Vader van zijn zoon

Ik ben niet zeker of iemand het opmerkte dat mijn ogen een beetje vochtiger staan te blinken dan anders. Niet dat ik me daarvoor zou schamen moest dat wel het geval zijn omdat ik bijna zeker weet dat de meeste mensen die zich in deze zaal bevinden in min of meerdere mate ook met dezelfde emoties aan het vechten zijn. De jongsten in de menigte zijn of opgelucht of uitgelaten of trots en blij of iets dat zich daar tussenin bevindt al bespeur ik hier en daar wel wat weemoed of spijt omdat ze hier nu een belangrijk tijdperk komen afsluiten. Op sommige plaatsen word ik lichte angst, spanning en onzekerheid gewaar omdat de oudsten van nu straks als nieuwe piepkuikens op ongekend terrein een nieuwe weg zullen moeten zoeken. Sommige uitverkorenen genieten zichtbaar van de aandacht wanneer ze achter het spreekgestoelte mogen plaatsnemen om daar hun zwanenzang voor te dragen, terwijl anderen zich door hun schuchterheid of door hun stuntelige lijf, dat nog niet helemaal in proportie geggroeid is, geen juiste houding weten aan te meten bij dit laatste publieke examen. Opgetut zijn ze wel allemaal. Jonge vrouwen hebben voor de spiegel met elkaar een ingebeelde onderlinge strijd gevoerd, voor het juiste kapsel, voor de hipste jurk of voor de duurste halsketting die ze van hun moeder in bruikleen kregen om aandacht van hun operaspleet af te leiden. De meeste van de jonge mannen weten zich ook niet echt een juiste houding te geven in hun gesteven maatpakken omdat de afgedragen sneakers of de adidaskousen die ze er onder dragen hen net iets te veel van een clown doen weg hebben of misschien is het gewoonweg omdat in die strakke kostuums de afgelopen weken mondelingse examens moesten afleggen. Hier en daar bespeur ik nog een zeldzame puist terwijl sommige onder hen al lopen te pronken met een volle baard of met een borstelige knevel. Op de ingebeelde catwalk defileren ze één voor één naar voren. De ene achter de andere om daar van oudere wijzen met wie ze de afgelopen zes jaar lief en leed gedeeld hebben, kussen en een eerste belangrijke adelbrief in ontvangst te nemen.

“… hebben hun diploma secundair onderwijs richting Latijn-Moderne-Talen behaald.” Met die laatste woorden worden hij en zijn klasmaten door de directeur, met een stem die minstens evenveel trilling vertoonde die van de sprekers van daarstraks, afgezwaaid. De onderdrukte emoties, die door de bewogen toespraken van de jonge schouders waren gevallen, worden door mij allemaal geabsorbeerd. Hoewel ik zelf geen lauweren aan dit meesterwerk verdien, voel ik me een pauw die zijn staart wil tonen maar ik doe het niet omdat hij die pluimen allemaal zelf mag opstrijken, één voor één om ze op zijn eigen hoed te steken. Voor deze grote stap is hij zeker klaar maar wat zijn vader betreft.. ach die zal ook wel goed terecht komen hij is per slot van rekening toch de vader van zijn zoon.

Blaas je bel eens stuk!

Licht geïrriteerd trek ik in twee trekken de vuurkegel van mijn Marlboro light zo heet zoals ik alleen dat kan. In twee halen en in evenveel tellen stook ik het papier en de tabak van mijn sigaret in geen tijd op tot aan de filter. Op dat zelfde moment giet een kalende man van middelbare leeftijd, die op minder dan tien passen van mij verwijderd is, zijn ribbeltjespint met één langgerekte teug en zonder te slikken in één keer naar binnen. De handelingen waar van sprake, hadden zich het afgelopen half uur al vier keer herhaald. Mocht ik ervoor gekozen hebben om op dat moment voor de tv te hangen, hadden deze volstrekt onbelangrijke feiten die zich op donderdagavond omstreeks 9u38 op het buitenterras van een oerdegelijk Vlaams bruin biercafé afspeelden, niet plaatsgevonden. Nu dus wel, zoals elke week trouwens op donderdag want ikzelf en nog een paar andere verstokte rokers staan daar wekelijks. We zuigen daar aan onze sigaret, aan onze sigaar of aan onze met nicotine gevulde elektrische pijp omdat we al een tijdje en meer bepaald, sinds we in de eeuw van de betutteling zijn aanbeland, naar buiten zijn verbannen om daar gezellig rond een hoge ronde partytafel in de rook te hangen. De paria’s van de kroeg moeten namelijk sinds dan buiten paffen. De al vervuilde fijne stoflucht van niet-rokers die binnen blijven zitten, wordt zo niet met nog meer fijn, vuil stof bezoedeld zodat deze er net iets properder kan ingeademd worden. Diegenen met wie ik wekelijks op donderdagavond omstreeks 9u38 mee rond de tafel hang om te paffen, begrijpen dat allemaal omdat ze nadenken en een beetje sociaal normbesef vertonen opdat mensen die toevallig op donderdagavond ook naar dat oervlaams biercafé trekken hun longen er niet per c  met teer, nicotine of met andere schadelijke brol hoeven te vullen omdat wij daar voor kiezen. Zij zullen er op donderdag en vaak op alle andere weekdagen die eindigen op dag wel voor opteren om hun lijven tot aan hun adamsappels vol te gieten met pinten of met andere geest verrijkende drank. Dat is namelijk hun manier om vijftien jaar eerder de pijp aan Maarten te kunnen geven omdat levercirrose en maag- of darmkanker hun uitverkoren terminus is. Wij kiezen met ware doodsverachting in onze blik eerder voor longkanker en dat is ook ons goed recht. Eigen kanker eerst!

Maar het was niet dat grote maatschappelijk thema dat ik hier wil aansnijden. Niet dat ik mij niet aan rook- of drankonverdraagzaamheid stoor maar omdat bubbels bij mij nog meer innerlijke onrust veroorzaken. En voor de duidelijkheid, ik heb het niet over doorzichtige, wiebelende door afwasmiddel geproduceerde balletjes die door de wind mee gedragen worden en waarin regenbogen wonen en die een vlek achterlaten net nadat ze zijn uiteengespat. Ik heb het over verontrustende bubbels waarin we ons allemaal bevinden en waarin we ons terugtrekken om ons te beschermen tegen mensen die in andere bubbels wonen van waar ze naar de wereld kijken. Om van achter glazig vlies te kijken naar een wereld die ze niet meer begrijpen omdat ze zich in hun persoonlijke bubbel enkel nog met gelijkgestemden omringd hebben. Ze zijn beperkt in klankbord en in tegenspraak zodat ze stom worden en afgestompt raken en niets meer kunnen relativeren. Mak en laks omdat ze door het vlies van de bubbel waarin ze zich verschuilen elkaar niet meer horen en elkaar niet meer verstaan. Over die bubbels heb ik het, over de isoleercellen waarin we ons met mensen van dezelfde soort opsluiten en waarin we ons rood van woede kunnen ergeren aan gedrag en aan geroep van anderen of aan de rook- en drinkgewoonten van diegenen die zich in de andere bubbel bevinden. Maar wees op uw hoede want het zijn geen bubbels met regenbogen waarin we ons bevinden. Het zijn betonnen kooien die onze blikken versmallen en onze natuurlijke aard om te ontdekken teniet doen.

 En jij? In welke bubbel zit jij en wanneer blaas jij je bel eens stuk?

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Als de peer rijp is.

De laatste dagen denk ik dikwijls aan die jonge snaak uit mijn gemeente. Midden twintig schat ik hem, ferme kerel, goed van hart en rad van tong. Hij zou zomaar een vriend van mijn zoon kunnen zijn. Vroeger maakte ik er regelmatig een praatje mee, over dingen die zich in het dorp afspeelden, over voetbal of over koers of zo, niet dat ik van beide sporten veel af weet, hij trouwens ook niet maar dat onderwerp praat nu éénmaal gemakkelijk en het sloopt denkbeeldige barrières tussen generaties. De laatste tijd wisselen we niet veel woorden meer met elkaar daar aan de toog van het dorpscafé. Niet dat het leeftijdsverschil de afstand tussen ons plotseling heeft vergroot of omdat er niet meer over voetbal, de koers of over de nakende verkiezingen gepraat wordt maar gewoon omdat hij meestal te zat is. Het meeste van de keren dat ik hem er tref is hij zo ver over zijn theewater dat hij niet meer in staat is woorden in de juiste volgorde te plaatsen. Een gesprek is dan voor ons alle twee zo een opgave dat we het maar zo laten. Ook al zou ik hem veel te vertellen hebben, mocht hij de moed vinden om even te luisteren.

Toen ik vorige week zaterdagmiddag mijn dagelijks noodzakelijk pakje rook ging kopen in de krantenwinkel, die een paar huizen verder verderop een andere soort verslaafde onderhoudt, zag ik hem zitten op het terras van het café, waar we het gewoonlijk over voetbal en de koers hadden. Hij was alleen en zat met lange tanden aan een clubsandwich te knabbelen, zoals hamsters dat doen aan een noot. Hij dronk koffie en dat maakte me voor een of andere reden goed gezind. Zou hij tot inkeer gekomen zijn en zou hij doorhebben dat het op die manier niet verder kon en had hij daarom glazen boterhammen voor echte gewisseld?

Toen ik ‘s avonds na het voetbal in onze stamkroeg met een paar gelijkgestemden nog wat napraatte over de 0-5 pandoering die onze ploeg geslikt had, bleek mijn hoop ijdel. Hij was er ook. De koffie, van eerder op de dag, was overduidelijk geruild voor ander spul. Hij had er zoveel van op dat hij er zielig en hulpeloos uitzag. Stomdronken kraamde hij luide onsamenhangende onzin uit en het kostte hem moeite om op zijn benen te blijven staan. Zijn adem stonk naar braaksel en hij werd door iedereen gemeden alsof hij besmet was met één of ander virus. Sommigen lachten hem uit, goten er nog pinten bij of beschimpten hem, anderen, hoofdzakelijk vrouwen trokken bedenkelijk de ene wenkbrauw hoger op dan de andere. Eventjes ging het door mijn hoofd om naar hem toe te gaan om er op in te praten maar ik deed het niet. Misschien zou hij me bemoeiziek vinden en me beginnen verwijten of voor hetzelfde geld werd hij agressief. Hij strompelde naar buiten en verdween in de nacht. …  Het leek alsof ik naar een film van mezelf keek het haalde me helemaal onderuit.

Ik schrijf dit verhaal niet om te choqueren. Iedereen weet over wie ik het heb want in elke familie leeft eenzelfde hoofdpersonage in een gelijkaardig verhaal, alleen wordt hij of zij in de meeste van de gevallen angstvallig verzwegen, uit schaamte of omdat alcoholmisbruik algemeen aanvaard is. Maar het is niet omdat overdaad gemeen goed is dat het ok is. Het is ook niet zo dat als we er onze ogen voor sluiten, het er niet meer is.

Plezier wordt dikwijls met alcohol en pintelieren geassocieerd. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik ook op die manier en zei ik het ook heel luid en met een hele grote mond, ‘Ik? Een alcoholprobleem? Hoe kan je in Vlaanderen nu een alcoholprobleem hebben als je op elke hoek van de straat pinten kan kopen? Giet ze nog eens vol want het dient niet om te schuren.’

Op het einde van mijn alcoholcarrière stamelde ik ook luid onzin uit en stonk ik ook de hele dag naar gist en zuur.

Het kostte me geen enkele moeite om verslaafd te worden, dat gebeurde gewoon. Langzaam, met een dagje sevvens maar het kostte bloed, zweet en tranen om er vanaf te komen om er dan uiteindelijk achter te komen dat je er nooit helemaal klaar mee bent, tenzij ik die eerste pint laat staan hopelijk doet hij het ook. Ik zal hem er heel hard bij helpen, wanneer zijn peer rijp is en hij het me vraagt!

Creatief vertraagd.

Na elke nieuwe, volgeschreven lege bladzijde wacht een volgende lege bladzijde. Het witte blad dat me aanstaart zou angstaanjagend kunnen zijn, mocht ik de ambitie hebben om het helemaal vol te schrijven.  Dat lukt soms niet omdat mijn innerlijke criticus me het zwijgen oplegt en zijn rode pen al schrapt wat nog niet is opgeschreven. Op zo’n momenten komt er niets, ben ik creatief vertraagd en vind ik geen inspiratie om een fris of puntig verhaaltje te verzinnen. De juiste hersengolf wil dan niet rollen. Dat overkomt me meestal wanneer ik niet met schrijven kan beginnen omdat het alledaagse leven in de weg zit, omdat ik sociale verplichtingen heb of omdat het gezinsleven me tot andere verplichtingen dwingt. Of wanneer ik te veel tijd en massa’s ideeën heb, dat valt ook voor. Dan heb ik zoveel ingevingen dat ik er ook niet in slaag om er één uit te kiezen en er passende zinnen of een juiste wending bij te verzinnen. Misschien schrijf ik wel het beste op momenten dat van mij verwacht wordt dat ik me met nuttigere dingen bezighoud om dan vast te stellen dat op momenten dat ik er wel tijd voor heb, er niets meer is. Niet productief zijn, is dan de schuld van ‘writers-block’, een aandoening die trouwens niet lijkt te bestaan bij mensen met meer alledaagse vrijetijdsbezigheden. Vissers of voetballers hebben namelijk nooit last van een ‘vissers-block’ of een ‘voetballers-block’, al blijft hun ego wel overeind staan als ze er voor de ene of de andere reden niet toe komen er hun tijd aan te besteden.

Meestal echter vindt de creativiteit mij wel, zelfs op momenten wanneer ik het gevoel heb dat ik haar helemaal uit het oog verloren ben. Als ik mezelf dan opsluit en vastketen in mijn gedachten, lijkt de wereld van buiten beter binnen te komen. Fijne details of een op het eerste zicht overbodig feit wordt dan met bezieling in mijn hoofd ingekleurd tot een zotte kronkel of een uitgesponnen anekdote. Op die momenten vergeet ik perfectie en productie en schrijft mijn pen bijna automatisch bladzijden vol met zinnige en onzinnige dingen of over uitgesproken mensen die me opvielen. Ik laat dat graag gebeuren. Wanneer ik er dan zonder verwachtingen aan begin en ik de ambitie kan laten varen om mezelf te overtreffen gebeurt de magie haast vanzelf maar nooit wanneer ik er als een bezetene naar streef. En dan denk ik, ik kan mezelf niet uit een ‘writers-block’ denken, ik kan me er alleen maar uit schrijven en misschien is schrijven over een ‘writers-block’ wel honderd keer beter dan helemaal niets te schrijven.

%d bloggers liken dit: