Permanent bezoek.

Somtijds heb ik zin om me helemaal van de wereld te zuipen? Kent ge dat? Ge moet niet te vals beschaamd zijn, we zijn onder ons. Tegen mij moogt ge dat vertellen.  Ik zal het wel voor mijn eigen houden. Ah, ge kent dat niet? Dat is goed voor u want dan moet ge u er ook geen zorgen over maken. Bij mij, maar ik spreek alleen maar voor mijn eigen rekening, komt het wel voor. Niet dat ik weet waardoor het precies komt, maar het komt gewoon. Dan stap ik uit mijn bed en voel ik het direct. Dit wordt een nutteloze maar een levensgevaarlijke dag. Vorige week had ik het zitten. Zaterdag, mijn agenda was vol geschreven met interessante afspraken met nog interessantere mensen maar ik voelde aan elke vezel in mijn lijf dat het niks ging worden.

‘Sta op, neem een douche, verman u en doe wat ge moet doen’, commandeerde ik mezelf.

‘Een glas witte wijn zou er wil in gaan’, zegt een andere stem.

Waarschijnlijk hebt ge dat ook niet? Dat ge op momenten het gevoel hebt dat er buiten uw vrouw en uw kinderen nog iemand bij u woont. Een rare snuiter die dan altijd het tegenovergestelde influistert van wat ge op dat moment wilt doen of moet doen. Een persoon, aan wie ge eigenlijk nog nooit formeel bent voorgesteld maar die zich steeds met uw zaak komt moeien. Soms zit hij maandenlang ongemerkt in een hoekje van mijn ziel waar hij in alle stilte boekjes leest van Hugo Claus of van Boon of zo en dan heb ik daar geen last van maar ineens op een niet te voorspellen moment, komt hij voor de pinnen. Dan wordt hij actiever en begint hij zich overal, ergerlijk mee te moeien.  Met zaken waar hij geen uitstaan mee heeft.

Met dezelfde radeloze energie van een gids die een hoop luidruchtige Japanners probeert tond te leiden in Brugge, zeg ik dan tegen mezelf, ‘Spring in uw auto en rijdt naar uw afspraak.’ Maar op een rare manier springt de andere dan achter het stuur, rijdt linksaf terwijl ik naar rechts moet.

‘Langs die kant komen we er ook wel’, zeg ik in een vruchteloze poging om de andere te provoceren.

‘Hier, kijk rechts, café Belle-vue. Daar hebben ze toch ook witte wijn of uwe favoriete rosé?’

Nog vooraleer ik ‘Rij door’, kon zeggen, was de auto al geparkeerd en stond ik op het voetpad, voor de deur van mijn favoriet cafeetje.

‘Ik ga niet binnen’, protesteerde ik maar de andere zat al aan de toog zodat ik geen andere keuze had dan mee naar binnen te gaan. Op een vervelende manierzijn we onafscheidelijk zodat we altijd tot elkaars gezelschap zullen veroordeeld blijven.

De barman, is nieuw want ik heb hem nog nooit gezien. Hij oogt wat vreemd en dromerig of verdoofd alsof hij in een vorig leven iets belangrijks vergeten is. Of misschien biedt hij ook gewoon onderdak aan iemand aan wie hij nog niet formeel werd voorgesteld en die hem influistert dat een lijntje nu ook wel vanpas zou komen.

‘Wat gaan we drinken? Rosé of Wit?’ ‘Gij gaat hier geen wijn bestellen. Ik wil koffie, gewoon koffie’, zei ik streng tegen mezelf en tegen de andere want nu toegeven is dansen met de duivel.  Koffie dus want ik kan niet dansen en waag het niet om…’

‘Wat wilt ge drinken, meneer’, vroeg de zweverige garçon geheimzinnig alsof hij instinctief aanvoelde dat er nog overleg plaatsvond over de te maken drankkeuze.

Nog voor ik, ‘koffie’ kon zeggen riep de andere ‘Rosé’. Ik werd woest. ‘Dit is geen manier van doen, ik wil geen wijn. Ik wou koffie maar gij moet weer voor uw beurt spreken. Zoals altijd.  Kunt gij niet gewoon weggaan of zo, naar ergens anders?’

‘Wijn voor twaalf uur s’ middags, uw leven is naar de klote makker’, zeg ik tegen mezelf.

‘Ge kunt nog altijd veranderen he’, zei de andere die veel te zeker van zijn zaak klonk om er nog langer weerstand tegen te bieden.

‘Wat krijgen we nu? Terug aan de wijntjes?’, vroeg een vertrouwdere stem die de Rosé voor mijn neus zette. ‘Dag Heidi, neen neen dat moet een vergissing zijn van uwe nieuwe garçon. Neem die maar terug en geef mij maar mijn vertrouwde koffie, en doe er in plaats van een koekje maar één van die pralines bij. Een van die witte, van onderaan uit de kast.’

‘Aan die chocolade kunt gij toch niet weerstaan he’, zei Heidi.

Ze moest eens weten.

Het eerste glas

Verslaafd? Daar ben je helemaal zelf de oorzaak van. Daar ben je echt altijd zelf verantwoordelijk voor. Zo denken mensen dikwijls. Zo was het ook bij mij en dan zeiden ze: ‘Drink eens iets anders.’ ‘Drink eens iets goeds maar niet zo veel’. Hoe vaak heb ik die zinnen niet gehoord? Ze galmen nog na. Wanneer ik er op terug denk hoe het ooit geweest is. ‘Moet dit nu? Kan je nu echt niet eens zonder?’ ‘Jij kent echt geen maat.’

Hoewel ik van nature heel begaan ben met mensen en ik eigenlijk altijd en voor iedereen het beste wil, kon ik nooit weerstaan. Ik kon het niet waarmaken om op dat gebied niet teleur te stellen. Telkens en opnieuw ontgoochelde ik diegenen die het dichtste bij me stonden. Niet omdat ik zwak was of omdat ik de gevolgen van mijn overdadig gezuip niet doorzag. Mijn kwelduivel was gewoonweg zoveel sterker dan ik. Op het einde had hij me helemaal in zijn greep. Ik was verslaafd en afhankelijk.

Lang dacht ik dat ik het gevecht tegen de ‘duvel’ kon winnen, dat was een grote misrekening. Als je tegenstander te sterk is, blijf je beter uit de boksring. De strijd werd maar pas een overwinning toen ik stopte met vechten, helemaal capituleerde en hulp vond tijdens de wekelijkse groepsgesprekken.

Niemand die er ooit vijf minuten bij stilstaat dat verslaafd zijn, een stoornis zou kunnen zijn. Een soort van onweerstaanbare drang die elk redelijk gedrag in de weg staat en alle ratio wegspoelt. Verslaafden worden nogal gemakkelijk als zwak aanzien of als mensen zonder karakter. Maar is dat wel zo? Zijn verslaafden armtierige sukkels zonder ruggengraat? Kiezen zij wel uit vrije wil voor het leven dat ze lei(ij)den? Persoonlijk denk ik van niet. Ik probeer het uit te leggen. Soms lukte stoppen wel. Als ik er niet aan begon of wanneer externe factoren mij er toe verplichtten. Bij een ziekte of zo of wanneer ik na lang aandringen wou bewijzen dat ik wel één nacht bob kon zijn. Om te imponeren of om aan mijn omgeving te bewijzen dat ik geen probleem had en dat ik wel kon stoppen als ik het echt wou. Zo lang ik me niet liet verleiden door het eerste glas, kwam er geen tweede, geen derde en bleef het hek op de dam. Het werd pas problematisch eens ik er aan begon en het duidelijk werd dat ik geen remmen had. Maar dat inzicht had ik niet toen ik dronk. Dat kwam pas veel later. Toen mijn emoties, gedachten en plannen niet meer bezoedeld werden door de verslavende promilles. Toen pas ben ik beginnen inzien en beginnen aanvaarden dat mijn alcoholisme niets meer was dan en ziekte die me te beurt gevallen was. Ik ben van mening dat mensen verslavingen meestal opdoen in periodes dat het niet goed gaat. Dat er iets gebeurt waardoor de slinger overslaat. Verlies, tegenslag, ziekte, trauma’s, psychisch leed, minderwaardigheidsgevoelens, een ongeval, onzekerheid, faalangst of een laag zelfbeeld of een combinatie van die dingen liggen vaak aan de oorzaak van excessief gebruik. Al kan het gewoon ook zijn dat je te lang en te intens bloot gesteld bent geweest aan alcohol. In mijn situatie was dat het geval. Alcohol was door omstandigheden te lang een onderdeel geworden van mijn dagelijks dieet. Misschien kreeg ik het al binnen met de moederborst, misschien ben ik veel te vroeg gaan drinken, het doet er niet toe. Het glas na het werk was een gewoonte geworden. Dat glas werd een fles en die fles werd een krat. Af en toe werd dagelijks. Dagelijks werd van s’ morgens tot s’ avonds. Het hek was van de dam. Ik was verslaafd en afhankelijk maar was het een bewuste keuze?

Mensen die niet weten wat het betekent om verslaafd te zijn, hoor ik vaak neerbuigend zeggen: ‘Ik heb toch ook problemen. Ik heb toch ook erge dingen meegemaakt. Ik heb het toch niet op het drinken gezet.’ Ik vertel dan soms volgende anekdote. Twee broers, samen een eeneiige tweeling, groeien op onder hetzelfde dak, krijgen dezelfde moederborst, gaan naar dezelfde school en hebben dezelfde vrienden. Ze worden groot in dezelfde omgevingsfactoren en hebben een nagenoeg een identieke genetische belasting. Toch ontwikkelt de ene rond zijn 20ste een ernstige verslaving en de andere niet. Hoe kan dat verklaard worden?

Het is volgens mij niet doorslaggevend wat je meemaakt. Het is de manier hoe je persoonlijk reageert op veranderende omstandigheden of dingen die gebeuren en die reactie is voor elk individu anders. Waarom is mijn drankgebruik uit de hand gelopen? Was het mijn temperament en mijn impulsiviteit dat me verslavingskwetsbaar maakte. Was het mijn drang naar nieuwigheid of mijn wisselend humeur en stemmingswissels dat me gevoeliger maakte? Heb ik door mijn overmatig gebruik mijn hersenactiviteit verstoord waardoor natuurlijke beloningssysteem om zeep raakte en mijn automatische remmen niet meer functioneerden. En ben ik daardoor alsmaar meer gaan drinken? Ik zoek niet meer naar antwoorden omdat ze me persoonlijk niet vooruit helpen. Ik weet wel dat ik sinds ik niet meer drink opnieuw kan nadenken terwijl ik me vroeger soms s’ avonds niet meer goed kon herinneren wat ik s’ middags gegeten had. Ik voel dat ik gevoeliger wandel door deze stage van het leven maar dat ik veel minder onderhevig ben aan oncontroleerbare emoties. Ik kan opnieuw plannen maken en sta hoopvol met beide voeten op de grond.

Verslaafd zijn is geen bewuste keuze. Het is een ziekte. Een verstoring van mijn vermogen tot zelfsturing. Tegen deze levensbedreigende ziekte is voor mij maar één remedie.  Ik moet het eerste glas laten staan.

Uitgesteld relais

Dit is een kerstkaart met heel veel vertraging en een nieuwjaarswens met maar een klein beetje retard.

Ten eerste heel erg bedankt dat je hier in mijn postclubje zit en dat je af en toe een verhaaltje oppikt. Het is telkens leuk om te ervaren dat een paar kromme woorden of een koppel scheve gedachten tot een frons of een glimlach kunnen leiden. Daar fleur ik helemaal van op. Noem het maar ijdelheid of snobisme. Doe gerust, ik zeg dat daar ook tegen!

Het is misschienwat ‘old school’ om een nieuwjaarsbrief te sturen maar ik houd ervan om het opdeze manier en persoonlijk te doen dan lees je het als je er de tijd voor hebt,of niet als je het niet wil.

Een nieuwjaarsbriefzou bij voorkeur een terugblik op het afgelopen jaar moeten bevatten en diekomt er ook maar eerst wil ik al zeggen dat ik het nog altijd graag doe en datik er nog even mee doorga.  Ik wil zolang mijn wekelijkse portie zin en onzin uit mijn inktpot blijven schudden, totik er geen goesting meer in heb. Tot de lichtheid van mijn bestaan zo zwaar zalbeginnen doorwegen dat ik er geen woorden meer wil aan verspillen. Maar zo verben ik nog niet. Dat zal nog niet voor morgen zijn. Niet vooraleer ik dekelders en de zolders van mijn brein heb leeg gehaald en ze hier heb uitgeschud.Als de wind goed zit, of als de zomer en het mooie weer samenvalt zit ermogelijks zelfs een tweede boek in. Als de sterren juist staan. Ik kijk er al naaruit.

Dat brengt me naadloos tot 2018. Om er een paar tellen bij stil te staan en er even op terug te kijken. 2018 heeft me verbaasd. Nadat ik onze pa verloor en daarmee een stukje van mezelf, kwam ik er ongevraagd achter dat je het leven niet kan berekenen. Emoties zijn niet te controleren of te beheersen, anders heetten ze fysica of chemie en ik ben geen wetenschapper. Eerder een troubadour of zo, of een verhalenboer van vertelsels waar niemand zit op te wachten. Het duurde even voor rouw en treurnis baan kon ruimen voor herinneringen. Sterke herinneringen en scherpe beelden die me opnieuw deden glimlachen. Ik schreef er al over. Je weet het al.

Ik ben hetblijven doen, hoe ik me ook voelde. En met schrijven verdween het gepieker. Ikheb niet veel nodig om me te ergeren aan de wereld. Ik kwam er achter dat doordie ergernis, ik me nog meer ging martelen. Ik ging inzien dat ongenoegen eenperfecte voedingsbodem is voor nog meer wervel en ander misnoegen. Ergenshalverwege ben ik er mee gestopt. Ik heb me afgezonderd van het onheil. Het heeftmij deugd gedaan. Ik kwam tot inzicht dat ik ongelooflijk veel geluk heb en dathet voor het oprapen ligt, vlak voor mijn voeten, als ik maar de moeite neem omhet te zien liggen. Mijn vrouw, mijn kinderen, mijn huis en mijn zetel waar ikhet liefst van al languit in lig. En dan ben ik soms beschaamd dat ik hetaandurf om neerslachtig te zijn.

In januari mochtik op you tube getuigen hoe het voelt om weer baas te zijn, over het leven datik leid en over duivels die ik bezweer. Meer dan negenduizend mensen luisterdennaar wat ik te vertellen had. Tot dan wist ik niet eens dat ik iets tevertellen had. Het zou een vreemd jaar worden.

In februari wasik in Leuven in café de l’ industrie. Het was een uitzonderlijke ervaring om daarte vernemen dat twee wildvreemde mensen die toevallig een uitgeverij draaiendehouden een boek wilden drukken, over dingen die ik geschreven had. Toen ik dat kladboekvoor de eerste keer kon vastnemen was ik tegelijk fier als een weekluis enbevreesd als een wezel. Er moest nog geschrapt en verbeterd worden enbijgeschreven. Ik kwam er achter dat een boek als een kind is dat zijn eigenweg gaat.  Dat het nooit af is maar dat hetgoed genoeg bevonden was en dat een punt of komma meer of minder, het nietbeter of slechter zou maken.

In juni mocht iker over praten. Bij de introductie kreeg ik al wat vegen uit de pan van MarcHenderickx, die het niet kon laten intieme details van mijn jeugd teontluisteren. Net na de voorstelling, waar Roos Van Acker me uit het slijk hadgetrokken, zodat ik niet wegzonk, vroeg een journalist me hoe het boek totstand gekomen was. Door het slijk dat nog aan mijn hemd kleefde voelde ik meeen uitgeputte veldrijder die alleen maar kon prevelen: ‘Omdat ik goei benenhad.’

In 2018 is erheel wat gebeurd. Op de boekenbeurs en op signeersessies leerde ik naast kookboekschrijversook vele andere auteurs kennen, van straffe boeken en van nog moedigereverhalen. Dat blijken dezelfde mensen te zijn zoals u en ik. Mensen metdezelfde droom en met dezelfde angsten en zenuwen. Met dezelfde vragen en twijfelsen met dezelfde geveinsde zelfzekerheid. Maar met dat verschil dat ze allemaalde schaamte en de vrees overwonnen, om drempels te nemen. Om hun waarheid tevertellen en er in eigen taal voor uit te komen. Om in sierlijke woorden tevertellen wat zij er van vinden zonder zich te laten beïnvloeden door wat degrote massa wil of denkt.

Met jegoedvinden wil ik dat in 2019 ook nog doen. Als je dat ok vindt tenminste en als je het niet leuk vindt, ga ik er geenslaap voor laten. Dat doe ik alleen om eigenwijze verhaaltjes te verzinnen. Endan hoop ik dat je curieus geworden bent naar wat er in 2019 in dat tweedeboekje zal staan.

Topjaar

Het is 29 december 2018. Op de analoge wereldklok van mijn gsm verspringt de secondewijzer precies om 6 uur 19, van 23 naar 24. Hoewel ik me volgens de gps coördinaten van mij Smart Phone, in de grootheide 28 te Bornem bevind, verklapt datzelfde toestel me ongevraagd dat het in Temse (dat 5km verwijderd is van de plaats waar ik me bevind) plus vier graden is. Dat de luchtvochtigheid er 95% is, dat wind er aan 19 km per uur blaast en dat de atmosferische luchtdruk er 1034,2 hectopascal bedraagt. Dit is 49.6 punten lager dan in Bornem waar de luchtdruk 984, 6 hectopascal is. Ik wijt dat verschil aan het Scheldewater dat tussen de twee meetpunten stroomt.  

Op dat zelfde moment zit een zeldzame mug, die de eerste vrieskou overleefde, op de wreef van de voet van mijn dochter. Ze prikt haar puntige snuit in het jonge vel en zuigt zich helemaal vol bloed tot ze voldaan is. De mug zuigt zo gulzig dat het lichaamsgewicht van het insect met 80% is toegenomen en de vluchtsnelheid met 50% is afgenomen. Onder andere daardoor zal straks van die muskiet niets meer overblijven dan een rode vlek. Wanneer mijn dochter haar met de handpalm genadeloos plat zal slaan tegen de wit gelakte kleerkast. Uit wraak voor die irritant jeukende bobbel op haar voet. Vermijden dat de mug steekt, gaat niet omdat mijn dochter op het steekmoment nog slaapt en een nachtmerrie heeft over haar eerste veranderingen die eveneens een rood vlekje zullen achter laten in haar nieuwe slaapshortje. Het ene bloedbad is het andere niet.

Tegelijkertijd is mijn vrouw, die zich snurkend twee verdiepingen hoger bevindt, bomen aan het omzagen. Over exact 40 minuten en 36 seconden zal ze daar abrupt mee stoppen en zal ze het dekbed over haar hoofd trekken. Niet om zich af te weren voor die zoemende mug want die zal op dat moment, door het bloed van mijn dochter, te veel wegen om de afstand tussen de twee verdiepingen te kunnen overbruggen. Maar wel voor de wekker die nog op alarmstand staat en hels lawaai zal maken. Ze zal te slaapdronken zijn om de off-knop te vinden en zal daarom de wekker op de vloer gooien. Hierdoor zullen de batterijen uit de wekker floepen en zal het irritant gejengel even abrupt ophouden als dat het begonnen is. Het slechte humeur zal zich de hele dag laten voelen en zal dompers zetten op normale vreugde. Maar eerst zal ze me geïrriteerd vragen waarom ik in hemelsnaam een alarm gezet heb op een zaterdagmorgen.

Al deze taferelen en de gevolgen ervan zullen plaats hebben over precies 8 minuten en 32 seconden.

Ik lig op de sofa en van achter mijn laptop kijk naar de mistige vochtigheid buiten. Het is al een hele poos geleden dat ik nog zo lang naar een wit blad gestaard heb. Ik maak koffie en scheur het derde laatste blaadje van de kalender.

‘Draait de kat haar rug naar het vuur, komt daar sneeuw van op den duur.’ Ik lees de achterkant van negenentwintig december en bedenk: ‘Wat moet ik daar nu mee? Ik heb geen vuur en geen kat.’  Daarom ga ik naar beneden. Naar de kamer van mijn dochter, om de mug die nog niet gestoken heeft, plat te meppen.  Aangezien al het bloed nog in de aders van mijn dochter zit, laat dit geweld geen bloedsporen achter op de wit gelakte kast.

Een aantal ogenblikken later en nadat ik het alarm van de wekker heb afgezet begin ik de voordelen te zien om door het leven te gaan als superman. Ik heb er vandaag al zeker één en mogelijks meer bloedbaden mee kunnen voorkomen maar al zeker heel wat andere persoonlijke ellende.

2018 wordt toch nog een topjaar!

Slaaptrein

Op de grote kubus die dienst doet als nachttafel, staat een klokwekker naast de nachtlamp. Hij lijkt me met zijn felle rode cijfers spottend te begluren. Alsof hij me hypnotiseert en me zo tot ongecontroleerde nutteloze gedachten dwingt. Ik probeer de verspringende nummertjes te negeren maar het gaat niet. Elke minuut zie ik passeren. In mijn hoofd malen scenario’s. Ze gaan over niets, maar het is pas wanneer niets zich ontrafelt tot oneindig spingaren dat dit ontaardt in het einde van mijn wereld.

Over één minuut is het precies vier uur. Ik heb nog niet geslapen. Telkens ik er dreig van tussen te vallen en er zich mogelijks voorzichtig een droom aankondigt, springt er vanuit het duister onheil binnen. Dwingend en oncontroleerbaar. Hoewel ik op dit moment over het beste alibi beschik, om van elke kronkel een wereldprobleem te maken, kwel ik mezelf toch alleen maar met mijn eigen onbenullige perikelen.

Het moet twaalf uur geweest zijn. Hoogstens half één. Hoewel ik dan eigenlijk al te moe was om mijn slaap nog veel langer uit te stellen, heb ik mijn slaaptrein toch laten passeren. Op mijn perron hoefde hij nog niet te stoppen. Ik zou wel aansluiten bij de volgende slaapprocessie. Temeer omdat zij ook nog geen aanstalten maakte om onmiddellijk al de dag voor de nacht te willen ruilen maar ook omdat ik het romantische plan in gedachten had om er samen met haar tussen te kruipen. Voor erotiek en intimiteit kan ik immers dagen wakker blijven. Seks hoeft daar niet altijd van te komen al zal ik wel ridderlijk toegeven dat ik daar nog nooit paskaarten op heb ingezet. Toen echter, een half uurtje later, mijn voorzichtig voornemen, om vel tegen vel de nacht te verwelkomen, werd weg gegeeuwd, bleef ik klaarwakker liggen. Alle slaaptreinen waren ondertussen richting dromenland vertrokken. De laatste zag ik ook nog voor mijn neus vertrekken.

Twee uur lang al lig ik in de nacht te staren. Eerst op mijn rug dan op mijn zij. Eerst op mijn linker dan op mijn rechter. Met en zonder kussen tussen mijn knieën. Wanneer zal het nu eindelijk lukken? Als ik de achterflap van het dekbed dat opgespannen zit onder de matras heb los getrokken? Zodat mijn voeten ontbloot worden en de hitte kan ontsnappen? Of wanneer ik het dakraam heb open gezet zodat alle gedachten die de rust verstoren geruisloos kunnen ontkomen? Ik blijf draaien en keren en woel me verder klaarwakker. Koudere voeten helpen niet.

Even overweeg ik op te staan maar doe het niet. Tegen beter weten in wacht ik maar gewoon verder af tot ik het niet meer hoef te doen. Misschien begin ik wel een hulplijn of ga ik van start met een nachtelijke praatgroep. Zodat we tijdens ons verstoord slaapritueel elkaar kunnen uitlachen met verhaaltjes waarmee we elkaar in slaap praten.

%d bloggers liken dit: