Tussen verdiepingen

De lift ruikt naar goedkope parfum van een vrouwelijke collega die zonet op de tweede verdieping is uitgestapt. Hij staat naast mij. Het is nog geen negen uur en ik wacht tot hij op een knop duwt die blijkbaar al ingedrukt was. Ik kijk naar de cijfers die te traag bewegen. Ik weet wie het is, maar zijn naam… Die zit in dezelfde schuif verborgen tussen alle andere namen die ik moest onthouden maar dat voor onduidelijke redenen niet meer kan.

De lift hapert tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping. Het is zo’n schok die ik in mijn knieën voel.  Ik probeer het weg te lachen, maar doe het niet. We staan met z’n tweeën in de lift. De man naast mij, ik kom echt niet op zijn naam, houdt zijn laptop vast alsof het zijn enige houvast is. Hij knikt kort, alsof hij me ook van ergens kent maar dat liever vergeet.

“Warm he,” zeg ik.  Hij zucht, “ja zo is dat hier altijd”. Het zijn woorden die niets vragen en niets geven en alleen maar dienen om een ongemakkelijke stilte op te vullen.

Ik hoor ons praten. We lachen niet. We glimlachen ook niet. We blijven gewoon staan zonder iets te riskeren. Ik voel mij plots heel zichtbaar in mijn korte broek en met mijn poging om iets open te trekken wat niet open wil. Alsof er een handleiding bestaat voor dit soort ontmoetingen en ik de verkeerde bladzijde heb opengeslagen.

Hij kijkt naar het plafond, ik naar de spiegel die ons iets eerlijk laat zien. Twee mensen die iets proberen maar het niet vinden. Ik vraag mij af of hij dat ook voelt of gewoon… doorgaat. Sommige mensen lijken dat te kunnen. Gewoon bestaan en doorgaan.

De lift stopt. Hij stapt uit zonder afscheid te nemen. Ik blijf nog een seconde staan, alsof ik nog iets wou redden, maar de lift beslist voor mij. Hij sluit en trekt naar een andere verdieping, opgelucht dat hij verder kan zonder ons.

Later op de dag, ik stop aan een bureau van een vrouw die ik eigenlijk maar net ken. Een nieuwe collega want haar naam plakt ook nog niet helemaal vast aan mijn geheugen,  haar aanwezigheid doet dat wel. Ze zit niet stil. Haar handen bewegen als ze praat, niet storend maar alsof gewoon stilzitten niet bij haar past. Op haar bureau ligt haar telefoon met het scherm naar beneden. “Anders ga ik er te veel op kijken,” zegt ze, zonder dat ik ernaar gevraagd heb.

Ze vertelt dat ze migraine heeft. Niet dat soort koppijn dat je wegslikt met een pilletje en een glas water. Ze heeft er gisteren een inspuiting voor gekregen. “Het begint altijd achter mijn ogen en dan neemt het langzaam alles over. Alsof iemand het licht uitdoet, maar dan alleen in mijn hoofd.” Ze lacht ermee. Niet omdat het grappig is, maar omdat het zo serieus is.

Ze wrijft kort over haar slaap. “Ik voel het op voorhand opkomen,” zegt ze, bijna alsof ze zich ervoor excuseert. Ikzelf merk dat ik rechter ga zitten om te luisteren en voel dat ik iets moet zeggen. Maar wat? Ik ben misschien goed in woorden die een gat vullen maar veel minder in woorden die iets oplossen.

“Heb je dat… dikwijls?” vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. “Soms. Te veel geluid. Te veel mensen. Of gewoon mijn lijf dat beslist dat het genoeg geweest is. Misschien is het overprikkeling. Of hormonen. Of gewoon pech.” Ze zegt het droog, alsof ze een weerbericht geeft over haar eigen hoofd. Het zijn allemaal even geldige verklaringen voor dezelfde koppijn.

Ik wil iets verstandigs zeggen, iets wat kan helpen. Maar alles wat in mij opkomt klinkt als advies van dokter Google. Dus ik zeg niets. Ik luister gewoon. Dat blijkt voldoende.

We gaan voorbij de logica van klachten en triggers. Ze vertelt me over hoe ze soms midden in een vergadering voelt dat het eraan komt en dat ze dan blijft zitten, knikken en doen alsof ze nog volgt, terwijl ze al lang mentaal op pauze staat. “Je wil niet weer degene zijn die weer moet afhaken,” zegt ze. Dat woord ‘weer’ blijft even hangen tussen ons.

“Ik doe dat ook,” zeg ik. “Niet afhaken maar blijven terwijl ik er eigenlijk al lang niet meer ben.” Ik vertel haar niets spectaculairs over mezelf, geen grote verhalen. Alleen kleine dingen en ook dat ik soms gesprekken voer die nergens landen en dat ik me dan erger aan mijn eigen beleefdheid. Dat ik soms liever stilte heb die iets betekent dan woorden die lawaai maken. Ze knikt instemmend. Het is dat soort knik dat je niet kan faken.

Het bureau is ondertussen leeg. Buiten ons twee is er niemand.  De tl-lampen zoemen zacht, alsof zij ook iets willen zeggen maar niet weten hoe. We praten rustig verder over hoe mensen soms passen, elkaar aanvoelen en soms helemaal niet. Ze zegt dat ze die situaties herkent en dat ze het ook niet kan uitleggen. Ik zeg haar dat het misschien niet moet.

“Raar,” zegt ze plots. “Het trekt weg.”

Ze wijst naar haar slapen, alsof ze me wil laten zien waar de koppijn zat. “Die druk. Het is minder.” Ze zegt het voorzichtig, alsof ze schrik heeft dat het terugkomt als ze het te luid uitspreekt.

Ik sta recht. Het gesprek is niet afgerond. Het stopte gewoon, zonder dat het een einde nodig had om te kloppen.

Op de gang kom ik de man van de lift weer tegen. Hij knikt opnieuw. Dezelfde knik, dezelfde afstand. Ik knik terug maar net iets sneller deze keer, en ik besef dat ik me zijn naam nog altijd niet herinner en dat ik nog altijd niet weet wat ik hem zou moeten zeggen.

Misschien wil ik het zelfs niet meer weten.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.