Categorie: Heimwee

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Haar.

Ik ben zeker dat je daar op muziekkamp al lang niet meer wanhopig zit te wachten op een stom briefje of op advies van een vijftiger, ook al is die vijftiger jouw vader die met elke nieuwe dag een dagje ouder wordt. Het zal je misschien verbazen maar ik was ook ooit dertien, weliswaar dertien in de mannelijke versie van een meisje, maar toch dertien. Negentien eenentachtig was het dan. De grootste gebeurtenis van juli eenentachtig, was dat prins Charles van Engeland trouwde met prinses Diana, ook van Engeland al werd ze door haar huwelijk ‘gedegradeerd’ tot prinses van Wales. Vraag me niet waarom dat zo is, waarschijnlijk omdat die Engelsen rare tradities hebben.  In die dagen konden uilen nog spreken en er was nog geen internet daarom zat de hele wereld die bewuste dag voor de tv gekluisterd, om een glimp op te vangen van de bruidsjurk van de sprookjesachtige prinses. Ik weet niet waarom ik je dat nu zeg misschien omdat ik toen ook dertien was en ik jaloers was op die lelijke aap.

Hou je vast aan de takken van de bomen, binnenkort ga je tot besef komen en aan je lijf ondervinden dat hormonen je willen veranderen. Ze gaan je proberen te overtuigen dat ik niet meer de grappigste man in je leven ben. Ze zullen je ook influisteren dat je ma een oude zaag geworden is omdat ze je dingen wilt laten doen die saai en ouderwets zijn of omdat je volgens haar te vaak op je gsm zit. (Wat wellicht het geval is.) Die hormonen zullen je meer met je ogen doen rollen en je meer laten zuchten en blazen dan je zelf wil maar ze gaan er ook voor zorgen dat je gat, je billen en hopelijk nog andere dingen, dikker worden. Ze zullen zorgen voor haar onder je oksels en op nog andere plekken waar dat nog gênanter is. Die hormonen zullen er ook verantwoordelijk voor zijn dat je (tijdelijk) een hele slechte smaak zal ontwikkelen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat je helemaal zot zal worden van pak weg, Justin Bieber of erger van Daniel Portman, omdat die toevallig een sexy schildknaap mocht spelen in Game of Thrones. Zit er niet mee in want het zijn tijdelijke randfenomenen die samengaan met groter worden. Uiteindelijk zal je toch tot de conclusie komen dat er maar één man echt belangrijk is in je leven en dat ik dat ben omdat ik nu eenmaal nagenoeg perfect ben, zowel uiterlijk als verstandelijk.

Veel van de dingen waarvan je nu denkt dat ze je ooit zullen gelukkig maken zullen dat niet doen. Maar ik weet ook dat het nul komma nul zin heeft om je daarvoor te waarschuwen, want jij wil meer dan wie ook zelf achterhalen hoe het leven werkt. Jouw leven is een feest en de wereld een wonder en iedereen die je zal willen proberen te overtuigen van het tegendeel, zit er helemaal naast. Je zou eens moeten weten wat er nog allemaal op je af komt, voor de eerste keer. Ik kan het weten want ik was ooit dertien.  Dus doe maar op! Krijg maar wat meer haar, ook op je tanden. Het mag! Wees eigenzinnig en test het maar allemaal uit. ‘Don’t worry and enjoy the ride’ want alles komt altijd goed. Neem geen genoegen met sarcasme en cynisme en wees niet beschaamd voor vriendschap. Probeer het maar, doe maar op, dat mag want het loont om eigenzinnig te zijn en om uit te proberen wat je allemaal wordt verteld. Maak je dus geen zorgen want alles komt altijd goed. En wanneer je het even niet meer weet, kom dan maar af want ik weet het allemaal want ik was ook ooit dertien en ik heb ook al een gsm, eelt op mijn ziel en haar op mijn tanden.

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Oneerlijk wreed.

Ik neem er alle tijd voor alvorens ik eraan begin. Hoewel het weken, zo niet maanden zal duren voor ik ze allemaal doorworsteld zal hebben, lees ik de eerste regels bewust heel traag en geduldig. Ik wist heel goed dat hij ze had, alleen had ik er geen weet van waar hij ze precies verborgen had. Niet dat hij ze weggemoffeld had om nooit meer terug te vinden, neen want daarvoor had hij erbij leven te veel tijd en energie ingestoken om ze zomaar in de vergetelheid te laten opgaan.

Toen ik voor het eerst sinds een hele lange tijd, de oude kolenkelder betrad, en ik voorzichtig een oud wit laken wegtrok, viel een grote kartonnen doos me eerst op. Daarin waren ooit de glazen inmaakbokalen, spanijzers en verduurde rode elastieken gelegd om er het jaar nadien bonen en tomaten mee te conserveren. Ik kan me niet precies herinneren wanneer ze voor het laatst werden gebruikt maar het is in elk geval heel lang geleden. In de schemer van de muffe kelder, viel mijn blik plots op een houten wijnkistje dat mijn moeder ooit van Mercedes-Benz-Belgium, haar toenmalige werkgever, had gekregen toen ze eindelijk in brugpensioen kon gaan. Wijnflessen trof ik er niet meer aan. Die zullen bij een passende gelegenheid wel dienst gedaan hebben, maar de dagboeken van mijn vader, die hij fier zijn memoires noemde, vond ik er wel terug. Ze waren volgens jaartal in de juiste volgorde gestapeld. Geen enkel boekje was eender. Sommige hadden een kunstlederen kaft en hadden wat geld gekost, andere, die er goedkoper uitzagen, had hij als nieuwjaarsgeschenk gekregen bij zijn bank- of verzekeringskantoor.

Ik ben er heel zeker van dat hij dagelijks zijn pen ter hand genomen heeft om ons iets na te laten, waar we nu mee aan de slag kunnen, al staan de boekjes ook bol met nietszeggende fait divers.  Zo lees ik bijvoorbeeld dat het op drieëntwintig oktober 1987, 11 graden en bewolkt was, dat hij met zijn fiets naar de markt gereden was om gebakken vis te kopen en om een keukenmes te laten slijpen bij de scharenslijper die daar toen wekelijks zijn kraampje had. Wanneer echter bleek dat die ambachtelijke stiel, op die bewuste zaterdag van de wekelijkse markt verdwenen was, had hem dat mateloos geïrriteerd. ‘Een uur heb ik gezocht naar het kraam van Armand. Ik denk dat hij ermee gestopt is. Ge moet dat ook maar willen doen. Elke dag opnieuw, in weer en wind. Ik kan daar allemaal goed inkomen maar waar moet ik nu mijn botte messen laten slijpen nu die ‘scharensliep’ verdwenen is. Jonge mensen gaan dat niet meer willen doen, peins ik en zo is alweer een stuk folklore voorgoed verdwenen, maar zo is het leven zeker?’

Hoewel de feiten zich tweeëndertig jaar geleden hebben voorgedaan komen ze opnieuw tot leven uit de woorden die hij met zijn eenvoudig geschrift vereeuwigd heeft. Elke dag opnieuw en wanneer het moment hem uitkwam, nam hij plaats aan de keukentafel om daar op een halve bladzijde neer te schrijven met wat hem die dag was opgevallen, wat hem had geërgerd of waar hij op zijn manier vrolijk van geworden was. Ik lees het allemaal gulzig maar traag, met een grote glimlach.

Ik kijk naar de boekjes met levensherinneringen en ik bedenk dat het leven oneerlijk in elkaar zit. Belangrijke dingen geven hun echte waarde maar prijs wordt wanneer ze voorgoed onbereikbaar geworden zijn. Misschien is het leven op zichzelf daarom wel helemaal oneerlijk want je mag het maar één keer doen. Eigenlijk mag je alles maar één keer, voor de eerste keer doen en vooraleer je dat eindelijk kan doen moet je er eerst nog heel veel geduld voor hebben. Hoe oneerlijk wreed is dat niet?

Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


Nachtgesprek.

 

Ik spreek soms tegen haar. Stom he? Ik doe dat meestal s’ avonds. Alleen, wanneer het stikdonker is en ik zeker ben dat niemand kijkt of luistert. Vanop mijn terras staar ik omhoog, in het zwarte zwerk. Ik inspecteer het donkere hemelgewelf en de maan en ik ontwar de sterren en hun beelden tussen de grijze wolken. Ik steek een sigaret op en beeld me in dat ze daar ergens rondzweeft, dichtbij hemelpoort zeven.

Een dialoog kan je het niet noemen want door de band genomen, voeren we geen diepzinnige gesprekken met lange epistels en uitgerekte standpunten. Neen, ik geloof dat ik meestal alleen aan het woord ben en zij luistert gewoon maar, als ze al luistert. Het is net zoals vroeger eigenlijk. Toen kon ze met haar binnensmonds geprevel ook de indruk geven dat ze helemaal je aandacht had, terwijl ze eigenlijk met haar gedachten ergens anders vertoefde. Hoewel ze soms ook wel het hoge woord voerde. Om zich te beklagen en om me in haar taaltje, fors de les te spellen of om me te zeggen dat ik het wat kalmer moest aandoen. Ze zal wel gelijk gehad hebben. Zoals gisteren…

 

 

<‘Ah zijde daar eindelijk? Zeg, waarom schrijft ge feitelijke nooit eens iets over mij in uw boekskes? Ik ben toch uw moeder? Of zijt ge dat allemaal al vergeten?’

>‘Vergeten? Ik ben niets vergeten. Alles weet ik nog. Ik had alleen niet verwacht dat ik u hier, zou tegenkomen. Hier in het duister van de nacht en dat je eindelijk eens iets zou terug zeggen. Ik sta hier meestal moederziel alleen in de nacht te brabbelen.’

< Ja, manneke, gij zijt ook altijd zo in gedachten verzonken en zo met uw eigen zaken begaan, dat ge me niet hoort of niet ziet. Juist gelijk vroeger.’ ‘Alles en iedereen moest altijd al wijken voor uw ideeën en plezierekes.’ ‘Hoe dikwijls heb ik dat niet gezegd tegen onze Jef.’ Die kleinste, ik weet niet waar dat hij nu weer mee bezig is maar veel goeds zullen we daar maar niet van verwachten. Daar gaan weer vodden van komen, schrijf het maar al op.’

‘Alles moest altijd verlopen hoe dat gij het in uwe kop had en als ge iets in uwe kop had, had ge het niet in uw gat he.’ ‘Pakt nu uw studies. Eerst ging ge boekhouder worden.’ ‘Toen ge daar in den tijd mee voor de pinnen kwam zei ik tegen onze Jef, daar zal veel volk naar komen zien, hij kan nog niet met zijn eigen pree omgaan, laat staan met die van een ander.’ ‘Dat zijn kosten op het sterfhuis heb ik toen gezegd en ziet, een boekhouder is er aan u niet verloren gegaan he manneke.’ ‘Dat stond hier toen al in de sterren geschreven dat ge daar geen prijzen in ging halen.’

‘Als ge dan het jaar nadien, met al uw buizen in uwe zak thuis kwam en ons op uw blote knieën kwam smeken om het nog eens te proberen in de communicatiewetenschappen, had ik daar wel een beter oog in.’ ‘Want klappen, dat kon ge als den beste, nu nog trouwens zolang het maar niet in een vreemde taal is en zolang ge niet te veel moet uitsteken.’ ‘Uw lui zweet is rap gereed en ge weet wat ze zeggen he: ‘Een ezel zweet al van te kakken’. ‘Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden zou ons Heer over u gezegd hebben.’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, van werken had ge een broertje dood he. Altijd al gehad en nu nog peins ik, al zie ik je af en toe wel al eens achter het fornuis staan of een stofzuiger vast pakken. Dat hebt ge van ons vader geloof ik, die mens heeft ook altijd mee zijne nikkel afgedraaid in het huishouden.’

‘Nu dat ik toch bezig ben. Zeg, zoon, dat boekske?  Serieus, moest dat nu?’ ‘Voor wie zijn heiligen hebt ge dat nu weer gedaan? Waarvoor of voor wie smijt ge feitelijk al uwe vuile was op ’t straat?’ ‘De mensen hebben daar toch geen affaires mee?’ ‘Peisde nu echt dat ge daar iemand een dienst mee bewijst?’ ‘U zelve ja, maar ziet toch maar uit uw doppen, dat ge genen dikke nek krijgt want soms denk ik dat ge peinst dat ge Herman Deconinck zijt.’

‘Past op, ik ga alle redenen plaats geven’: ‘Chapeau dat ge gedaan hebt hetgeen ge gedaan hebt, ik zou het niet gekund hebben. Maar om dat nu zo in het lang en in het breed, allemaal in een boekske uit te smeren.’ ‘Ik heb er mijn gedacht van maar ja naar uw moeder luistert gij toch niet he.’

‘Gij zijt nog geen haar veranderd, misschien een rimpeltje meer aan uwe mond maar ik ga het zeggen gelijk dat ik het peins. Klinkt het niet dan botst het maar. Ik vind wel dat ge het precies wel wat hoog in uwen bol gekregen hebt.’  ‘De laatsten tijd klapt ge zelfs al op de letter.’ ‘Soms zeg ik dat hier tegen onze Jef.’ ‘Die kleinste, die is al lang vergeten van waar dat hij gekomen is met zijn Jannestreken.’  ‘Juist uw vader. Zeg ik dan, want die dacht ook altijd dat hij Rockefeller was.’

‘Maar, bon ik ben de piste in nu. Ik heb genoeg op je dak gezeten en ik moet hier nog al die kruiswoordraadsels oplossen. Voor dat ik het vergeet.’ ‘Breng de volgende keer eens een paar pakjes blauwe Belga filter mee en een fles porto, ah nee want dat moogt gij niet drinken zeker?’

‘Doet ze daar allemaal de goeiedag ik zijn naar huis …’

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

Voor de goei.

 

…“Moeder, hebt ge mijn wit hemd gesteven? Is mijn kostuumbroek geperst en waar hebt ge begot mijn bretellen gelegd? Ik wil opgekleed naar de keus. Vandaag ben ik evenveel waard als die kiesmannen Want vandaag hebben ze mij van doen. Pas op, morgen zijn ze mij vergeten. Ik maak mij geen illusies. Ik ben niet aan mijn gat gedoopt. Dedju! 

Voor den Bsp stem ik niet meer. Die rooi, dat zijn juist radijzen. Rood genoeg langs den buitenkant, daar niet van. Maar spierwit, langs den binnenkant. Sinds die mannen hun overall gewisseld hebben voor een kostuum is het vet van de soep. Die zijn ineens allemaal vergeten van waar ze gekomen zijn. Uit welke broek ze geschud zijn. Als die morgen mee aan de vetpot kunnen lekken, zijn ze vandaag al vergeten wat ze ons gisteren beloofd hebben. Weet ge wat het zijn? Arrivisten! Wat zeg ik arrivisten, dat zijn ze! Dedju!

Zwijgt me van Willy De Clercq “de Vlerk” van de P.V.V.  Dat is pas een rasechte meeloper. Die zit in de zak van Vanden Boeynants. Die mag alleen, geletterd, met zijn schoon dictie en met evenveel krullen als op zijne kop, zijn gedacht zeggen.  Zolang dat maar het zelfste is als dat van “Polleke Panch”.  De zakkenvuller! Wat zeg ik een zakkenvuller, dat is hij. Dedju!

De C.V.P.  Breek me de mond niet open. Vanden Boeynants is misschien een idealist zonder illusies maar voor mij blijft hij nen illusionist die pensen doet veranderen in stemmen. Brussels krapuul! Wat zeg ik Krapuul. Dedju!…

En de Volksuniedat zijn zwetterikken! Dedju. Zwetterikken. “

Verkiezingen 40 jaar geleden ten huize Pultau. In zijn gesteven kostuum trok hij moedig ten strijde met één stem in zijn borstzak.

Diplomatie, takt en beleefde welbespraaktheid, werden me niet altijd met de paplepel opgelepeld. Onze pa zei het fors, met een vloek en met een vuist op tafel. Maar hij liep niet mee met de hoop. Ondanks zijn werkbroek en zijn dagelijkse schoofzak vormde hij zijn eigen gedacht en durfde daarvoor uit te komen. Het mocht klinken en botsen. Dat deerde hem niet. Hij kwam op voor zijn gedacht en liet zich niet of nauwelijks beïnvloeden door wat de grotere massa zei of dacht. Wat ben ik blij dat ik dat van hem geërfd hem al zeg ik het niet zo straf met een vloek. Dat doe ik nu ook niet.

Ik heb gewoon maar gestemd. Met een gestreken hemd, met mijn broek in de plooi en met mijn zondagse schoenen aan. In eer en geweten!  Voor de goei! 

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Heb je ze zien kijken?

De sfeer was anders. Het decor ook, de zonnenbril niet. Minstens 3 keer per jaar gebeurt het. Spontaan. Zonder grote plannen of moeilijke afspraken in overvolle agenda’s. Dan hebben we opeens, zonder dat we er ‘s morgens bij stil hebben gestaan rendez-vous. We krijgen dan even elkaars volle aandacht om bij te praten. Ergens op een gezellig terras. Half in de zon half in de schaduw.

Zij met koffie verkeerd ik met de juiste. Pikzwarte met zoetjes. Om de compagnie compleet te maken waren er mini boules de Berlin bij. Niet om ons te verschuilen achter zweemzoete vettigheid of oude koeien maar gewoon omdat die wat luchtigheid brachten bij ons filosofisch geladen gespin.

De zon scheen flauw op haar gelaat, zodat ze zich, zoals ze wel vaker doet, veilig kon verbergen achter grote donkere glazen. De anders, altijd aanwezige denkrimpels waren verdwenen en haar brede glimlach zorgde voor 2 lachkuiltjes die me helemaal opgewekt maakte. De overvloedige cafeïne zal er ook nog wel voor iets tussen gezeten hebben.

Ze heeft iets met zonnebrillen. Altijd al gehad. Toen ik haar lang geleden voor het eerst ontmoette had ze er ook een op. Maar toen spraken uilen nog wartaal. Ze had een zwarte ray-ban die ze meestal in het haar droeg. Die deed haar wat weg hebben van Madonna. Ze zal het niet toegeven maar diegenen die haar kennen zullen beamen dat ze er destijds veel moeite in stak om er even cool uit te zien als die Material girl.
“Like a virgin” is ze niet meer, dat weet ik zeker. Ze zal destijds zeker “Papa don’t preach” gedacht hebben toen haar vader haar met een bedenkelijke blik taxeerde, wanneer ik een paar dagen later met gespeeld zelfvertrouwen de eerste keer aan haar voordeur belde.

Nooit zijn we elkaar uit het oog verloren. Niet als het goed ging maar ook niet als het met een van ons heel slecht ging.

Als ik nu zeg dat we stilaan oud worden, spreekt zij me met veel elan tegen. Dan overtuigt ze me dat we gewoon eindelijk in balans raken en we stilaan eindelijk van volwassenheid mogen verdacht worden. Voor de overschot zijn we het meestal wel roerend met elkaar. Over zowat alles. Over kinderen of over relaties en partners of over oude bekenden en hoe die soms opdringerig of onverdraagzaam jaloers kunnen zijn. Meestal eensgezind dus, behalve over gekleurde lichaamsverieringen maar daar hebben we het dan ook niet over.

35 jaar lang al passeert ze zo nu en dan. Vroeger wel meer dan nu maar dat kwam omdat ik toen even de juiste San Pedro was. Nu is er een geschiktere San die mee reist naar een of ander “la isla bonita.”

Het is altijd leuk om zomaar even bij te babbelen om te zien en te horen dat het goed met ons gaat. Dat we stilaan in balans raken. Ik wil dat echt nog wel 35 jaar blijven doen. Die babbels en die koffie al hoop ik wel dat ik daartegen gewend kan raken aan die veel te luide schaterlach.

Heb je de mensen zien kijken?

Grijze silhouetten

 

Vijf uur en 7. Een nieuwe dag werd zonet geboren. Zonnestralen verdringen de nacht en de lichtgele schijn kalmeert het harde nachtduister.  De schuchtere ochtendzon tekent vage silhouetten op de slaapkamermuur. In mijn gedachten maak ik er bekenden van. Ik herken Wilfried Martens aan zijn te grote bril en Jimmy Hendrickx aan zijn gitaar. Tientalle kopjes staren me ongegeneerd en schamteloos aan. Onze pa meen ik ook te herkennen. Ergens net boven de horizontale lijn die de scheiding vormt tussen muur en plafond. Het moet hem wel zijn want niemand anders heeft ooit zo een perfect rond hoofd gehad. Hij grijnst met een lachwekkende grimas.  Alsof hij een tand mist omdat het rolluik ter hoogte van zijn mond daar net wel goed aansluit. Ons ma die wat lager afgetekend is kijkt toe. Ze denkt er duidelijk het hare. Wat zou ze anders doen. 

Hoewel de door de zon getekende mannetjes vanaf het krieken van de dag stille getuige zijn van mijn gesnurk, gewoel en ontwaken, storen ze niet. Hun gelaat wordt scherper naarmate het zonlicht aan kracht wint. Ventjes op de muur zoals dieren in de wolken. Als je lang genoeg kijkt ontstaan ze. Kijk je even weg dan zijn ze verdwenen of worden ze iemand anders. Elke keer als de zon er is en de morgen mij voorzichtig wekt, worden ze in mijn slaapkamer ‘s morgen op het muurcanvas geportreteerd.  Hun schaduwbeeld wordt er gevormd door spleten, gaatjes en scheurtjes in het rolluik. Omdat het niet helemaal perfect meer aansluit of omdat ik het gisterenavond maar half zijn gat toe getrokken heb. Dat is ook perfect mogelijk.

“De dag wordt wat je er van maakt” bedenk ik.  Het lijkt of mijn ochtendpubliek mijn gedachten kon lezen want plots valt het zonlicht in volle glorie binnen en zijn ze verdwenen. De ventjes en hun contouren. Even bang van de dag zoals ik van de nacht. Hopelijk valt de zon morgen iets schuiner binnen zodat onze pa zijn gebid weer volledig is en ons ma geen reden meer heeft om te jammeren.

Wasknijpers, to the moon and back

 

Honderd wasspelden, houtlijm, plakaatverf en een schort! Zo had ik het in kindergeschrift in mijn klasagenda genoteerd. Tegen maandag! 

s’ Vrijdags had ik het boodschappenlijstje van ons ma nog nagekeken. Ik moest zeker zijn dat ze het er met haar onleesbare hanepoten had bijgeschreven. 100 wasspelden! Onze pa had nog onbegrijpend gevraagd: “Waarom hebben wij in hemelsnaam 100 wasspelden van doen? Ik heb maar 2 hemden en 4 onderlijfkes en de witte was gaat naar de wasserij.” De lakens werden altijd gewassen in de wasserij van mijn nokel. Die had een wasserette. Toen we de was er s’ zaterdagsmorgen ophaalden rook het er steeds naar waspoeder, stijfsel en vochtig-warme droogkasten. De hagelwitte lakens werden er door een grote warme pers gehaald zodat ze hard gesteven en kreukvrij geplooid konden worden. Gaten of scheuren werden door mijn tante hersteld. Om maar te zeggen wasspelden waren enkel nodig om de “aparte” was op te hangen. En onze sponsen broekjes maar die waren altijd al bijna droog als ze uit de wasmachine kwamen. Dat wist ik want ik mocht die altijd mee ophangen. 

Op school, mochten we dan ‘s maandags nadien van “madam Keuppens”, want zo werd ze genoemd, de hele dag knutselen aan ons cadeautje. In die tijd hadden meesters en juffrouwen nog geen voornaam, enkel een achternaam. Sommigen heetten zuster dat kon ook maar dat was omwille van dat wit kapje op hun hoofd, dat op zijn plaats werd gehouden door vier schuivertjes. 

Eerst haalden we de houten wasknijpers uit elkaar door hen te ontdoen van die ijzeren veer die er voor zorgde dat je er mee kon knijpen.  Ik wist tot dan niet dat als je die twee houtjes van een wasspeld omgekeerd tegen elkaar kleeft, je precies een mannetje krijgt. Juf Keuppens wist dat wel. Zij was een geniale kunstenaar. Althans in de ogen van een 10 jarige. Al die veertjes mochten nadien in een grote houten doos gooien. Die zouden later nog dienst doen om er armbandjes mee te maken, maar dat wist ik toen ook nog niet. 

Eerst werden de houtjes aan elkaar gekleefd met houtlijm.  Als de lijm opgedroogd was kregen de ventjes met plakaatverf allemaal een ander kleurtje. Mijn verfjes waren natuurlijk onmiddellijk vuil, omdat ik het eerste mannetje zwart geschilderd had en omdat ik mijn penseel nadien, – niet-uitgewassen,  in elk ander verfpotje had gesopt. In mijn verfdoos restte maar één bruikbaar penseel. Van de andere stonden de haren te krom of waren te hard geworden om er het precizie schilderwerk mee te doen. Nadat ik Bartje zijn gele en groene verf ook had omgetoverd tot donkere herfstkleuren was ik klaar en kon mijn leger drogen.

Toen bleek dat mijn hoop soldaten met de voeten aan elkaar moesten geplakt worden zodat ze veranderd werden in een kleurrijke pannen-onderlegger, was ik eerst ontgoocheld. Ik had wellicht verwacht dat madam Keuppens geweldadiger geïnspireed was. Want zo kende ik haar toch wanneer ze me met haar houten regel telkens op de vingers tikte. Nadien pas toen de onderlegger ingepakt werd in een doorschijnend papiertje dat met blauw krullenlint dichtgeknoopt werd, wist ik zeker dat onze pa opgetogen zou zijn met zijn vaderdagcadeau.

Op het bijpassend briefje zou nu wellicht staan. “Voor de allerliefste papa van de wereld, Love you to the moon and back”, maar ik was toen al blij dat ik foutloos “Voor vaderdag, van je zoon Jan” kon schrijven.

Vandaag had ik zo graag voor onze pa een fles champgne gekocht. Voor zijn vaderkesdag.  Hij had dan wellicht gezegd: “Een pintje had al goed genoeg geweest. Je moest er “ommes” allemaal niet zoveel eieren onder gelegd hebben.” Maar dat gaat niet meer. De tijd heeft ons ingehaald.

“Voor vaderdag van je zoon Jan” of  “Love you to the moon and back”. Kies maar, waar je ook bent… daar ergens.

50

Het jaar is nog maar 14 dagen oud en gemeende nieuwjaarswensen worden al ingewisseld voor onheilsberichten. Rampspoed voorspellingen over niet te vermijden gebeurtenissen die dit jaar zeker zullen plaats vinden.

“Je wordt 50 he dit jaar? ” Ik denk niet dat de vraagstellers op deze retorische vraag een antwoord verwachten. Maar ze zullen het wel zo bedoeld hebben dat ik me erdoor aangesproken voel. Dus knik ik bevestigend zonder deze waarheid verder uitgebreid te bevestigen of te ontkennen. Mijn paspoort liegt er namelijk niet over. Mijn grijze haren evenmin.

Met welk doel wordt ze dan wel gesteld? Om me met de neus mee op de feiten te drukken dat mijn toekomst korter is geworden dan mijn verleden? Want dat is door de gemiddelde levensverwachting toch een statistische zekerheid. Misschien doen ze het om er hun eigen ogenschijnlijk eeuwige jeugdigheid mee in de verf te zetten? Ik weet het niet.

Het feit dat ik aanstoot neem aan deze materie laat wellicht een ontluikende midlife crisis vermoeden. Dat moet het wel zijn anders zou ik me er niet zo aan storen. 50, het cijfer galmt nog na onder mijn hersenpan. Het weerklinkt in de open ruimte die vrijgekomen is door de grijze massa die er door de tand des tijds in verschrompeld werd.

Een midlife crisis is alles behalve een amusante gebeurtenis. Ik weet er geen weg mee. Voor het eerst verdenk ik mijn lichaam van hoogverraad en meineed omdat het probeert feiten te ontkennen die voor toeschouwers en getuigen niet te verdoezelen blijken. Hoewel een strakker onderlijfje de bewijslast tijdelijk kan ontkrachten, klinkt na het pleidooi het vonnis toch onverbiddelijk. 50

Opeens word ik geconfronteerd dat ik misschien sterfelijk ben en dat er niet zo veel tijd meer overschiet om oud te worden omdat alle andere mensen opeens allemaal jonger lijken te worden. Op 49 begin ik me er al zelfs op te betrappen liever een dutje te doen dan naar buiten te gaan om er iets leukers te doen. Ik maak me zorgen over wat er nog gaat komen.

Het valt me ook op dat het andere geslacht lang niet meer zo sexy is als vroeger. Toen hun aantrekkelijke lijven nog strak en niet uit proportie oogden. Het rolletje bil valt me opeens op in dezelfde slip die het tot voor kort verborgen hield. Ligt het aan mij of is het mijn persoonlijk cijfer dat mijn zintuigen op een nieuwe manier doet waarnemen? Op een helder moment herinner ik me nog precies wat seks was al ben ik niet meer zeker hoe er met een kans op succes aan te beginnen. Al wil ik dan nog wel een spannende affaire, ik ben niet zeker of ik er de tijd en de energie nog wel voor heb.

De kleine lettertjes maken me argwanend alsof er achter elke boodschap onheil verborgen zit. Al zou het ook gewoon maar kunnen dat door een leesbril de tekst minder noodlottig wordt. Opeens lijkt het alsof ik alles al gedaan heb maar ik me niet meer kan herinneren of ik het leuk vond of niet. Ik moet me gewoonweg ook meer herinneren dan dat ik het gewoon ben. Soms denk ik zelfs dat mijn kinderen al vergeten zijn hoe ik echt ben. Dat er nog wel een kind schuilt in dat omhulsel dat ouder wordt en minder aantrekkelijk oogt. Met een rimpel meer.

Toch ben ik er van overtuigd dat mijn badkamerspiegel niet altijd de waarheid spreekt en dat hij binnenkort zal ontmaskerd worden. Net zoals jullie. En dan hoop ik maar dat jullie jullie verdiende straf niet zullen ontlopen. Dat jullie zich ook in een strakker onderlijfje zullen moeten wringen. Of in een korset met walvisbaleinen. In een vruchteloze opging om er dan net zo sexy te blijven uitzien dan ik.

Een kanten slipje en een pyjamabroek met strepen.

Wat ik al een tijdje vermoedde. Mijn dagen zijn geteld. Ik ben niet meer nodig. Mijn bestaansrecht is bedreigd. Ik ben even overbodig als zonnecrème in de winter. Ik voel me als een beer op de Noordpool.

Voor mijn denkbeeldige ogen loop ik in een lange rechte rij naar een recyclagepark. Voorgegaan en gevolgd door dezelfde nuttelozen. Overtollig en redundant! We slenteren naar een park waar walkmans uit de jaren 80, computers, oude tv’s of cd-spelers gesorteerd en geperst worden tot nieuw, herbruikbaar recyclage-ijzer.

Jarenlang duwde ik de signalen weg. Alsof ze niet bestonden. Alsof het wel allemaal wel zou overwaaien. Sinds vanmorgen mag ik echter mijn ogen niet langer sluiten. Ik moet het onder ogen zien. Ik mag het sein niet negeren.  Dat mijn lot bezegeld is.

Vroeger zat ze mij op te wachten. Met gekookte eitjes en confituur. Ze wachtte geduldig op warme broodjes en koeken van bakkerij Verhelst. Dat waren de beste. Zeker die met krieken of met ingebakken chocolade. En op de krant. Op zaterdag konden we dan lang ontbijten. Zij, in een kanten slipje en een oud T-shirt. Ik in mijn hippe, tot op de draad versleten pyjamabroek met strepen. We hingen dan door tot ver na 12 uur. Met koffie, vers geperst sinaasappelsap en elk ons deel van de weekendkatern. Ik met de neus in sport en de politiek. Zij in de lifestyle- of in de reisbijlage. Halverwege wisselden we dan even om interesse te tonen in wat bij de andere zo lang de aandacht had opgeëist. Kans groot na de 2e lezing dat slipje en die verhakkelde pyjamabroek van ons lijf gleden en nog een paar uur bleven rondslingeren onder de keukentafel.

Toen ik vanmorgen van de bakker binnen viel met dezelfde broodjes en koeken, èn de gazet, viel het me op dat alles opeens anders was. “Ik had al afbakbroodjes in de oven gezet. Is dat geen verspilling? Zoveel koeken?”. De krant bleek ook overbodig want de IPad had al het nieuws al binnen gegooid. De sport en de nieuwe lifestyle. De zacht gekookte eitjes ontbraken. Het slipje ook maar het sinaasappelsap was er wel. In een vierkant tetra pak. De krant bleef onaangeroerd  en een kwartier later spoelde de vaat de kruimels van onze borden proper.

Met heimwee blik ik terug op dat paradijs van vroeger. Toen ik nog voor meer dan 10 dingen het gepaste instrument was. Toen ik op zondagmorgen nog facteur van dienst mocht spelen om een krant te brengen.  Of glazenwasser, die meer aandacht mocht hebben voor de taferelen die zich achter het glas afspeelden dan voor de strepen die zijn zeemvel achterliet. Af en toe werd ik zelfs joystick van een apart X-box-spelletje. Op de keukentafel, als melkboer.

Wij venten doen er niet meer toe. Al langer hoe minder. We worden meer en meer vijfde wiel aan de wagen.

Misschien hebben vrouwen zich gewoon veel beter aangepast aan de moderne wereld dan wij mannen. En lopen we daarom een beetje achterop in onze processie van Echternach. Wij leven immers al beduidend korter dan vrouwen. Is dat geen voorteken?  Een bewijs van onze zwakte? Ons zelfvertrouwen wordt ook meer en meer op de proef gesteld? Zeker nu vrouwen het steeds meer met elkaar beginnen doen. En zelfs manloos moeder worden, zonder onze tussenkomst. Het wordt stilaan ernstig.

Ze spelen het allemaal op hun eentje klaar. Vanzelf. En dan vraag ik me af of ze zich soms schuldig voelen. Omdat ze ogenschijnlijk zelfrijdend door het leven fietsen. Als grote overwinnaar van de oorlog der seksen?

Wij venten daarentegen moeten dringend gereanimeerd worden opdat we niet vervagen. Misschien kunnen vrouwen een handje helpen. Ons af en toe kunstmatig, mond op mond beademen zodat we niet uitsterven en achter glas terecht komen. Achter een vitrine van een of ander museum. Tijdens een expositie van andere, met uitsterven bedreigde diersoorten.

 

Geesten van het verleden.

Persoonlijk zie ik me eerder als iemand die meer vooruit blikt dan achteruit.
Ik probeer vandaag te leven. Met mijn wortels in het nu. Om niet omver geblazen te worden door gisteren.
Dat lijkt me een goede manier. Misschien is dat de juiste tactiek voor mezelf. Om te leren leven met de ervaringen uit het verleden maar met de blik gericht op wat nog moet komen.
Vooruit, met gedachten en energie gericht op de toekomst. Of op straks.

Ik ben soms wel eens nostalgisch. Op die momenten blader ik graag in een oud fotoalbum. Dan komt wel eens een beeld of een geur helder terug op de voorgrond. Maar ik bewaar geen stapels krantenartikels of schoolrapporten. Tenzij op zolder ergens in een vergeelde doos. Maar dan niet om er sentimentele herinneringen in gevangen te houden. Maar omdat ze deel uitmaken van wie ik ooit was.  En opdat mijn kinderen straks ook nog weten wie ik ooit geweest ben wanneer ik het zelf vergeten ben.
Als ik iets 2 jaar niet gebruikt heb gooi ik het doorgaans weg. Om maar te zeggen. Mijn geschiedenis is niet zo belangrijk. Ik ben er niet heel erg mee bezig. Dacht ik. Tot de laatste dagen. Tot deze week.
Deze week was een ongewone week. De stekker werd uit een verleden getrokken. Daardoor kwam ik in contact met een deel van mezelf dat ik vergeten was. Door de gesprekken kwamen herinneringen binnen die me terug brachten naar mijn roots. Of ik het wou of niet. Of ik ze wou zien of niet!
Ik kwam opnieuw op al die plaatsen, bij al die mensen, bij al die geesten uit het verleden.
Ze hielden zich wellicht al die tijd ergens stil verscholen op een plaats mij onbekend. Ergens in een klein donker plekje van mezelf. Maar ze waren er nog. Ze zijn nooit weg geweest.
De laatste dagen werd ik door de gebeurtenissen achteruit geslingerd en door de tijd terug gereisd naar al die plaatsen. Waar ik al was geweest. Lang geleden.

In een boekje bij de dokter las ik ooit. Het leven draait rond in cirkels. Ik zal zeker mijn voorhoofd gefronst hebben en zonder er verder aandacht aan te geven gedacht hebben: “Ja, dat zal wel!”
Maar als het wel zo is, helpt het misschien dat ik voor ik weet waar ik naar toe ga, eerst probeer te achterhalen waar ik al geweest ben.
Dan komt het verleden en de toekomst straks bij de volgende slingerbeweging misschien samen en worden 2 dimensies op mysterieuze wijze terug verenigd.
En dan zal ik de persoon die ik toen was misschien wel herkennen om te beseffen dat ik dat was!