt een gevaarlijke scheet heeft losgelaten. En dan volgt een pauze. Een plechtige stilte zodat alles kan bezinken. Maar bij mij bezinkt er niks. Het is badschuim dat in mijn oren kruipt en waar ik jeuk en uitslag van krijg.

Dan is het aan Sofie. Er moet altijd een Sofie zijn.  Ze heeft matte roze lippenstift op en een kapsel dat zegt, “ik ben de moeilijkste niet maar heb wel altijd gelijk.” Ze kreunt instemmend. “…ik wil hier toch even op intunen…” Intunen. Mijn lijf reageert fysiek. Tenen gekruld, de kaken op elkaar en alle haren op mijn lijf schieten rapper recht dan mijn ochtenderectie. Dit wordt weer zo’n lulgesprek waarin de ene niets zegt en de andere dat niets, volledig begrijpt.

“Ja, honderd procent.” Sofie, heeft een irritante lach die uit voorzorg, altijd net iets te laat komt. Elke keer dat ze haar snater opentrekt, begint ze haar zin met “ik denk” of “voor mij persoonlijk”, maar wat dan volgt is semantische diarree die helemaal geen betrekking heeft op zichzelf of op wat ze heeft meegemaakt. “We moeten durven erkennen dat, niet in het systeem passen ook een manier is van in het systeem te passen.” Ze zegt dat allemaal alsof ze net een tattoo heeft laten zetten waar ze later spijt van zal krijgen. Sofie zucht diep. Merel zucht harder, met nog meer gefakete betekenis, of met de illusie daarvan. Of als voorspel.

Wat mij het hardst tegen de kloten slaat, is hoe ze elkaar constant bevestigen. Dat aaien en instemmend knikken. “Ja dat volg ik helemaal…”.  “Ja, exact dat…”. Exact wat godverdomme? Geef me één voorbeeld zonder het woord ‘spanningsveld’ te gebruiken. Onmogelijk. In hun podcast is alles een spanningsveld. Hoe ze ademen, hoe hun blikken elkaars bevestiging zoeken, zelfs de afstand van de koffiebekers tot de microfoon. Elk woord is een echo van een echo, elk gebaar een pose, en zij draaien rond in een theater van betekenisloosheid waarin ze giechelend en knikkend elkaar bevestigen alsof ze de Nobelprijs voor gebakken lucht hebben gewonnen.

Het enige wat ze te vertellen hebben is dat ze helemaal niets te vertellen hebben, behalve dat ze ook luisteren naar podcasts van andere vrouwen die ook podcasts maken waar ze dan naar verwijzen, en naar luisteren. Ze spreken met blinkende ogen. In een perfect gemonteerde studio, zijn gesponsord door een matrasmerk of een datingapp die ook je ademhaling regelt. Het zijn rebellen met een sponsorcode en een btw-nummer. Ze gebruiken woorden die niemand begrijpt en hanteren een jargon waarmee ze constant aan elkaars erogene zones zitten te frutselen. “Oh da’s mooi gezegd.” “Ja, dat resoneert.” “Dat maakt iets los, dat raakt iets.”

Wat raakt dat dan? Uw G-spot misschien? Uw LinkedInprofiel? Ze blijven doorgaan en rochelen verder woorden zoals ‘collectieve vertraging’, alsof dat iets anders is dan lanterfanten of talmen met een grotere vocabulaire. Alles vertraagt, behalve hun zelfingenomenheid, die dendert onophoudelijk voort als een goederentrein zonder remmen.  Hun glitter klinkt als een modeshow voor mensen die zichzelf nooit vuil willen maken aan de realiteit.

Alles wordt opgenomen, alles geregistreerd, zelfs het nutteloze papiergeritsel, het getik van hun nagels op de tafel, ritmisch, zelfbewust en storend. Af en toe hoor ik het slokjesgeslurp aan hun haver latte macchiato, gevolgd door “mmm lekker.” Ik wil hen mijn zure oprispingen laten proeven.

Influencers (ik krijg rillingen van dat woord) zoals Sofie en Merel vinden zichzelf scherp, kritisch en relevant maar bevestigen alleen dat ze met hun gewauwel bij elkaar horen, in een cocon van consensus die als safe-space dient voor hun vaagheid en pseudo-intellectueel gemekker. Er is geen frictie, niemand loopt risico. Het enige wat ze doen is verheven woorden naar elkaar gooien tot dat lang genoeg geduurd heeft om me te laten geloven dat dit denken is en betekenis heeft.

Ik zit in mijn bad en voel uit mijn bruisbal pure ergernis opborrelen. Niet omdat het vrouwen zijn, maar omdat ze leeg zijn en doen alsof leegte diepgang heeft.

Geef mij één zin zonder jargon, één gedachte die snijdt. Het komt niet.  Ze geven niks. Alleen nog een geforceerd lachje, nog een knikje, en “…ja, daar moeten we zachter in worden.”

 Zachter. Ik zet het af. Het enige wat achterblijft is mijn weerspannige ego. En dat lag daar al. Bloot en zelfvoldaan, in een bad dat ondertussen ook nog koud geworden is.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.

Het ochtendritueel van een verzopen kieken

Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.

Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.

Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.

Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.

Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.

Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.

Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.”  Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”

Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.

Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.

En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.

Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.

Ongemakkelijke anusjeuk

Daarstraks, ik opende de ijskast en vond er mijn autosleutels. Ik was ze al twee uur aan ’t zoeken. Met mijn vondst viel alles in de plooi. In die ene flits van mistige zinsverbijstering zag ik mijn bestaansrecht voor mijn ogen verdampen. Alsof mijn hersenen zeiden, “sorry makker, we geven het op. Zoek het van hieraf maar zelf uit. Succes nog voor de rest.”  En ik doorzocht als een verdwaalde aap verder mijn ijskast, in de hoop in het groentebakje mijn gsm tegen te komen. Op momenten als deze voel ik me niets meer dan een slaapwandelende orang-oetan die zich probeert op twee benen staande te houden terwijl hij beter terug op vier poten zou gaan lopen.

Ik zeg zo dikwijls dat ik een denkende mens ben, zoekend naar meer. Ik vind mezelf gelaagd, diep, verstandig en betekenisvol. Met een plan. Serieus? Toen ik daarnet in mijn ijskast verdwaalde, voelde ik me iets minder ‘gelaagd’. Ik voelde me eerder lid van een overbodige kutgroep die de aarde al millennia lang overbevolkt en om zeep helpt. We zijn ooit rechtop gaan lopen, hebben vuur, een knots en een wiel ontdekt. Toegegeven, dat was straf. Maar zijn we sinds dan, niet allemaal stilaan gaan evolueren tot wandelende zakken broeikasgas met spraakintelligentie en een Facebook-account?

Om maar iets te zeggen.  In ons leven krabben we tienduizenden keren aan ons kruis alsof één of andere hogere macht daar een antwoord heeft verstopt. We wisselen drie keer per dag van onderbroek alsof het een ritueel betreft dat ons moet zuiveren van iets dat we zelf niet meer kunnen benoemen. We staren om de vijf voet in spiegels en schermen en noemen dat ‘zelfreflectie’, terwijl we, als we eerlijk zijn met onszelf, gewoon checken of er niet te veel haar uit onze neus groeit. Elke dag schijten we minstens twee keer de pot vol en vegen alles proper met toiletpapier, tweeënhalve laag dik, als het kan. Doen dat nauwgezet en met stille hoop dat onze vinger niet doorschiet. Terwijl we daar zitten kakken, scrollen we met diezelfde vinger over schermen en peuteren we onze neus proper om nadien opnieuw te checken of we toch niet door dat tweeënhalf-lagig dik toiletpapier hebben gezeten.

We zijn het menszijn stilaan aan ’t afleren om te verworden tot een cluster van nieuwe reflexen, aangeleerde dwangmatigheden en lichaamsgeluiden die we angstvallig willen verbergen. Ons leven is gaan vervellen tot een scheet in een fles en een boer in de wind. Kortom we verspillen 40% van ons leven met het hooghouden van een façade, met nieuwe dwangmatig aangeleerde reflexen en met het checken of er niet te veel haar op ons gat groeit.

We zijn een kudde ‘zelfbewuste’ apen geworden die hun lichaam voortduwen richting het einde, met als houvast de illusie van de controle. We denken dat we bangelijke verhalen schrijven en ‘een leven’ leiden terwijl we in werkelijkheid de hele dag bezig zijn, met ons ego op te pompen, onze piet in bedwang te houden en een venusheuvel haarvrij te krijgen.
Terwijl we dat doen hopen we dat er niet toevallig een scheet passeert en hopen nog harder dat niemand het merkte. We verzinnen van alles om te verbergen dat we van niks weten en dat we eigenlijk gewoon domme, gestreste beesten zijn die wat het ook moge kosten, bij die overbodige kutgroep willen blijven horen.

En de rest van de tijd? Ah, die besteden we zoals ik nu doe, aan het rationaliseren van dat alles. We kopen boeken over zingeving, volgen cursussen mindfulness en meditatie en prijzen onszelf slim door levenslang te leren terwijl we nog steeds acht keer per dag neuspeuteren en vijftien keer aan ons kruis pulken als niemand kijkt.

Ik heb het uitgerekend. Meer dan 40% van onze tijd die we op deze planeet doorbrengen gaat op aan dat soort complete kutonzin en de overige 60% verspillen we aan het proberen te begrijpen waarom we dat doen. Alleen we komen niet tot toegeven dat alles gewoon vastzit in onze eigen anus die jeukt en we het allemaal niet meer zo gemakkelijk uitgekakt krijgen.

Het leven is geen mysterie. Het is gewoon luchtverplaatsing.  Een verdwaalde scheet of een ingehouden boer, dat ligt eraan langs welke kant hij eruit komt.

Doe gerust nog een verse onderbroek aan als je dat wil. Knoop je veters en kuis je reet nog eens proper, want je had toch het gevoel dat daar nog wat kak aan hing.  Loop desnoods een paar uur rond als een waggelende pinguïn omdat er nog wax aan je schaamlip plakt. Doe het met je kop in de lucht, alsof het allemaal betekenis heeft.
Maar eigenlijk ben je gewoon maar lucht, een scheet in een fles of een boer in de wind.

En als je deze ongemakkelijke waarheid niet aankan, heb je duidelijk nog niet genoeg in je ijskast gekeken of aan je kruis gekrabd.

Onderbroekjungle, mijn natuurmonument onder de gordel

Eens was er een tijd dat de mens nog een bos droeg in z’n onderbroek. Van kale kinderspeelplaatsen was geen sprake.  Iedereen, man én vrouw, was voorzien van een zompige, zwoele onderwereld waarin je niet zonder kompas afdaalde.  Onder die Bermudadriehoek heerste een broeierig microklimaat, een geurig habitat waaronder verlangen verborgen zat als warme, zwoele vochtigheid die zich ophoopte zoals mist boven een regenwoud.

In die dichte, vochtige jungle van wellust stonden stengels en sprieten fier overeind, altijd in volle groei, altijd omhoog met volle goesting. Het schaamgewas, een levend tapijt op zich, huisvestte een compleet ecosysteem. Alles wat zich tussen de benen bevond stond op zichzelf, zelfregulerend, zelfreinigend en zelfbewust, als een harig heiligdom. En dat hebben we kaalgeschoren, uit vrije wil. Alsof je het Amazonewoud kapt voor een parkeerplek.

Bij mannen stond het daar allemaal gewoon, als bos boven de ballen, waarin zweet kon blijven hangen als eerbetoon aan labeur. Je rook nog wie hij was, de man. Geen sprake van kaalgeschoren kinderzakjes, vuurrood van irritatie, neen gewoon een warme, mannelijke geurige pels, als donzig matje van de lust.

En vrouwen, ver voor de revolutie van de kale gleuf, toen de onderkant er nog niet uitzag als een vers geschaafde courgette, was er geen sprake van klinisch gladgetrokken sneetjes.  Toen was de kut een stevige vulva met een kapsel als een langharig tapijt, waarin je kon verdwalen zonder erover uit te schuiven. Met heimwee kijk ik terug op dat fluwelen konijnenhol met een deurmat, op die poes met persoonlijkheid. Ok, om er te geraken moest je zoeken. Je moest ploegen en ploeteren en je overgeven aan je oerinstinct. Seks was toen nog een expeditie, geen bezoek aan een gesteriliseerde operatiekamer waarin je steriel binnenkomt, zonder karakter, zonder chaos, alles strak, leeg, geurloos en zonder een sprietje avontuur.

In één generatie gingen we van een zompige jungle naar een chirurgisch, steriele operatiezaal. Alles moest weg, zelfs de stoppel kreeg geen kans. En sindsdien is de fun eraf. Want onmiddellijk, zonder avontuurlijke natuurwandeling en zonder harige wegwijzer, sta je oog in oog met die gladde betonvloer, zo kil, kaal en zo leeg dat je zou zweren dat er nooit een bos heeft gestaan. En zeg nu zelf, eenmaal dat de krochten van het bestaan zijn glad gestreken, hou je toch alleen maar een lege, tochtige doos over waarbij seks een gevecht wordt tussen twee naaktslakken.

Ooit had de schaamstreek iets menselijks, iets dierlijks en zelfs etymologisch klopte het. Haar stond voor mysterie, voor volwassenheid, voor iets dat je verborg en er niet te koop meeliep. Een beetje schaamte dus! Maar met iedere scheerbeurt, met elke strip wax die van een kruis wordt gerukt alsof het mysterie er zelf aanhangt, nemen we iets fundamenteels weg. En, Alles moest weg. Want alles moest glad. Strak. Netjes. Steriel. We doen het telkens opnieuw alsof onze schaamstreek auditie moet doen voor één of andere chique design keuken catalogus.

En wat krijg je ervoor in de plaats? Juist! Rode scheerbrand, etterende boebelen, ingegroeide haartjes maar wel op een dansvloer zo glad dat een Dyson-stofzuiger er jaloers van wordt.

Wat met de biodiversiteit? Hele ecosystemen, voor altijd verdwenen! De schuchtere piemel panda, de onzichtbare vaginale flapper vleermuis en de nachtelijke bilnaadbever, allemaal uitgeroeid zonder pardon. Miljoenen jaren evolutie, onherroepelijk weggebrand met een laserpistool.

Dus nee, wereld. We zijn er niet op vooruitgegaan. We verlieten massaal de vochtige jungle en zijn de kale, tochtige woestijn van de gladde schaamteloosheid binnengestapt.  We hebben onze harige identiteit gewaxed tot er geen spriet meer rechtstond.

Mijn schaamstreek roept dan ook vandaag deze revolutionaire gil aan de mensheid. Laat het maar groeien. Laat de snor van je schaamstreek staan en draai er desnoods koppige krullen in.

Mocht iemand bezwaar hebben, weet dan. Mijn kruis is geen gemeentepark dat om de twee weken moet kaal getrokken worden. Mijn onderbroek is geen golfbaan. Het is een reservaat. Een wildpark. Een natuurmonument en het is er niet verboden om het gazon te betreden!

Zeker nu niet, terwijl de maatschappij druk in de weer is met haar jaarlijkse gazonfetisj en daarvoor in de plaats in stilte haar eigen identiteit wegscheert.

Maai mij dus niet. Niet in mei en niet in juni. Niet voor een date en niet voor mijn zwembroek.
Zelfs niet eens voor de sauna. Want, wie zaait, zal oogsten, maar wie dorst en maait, zal kaal en koud eindigen. In een wereld zonder mysterie. Dus bewaar het woud en bescherm je pelouze alsof het je eigen gazon is!

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

Er was eens in Bethlehem

Die nacht was het redelijk fris in Bethlehem. De halve maan stond glimlachend aan de hemel, alsof ze wist wat er op het punt stond te gebeuren.

Maria, hoogzwanger en op het randje van een zenuwinzinking, strompelde naast een oude ezel die beladen was met huisgerief. Jozef, eveneens een ezel en ook over het randje van hysterie liep een paar passen achter haar, ook radeloos en duidelijk zwaar over zijn toeren.

In einde en verre was geen herberg te bespeuren.

“Marjake maar serieus, moet gij nu alweer pissen? Gij zijt het laatste uur al drie keer naar de koer geweest,” reclameerde Jozef die zijn aangroeiende irritatie niet langer meester was.

“Jef, zwegt!” krijste Maria fel als een hysterische furie. Haar stem deed zelfs de schapen en de herders met schrik recht veren, een beetje verder aan een bouwvallige stal.

 “Gij zijt ni in positie, hé Jef. Ik voel begot mijne rug al drie dagen ni meer. Die kleine zit op mijn blaas te sjotten, mijn voeten doen zeer en mijn uierzalf en mijn kompressen zijn op!”

Jozef stopte en keek haar ietwat vragend met gefronste wenkbrauwen aan. “Kompressen, uierzalf? Waarom hebt gij nu, in de naam van uw ongeboren kind, (godsnaam) uierzalf en kompressen vandoen?”

“Voor die striemen op mijn buik, he Jef en voor mijn tetten. Ja, voor mijn tetten, Jef. ’t Zijn precies kapotte ballonnen, ze lekken langs alle kanten!” Maria’s stem was zo luid en schel dat de oude ezel luid begon te balken en er met schrik van doorging, op de hielen gevolgd door de kudde schapen.

Jozef mompelde onverstaanbare woorden over horens dragen die versierd waren met kerstlichtjes en over een complot, maar hij besloot wijselijk om verder zijn mond te houden. Hij was ten andere nog steeds niet bekomen van het ‘goddelijke ingrijpen’ waarmee Marja in positie was geraakt. “Den Heilige Geest, mijn gat ja,” snoof hij binnensmonds, “als ik hem ooit tegenkom, ik snij zijn fluit eraf. Met een bot mes.”

“Oh nee, Jef”, permitteerde Maria ineens.

“Wat is ’t nu weer”, zuchtte Jozef.

“Mijn water is gebroken!” Maria gilde, de ogen angstig gericht op de natte plek van haar kleed.

“Serieus Marjake, hoe moet ik dat hier nu allemaal oplossen? Ik ben maar ne simpele timmerman, he zeg, geen vroedvrouw”, riep Jozef, wanhopig met zijn handen in het haar.

Maria keek hem woest met vlammende ogen aan. “Misschien had ge daar maar eerder aan moeten denken voor ge mij naar dit godvergeten gat sleepte. Daarbij ’t is nu niet het moment om ambras te maken!”

Op het moment dat de situatie helemaal uit de hand dreigde te lopen, verscheen er boven hun hoofden plotseling een felle lichtflits. Een stem galmde door de lucht. “Vrede, op Aarde beste mensen! Hier ben ik, de Heilige Geest!”

Maria en Jozef keken elkaar met grote ogen aan. “Zie je wel”, riep Maria ontroerd, “Eindelijk! Ik wist wel dat hij zou komen, de vader van mijne kleine.”

“Hoe zit dat hier feitelijk, is de Heiland al geboren”, vroeg de Heilige Geest nieuwsgierig, terwijl hij nonchalant van zijn wolk neerdaalde. Hij droeg een witte, doorschijnende toga met het provocerende opschrift ‘Ik doe wonderen’.

“Gij smeerlap! Gij hebt dit gedaan,” tierde Jozef, wijzend naar Maria’s buik. “Kon gij uw goddelijke fluit ni thuishouden. Kom hier da’k hem eraf snij?”

“Wacht, Jef,” zei de Heilige Geest met trillende stem. “Ik ben maar één van de drie. Dit is allemaal onderdeel van een goddelijk plan. Ik kan het allemaal uitleggen. Het is echt niet wat je denkt.”

“Wat? Eén van de drie? Sloerie, alsof één nog niet genoeg is, kom hier”, riep Jozef hysterisch.

“Een goddelijk plan?” Maria wierp haar handen in de lucht. “Wat is dees eigenlijk voor een goddelijk plan? Heb je misschien ook een plan voor mijn zere voeten, mijn lekkende tetten, en voor die stomme ezel die al drie dagen naar uierzalf riekt, een vroedvrouw misschien, toevallig?”

Net toen de Heilige Geest wilde antwoorden, klonk er luid getrappel van paardenhoeven. Vier figuren kwamen aanstormen, vanuit het Oosten.

“Wacht nu eens even,” zei Jozef stomverbaasd. “Zijn hier nu ineens ook vier koningen?”

De grootste van de vier, een rijzige man met een gouden kroon op zijn hoofd, kwam van zijn paard en haalde zijn schouders op. “Melchior kon ni meekomen, die heeft zijn knie zeer gedaan bij een kamelenrace. Dus hebben we den Barry meegenomen. Hij is een verre neef maar ’t kan ook een nicht zijn.”

Barry zwaaide enthousiast en riep met een opvallend hoge verwijfde stem, “En ik heb koekskes meegebracht!”

Maria keek Barry woest aan. “Koekskes, ‘k ga hier direct bevallen, waarom heb je geen vroedvrouw mee?”

Barry keek een beetje beteuterd naar de grond, en zei, “euh neu geen vroedvrouw, maar wel een thermos kamillethee, voor bij de koekskes.”

Toen de chaos een hoogtepunt dreigde te bereiken en ze het allemaal op de heupen kregen, Maria nog het meeste, kon ze het niet meer houden. Ze begon met persen en puffen. Onder geschreeuw, zweet, bloed en tranen werd er een klein, krijsend kindje geboren. Jezus trok zijn aureool recht en keek om zich heen, alsof hij zich ook afvroeg hoe hij hier terecht was gekomen.

De Heilige Geest glimlachte tevreden, “ziede wel, Jef. Alles komt altijd goed.”

Jozef keek met grote ogen. Eerst naar het pasgeboren kind, dan naar Maria en vervolgens naar Barry, die vroeg, “Waaroem hee die kleine na agelak-fatelak een talloor op zijne kop, die kleine zijn fontanelleke is nog nie eens oneengegroeid.”

Maria, helemaal aan het einde van haar latijn gilde hysterisch in ’t plat Nazareths, “zwegt na is efkes allemaal en houd allemaal ulle bakkes. “Ik zen hie vanonder hielemaa ingescheurd en mijn foef is ontploft, ik eis een mirakel en wel nu”, waarna ze plots ook een witte talloor op haar hoofd kreeg.

De hel van het jargon

Het moet gezegd, mensen die ik in het wild kan verdragen, ze lopen niet dik gezaaid. Ze zijn eerder schaars maar ze bestaan. Zelfs op kantoor ken ik er een paar. Het zijn meestal gezellige zielen, vriendelijke types met wie ik bij een koffie moeiteloos een gesprek kan voeren over het weer, vakanties en hoe die altijd te kort zijn of over de nieuwste Netflix-serie en waarom ik vind dat die absoluut niet te missen is.

Maar zet ze bij elkaar in een vergaderruimte en voor je het goed en wel doorhebt, zijn ze getransformeerd in jargon spuwende, terminator-achtige wezens. Zelfs AI-robots verbleken bij elke vergelijking. Ik zie de verandering onmiddellijk. Hun ogen beginnen fel te glimmen en hun mondhoeken krullen zelfvoldaan omhoog of omlaag.  

Zodra ze een whitebord naderen, raken ze, de ene na de andere, zelfgenoegzaam in hun “zone”. Eenmaal ze in hun “vibe” zitten, beginnen ze onophoudelijk nietszeggende woorden uit te braken. Precies die “vibe en zone” is de plek waar ik absoluut niet wil zijn, om niet te zeggen dat het mijn persoonlijke hel op Aarde is.

Deze mensen lijken ogenschijnlijk normaal, ze doen geen vlieg kwaad, zijn soms zelfs een beetje saai maar altijd beleefd. Toch transformeren ze bijna allemaal in taalexorcisten, vastberaden om normaal taalgebruik uit te drijven en uit te roeien, met wortel enal.

De wekelijkse stand-up meeting is de ultieme hoogmis van de onzin. “We moeten KPI’ s drillen en de synergiën upscalen,” zegt iemand terwijl hij diep in z’n laptop staart alsof hij net de geheimen van het universum heeft ontrafeld. Ik knik slaperig, niet omdat ik er iets van begrijp, maar omdat ik een heel zwakke poging wil doen om te overleven in de jungle van het corporate-gebrabbel. “Zorg aub dat de “deliverables aligned” zijn met onze Q4-goals,” hoor ik in de verte. “Vanzelfsprekend”, prevel ik onhoorbaar, “wie wil nu deliverables die níet aligned zijn?”

Dan heb je x (naam en adres bekend bij de redactie), buiten het kantoor is het een vriendelijke geitenwollen-sokken-vrouw met een voorliefde voor yoga, groene thee en vegan-koekjes maar met een grondige hekel aan mensen die op het voetpad fietsen of die in een zin haar, hun en het niet bij het juiste gender plaatsen. Zodra ze de vergaderzaal betreedt, verandert ze in een wandelende Van Daele vol corporate buzzwords. “We moeten de “stakeholders re-engagen”, zodat we de “buy- in” van onze “communities” optimaliseren voor de vernieuwde “agile implementatie.” En ze voegt er met een dooddoener aan toe, “We zitten nu eenmaal midden in een “transformation journey.”  Mijn gedachten zijn ondertussen al ver afgedwaald naar mijn laatste journey, het strand.

Bijna iedereen doet een gooi naar de titel van ongekroonde koning(in) van de bullshitbingo.  Ze doen het met passie, “out of the box” en met een jargon alsof hij of zij de eerste mens op aarde zijn die deze woorden-bullshit ooit hardop heeft durven uitspreken. Een verhaal is geen verhaal meer maar een “narratief”.  Dat is voor mij een eye-opener en het juiste signaal om mentaal de ruimte te verlaten en me terug te trekken in mijn “inner-space”.  Terwijl ze klassikaal een “paradigm shift” maken en een “value proposition maximaliseren” voel ik het respect voor het vermogen om begrijpelijke, coherente zinnen te vormen heel snel op mijn mentale grafiek naar links verschuiven.

Ik gok dat niemand in de kamer precies begrijpt wat al die onzin betekent, toch knikt iedereen hevig en instemmend.  Wie wil er nu betrapt worden om niet te maximaliseren? Iedereen lalt en zwamt verder met alle ingrediënten van het beste jargonfeestje en doet alsof elk duurder klinkend woord een Nobelprijswaardige doorbraak is in pak weg borstkankeronderzoek.

Waarom toch verandert een ogenschijnlijk normaal mens in een jargonmachine zodra ze een vergaderruimte binnenlopen? Is het angst of ambitie, ik vraag het me zomaar af.

Of misschien een collectieve onzekerheid want niemand wil de domste van de kamer zijn.  Luljargon is toch het beste rookgordijn? Hoe meer ingewikkelde termen je gebruikt, hoe meer het lijkt dat je weet waarmee je bezig bent. Jargon als beste bescherming tegen ontmaskering. “Oh, ze hebben het over synergiën, dan zullen ze vast en zeker weten wat ze doen!”

Hoe meer jargon, hoe hoger op de corporate ladder. Althans zo lijkt het. Gebruik je termen als “leverage”, “scalability” en “value chain” dan suggereer je dat je op een strategisch verantwoord niveau meedenkt. Je speelt het spel mee en wie niet meedoet, blijft achter als muurbloem die niets bijdraagt aan ‘de strategische conversatie’. Jargon als statussymbool, alsof je een geheime taal spreekt die alleen de elite begrijpt, terwijl eigenlijk niemand het snapt.

Jargon is angst om door de mand te vallen en zit verpakt in woorden die geen mens zonder migraine begrijpt.

Het slechte nieuws is dat in tegenstelling met het dodelijke marburgvirus uit Rwanda een vaccin niet onmiddellijk in zicht is.  Het enige wat je dus te doen staat, is proberen te overleven door in stilte te lachen en dat net zo lang vol te houden, tot iemand in de vergaderzaal oppert dat we dringend moeten “level setten” voor het volgende kwartaal.  

Spoiler alert: Niemand heeft enig benul wat dat betekent, niet jij, niet de lezers van deze tekst, laat staan de mensen die aanwezig waren in de vergaderzaal!