Een bad dat koud geworden is

Overal duiken ze op, reclame en podcasts. Ze kruipen onder je vel gelijk schimmel in een slecht verluchte badkamer. Hoewel ik het niet echt wil, betrap ik me erop dat ik weer zit te luisteren naar twee duffe koppen rond een micro.  Zogezegd scherpe geesten maar in werkelijkheid, niet de scherpste messen uit de schuif. Voor de verandering, het zijn twee vrouwen maar dat is bijzaak. Het geslacht doet er niet toe, leegte is uniseks. Domheid kent geen gender, leegte geen identiteit. Er is alleen gebrabbel, traag, ritmisch, zonder ooit tot een climax te komen.

Ze zitten daar te ratelen alsof ze liggen te weken in een warm bad van hun eigen dampen. De ene klinkt alsof ze permanent op een yogamat woont tussen wierook en trauma.  De andere alsof ze recht uit een yurt komt gekropen, met grond onder haar nagels en een mening over alles. Je mag dat een gesprek noemen maar eigenlijk is het gewoon een intellectueel bubbelbad waar iedereen zijn eigen scheet laat en hoopt dat die naar lavendel ruikt.

Nog voor ze goed en wel begonnen zijn, zijn ze al irritant. Die geforceerde glimlachjes hoor je door de micro, dat samenzweerderig gegremel alsof ze iets gevaarlijks gaan zeggen. Spoiler, dat doen ze niet.

De ene heet Merel, een typische naam die standaard geleverd wordt met een totebag, een Instagramprofiel in sepia en een moreel kompas dat altijd naar zichzelf wijst. Ze praat traag, niet bedachtzaam, gewoon traag zodat elke zin lijkt alsof ik een breekbaar cadeau moet uitpakken. Om de drie woorden slikt ze hoorbaar, precies of ze bang is dat haar stem in twee zal breken.

“Wat ik heel sterk aanvoel,” zegt ze, “is die individuele zelfoptimalisatiedruk.” Lap, tien seconden bezig en we zijn al waar we moeten zijn. Er is een eerste term gedropt, iedereen content.

“Individuele zelfoptimalisatiedruk”, ze zegt dat op zo’n toon, alsof ze echt een gevaarlijke scheet heeft losgelaten. En dan volgt een pauze. Een plechtige stilte zodat alles kan bezinken. Maar bij mij bezinkt er niks. Het is badschuim dat in mijn oren kruipt en waar ik jeuk en uitslag van krijg.

Dan is het aan Sofie. Er moet altijd een Sofie zijn.  Ze heeft matte roze lippenstift op en een kapsel dat zegt, “ik ben de moeilijkste niet maar heb wel altijd gelijk.” Ze kreunt instemmend. “…ik wil hier toch even op intunen…” Intunen. Mijn lijf reageert fysiek. Tenen gekruld, de kaken op elkaar en alle haren op mijn lijf schieten rapper recht dan mijn ochtenderectie. Dit wordt weer zo’n lulgesprek waarin de ene niets zegt en de andere dat niets, volledig begrijpt.

“Ja, honderd procent.” Sofie, heeft een irritante lach die uit voorzorg, altijd net iets te laat komt. Elke keer dat ze haar snater opentrekt, begint ze haar zin met “ik denk” of “voor mij persoonlijk”, maar wat dan volgt is semantische diarree die helemaal geen betrekking heeft op zichzelf of op wat ze heeft meegemaakt. “We moeten durven erkennen dat, niet in het systeem passen ook een manier is van in het systeem te passen.” Ze zegt dat allemaal alsof ze net een tattoo heeft laten zetten waar ze later spijt van zal krijgen. Sofie zucht diep. Merel zucht harder, met nog meer gefakete betekenis, of met de illusie daarvan. Of als voorspel.

Wat mij het hardst tegen de kloten slaat, is hoe ze elkaar constant bevestigen. Dat aaien en instemmend knikken. “Ja dat volg ik helemaal…”.  “Ja, exact dat…”. Exact wat godverdomme? Geef me één voorbeeld zonder het woord ‘spanningsveld’ te gebruiken. Onmogelijk. In hun podcast is alles een spanningsveld. Hoe ze ademen, hoe hun blikken elkaars bevestiging zoeken, zelfs de afstand van de koffiebekers tot de microfoon. Elk woord is een echo van een echo, elk gebaar een pose, en zij draaien rond in een theater van betekenisloosheid waarin ze giechelend en knikkend elkaar bevestigen alsof ze de Nobelprijs voor gebakken lucht hebben gewonnen.

Het enige wat ze te vertellen hebben is dat ze helemaal niets te vertellen hebben, behalve dat ze ook luisteren naar podcasts van andere vrouwen die ook podcasts maken waar ze dan naar verwijzen, en naar luisteren. Ze spreken met blinkende ogen. In een perfect gemonteerde studio, zijn gesponsord door een matrasmerk of een datingapp die ook je ademhaling regelt. Het zijn rebellen met een sponsorcode en een btw-nummer. Ze gebruiken woorden die niemand begrijpt en hanteren een jargon waarmee ze constant aan elkaars erogene zones zitten te frutselen. “Oh da’s mooi gezegd.” “Ja, dat resoneert.” “Dat maakt iets los, dat raakt iets.”

Wat raakt dat dan? Uw G-spot misschien? Uw LinkedInprofiel? Ze blijven doorgaan en rochelen verder woorden zoals ‘collectieve vertraging’, alsof dat iets anders is dan lanterfanten of talmen met een grotere vocabulaire. Alles vertraagt, behalve hun zelfingenomenheid, die dendert onophoudelijk voort als een goederentrein zonder remmen.  Hun glitter klinkt als een modeshow voor mensen die zichzelf nooit vuil willen maken aan de realiteit.

Alles wordt opgenomen, alles geregistreerd, zelfs het nutteloze papiergeritsel, het getik van hun nagels op de tafel, ritmisch, zelfbewust en storend. Af en toe hoor ik het slokjesgeslurp aan hun haver latte macchiato, gevolgd door “mmm lekker.” Ik wil hen mijn zure oprispingen laten proeven.

Influencers (ik krijg rillingen van dat woord) zoals Sofie en Merel vinden zichzelf scherp, kritisch en relevant maar bevestigen alleen dat ze met hun gewauwel bij elkaar horen, in een cocon van consensus die als safe-space dient voor hun vaagheid en pseudo-intellectueel gemekker. Er is geen frictie, niemand loopt risico. Het enige wat ze doen is verheven woorden naar elkaar gooien tot dat lang genoeg geduurd heeft om me te laten geloven dat dit denken is en betekenis heeft.

Ik zit in mijn bad en voel uit mijn bruisbal pure ergernis opborrelen. Niet omdat het vrouwen zijn, maar omdat ze leeg zijn en doen alsof leegte diepgang heeft.

Geef mij één zin zonder jargon, één gedachte die snijdt. Het komt niet.  Ze geven niks. Alleen nog een geforceerd lachje, nog een knikje, en “…ja, daar moeten we zachter in worden.”

 Zachter. Ik zet het af. Het enige wat achterblijft is mijn weerspannige ego. En dat lag daar al. Bloot en zelfvoldaan, in een bad dat ondertussen ook nog koud geworden is.

Waardeloze wens

Ik heb in mijn leven al heel wat af gewenst. Ik deed dat wanneer ik een vallende ster zag, als ik kaarsen uitblies, zelfs bij een verdwaalde wimper. Vorig jaar heb ik mensen het allerbeste gewenst. Ik zie het nog voor me. Ik deed het met de overmoedige overtuiging dat mijn woorden of wensen iets zouden kunnen omdraaien, vertragen of ongedaan maken. “Gelukkig nieuwjaar”, twee woorden, die ik vol verwachting en met hoop uitsprak alsof ze vanzelf hun weg wel zouden vinden.

Sommige van die mensen zijn er niet meer. Ondanks mijn wens. Ze verdwenen of gingen dood. Hun naam is niet weg, maar hij klinkt anders. Alsof ze niet meer in deze tijd staan, of zo. Mijn wens heeft hen niet kunnen beschermen. Hij heeft niets tegengehouden, niets genezen, niets verlengd, en dan denk ik, mijn wens is waardeloos geweest.

Maar misschien was hij niet verkeerd of waardeloos, maar heb ik hem te groot gewenst, of heb ik hem te achteloos of te kwistig uitgedeeld en had ik gewoon wat zuiniger moeten zijn voor wie ik hem bewaarde.  Ik probeer het dit jaar te doen, misschien dat het leven zich volgend jaar dan een beetje zal gedragen, dat verlies een omweg zal nemen en de kalender een beetje milder zal zijn.

Mijn wens van vorig jaar heeft me geleerd dat een wens geen belofte is en dat de dingen niet altijd proper op elkaar volgen zoals een wens of het leven dat zou moeten doen. Soms stort alles gewoon in elkaar ongeacht al dat gewens.

Vandaag, aan de rand van een oud jaar en aan het begin van een nieuw, wil ik het allemaal een beetje zuiniger, een beetje rustiger. Ik wens je dan ook geen vanzelfsprekend, groots geluk met de verwachting dat daarmee alles afdwingbaar wordt, want dat zal het nooit zijn.

Wat blijft er dan over? Aanwezigheid misschien, voor jezelf en voor elkaar?  Misschien zullen we dan beseffen dat elk moment zijn waarde heeft. Misschien dat we dan durven blijven kijken en blijven voelen ook op momenten dat het leven ingewikkeld wordt. Dat we dan niet wegkijken van stilte, gemis, oneerlijkheid, eenzaamheid en van alles wat niet direct opgelost raakt. Misschien moet niet alles direct opgelost te raken.

Voor mezelf wens ik voldoende moed om mensen te blijven vasthouden zolang ze er zijn, zonder overmoedig te denken dat tijd vanzelfsprekend is. Dat aanwezigheid vanzelfsprekend is.  Dat jij vanzelfsprekend bent. Voor jou wens ik hetzelfde.

Ik wens mezelf ook zachtheid en rust om afwezigheid, gemis, oneerlijkheid en eenzaamheid niet altijd te willen herstellen met woorden maar ook een keer met daden.

Morgen begint een nieuw jaar. Geen ziel die weet wat dat zal brengen.  Dus niemand die nu al weet welke straks het meest bruikbaar zullen zijn. Ik hoop dan ook dat deze waardeloze wens genoeg is om opnieuw te beginnen, om er het hele jaar mee door te komen.

Gesponsorde bullshit met een kortingscode

Strontmoe ben ik het, niet een klein beetje sarcastisch moe maar echt strontbeu. Ziekmakend is het. Op de plaats waar ik vroeger een beetje mentale rust vond, liggen nu advertenties te rotten.

Het begint ’s morgens al. Zelfs op kerstdag. Nog voor ik goed en wel mijn ogen heb opengetrokken, ligt die fucking gsm al als een opgefokte hond in mijn oor te hijgen. Iedereen wil iets van mij en iedereen wil het me laten weten. Wat zogenaamd goed en juist is, waar ik beter van moet worden, nog voor ik zelf weet dat ik iets mankeer. Niemand houdt nog gewoon zijn bek.

Vijf- tot zesduizend reclameprikkels per dag, dat is geen marketing meer dat is pure mishandeling. Terreur. Elke vijf seconden tikt een ingebeeld iemand ongevraagd op mijn schouder, die komt zeggen, “heb je dit of dat niet vandoen want zoals je er nu uitziet ben je niet af. Zoals je er nu bijloopt, ben je geen van ons. Heb je dit of dat al eens geprobeerd?” En als het geen product is waar ik al niet zat op te wachten, is het tegeltjeswijsheid in een gesponsorde levensles. Gesponsord. Uiteraard.

Zwijg me over al die fucking influencers. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn wandelende reclameborden met gesponsorde gezichten. Allemaal tuiten ze hun lippen gelijk een gans maar lachen doen ze niet want dat rendeert niet. Zelfs na hun laatste mentale breakdown willen ze me iets verkopen. “Ik deel dit even met jullie omdat het belangrijk is.” Hou toch je bakkes. De enige reden waarom je dit deelt is omdat er geld in zit.  Zelfs de ziel of het geweten van je moeder zou je verkopen. Wees tenminste eerlijk in je smerigheid.

Ik wil niks proberen en al zeker niks kopen. Ik zal zelf wel bepalen wie mijn redding zal zijn. Auto’s, kleren, rust, focus, zelfliefde, alles moet in dezelfde Zalando-, Amazon-, of bol-dot-com-doos passen. Allemaal laten ze uitschijnen dat mijn existentiële ellende maar zal verdwijnen met dit of dat product. Ik heb geen tekort aan producten, ik heb een tekort aan rust. Ik wil geen overdosis bullshit-gelul meer.

Mijn brein is stilaan een vuilnisbelt aan ’t worden waarop elke marketeer, elk bedrijf en elke influencer zijn, met reclame bedrukte vuilzak rotzooi dumpt. De Hoge Maey is er niks tegen. En ik zou nog dankbaar moeten zijn ook.  Als ik alles moet geloven zou ik met al die zever tien andere versies van mezelf kunnen kopen. Dank-u, maar ik moet jullie zogenaamde luxe niet. Ik moet er niet voortdurend herinnerd te worden aan alles wat ik niet ben. Daarvoor ga ik wel naar een psycholoog.

Zelfs mijn stilte wordt kapotgemaakt met meditatie-apps die tegen me praten met ademhalingsoefeningen met een abonnement. Ik wil betalen om gerust gelaten te worden. Elke dag word ik door het internet en al die social bullshit in elkaar geklopt om daarna een pleister en een pilletje tegen de zeer te krijgen, tegen betaling of met een abonnement.

Ik scroll mee. Ongewild.  En dan haat ik mezelf. Want dat is misschien nog het smerigste, ze hebben me zo ver gekregen dat ik medeplichtig geworden ben aan mijn eigen overprikkeling, uitputting en ergernis.

Ik wil geen gesponsorde of geïnfluenste merken meer, niet aan mijn lijf, niet in mijn hoofd en niet in mijn gsm. Ik wil geen producten. Ik wil geen beloftes meer en zeker geen opgedrongen abonnementen met fucking kortingcodes. Ik wil dat alles stopt. Dat iedereen stopt met die gesponsorde bullshit in mijn strot te duwen. Ik wil dat mijn gedachten weer van mij alleen worden, zelfs al zijn ze lelijk, onsamenhangend en nutteloos.

Maar dat verkoopt niet. Dus spuug ik ze hier maar in jouw feed. Gratis en voor niks.

In rood omlijnde bladzijden

Ik blader in dagboekjes van onze pa en voel opnieuw hoe weinig woorden die mens nodig had om zijn kleine wereld te dragen.
Onze pa had geen Facebook. Geen Instagram. Hij had absoluut geen behoefte om digitaal herinnerd te worden. Hij had zijn eigen schrijfsels, bijgehouden in boekjes met vergeelde bladzijden en een rood randje. Hij schreef om te begrijpen, niet om gelezen te worden. Hij schreef over regen en wind, over pijn en geluk, over vissen die niet beten, over ons ma, ons, en over zijn kleinkinderen die hem jong hielden.

Maar tussen die banale regels lees ik nu grote dingen.
Ik lees woorden van een man, een vader, een grootvader en een vriend die zijn dagen op zijn manier groots wilde vastleggen, misschien om ons niet te laten vergeten dat ze allemaal hun waarde hebben. Het zijn zinnen van een kleine man met een groot hoofd maar een eenvoudig leven, dat hij op zo’n manier leefde om zichzelf te bevestigen dat het ertoe deed.
Dat hij ertoe deed.

En precies daarom blijven zijn denkbeeldige laatste woorden me raken.
Niet omdat ze hard klinken, maar omdat ze eerlijk zijn.
Hij heeft deze wereld niet dramatisch verlaten, maar nuchter, zoals hij was, zoals hij altijd geweest is en met woorden waarmee hij zoveel bladzijden eindigde, “Ik hou het hier voor bekeken.”
Hij wist wanneer de cirkel rond was.

Tussen zijn regels lees ik nu dingen die ik vroeger niet las. Ik voel vertrouwen en een overtuiging dat wij wel verder zouden kunnen, zelfs als hij dat niet meer kon.
Ik vind hoop en troost in woorden die hij niet voor mij schreef, maar die toch in mij blijven hangen. Zonder dat ik het besef zitten ze in mijn keuzes, in mijn verhalen, in hoe ik leef en voel en in de manier waarop ik naar buiten kijk en ineens aan hem denk.

Vandaag begrijp ik het allemaal een klein beetje beter dan acht jaar geleden.
Na verloop van tijd legt afscheid bloot wat overblijft wanneer alles wegvalt. Het is niet meer rauw of triest. Het is zijn humor, zijn warmte, zijn koppigheid, zijn kleine rituelen die overblijven. Opeens krijgt dat allemaal een andere betekenis, juist omdat het niet vanzelfsprekend is.

Schol, vader.
En ik zeg dat, niet als gemakkelijke troost, maar uit dankbaarheid.
Merci dat je er was.
Merci dat je ertoe deed.
Merci voor al die sporen die je achterliet, niet omdat ze in je dagboeken staan, maar omdat ze allemaal in mij zitten.

Schol.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.

Mijn nacht

Mijn nacht is een kamer zonder ramen. Er cirkelen luidruchtige vogels rond die nergens kunnen landen. Mijn gedachten hangen erbij, als een mist die weigert op te trekken.

Aan het voeteinde zit een gestalte, een vijand of een vriend, dat weet ik niet. Met zijn donkere ogen kijkt hij naar mij zoals ik soms naar mezelf kijk. Met een mengeling van ongeduld en onzekere mildheid en een oordeel dat hij zelf nauwelijks begrijpt.

Mijn verstand wil loslaten, maar vanbinnen blijft iets rechtop staan. Stil, maar alert. Alsof de dag mijn gedachten nog even bij zich wil houden om uit te spreken wat gedurende de dag onuitgesproken bleef.

De nacht zit er naast, geduldig als altijd. Hij dringt zich niet op. Hij wacht.

Mijn lichaam ligt dan wel horizontaal, maar mijn denken blijft overeind als een nachtwaker die niet afgelost wil worden. Ik woel, ik draai, ik keer, maar de nacht weigert mee te draaien. Hij probeert een vorm te vinden die nog niet te vormen is.

Het lukt niet om de twijfels van de dag uit mijn systeem te trekken. Precies alsof ik nu pas voel wat ik overdag slechts vluchtig aanraak zonder er aandacht aan te kunnen geven.

Dit is geen zachte vorm van wakker zijn. Het is wakker zijn zonder adrenaline, zonder haast.
Het is wachten op iets waarvan ik niet weet of het nog komt.

Misschien, verschijnt mijn rust straks als ik zachtjes erken dat de dag nog niet hoeft te verdwijnen, maar gewoon even naast me mag komen liggen. Gewoon liggen zonder opdracht, zonder verwachting. Met de ogen open in het donker.


Misschien komt er dan rust. Niet omdat ik de dag moet loslaten, maar omdat ik hem toesta om nog heel even te blijven.

Ergens. Tussen onrecht, schuld en vergeving

Ik slenter tussen de echo van mijn eigen stappen. Soms klinken ze te luid, soms te zacht. Het lijkt wel alsof ik mezelf door die stilte heen wil slaan. Ergens in mij resoneert iets dat lijkt op oude schaamte, zwaar en stijf, iets dat ik niet helemaal begrijp, laat staan onder woorden kan brengen. Het is geen duidelijk gevoel, eerder een koude wind die telkens in mijn nek blaast net voor de nacht besluit of hij mij welkom heet of niet.

Wanneer ik denk dat ik dat gevoel ben ontgroeid, duikt het opnieuw op.  Onaangekondigd als zachte, beschuldigende indrukken die fluisteren dat ik nooit genoeg zal zijn, alsof ik iets of iemand onrecht heb aangedaan, misschien mezelf wel het meeste.

De laatste weken heb ik gedacht dat vergeving of acceptatie bij de ander begint. Dat iemand mij wel zou aankijken om te zeggen, “het is goed genoeg, ik begrijp je”. Nu pas voel ik hoe dringend ik die woorden tegen mezelf moet uitspreken. Want, niemand kent het gewicht dat ik draag beter dan ikzelf. Ik alleen weet precies waar het verkeerd is gelopen. Ik ken de situaties, mijn gedachten en de keren dat ik zweeg terwijl ik had moeten opstaan en protesteren. Maar ik ken ook de momenten waarop ik te luid sprak terwijl zwijgen beter was geweest.

Wanneer ik terugkijk, zie ik mezelf als kind. Helder, niet vaag of verdwaald, maar onzeker, met te kleine handen om te dragen wat me werd aangereikt. Ik probeerde al stevig te staan, maar mijn benen waren te kort, mijn rug te zwak voor alles wat op mijn schouders drukte.

Heb ik daarom zo vroeg geleerd om mezelf te verstoppen in verhalen en gedachten die niet van mij waren om te fel te leven zoals anderen dat van mij verwachtten, in plaats van zoals ik het voelde. Wie zal het zeggen?

Er zit iets rauws in het besef dat schuld en schaamte of onrecht niet zomaar verdwijnt met de tijd. Het is dat soort gevoel dat zich ingraaft, in stilte groeit en zich voedt met pijnlijke herinneringen en rondcirkelende gedachten. Maar als ik goed kijk, vind ik in al die mijmeringen ook een zacht kantje, één dat ik mezelf maar zelden gun.

Er zit iets dat ik te lang heb genegeerd. Ik wil ook vooruit, soms te traag, vaak onbeholpen, dikwijls te stuntelig maar wel vooruit. Ik voel dat ik het mezelf verschuldigd ben om op te houden met weg te duiken, om eindelijk rechtop te staan, zelfs als ik kwetsbaar ben en het ongemakkelijk of oneerlijk aanvoelt.

Wat mij raakt is, hoe mezelf vergeven fragiel en moeilijk blijft. Het is geen groots of dramatisch gebaar naar mezelf. Het zijn geen open armen in het midden van de storm. Het is eerder mijn stem die zegt, “Janneke, zullen we het nog een keer proberen?” Het is die glimlach die ik mezelf schenk wanneer ik mijn littekens aanraak en voel dat ze minder pijn doen, omdat ze een schoon verhaal vertellen.

Ik verstop me nog te dikwijls achter starre trots, omdat toegeven als zwakte voelt. Terwijl ik beter weet dat kwetsbaarheid geen capitulatie is, maar misschien de mooiste vorm van zelfbehoud. Leg me dan uit waarom ik me blijf verdedigen tegen mijn eigen hart?

Er zit een zekere schoonheid in het herkennen van mijn tekortkomingen zonder ze per force te willen corrigeren of te veroordelen. Ik observeer mezelf, de mens die ik was, die ik ben en die ik nog wil worden. Tussen die drie figuren zit nog afstand maar ook nieuwsgierigheid. Maar misschien moet ik toch eerst helemaal barsten en breken om ruimte te krijgen om terug te kunnen groeien.

Vergeving is geen point final aan het einde van een zin, eerder een komma midden in een verhaal dat zich nog aan’ t schrijven is.

De wind zal gaan liggen als ik besloten heb om niet meer mee te waaien. Om te blijven staan, misschien tegen beter weten in, hopelijk met een soort onverwachte moed. Dan pas zal ik opnieuw mijn echte stem horen en met mijn hart op mijn hart kunnen zeggen, “Ik ben het niet vergeten, maar ik heb het een plaats gegeven …”

Maar dat is nog niet … echt nog niet voor vandaag!

Zeg, moette nu eens iets weten?

Het is een doordeweekse maandagavond van dertien in een dozijn. Zoals gewoonlijk op een avond als deze, hang ik languit in de zetel, zitten kun je dat bezwaarlijk noemen.  Ik ben volledig in camouflage-uitrusting.  Korte broek, kousen met gaten, een halve zak chips, en met een vaag plan om straks misschien nog iets nuttigs te doen. Mijn vrouw, druk in de weer met de was en de strijk. De tv is behangpapier en speelt iets wat me zoals gebruikelijk, geen bal interesseert. Eindelijk. Rust

Elke man weet het.  Want elk vredesverdrag is broos en elke stilzwijgende overeenkomst is gedoemd om ooit verbroken te worden. Vanachter de strijkplank klinken dan ook plots de gevleugelde woorden. “Zeg, moette nu eens iets weten?”

Elke man die zich in mijn situatie bevindt, weet instinctief wat die vraag inhoudt. Die ene zin doet, bij elke man die ooit voet zette in het gezinsleven, haren omhoogrijzen en het bloed stollen. Want het is niet zomaar een vraag. Het is een aankondigingsalarm van een monoloog van minstens een kwartier. Een tirade zonder climax, vol onnavolgbare emotionele diepgang en minstens vier vrouwelijke personages, waarvan drie dezelfde voornaam hebben. De lucht kleurt zwart, de barometer zakt, en ergens ver weg hoor ik een tweede donder. “Zeg Janneke, moette nu eens iets weten?”

Ik veer rechtop. Waarom er opeens een zwarte kat van mijn schoot springt weet niemand, want wij hebben niet eens een kat. Ik wijt het aan het overlevingsinstinct van dat ingebeelde zwarte beest dat op het punt staat zijn negende leven te verliezen, en aan mijn verbeeldingskracht.


Ze begint te vertellen.

Het gaat over iemand van haar werk, laat me haar gemakshalve X noemen.  Ook al heb ik haar naam al minstens dertig keer gehoord, ik durf in deze fase van het “gesprek” niet toegeven dat ik dat telkens vergeet. Blijkbaar had X iets gezegd over Y tegen Z. Y vond daar iets van. Z had het gehoord en het tegen W gezegd. En toen… enfin, je kent dat wel.

Een vrouwelijk verhaal is nooit zomaar een verhaal. Het is een soort van nieuw sociaal universum, compleet met hoofd- en bijrollen, flashbacks en vol met onduidelijke relaties en verborgen morele lessen die niemand begrijpt. Ik hoor namen, gevoelens, omstandigheden. Ik kan al lang niet meer volgen, laat staan onderscheiden wie het slachtoffer is en wie de dader, maar ik blijf dapper knikken, en doen alsof ik luister maar mentaal praat ze tegen een blinde muur. Af en toe gooi ik er een “hmm” of “amai, echt” tussen, puur als hartslagcontrole en om te checken of ik nog adem.

Na ongeveer twaalf minuten begin ik te zweten. Niet van emotie, maar van pure schrik, want ik weet wat eraan zit te komen. Ze gaat het zeggen. Ze gaat het vragen. Die ene vraag die elke man tot wanhoop kan drijven. Mijn maag trekt samen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

“Zeg. Wat denkt gij daar eigenlijk van?”


Inmiddels zit de ingebeelde kat met een staart zo dik als een tochthond helemaal in elkaar gedoken onder de zetel, instinctief, alsof ze voelt, ’t is hier gebakken met da schrijverke. Ik krimp ook ineen.

Mijn hoofd zit vol scenario’s. Wat kan ik zeggen? Als ik zeg “ik snap het”, peist ze dat ik haar niet begrijp. Als ik zeg “ge hebt gelijk”, denkt ze dat ik geen mening heb. Als ik zeg “amai, ook ni gemakkelijk”, peist ze dat ik me er zomaar vanaf wil maken. En als ik zeg “ik weet het niet, denkt ze dat ik het wel weet maar het niet zeg omdat ze denkt dat ik haar verdenk dat ze van mij denkt dat ik een betweter ben.

“Maar allez serieus… wat denkt gij daar nu van?”

Mijn brein slaat tilt. Paniek kruipt in mijn maag, mijn hartslag gaat crescendo en koud zweet staat in de spleet die de linkerhelft van mijn gat onderscheid van de rechterhelft. De ingebeelde kat kijkt ondertussen toe vanop veilige afstand onder de zetel en denkt, “gelukkig, ik heb negen levens.  Da schrijverke heeft er maar één”.

Net op het laatste nippertje vooraleer de hemel wordt opengereten, herinner ik me de heilige zin.  Die ene zin die alle mannen van generatie op generatie ooit fluisterend aan elkaar hebben doorgegeven. Ofwel op café, tussen twee pinten in, ofwel na een eerste huwelijkscrisis. Ze delen hem met elkaar en blijven het doen met hetzelfde respect dat anderen voor geloof en religie hebben.

“Neen, je overdrijft niet. X had dat niet mogen zeggen en Y had er niet zo emotioneel op mogen reageren. Ik denk dat je gelijk hebt.” Ik zeg het kalm, beheerst en zonder een enkele zenuwtic of vorm van emotie.

Ze kijkt me doordringend aan, één seconde… Twee seconden… Drie seconden.  Dan knikt ze voorzichtig instemmend, “Voila. Dat dacht ik dus ook”, terwijl ze haar ogen op spleten trekt.

Ik heb het gehaald. Ik heb geluisterd. Of heb op z’n minst iets gezegd dat klinkt alsof ik geluisterd heb. De ingebeelde kat die haar schuilplaats verlaten heeft, begint gelukzalig te spinnen en ik zak opnieuw rustig achterover in mijn zetel met een hartslag die langzaam daalt en een bilnaad die opdroogt.

Het is voorbij. Tot ze zegt, “Nu ik erover nadenk. Wa bedoelde gij daar eigenlijk mee? Waarover heb ik gelijk?”

De ingebeelde zwarte kat springt uit het raam.
En ik? Ik overweeg ernstig om erachter te springen!

Ergens anders.

Rust komt niet zomaar komt aanwaaien. Hoe harder ik haar probeerde te grijpen, hoe verder ze van me afdreef. Op zo’n momenten voelt het alsof ik zand probeer vast te houden. Hoe harder ik knijp, hoe sneller het tussen mijn vingers wegglipt.

Ik dacht lang dat rust iets was dat ik moest verdienen. Na een drukke week, een vol hoofd of na een to-do-lijst die eindelijk afgevinkt is. Maar de afgelopen maand heb ik gemerkt dat dat niet zo werkt, althans niet voor mij. Een moment waarop alles klaar is, bestaat niet voor mij. Er is altijd iets te doen zelfs al is het een dwingende gedachte die roept: “straks moet je nog naar Amalfi, naar Pompeï en op de top van de Vesuvius ook al is die top een gat”

Mijn laatste reisje Napels heeft me dat op een vreemde manier doen inzien. Ik ging er naartoe om op te laden, om dingen te zien en om onbekende mensen te ontmoeten. De waarheid is dat ik mijn onrust gewoon meenam in mijn koffer. En dat mag je gerust letterlijk nemen want door een cyberattack in de luchthaven was mijn bagage een dag te laat. Ineens voelde ik me ontworteld, verweesd bijna, alsof ik niks kon doen en niemand kon zijn zonder mijn tandenborstel of een propere t-shirt. Het was ongemakkelijk, frustrerend. Het bracht een vreemde onrust die ik niet had voorzien. Ik dacht, hoe kan ik hier nu rust vinden als zelfs mijn valies mijn tempo niet kan bijhouden?

De eerste dag liep ik dan ook rond als een stinkende toerist die bang is om iets te missen. De stad was luid, vol geuren, vol kleuren en vol hectische chaos. Na een frustrerende morgen van telefoongesprekken, e-mails en sms’en die geen duidelijkheid brachten over mijn valies, zat ik op een klein terras, ergens in een smalle straat met pas gewassen lakens boven mijn hoofd en relikwieën van Maradonna zowat overal.  Scooters en Vespa’s scheerden voorbij met daarop mannen en vrouwen met luidruchtige stemmen die elkaar overstemden. Naast me zat een oude Italiaan. Zijn gezicht was verweerd, alsof de zon van Napels er jarenlang verhalen in had gebrand. Rimpels als karresporen, diep en grillig. Zijn neus was groot en haakvormig, een trotse boog boven een mond waaruit een gouden tand opblonk als hij glimlachte. Niet uit luxe, maar uit gewoonte. Die tand ging waarschijnlijk al even lang mee als zijn sandalen.

Zijn linnen hemd was vaalblauw en verkreukeld. Er ontbrak een knoop. Zijn broek ooit wit geweest, had nu dezelfde kleur als al het stof van Napels. Alles aan hem leek het rumoer te overstemmen. Zijn handen rustten op de tafel, met ouderdomsvlekken op zijn kromme vingers. Hij bewoog amper, alsof elke beweging voorafging aan een moeilijke keuze. Zijn espresso stond voor hem als zijn laatste vriend.

Hij dronk hem tergend traag, zonder haast, alsof tijd voor hem niet bestond. En ineens voelde ik het. Ik werd helemaal rustig.  Ondanks mijn koffer-loze morgen, mijn lichte paniek over dingen die ik niet dicht bij me had, voelde ik dat ik even mocht ophouden met zoeken.

Vanaf dat moment stopte ik met plannen. Met willen. Met moeten. Ik dwaalde gewoon door de straten, zonder doel, en vreemd genoeg, midden in die chaotische drukte, vond ik stilte. Niet buiten me, maar vanbinnen. Ik besefte ineens dat ik niks nodig had om hier te zijn.

Ik ben bijna een week terug en ben vastberaden om dat gevoel vast te houden. Niet door mijn dagen perfect in te plannen, maar door genoeg momenten te voorzien waarin ik niets moet doen. Soms lukt dat door gewoon even uit het raam te staren. Maar ook door dit te doen. Beschrijven wat ik denk en voel.

Het helpt me om gecontroleerd stil te vallen. Van het ogenblik dat ik mij klavier op mijn schoot leg, vertraagt alles. Mijn gedachten kalmeren en krijgen woorden, mijn adem wordt rustiger en mijn hartslag vertraagt. Soms schrijf ik alleen maar losse zinnen, zonder richting, zonder dat het ergens naartoe moet. Juist daarin vind ik mijn rust.

Ik begin stilaan te begrijpen dat rust niet betekent dat alles stil is of stilstaat. Rust is niet de afwezigheid van geluid, lawaai of beweging. Het is de aanwezigheid van mijn aandacht. Het is het moment waarop ik ophoud met achter de dingen aan te lopen en te beseffen dat de wereld of mijn bagage op een ander tempo loopt.

Misschien is rust geen plaats, geen reis, geen plan of geen prestatie. Misschien is het gewoon iets waar ik elke dag even mag voor kiezen. Zoals die oude man in Napels zijn espresso dronk bewust en zonder haast. Mogelijks is schrijven mijn manier om dat te doen. Even stoppen, even alleen maar ademen, luisteren en voelen, ook als mijn koffers en al wat ogenschijnlijk belangrijk is, nog ergens anders zijn.

Het ochtendritueel van een verzopen kieken

Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.

Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.

Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.

Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.

Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.

Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.

Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.”  Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”

Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.

Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.

En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.

Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.

Aan de rand van de oceaan

Vorige week liep ik op het strand van Arcachon. Met slippers in mijn hand, alsof ik ze niet meer nodig had. Even vergat ik dat ik ergens vandaan kwam. Het natte strand onder mijn voeten was koel, bijna onverschillig. De lucht sloeg om en was afwisselend staalblauw of zwaar overtrokken met zout en wind. Alles leek in beweging.

De oceaan lag voor me, niet als een grens, maar als een bekende herinnering.
Het tij kwam en ging, zonder uitleg, zonder pauze. Golven rolden met een onverwoestbare kracht mijn richting uit, alsof ze me iets kwamen vertellen. Even later trok de oceaan zich terug. Ik keek ernaar zoals je kijkt naar iets of iemand die je ooit goed hebt gekend, maar die nu alleen nog bestaat in het ritme van herinneringen, in eb en vloed.

Ik dacht aan wat ik te lang had vastgehouden. Niet met mijn handen, maar dieper vanbinnen. Gedachten bleven hangen met woorden die ooit of nooit gezegd zijn, met beelden die zich vastzetten op mijn netvlies. Alleen de oceaan leek het te weten. Hij vroeg niets. Hij oordeelde niet. Zijn golven namen voorgoed mee wat ik te lang had gedragen. Niet met geweld, maar met een vanzelfsprekendheid die ik niet in vraag stelde.

In dat wegnemen liet hij iets achter. Ruimte. Niks groots. Niks leeg. Wel open genoeg om diep te ademen. Alsof er in mij een deur openging en ik een ruimte vond waar het stil mocht zijn. Waar niets moest. Waar ik even mocht bestaan zonder richting.

Ik bleef lang staan. Niet omdat ik ergens op wachtte, maar gewoon omdat ik voelde dat ik mocht blijven staan. Dat ik niet langer moest genezen, niet hoefde te vergeten en niet hoefde te weten wat morgen zou brengen. Alles bewoog maar niets lag vast.

Toen ik verder liep, was het niet omdat ik uitgekeken was op die wilde oceaan of er genoeg van gekregen had, maar omdat ik wist dat ik verder mocht gaan. Arcachon, de oceaan, de herinneringen liet ik achter me. Of misschien draag ik ze voor altijd bij me. In het ritme van de stappen die ik nog zal zetten.

57 tinten mezelf

En plots was daar het getal. 57. Een primeur en een priemgetal. Ondeelbaar, net als mijn mening over politiek, vrouwen en koude pap. 57, een nuchtere vaststelling van de tijd die zich niet laat omkopen, zelfs niet met een goeie fles rode wijn vol valse beloftes.

Maar vandaag was er geen paniek. Ouder worden is voorlopig nog geen straf. Het voelt eerder als wonen in een huis dat al jaren van mij is. De zesde en tiende trap kraken, de waterleiding zingt bij elke temperatuurwisseling, en de terrasdeur klemt als het regent. Ik weet eindelijk waar de zekeringenkast zit. Maar ook waar ik mijn bril, mijn sleutels en mijn GSM niet heb gelegd.

De vele berichtjes die ik vandaag kreeg waren een balsem. Digitale knuffels, telefoontjes, en berichtjes vol emoji’s met meer emotie dan sommige gesprekken. Ze kwamen van overal. Vrienden, familie, lotgenoten, zelfs die ene kennis die altijd typt alsof hij een fax verstuurt. En ik? Ik las ze allemaal, met een glimlach die rimpels maakt op plekken waar vroeger alleen een gladde verwachting zat.

Mijn lichaam kraakt ook. Net zoals trap zes en tien van mijn huis. Mijn geheugen is een boek dat zichzelf alsmaar opnieuw herschrijft. En mijn zak? Die begint gevaarlijk dicht bij het water in de wc te hangen. Ik ben een staanklok geworden die de tijd meet, maar dan met minder gratie. Een priemgetal dus, dat zich niet laat delen behalve door de zwaartekracht en mezelf.

Maar ik dans nog. Soms op ABBA. Soms in gedachten en soms op een geniale inval die pas om middernacht komt. 57 is geen eindpunt. Het is een tussenstation met een volle ijskast, een leesbril, een doos viagra en een goed verhaal. Want ouder worden is één ding. Gezien worden  met zelfspot, en zelf relativering dat is pas echt jong blijven. In gedachten nog 17  27 of 37, afhankelijk van de lichtinval.

Bedankt voor de wensen.

Leg dat toetsenbord neer, lafaard

Er is iets ziek aan deze tijd. Ik heb het niet over virussen, oorlogen of de klimaatcrisis. Ik heb het over jou. Jij, die elke dag het beest zuurstof geeft. Like na like. Met je gif in een gouden kelk. Jij die ooit je gezond verstand inruilde voor plastic toetsen en een WiFi-verbinding, alsof het je nieuwe longen zijn waarmee je ademt.

Links, rechts, woke, antiwoke, pro dit, contra dat, racisme, antiracisme, zionisten, Arabieren, complotdenkers, complotontkenners. Het maakt niet uit wat je kiest, als het maar een kamp is. En dan trek je ten strijde en knal je met kogels op je klavier jouw munitie de ether in, want godverdomme, de wereld zal geweten hebben dat je gelijk hebt.

Gelijk. Dat heilige woord dat even leeg is als die pint op die toog waar je elke dag tegenaan leunt om je evenwicht te vinden. Er is geen gelijk. Er is alleen jouw versie van de dingen, en de mijne. Maar dat kan jij niet aan. Jij moet winnen. Altijd. Online. In tekens, memes en woorden, of in filmpjes van vijftien seconden. Alles bijéén geperst tot hapklare oorlogstaal, want nuance is saai. Clickbait werd je oorlogstrom, angst je oorlogsvlag!

En intussen verlies je wat je ooit zo goed kon. Praten. Gewoon babbelen. In levenden lijve. Met stembanden, adem, een frons en een glimlach. Of met ongemakkelijke stiltes waarin je zelf moest nadenken voor je iets zei. Nu is het alleen nog toetsen en tokkelen, swipen en versturen. Je voordeur blijft dicht. Je hart ook.

Het is makkelijker om je verontwaardiging in caps lock in iemands gezicht te spuwen dan iemand in de ogen te kijken en te zeggen, “Ik versta niks van wat je zegt, maar leg het me eens uit.”

Jij, hashtagviking, held van je echozaal. Elke post van jou wordt geknuffeld door algoritmes die alleen maar bevestigen wat je al dacht, terwijl je de rest van de wereld tot een karikatuur fileert. Woke sneeuwvlok. Racistische boomer. Linkse activist. Rechtse extremist. Negerhoer. Homo. Hetero. Vegan. Vleeseter. Alle mensen verdwijnen, alleen het label blijft.

En als je dan eens buitenkomt, verder dan je toog, voor zover je dat nog durft, is zelfs “goeiendag” verdacht geworden. En je hebt niet eens door dat mensen naar je kijken alsof je hen komt bekeren met je vitriool. Hoe absurd wil je het hebben? Jij beseft niet eens dat je maar een dier bent van vlees, botten, stront en darmen. Niet meer, niet minder. Je gedraagt je alsof je onsterfelijk geworden bent door je kutmening.

Het tragische? Hoe meer je typt, hoe meer je stuurt, hoe minder je voelt. Hoe harder je brult in caps lock, hoe stiller het wordt in je eigen hoofd en hart. Hoe meer je vecht voor je virtueel gelijk, hoe minder je nog luistert. Je werd een soldaat in een leger van toetsenbordridders, en jij denkt dan nog dat jij de generaal bent.

Probeer eens iets radicaals. Smijt je telefoon weg. Adem. Zie een mens. Niet een mening. Niet een hashtag. Een mens van vlees, bloed, twijfel en onhandige lachjes. Vraag hoe het gaat zonder er eerst je eigen drama bovenop te pleuren.

Niet iedereen hoeft jouw verhaal te horen. Soms is jouw zwijgen ons grootste geluk. Jouw kennende geloof je dat ik hier de softie speel. Maar dit gaat niet over kumbaya zingen rond een kampvuur. Het gaat over stoppen met oorlog voeren op een toetsenbord, zeker omdat je nog nooit één voet gezet hebt op het slagveld van echt menselijk contact of echte miserie.

Het is eigenlijk belachelijk simpel, zeker op deze kant van de kluit. je leeft, je sterft. Punt. Alles daartussen is te kostbaar om te verspillen aan digitale kruistochten, hashtagslagen en capslock-bombardementen.

Dus stop met typen. Kom van dat toetsenbord. Spoel het leven niet door het putje. En leef, lafaard! Schrikschijter!

Mijn grijze sofa spreekt. Voor het eerst!

Ik hing rusteloos in mijn grijze sofa, niet uit liefde, eerder uit gemakzucht. Er stond iets te gebeuren. Was het het begin van het einde? Of het einde van het begin?  Ik zat al heel lang slecht in mijn vel. Precies alsof ik gevangen zat in een jetlag die maar niet overging. In een droom die bleef duren. Een nachtmerrie, eigenlijk. Zo één die niet verdwijnt als je wakker wordt. Of het middag was, avond of nacht, dat herinner ik me niet.  Dagen en nachten liepen toen door elkaar als in een sombere aquarel. Alles gleed door mijn vingers.

Buiten gutste regen tegen het raam. Mijn aandacht dwaalde af naar gebonk. Eerst was het zacht, dan harder, alsof er iets of iemand tegen de ruit stond te kloppen. Het ritmisch getik wrong zich in mijn hoofd en trok beelden op mijn netvlies van gezichten uit het verleden. Het waren silhouetten, schimmen, duistere figuren met bekende trekken. Sommigen huilden klagerig, anderen lachten, maar niet vriendelijk, eerder smalend. Eén fluisterde, “ik heb je gewaarschuwd”. Hij grijnsde met een lach die geen tanden liet zien. Het getik was geen geluid. Het was een herinnering. Onuitgesproken. Ongevraagd. De creaturen klopten niet op het raam maar op mijn geweten. En niet om even binnen te komen maar om te blijven.

Binnen was het stil. Te stil. Dat soort kleverige stilte die zich vastzet op de muren, alsof de kamer zelf naar adem hapte. De grijze sofa kreunde onder mijn gewicht. Hij kende me te goed. Hier had ik dikwijls gezeten, stomdronken, verdwaald, leeg en weggesijpeld. Maar ook dromend van ontsnappen en wegvluchten terwijl ik mezelf daardoor alleen maar dieper in onheil begroef en verder vast kwam te zitten in verslaving, isolement en zelfdestructie.

De zetel rook naar angst. Naar wijn, bedrog en overmoed. Ook naar koppigheid. Naar alles wat ik probeerde te vergeten, maar met elke ademstoot weer voelde.

De kamer ademde zwaarte. Niet letterlijk. Er was geen geest of spook, geen rook of geur. Alleen ballast, iets wat doorwoog, waardoor de lucht zelf ook zwaar en moeilijk uit te ademen was. De ingebeelde fles stond op haar vertrouwde plaats en staarde me aan. Ze keek niet echt. Maar ik voelde haar blik.Ik kreeg ze niet leeg. Ze bleef gevuld. Jarenlang had ze me aangekeken, als een standbeeld, starend zonder ogen. Als overblijfsel, van iets dat ooit veel macht had gehad en misschien nog had. De hallucinatie aan de fles vulde de kamer. Met kracht en met lawaai van iets dat ooit heel luid had geroepen.

Ik wist het al lang. Natuurlijk wist ik het.  Jarenlang had ik me gulzig volgegoten, terwijl ikzelf langzaam helemaal leegliep. Dat gebeurde allemaal in stilte. Niet in één ruk, niet met gedaver of geschreeuw. Daar gingen jaren aan vooraf. De machteloosheid was langzaam binnengeslopen maar met een vastberadenheid die me meedogenloos uit mijn eigen ziel had verjaagd.  Net zoals elke slok, hoe klein ook, dat ook had gedaan.

Onverschilligheid had zich in elke vezel van mijn lijf vastgezet. Met een leegte waardoor ikzelf nauwelijks nog geluid maakte. En als ik het toch deed, kwam mijn stem van zo ver dat er geen daadkracht inzat, alsof ze sprak vanuit een vervallen, uitgeput lijf dat ikzelf allang verlaten had.

Onwetend, koppig en gedreven, zo ging ik door met mezelf te slopen. Elke dag opnieuw, met handen vol gruis en puin van wat ooit mijn leven geweest was. Tot iemand me die ene vraag stelde. En ik luisterde. Voor het eerst. Het was geen groots moment. Geen donderslag. Geen drama. Alleen een kale kamer, een zitbank en die ene heldere, vrouwelijke stem die vroeg, “Is er drank in het spel?”

Die vraag deed de wereld stoppen met draaien. Alsof die stilte iets vasthield. Een stilte, zo essentieels, dat ik ze pas hoorde toen alle andere geluiden in mijn hoofd waren verstomd.

Ze keek niet streng, niet meelevend of oordelend. Alleen helder. Ze keek niet naar mij, maar dwars door me heen. Ik haalde mijn schouders op. Achteloos. Alsof ik met die beweging nog iets kon toedekken. “Misschien…,” prevelde ik. “Waarschijnlijk wel…”, verbeterde ik me snel.

En precies, die twee woorden. Die twee trillend uitgesproken woorden, die nauwelijks meer waren dan een half-ingeslikte bekentenis lieten iets verschuiven. Heel voorzichtig. Het was niet groot. Niet luid. Het was zelfs nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar voelbaar. Ik vond een kier, een spleet. Een stem zonder oordeel. Alsof ik diep vanbinnen het slot van een deur had losgewrikt. Niet met geweld, niet met een sleutel, maar met toestemming. Van haar en van mezelf.

De weken die volgden waren stil. En vreemd. Verwarrend. Alsof ik in een kamer zat waar het licht net was aangegaan, met ogen die nog moesten wennen. Alles leek hetzelfde, maar voelde anders. Er gebeurde iets wat ik niet verwachtte. Of beter, er gebeurde niets. Geen inzicht. Geen openbaring. Geen wonder… Niets, dat alles oploste en komaf maakte met het verleden. Alleen de spiegel. Hij hing daar, aan de muur. Lang gunde ik hem geen blik. Ik ontweek hem of keek erlangs, of er doorheen. Uit angst of schaamte en omdat hij zou tonen wat ik al lang wist.

Op een ochtend of een middag, ik herinner me dat soort dingen niet meer scherp. Mijn ogen bleven plakken op het spiegelglas. Ik fixeerde me op wat ik zag. Ik zag een verweerd gezicht en beschamende scènes. Wazige indrukken van vroeger. Ik had ze verbannen. Nu stond ik oog in oog met een uitgezakt lijf dat had gelogen met woorden die nergens naartoe gingen. Ik keek naar mijn mond die had gesproken om leugens te verkopen en vond angstige ogen die zelfs de spiegel medeplichtig maakte.

Zware deuren openden met een bonk. Ik daalde af in muffe kelders die ik ooit had dichtgemetseld en waar ik jaren niet meer was geweest. Naast tafels vol halflege glazen, gebroken beloftes en halfvolle excuses, zag ik oude bekenden die nog steeds wachtten maar ik vergat hen te bellen. Er lagen brieven, ooit geschreven, nooit verzonden. Ik zag mijn kinderen wazig en klein als foto’s in een natte kartonnen doos. Ik hoorde mijn stem in de verte, luid en vals en zag me liegen door niet te komen. Liegen door wel te komen, maar veel te laat of veel te zat en met woorden en gewauwel om mezelf uit de wind te zetten en met beloftes die nooit bedoeld waren om ze na te komen. Er waren uitgestrekte handen die ik had afgewezen. Stemmen, weggejaagd. En avonden die begonnen met “ééntje maar” en eindigden in coma of in een zwart gat zonder herinnering.

Ik stond daar. Voor de spiegel. Naakt. Uitgeput. Geen excuses of uitvluchten meer. Niets viel nog goed te praten. Wie ik zag, was geen monster. Geen slachtoffer. Geen vijand. Alleen mezelf en dat was genoeg om te beseffen dat ik daar niet hulpeloos kon blijven staan.

Later zat ik tussen anderen. Lotgenoten. Ze zaten ook rond tafels, in kringen, met koffiebekers en snoepjes. Hun hoopvolle blikken nagelden me niet vast.  Ze maakten me los. De mannen en vrouwen spraken hardop uit wat ik alleen voor mijn spiegel had durven denken. Hun woorden sneden vieze wonden open die ik ooit zelf onhandig had dichtgenaaid. Om te genezen.  Na een tijd begon al datgene wat me jarenlang de adem had afgesneden, onverwachts iets terug te geven. Erkenning, begrip, inzicht, vertrouwen. Eigenwaarde. Niet als medaille maar als een nieuw begin.

Met elke nieuwe dag durfde ik opnieuw kleine, ongemakkelijke beslissingen nemen. Opstaan in plaats van te blijven liggen. Een brood kopen in plaats van een fles. De vuilbak buitenzetten zonder dat iemand het vroeg. Nuchter blijven terwijl alles in me schreeuwde om verdoving. Elke dag opnieuw, soms uur per uur, koos ik ervoor om bij mezelf aanwezig te blijven in plaats van te verdwijnen. Ik bleef naar wekelijkse meetings gaan om er dingen te horen. Ik leerde zaken uit te spreken die ik eerst niet hardop durfde te zeggen.  Ze zeiden, “gedeelde smart is halve smart en gedeeld geluk is dubbel geluk”. Ik geloofde hen. Omdat ze het wisten. Ze haalden hun wijsheid niet uit boeken, maar uit dezelfde nachten die ik had beleefd. Uit vergelijkbare schaamte. Uit zweet, angst en tranen en uit diezelfde kleverige stilte en dat alles verwoestend zelfbeklag waarmee ik mezelf ook lang had vastgezet.

Door die gesprekken kwam er rust. Niet ineens. Niet veel. Niet spannend, maar net genoeg om opnieuw te kunnen ademen en niet langer achteruit te leven. Ik was niet genezen en lang nog niet klaar, maar ik was niet meer alleen. Ik bouwde een nieuwe weg. Niet om ergens te komen, maar om niet meer te verdwalen. Ik deed het steen voor steen.Soms legde ik er maar één per dag. Soms maar een halve.

Door te spreken, hoorde ik mezelf voor het eerst. Lang dacht ik dat schaamte en schuld mij kapot zouden krijgen. Dat is niet gebeurd.  Herstel is geen sprint. Het is kruipen. Soms achteruit. Het is niet pijnloos. Het gaat ook over eerlijkheid, niet om gelijk te krijgen, maar om trouw te worden aan mezelf. Eindelijk. Ik hoorde me spreken. Ik sprak. Stil als ik dat wou, voorzichtig als het kon, luid als het moest.

Op een dag begon ik met schrijven. Niet om iets te maken, of om iets recht te trekken maar om zelf niet kapot te gaan. Het witte scherm van mijn laptop was meedogenloos. Alles wat ik dacht en voelde, verscheen er, zonder filter. Mensen die ik had vermeden of moest vergeten. Fouten die ik had weggemoffeld. Leegtes, onmogelijk om ze op een andere manier onder woorden te brengen. Al wat ik verzwegen had verscheen op mijn scherm. Soms klikte ik alles weg. Soms liet ik het staan.

Verandering kwam niet als een storm. Maar ook als druppels die tegen een raam tikken. Met een glas water in plaats van wijn. Met een gesprek waarin ik leerde luisteren zonder weg te kijken of me erboven te zetten. Soms met stilte waarin ik bleef zitten. Al voelde het ook af en toe alsof ik opnieuw in mijn eigen vel moest kruipen. Soms zwem ik tegen de stroom in en vaar ik een bewuste koers. Soms drijf ik met de stroming mee, zonder weerstand. Maar ik blijf in beweging. Wakker. Alert. Nuchter.

Er zijn dagen dat ik lach zonder reden. Andere dagen ween ik zonder verklaring. Ik omring me met vertrouwde mensen en leer er nieuwe kennen. Ik zeg ‘belangrijke’ dingen af, om aandacht te geven aan zaken die ogenschijnlijk ‘onbelangrijk’ lijken, maar het niet zijn. Soms struikel ik nog, meestal over mezelf en hang nog altijd in mijn grijze sofa. Maar niet meer verdoken. Niet meer verstopt tussen de plooien.

Ik ben veranderd en werd iemand die zonder uitleg of excuses ‘nee’ zegt tegen drukte en dingen die niet meer bij me passen en ‘ja’ tegen stilte, ongemak en wachten. Ik kijk mensen in de ogen, zelfs als ze mij willen ontwijken. Soms laat ik de radio uit in de auto. Soms kijk ik wekenlang geen tv. Ik loop niet meer weg als het moeilijk wordt.

Soms zit ik daar nog. In diezelfde grijze sofa. Maar anders dan toen. Mijn rug is recht, mijn blik helder. De zetel draagt me nu zonder tegenstribbelen, zonder geur van wijn, angstzweet of zwijgen. Maar dat is geen overwinning en geen eindpunt.  Het is iets anders. Iets dat ik nog geen naam heb kunnen geven. Maar het geeft de indruk nog even te willen blijven.

Nu ademt de kamer mee en werkt niet meer tegen. Geen schimmen meer aan het raam en minder fluisteringen in mijn hoofd. Handen rusten op mijn knieën, niet om iets vast te houden of los te laten. De stilte is niet langer kleverig of dreigend, maar rustig. Hier, in mijn zetel voel ik geen drang meer om te vluchten. Geen nood om te verdoven. Ik ben thuis. In mezelf.

Mijn wereld werd kleiner, maar voller. Met minder mensen, met meer verbinding. Met minder verplichtingen en meer betekenis. Minder geruis en meer muziek. Ik sport weer, niet om te winnen, maar om mee te doen en te voelen dat ik nog leef. De dagen lijken eenvoudig, maar zijn rijker dan ooit. Ik kies bewust voor stilte, voor mijn vrouw, mijn kinderen, mijn werk en een handvol vrienden die me zien zoals ik ben, maar doe het toch vooral voor mezelf. Zonder façade, zonder maskers. Er is geen grootsheid, geen spektakel en geen doen alsof. En in die rust en eenvoud schuilt een onverwachte overvloed. Stil, traag. Echt.

Ik heb niks meer te bewijzen. Alleen ik. En dat is genoeg.

Waarschijnlijk is dat het leven. Mijn leven. Zoals het is en zoals het komt. Ik leef niet meer vooruit en niet meer achteruit. Gewoon, dag per dag.

Zoals jij het bedoeld hebt

Als ik eerlijk ben. Er is iets veranderd. Niet in het missen zelf, dat blijft, maar in hoe gemis zich gedraagt.
Het zit niet meer prominent op de voorgrond. Het dringt zich niet meer ongevraagd op. Het zit gewoon ergens achter mij, niet zwaar meer al is het er nog.
Ik heb in drie jaar geleerd dat missen niet meer beenhard hoeft te zijn. Het wordt stiller, milder. Gelijk een pull die ik al lang niet meer gedragen heb, maar nog een beetje naar vroeger ruikt. Ik weet niet waarom maar ik moet ineens aan die spuuglelijke muts denken die je ophad toen we gingen wandelen op oudejaarsavond een paar jaar geleden.

Soms heb ik gedacht of gehoopt dat herinneringen als deze voor altijd scherp zouden blijven.
Dat de contouren van je gezicht helder zouden blijven. Dat is niet zo. Soms heb ik al moeite om me je stem voor te stellen. Soms wil ik die scherpte terug want ik ben bang dat ik dat soort herinneringen helemaal aan het verliezen ben, beetje bij beetje, zonder dat ik het wil.

Vorig jaar voelde dat vreemder dan vandaag. Want er is nog veel blijven hangen. Hoe je van kleine dingen grote kon maken. Hoe je belachelijk enthousiast kon worden over zotte ideeën die alleen in jouw gedachten konden ontstaan. Wie wil er nu een zwembad bouwen met alleen gestapelde lege bakken bier en een plastieken zeil.
Soms betrap ik mezelf op een gedachte waarvan ik weet, die zou jij ook kunnen gehad hebben.
Misschien is dat wat overblijft, zonder drama maar met alleen de herinneringen aan wie je was.

Het is vandaag 29 juni. En ik voel ‘iets anders’, iets anders dan vorig jaar, iets wat ik nog niet helemaal ken. Ik voel voor het eerst ook geen drang meer om het te begrijpen of te benoemen.

Misschien is het dàt, zoals jij het bedoeld hebt.
Vanmorgen dacht ik aan jou, zonder schuldgevoel, zonder boosheid en met iets minder vragen.
Dat is nieuw Yannick. En ik denk voor het eerst dat je dat zo wel zou gewild hebben.

Zoals jij het bedoeld hebt.