Categorie: Heimwee

Tweeduizend-vroeger.

De wereld wordt langzamerhand wit geschilderd. Het open vuur knettert en vult de kamer met een gezellig ruikende warmte. Dennenhout gok ik. Want het vuur verteert het hout te snel om beuk of eik te zijn.
De gelige verlichting langs de straatkant projecteert de schaduw van vallende sneeuwvlokken tegen het strakke, voile gordijn.
De meeste pakjes onder de boom zijn verpakt in goud of zilver. Rood kan ook. Tenzij de cadeautjes voor de kleinsten bestemd zijn. Dan mogen ze ook felblauw of roze.
Als je zelf al op jaarlijkse cadeautjes rooftocht geweest bent, weet je aan de verpakking alleen al uit welke etalage ze komen. Als je ze schudt ken je de inhoud. Meestal toch. Ik deed het elk jaar opnieuw. In het geniep. Wanneer er niemand thuis was en zeker niet betrapt kon worden.
Het rode pakje met het gouden strakke, in professioneel gedraaide krullen is parfum. Want er plakt een stickertje op. ici paris xl. Dat zie je, als je van dicht genoeg kijkt.
De flessen voor de mannen haal je er ook uit. Straf spul van Prik & Tik. Of hele dure rode. Dat kan ook.
De kleinste pakjes zijn de duurste. De grootste het goedkoopst. Want die moeten door hun omvang goed maken wat er maar voor betaald werd. Een nieuwe pmd vuilbak is een kanshebber, gis ik.
Al zou ik dit jaar ook wel eens dat kleinste doosje willen maar dat zal voor volgend jaar zijn.
Het maakt niet veel uit.
Er zijn al 5 echte glazen ballen aan gruzelementen gevallen. De eerste kerstbal brak toen ik het kleinste pakje wou verbergen tussen de naalden en de lichtjes. De laatste toen mijn eega een passende plek zocht voor het grootste pakje.
Het maakt niet zo veel uit.
Volgend jaar moeten er toch nieuwe gekocht worden omdat deze verzameling niet meer compleet is. En omdat er geen 2 verschillende soorten tegelijkertijd in mogen. Dat vloekt. Gelijk een tang op een varken. Zegt ze. Ze zal wel gelijk hebben want ik ken niet veel van kerstballen.
De feestdis staat ook op punt. Geen gevulde kalkoen met airellen en gestoofde peer met kroketten maar iets met lam en verloren groenten. En creme brulee als dessert. Alleen mag ik niet vergeten te zorgen voor een keukenbrander. Het oog wil ook wat. Anders blijft het gewoon maar creme patissiere met suiker. Ook niet slecht maar niet zo chique.
Het maakt niet heel veel uit.
Eigenlijk maakt het niets uit. Want één stoel zal onbezet zijn. Die van onze pa. En hij vond het allemaal niet zo belangrijk. De ballen, de dure rode of de paris xl. Die werd gewoon elk jaar opnieuw al gelukkig met die paar woorden die steevast de pakjesavond inluidden…Van je kleinkind Noor, Thijs of Dries, Bornem 1 januari “tweeduizend-vroeger”…

 

Lichtje…

Als ik het hem zelf oplepel biedt hij nagenoeg geen weerstand. Bij de verpleegsters lukt het minder goed. Bij hen houdt hij de lippen stijf op elkaar. Hoewel er nauwelijks nog energie in dat oude lijf zit, wringt hij toch nog tegen. Van hen moet hij het niet. Bij hen denkt hij wellicht: “peinzen die nu echt dat ik die bocht ga opeten?”
Als ik dan met dat oranje papje kom aanvliegen gaat de val wel open. Traag weliswaar maar ze gaat open. Dan hapt hij dat groentesoepje zonder kauwen toch naar binnen. Niet meer zo gulzig als vroeger, toen ons ma telkens vroeg: “moet je geen schop hebben?” Maar dan met wat meer boze emotie dan dat ik het hier laat uitschijnen.
“Moet je geen schop hebben? Of een riek?” Dat zei ze steeds wanneer ze zich ergerde aan zijn tafelmanieren.
Tafeletiquette. Dat is nooit zijn sterkste punt geweest. De discussies aan tafel waren dan ook vaak hilarisch. Zeker wanneer hij haar provoceerde. Als hij dan smakkend vroeg: “Die erwt? Die ga je die echt ineens in je mond proppen? Of ga je die eerst nog eerst in 4en snijden?” Kans groot dat de jus van de wekelijkse rosbief op dat eigenste moment via zijn kin, op zijn pas gesteven zondagse broek druppelde.
Hij probeerde zich dan soms te verontschuldigen dat hij altijd snel en gulzig moest eten. “Dat het nog een gewoonte was van vroeger. Van tijdens de oorlog.
Als je toen niet rap was, had je niets. Dan moest je een week op de vod bijten.” Ik hoor het hem nog zeggen. Het lijkt weer alsof het gisteren was.
Vandaag kost het allemaal veel meer moeite. Er lukt haast niets meer. Als hij rechtop zit, zakt hij na een paar minuten ongemakkelijk, onnatuurlijk onderuit. Als hij neerligt wordt hij geplaagd door ellendige hoestbuien die hij amper nog de baas kan. Het oogt allemaal heel zielig. Ik heb compassie met onze oude snaak.

Het gros van de dag zweeft hij tussen slapen en soezen. En als hij bij is, is de blik in zijn ogen vaal en afwezig. De guitigheid die eens zijn handelsmerk was, is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor glazige afwezigheid.
Tot voor kort dwaalde hij nog rond in zijn persoonlijke tijdzones en mengde hij zijn gedachten en herinneringen in de verkeerde volgorde. Maar hij was op zijn manier nog aanwezig. Nu rest enkel nog die wazige blik die geen emoties meer schuil houdt.
Soms snak ik zelf naar wat ruimte in mijn hoofd. Hij heeft er teveel van. In het leven zijn maar weinig dingen juist gedoseerd of zijn ze ter beschikking op momenten dat je ze van doen hebt. Denk ik ongepast.
Een schone oude dag? Zo zegt men het. Vandaag echter ontging de schoonheid mij helemaal.

Als een leven wegglijdt en uitdooft, rest niet veel schoonheid of grandeur. Dan rest enkel nog stille eindigheid. Tot op het moment dat hij heel even opflakkert en heel stil, haast onverstaanbaar prevelt. “Jij bent mijn beste vriend he?” Dan was er heel even weer een heel klein lichtje dat de droevige duisternis helemaal op lichtte.
Morgen krijgt hij chocomousse. Misschien gaat hij dan opnieuw op de tafel dansen.

 

Te vroeg op vrijdagavond

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee.
De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van.
De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo.
Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren.

Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe.
Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren.
Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen.
Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden.
Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet.

Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen.
Voldoende niets doen werkt!
En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.

 

Wie is hier zot?

 

IMG_1862

Puisterig was ik niet zo erg. Onberekenbaar en wispelturig? Ja dat dan weer wel. Heel erg zelfs. Het ene moment was ik hyper en vrolijk. Boordevol enthousiaste plannen en ideeën. Het andere moment kon ik voor het zelfde geld vervallen in een bodemloze tristesse, zelfbeklag of hulpeloze passiviteit.

Ik voelde me zeker onbegrepen. Een beetje zoals als een sociaal ingewikkeld wezen waar niemand iets van snapte en dat iedereen tot wanhoop dreef omdat ik ervan verzekerd was dat nooit iets mijn schuld was.
Mijn ouders zullen toen ook wel gedacht hebben dat er van mij niks zou in huis komen.
Zelf, vang ik wel af en toe een glimp op van de volwassene die straks fier en gesterkt uit de strijd zal komen. Al gebeurt dat wel minder naarmate de puberteit meer de kop opsteekt. Dat zal toentertijd wel niet anders geweest zijn.

In mijn puberlijf was van alles aan de gang. En ik kon daar niks aan doen. Het is nu eenmaal de natuur. Ik was veel te groot en te slungelig voor mijn leeftijd en had een veel te grote mond voor het zelfvertrouwen dat ik maar had.
Ik had altijd gelijk ook al dacht ik daar later in mijn bed dikwijls anders over. Al zou ik dat nooit hebben toegegeven. Ben je gek?

Grote voeten had ik al maar mijn hersenen waren nog niet ontwikkeld genoeg om alle nuances te vatten. De kleine dingen vergrootte ik uit. Over de grote zag ik over.
Daarom kon ik niet kiezen, plannen, opruimen, structuur brengen, sociaal zijn of zinnig meepraten met volwassenen die op elke vraag steeds onmiddellijk een juist antwoord verwachtten. Ik deed dikwijls alles net averechts dan hetgeen wat van mij werd verwacht.
Het voelde dan aan alsof ik de enige normale was in een wereld vol vreemde wezens van een andere planeet.
Maar het was niet mijn schuld want ik was een puber.

Nu, een paar levenservaringen rijker, ben ik dus in feite een door de wol geverfde, overjaarse, ontgroende, ervaringsdeskundige puber. En wel zo een die van zijn halfwassen aanhangsel verwacht dat hij kiest, plant, opruimt, structuur brengt in zijn studies, sociaal is en zinnig meepraat met volwassenen die op elke vraag steeds een juist antwoord verwachten.

Wie is hier zot?

 

 

Plat spleetje in een slipje

Een jaar of 5-6 moet ik geweest zijn. De speelzaal zat volgepakt met drukdoende kleuters. Sommigen zaten te spelen met autootjes. Een paar zaten al iets rustiger prenten in te kleuren terwijl anderen dan weer zeurden en weenden omdat ze te moe waren om zich nog met iets anders bezig te kunnen houden.

Het rook er naar banaan, versgeperst appelsiensap en koekjes ook. De geprakte Vitabis werd omgetoverd tot een papje waarvan de geur me eeuwig en één dag zal bijblijven. De kleuterklas rook altijd naar fruit of naar volle Pampers en natte poepdoekjes met kamille of lavendel.

Ik zat te kleuren op de grond. Tenminste, ik deed alsof. Want eigenlijk was dat kleuren gewoon een dankbaar alibi. Met mijn neus zo dicht op mijn potlood  kon ik immers proberen een glimp op te vangen van het onderbroekje van het oogverblindende meisje dat naast mij druk in de weer was met haar poppenhuis. Dat onderbroekje met het roze strikje en vooral wat er achter zat eiste zo veel meer nieuwsgierige aandacht op dan mijn potlood waarvan het punt gebroken was.

Ik wist dat meisjes niet waren zoals jongens. Ik had er al zoveel onwaarschijnlijke verhalen over gehoord dat ik het zelf wou achterhalen.

Op de speelplaats had ik gehoord dat meisjes een spleetje hadden. Die ene zei dat ze een plat spleetje hadden. Hij bedoelde het wellicht anders maar hij kende het woord horizontaal nog niet.  De andere wist dat het een recht spleetje was omdat hij met zijn zus in bad moest. Ik geloofde er niks van maar ik was nog nooit met een meisje in bad geweest.  Wist ik veel. Ooit zou daar wel verandering in komen.

Toen de juf me betrapte werd ik vuurrood en moest ik in de hoek.  “Je moest heel beschaamd zijn”: viel ze me boos aan.  Ik denk dat ik niet heel precies wist wat heel beschaamd zijn betekende.  Hoewel mijn pioenkleur mogelijks wel anders deed vermoeden. Nooit ben ik te weten ben gekomen wat die oppas-non een paar minuten later tegen mijn vader heeft gezegd. Al weet ik nog wel dat er de zaterdag nadien vreemde boekjes uit de bib werden mee gebracht waarin ik niet durfde te kijken omdat ik dacht dat ze niet voor mij bestemd waren.

Met mijn eerste onkuis piepen ben ik mijn onschuld kwijt geraakt denk ik. Want jaren later probeerden we in het zwembad opnieuw tussen spleetjes van deuren naar spleetjes te gluren. Al wisten we er toen al iets meer van. Maar alleen maar door de spleetjes in de deuren van het zwembad uiteraard. Of misschien toen ook al  van uit de boekjes die verstopt waren in de bunkers.

Zondigheid staat stoer zal ik toen gedacht hebben. En als ik vandaag zie hoe de gemiddelde huismoeder zich, heden-ten-dage, uitslooft om er op Instagram als wulpse zondares uit te zien zal ik toen al wel een punt gehad hebben. Al koester ik deze gedachte misschien alleen maar om mijn puberaal voyeurisme van toen te verbloemen. Of is het wel mijn aangeboren luiheid die me er op die manier doet mee omgaan? Luiheid, naast onkuisheid … nog zo’n doodzonde en dan vergeet ik mijn traagheid en hoogmoed nog waarmee ik mezelf graag in het middelpunt van de belangstelling wurm.

Mijn deugddoende zonden. Er zijn er na dat onderbroekje met het roze strikje zeker nog veel gepasseerd. Goed dat ze nog steeds af en toe de kop steken. De biecht mag dan wel verdwenen zijn, maar de zonden zijn gebleven. Ze verplichten me om na te denken over hoe het beter kan of hoe ik het anders aan boord kan leggen. En ze geven me een heerlijk schuldgevoel, dat me voor saaiheid en enggeestigheid behoedt.

Maar misschien is het wel hoogtijd om er een paar bij te sleuren zodat het lijstje wat actueler en vollediger wordt. Misschien kunnen vervuiling, sociale ongelijkheid, onverdraagzame vegetariërs, transgenders en zakkenvullende politiekers de Bijbelse zondaars compleet maken.  De spleetjes tussen de zwembaddeur zullen me dan misschien niet zo lang opzadelen met dat veel te grote schuldgevoel.

 

De reuk van het verleden.

IMG_1806

De grauwe, ietwat vale gordijntjes zitten nog steeds strak opgespannen achter de glas-in-loden-vitrinedeurtjes van het bovenste gedeelte van de kast.

Als ik het koperen slot van het deurtje open draai is de muffe geur het eerste wat me herkenbaar tegemoet komt.
Hoewel elke oude kast eender ruikt, een beetje zoals een grijs boek verbergen ze toch allemaal hun eigen geheime historie.

Beschamend of vergeten familiegeluk veilig verscholen achter vale vitrages.

Het ooit hagelwitte porseleinen eetservies is ietwat gelig geworden en steekt af tegen de glanzende kristallen wijnglazen.
Van dat chique glasservies ontbreekt er één rode wijnglas omdat ons ma dat ooit net iets te onstuimig opgeblonken had na het laatste feest waarop het had gediend.
Ik hoor ons moe nog jammeren omdat haar 60 jaar oude huwelijkscadeau nu niet meer compleet was terwijl haar huwelijk dat zelf toen al bijna 30 jaar niet meer was.

Nostalgie doet iets met een mens. Toen ook al.

De lijmnaad van de soeplepel die past bij de keramieke soepterrine verraadt dat hij wellicht ook ooit voorwerp is geweest van een accident. Of misschien ongewild slachtoffer werd van een uit de hand gelopen zinloze familiale discussie. Wie zal het nog zeggen?

Ik weet perfect wat er allemaal in die kast zit toch. Toch kan ik nooit voorspellen welke herinneringen opduiken wanneer ik de deuren en schuiven er van opentrek.
Ik heb dan helemaal geen controle over mijn afdwalende gedachten naar dat ver, vergeten gewaand familieverleden. Alsof de herinneringen dan opnieuw helder en gedetailleerd ontwikkeld en geprojecteerd worden in de donkere kamer van mijn geschiedenis.

En dan moet ik nog aan de schoenendozen met foto’s en polaroids beginnen. En aan al die fotoalbums waarvan de kaften de heimwee verraden van de foto’s die er zoveel jaren geleden zorgvuldig werden ingekleefd.

Nostalgie het doet iets met een mens. Nog altijd.

 

 

Gisteren en morgen in vandaag.

IMG_1109

Als ik eens…
Had ik maar..
Wanneer ik later…

Vaak begint terugblikken op wat voorbij is of vooruitkijken naar wat nog moet komen met deze oncontroleerbare gedachten. Had ik maar… Wat als?

In die gedachtenwereld glijd ik dan soms weemoedig of vervuld van spijt, vol zelfbeklag af in scripts van mijn oude films. In zwart witt prenten vol romantische scenes en spannende verhaallijnen word ik mee genomen met oude bekende figuranten. De acteurs zeggen of doen steeds verkeerde dingen, want zo gaat dat in zwart-wit films maar op het einde komt altijd alles goed. Af en toe krijg ik de hoofdrol of figureer ik op de achtergrond, onbelangijk.
Op die nachtelijke hersenwandelingen dwaal ik dan af in een geschiedenis die ik wil herschrijven. Ik zou dan liefst het draaiboek van het filmscript veranderen terwijl die al in de zaal wordt gedraaid.

Scene 8: “Jan doet stomiteiten. 23 jaar” / take 7. CUT!

Wanneer ik mezelf dan niet eens vastrijd in een voltooid, verleden geschiedenis zit ik wel strop in onrealistisch veel te ambitieuze toekomstplannen.
In mijn, als-ik-straks-euromilions-win-scenario haal ik dan mezelf scherp voor de geest. Ergens dichtbij een hagelwit strand, dobberend op een bootje. Vislijn of hangmat binnen handbereik. Jij loopt of hangt daar ook wel ergens rond slurpend aan fris drankje, bloemenkrans rond je nek.

Deed ik het allemaal wel een beetje goed of juist?
Zat er niet meer in? Had ik niet beter dit …. of zal ik later, als ik een beetje groter en wijzer ben niet beter?

Vandaag, 20, 30 of 40 jaar later, net ontwaakt uit mijn romantische-zielen-droom en neer gedaald tot de realiteit van de dag, ken ik sommige antwoorden wel al beetje maar vraag ik me af of de vragen er nog wel toe doen?
Laat je een herstelde achilleshiel niet best ongeroerd wanneer hij eens pijnlijk opspeelt als het weer verandert. Als er onweer voorspeld wordt.

Ben ik er wel gebaat mee alle antwoorden te kennen?
Zou ik dan? Zouden we dan? Zal ik dan op een andere manier… ?

En dan bedenk ik me dat afdwalen in mijn gedachten me maar afleidt van waar het moet over gaan en dat is vandaag. Nu. Het moment. Nu is het te doen.
Ik speel wel met de kaarten die me zijn toebedeeld. Abondance of miserie op tafel. En als er niemand vraagt, ga ik wel alleen… voor 5, de overslag meegenomen.

De geschiedenis is geschreven en verandert niet meer tenzij in slechte amerikaanse jaren 80-films met Marty Mcfly en Doc Brown.  De toekomst? Dat zien we nog wel.
Maar wacht, als ik morgen de lotto win. Als ik straks in pensioen ben…of als ik later wanneer ik eindelijk groot ben … dan…   dan misschien?
Je zal wel zien….

Bakvissen van 16 jaar.

Juli 1986. 16 jaar en 21 dagen lang alleen op weg, overgeleverd aan de brandende Portugese zon van Villafranca de Xira of all places.
Decor: Een internationaal handbaltoernooi voor u19. Een geïmproviseerde camping rond een immens openluchtzwembad. 2 duiktorens, ongevaarlijk hoog maar hoog en gevaarlijk genoeg om er met een bruin gebakken 16 jarig sportlijf, vrouwelijk blonde onschuld mee te imponeren. Sport en de eerste plaats. Dat was de ambitie. Op zijn minst. Dat was het doel. Daarvoor hadden we toch 36 uur lang opeen gepakt als een sardinne, op een bloedhete muffe bus gezeten.
Alle pubers van de wereld verzameld op een zakdoek rond een zwembad.
Tussen de handballijnen werden internationale oorlogen bevochten. S’ avonds werd onder de sterren tijdens kampvuren, op bonte openluchtfuiven of in groezelig gezellige restaurantjes vredesverdragen afgekondigd. Wereldpubers broederlijk verenigd. Behalve met den Duits want die bleven s’avonds ook nog fanatiek ambitieus, alleen afgezonderd met hun Sturm und Drang.
De Deense Vikings waren ook tot in Villafranca uitgezwermd en kwamen ongevaarlijk gewapend met koele carlsberg en” Lessons in Love van Level 42″ harten plunderen van nietsvermoedende Vlaamse bakvissen.
Als ik er nu op terugblik denk ik niet dat ik heel veel weerstand vertoonde op die houten dansvloer. Ik liet me makkelijk weerloos overmeesteren door ontwapende Deense kalververliefdheid.
De finale haalden we niet hoewel ik zeker wel al mijn handbalmachostreken uit de kast zal gehaald hebben om indruk te maken op mijn Lagartha Lobrok. Als ik het me goed voor de geest haal moeten we dat jaar ergens gestrand zijn op de derde plaats, maar dat was toen al niet meer van levensbelang. De Deense schone was dat toen zeker wel.

Dreams that we were building fade like footprints in the sand

De zomer sloop voorbij daar aan dat Portugese zwembad met de duiktorens, koele carlsberg en Level 42 en sterretjes aan een kampvuur.
Die zomer van 86 ik zou er altijd met een hele grote smile op terugblikken want een eerste zomerlief vergeet je toch niet.

33 jaar later. Als zolders van oude huizen worden opgekuist en kistjes met vergrijsde foto’s en briefjes gevonden of gezocht worden lees je na een paar muisklicks op google en facebook… “Yes I remember you clearly…” En heel even worden oude koeien en morantische herinneringen opgeturfd en fotootjes gedeeld. Weg dromend alsof het gisteren was.
Toen bleek ik ook al heel jong iemands “favorite” geweest te zijn maar ook een hartenbreker voor eventjes.

Lessons in Love…
Na de zomer van 86 zouden er nog veel volgen. Ik kan er ondertussen in doctoreren met permanent 2e zit.

Een zoute pretzl, streepjespistes en vierkante patatten.

streepjes

“En, hoe was ‘t?”  Die vraag had ik natuurlijk verwacht want telkens ik één of meerdere dagen van huis ben geweest krijg ik die steevast voorgeschoteld. “Hoe was ‘t?”

En dan wil ik het liefst honderduit vertellen…

Over de laatste onrustige nacht voor ons vertrek toen ik lijstjes overliep van al het geen zeker mee moest en zeker niet mee mocht.

Over welke reisweg we zouden gaan nemen. Waar we zouden stoppen voor eerste koffie en voor de laatste door het werk betaalde tankbeurt. En of de meegezeulde kussens, knuffels en donsdekens het zicht in mijn achteruitkijkspiegel niet zou belemmeren.

Dan wil ik enthousiast vertellen over hoe ik telkens opnieuw als een kind in vervoering raak van de eerste eeuwig besneeuwde bergtoppen die in de verte uit de horizon oprijzen eens de grens van Oostenrijk gepasseerd is.  En hoe zeer ik wel door de ruwe schoonheid en ogenschijnlijk tegenstrijdige rust van de bergen geraakt word.

Over de chalet die ruim gezellig is en welke een prachtig uitzicht geeft over het dal maar waar zoals steeds, in de keukenschuiven ervan, geen enkel scherp aardappelmesje te bespeuren valt zodat de patatten op een vreemd soort manier vierkant geschild zullen worden.

Over de drukte zonnekantpiste die van uit de eitjeslift gezien, lijkt op een kleurrijke mierenkolonie die in harmonieuze slierten naar beneden stroomt. Of over de nauwkeurig evenwijdig-gerolde-streepjes-pistes die kraken onder de latten en de  juiste veilige weg tonen naar de volgende stoeltjeslift.

En dan spreek ik nog  niet over de zwierige elegantie waarmee de jongste al naar beneden sjeest.  De eerste uren weliswaar nog voorzichtig breed pistig  maar eens het vertrouwen herwonnen in mijn ogen al veel te roekeloos voor mijn ouder wordende knoken

Of over de blozend bevroren kaken die luid meebrullen met Anton aus Tirol en die tegelijkertijd knabbelen aan een  zout gebakken, achtvormige pretzel  terwijl ze slurpen van hete, veel te duur betaalde waterachtige chocolademelk.

Over de kleinere en grotere ergernissen die nu eenmaal gepaard gaan met samenleven met een niet alledaags gezelschap met net iets andere dagelijkse gewoonten, wil ik het niet hebben omdat ze al vervaagd zijn.  Al zeuren de vragen “Wat is de code van de wifi en heb je mijn filmpjes al gezien” nog wel even na.

Maar ik kom niet veder dan “ goed, goe weer en goe van eten…”

Verstoppertje in een stoppelbaard

De verhakkelde regenpijp die aan de bouwvallige muur hing, was de uitgelezen bedotplaats omdat die enkel maar langs de voorkant kon beslopen worden.

De hoge groene regenton, de dikke beuk of het lagere struikgewas van het plansier van de verlaten boerderij waren voortreffelijke versteek plaatsen.  Hoe verder verscholen van de aftelplek hoe beter.  Zelf verkoos ik liever de gevaarlijk dicht geplaatste regenton omdat ik van daaruit de afteller beter kon bespieden en geduldig op mijn hoede kon afwachten tot hij zijn onbewaakte aftelplek verliet en ik iedereen bedot-vrij kon roepen.  Pot pot pidot.

Dat ik zelf het eerste gemakkelijkste doelwit was vond ik minder erg omdat ik met het vrij krijgen van andere verscholen zielen zoveel meer eer kon opstrijken.

8 9 10 wie niet weg is is gezien… ik kom!

Zelf riep ik van op mijn hachelijke verstop plaats om voor de hand liggende reden nooit “Kom maar”.  Dat liet ik over aan diegenen die beter strategisch beter verstopt waren omdat vanaf die kreet iedereen vogelvrij werd.

Eens wat ouder, de eeltige zielen wat meer door de wol geverfd, zijn de bezigheden en spelletjes minder onschuldig ongevaarlijk.Eens de grote liefde weggeëbd, rest vriendschap die enkel nog geldt als bezigheid waarmee we elkaar gevangen zetten in een glazen kooi van gemaskeerde oppervlakkigheid. Wie eerst spreekt, toegeeft of laat blijken ergens nog echt nog om te geven is de verliezer. Pot pot pineut.

Lusteloos verloren gewaand, trek ik dan torenhoge muren op die me weerhouden te ontsnappen aan mezelf. Achter de ton. Verborgen voor de afteller.

Maar het is een ander soort verstoppertje waar ik in tegenstelling tot het vroegere potteke stamp, vanuit dezelfde hachelijke verstop plaats juist wel wil gevonden worden om te roepen. “kom maar, hier zit ik achter de ton”. Nu wil ik wel gevonden worden in de duistere hoekjes van het holst van mezelf. Om je vrij te roepen. Pot pot pidot

En dan, als je me dan vindt, wil ik dat je zegt dat alles goed kom. Dat alles altijd goed komt. En dan wil ik  dat je me over mijn bol streelt en me en kus geeft en opnieuw die prikkelende verhalen ontdekt die verstopt zaten in de braille van mijn stoppelbaard.

Even later sta ik voor voor de spiegel en strijk de denk-en droomrimpels van de nacht weer glad en dan weet ik dat die oude kaas van gisterenavond laat nog als een blok om mijn maag ligt.

En van kaas laat op de avond ga ik dromen.

Bierpong, zandkoekjes en een geruit debardeureke.

Zij vult zakjes met rode hartjes-snoepjes en schrijft geparfumeerde briefjes met snoezelig versierde krulletjes. Samen met haar pollekesvasthoudende Don Juan droomt ze van verre reizen en van schattige kindertjes met roze strikjes. Ze spelen, chatten, skypen en chillen maar kussen vinden ze vies. Zeker op de mond… Ieeuww!

Zielroerend delen ze zelfgebakken zandkoekjes en blozen doddig donkerrood als ze er in hun schattigheid toevallig mee betrapt worden. S’ avonds worden dan al de lieftalligheden sierlijk-zorgvuldig netjes bijgeschreven in het roze dagboekje dat kort na het verplichte dagelijkse schrijfwerk argwanend achter slot en grendel verdwijnt. De uitgewisselde naar kauwgom-ruikende knuffels en de halve-harten-sleutelhangers eerst allemaal op hun plaats, passend in een minitieus uitgekiend slaapritueel…

Nummer 2 is ook verheven tot het rozewolkendom. Uur en tijd worden vergeten omdat fladderende vlinders en opspelende hormonen elke andere te verwachten actie bemoelijken. De spiegel, de deo, de zeep, de tandenborstel en de wax, ooit gezworen vijanden, werden plots de trouwste bondgenoten. Netjes uitgeborsteld en opgeblonken worden alle onvolkomenheden elke dag zorgvuldig weg geflost. Soms echter durft een hardnekkige meeëter of een vulkaanachtige puist de geacteerde overmoed of de gemaakte zelfzekerheid wel even de kop in drukken maar dat duurt nooit lang.

Het hemd bij de pull. De pull bij de broek. De broek bij de kous. De kous bij de schoen. Alles bijeen passend in de onbegrijpelijke puberharmonie. Zelfs de keuze van de boxershort krijgt de nodige aandacht. Al slingert die nog steeds dikwijls dagenlang vuil rond alvorens de weg naar de wasmand te vinden. Tenzij zij komt….

De derde zit in level 3 van de playstation van het leven en zoekt zelfzeker, doelbewust en vastberaden verder. Planmatig en groothartig pakt hij op zijn manier alles aan wat zich aandient. De prioriteiten iets anders gesteld dan rozige hartjes of vuile onderbroeken. Al dan niet in de mand. Nog niet precies wetend waar naartoe timmert hij iets minder overmoedig dan nummer 2, met val en opstand, al bierpongend aan zijn weg. Het hart op de juiste plek. Eerst het ene, dan pas het andere…

En ik? Ik kijk dan toe. Soms als toeschouwer dan weer als trouwe te fanatieke supporter. Of als strenge arbiter of trainer. Gele kaart?

En dan… dan blik ik ook wel eens nostalgisch terug naar de tijd toen ik zelf nog op een speelveld stond. Toen ik me bijgelovig afvroeg of die tot op de draad versleten, rood wit gestreepte boxershort die ik ritueel droeg me wat bijval zou bij brengen of niet? Goal of op de paal?

Of dan denk ik terug aan die maandagmorgen van het 5e studiejaar toen ik stiekem met mijn in de plooi geperste zondagse broek, mijn geruit debardeureke en mijn zandkoekje in zilverpapier indruk probeerde maken op Anneke met de blonde paardenstaart die bijeen geknot werd door 2 rode kersen.

Het leven … het gaat een gang…