Toen ik nog een zatterik was en zoop gelijk een Tempelier, bleef ik meestal veel langer plakken dan nodig was of dat ik me had voorgenomen. Aan een of andere toog brabbelde ik dan luid, grote woorden alsof ze het evangelie waren. Ik bleef dat zelfs doen als niemand meer luisterde. Mijn verzopen waarheid en ik, het was een complexe relatie die niks voorstelde. Ze had geen betekenis.
Ik ken ze allemaal, natuurlijk ken ik ze, de cafés waar in de winter de ramen aandampen en waar de tijd geen haast heeft. Hoe kon ik weten dat helderheid van geest een plaats kan hebben in het donker van de nacht. Ik was nooit helder. Ik had alleen de nacht die ik kende en dat was er een van overdaad, roes en vluchten.
Als ik vandaag ergens binnenkom, wat ik niet dikwijls meer doe, spreek ik zachter, met minder grote woorden want het leven leerde me dat ongemakkelijke stilte, niet draaglijker wordt naarmate je die opvult met lawaai uit een glas of een fles. Nu zet ik gewoon een stoel bij of neem een kruk die vrij is. Ik luister, ik observeer. Stoppen met drinken maakte me niet noodzakelijk slimmer of dommer, wel alerter. Ik werd een zwijger, een waarnemer die details van gesprekken onthoudt terwijl ik vroeger alles vergat. Zelfs wie ik was.
De meeste avonden begonnen wel als een gesprek maar eindigden dikwijls met een biecht vol zelfbeklag. Drinkebroers van toen leken misschien vrienden, het waren gewoon vreemden die hun hand op mijn schouder legden alsof ze me al jaren kenden. Dat deden ze niet. Niemand kende me. Ik meende dat mijn dagelijkse drinkgewoonte waarde had terwijl ik gewoon drank met vriendschap en verbinding verwarde. Het was geen van beide.
Zelfs in dat gezelschap en met mijn dagelijkse roes trok dat angstige zelfbeeld zich nooit terug, toch niet helemaal, maar wel genoeg om te kunnen doen alsof ze dat wel deed.
Niemand vroeg iets op voorhand. Niet hoe het ging. Niet wat ik dronk. Dat was voor niemand een geheim. Gebroken beloftes had ik in overvloed maar de verklaring waarom ik ze telkens brak, had ik niet. Op het einde van de avond betaalde ik niet voor het eerste glas, niet voor het tweede en ook niet voor de routine van mijn drinken. De echte rekening werd pas gepresenteerd toen ik niet meer wist waarvoor ik dronk.
Samen met mij zag ik anderen struikelen. Sommige waren scherpe geesten, anderen zachte zielen, sukkelaars eigenlijk, net als ik. Eén ding hadden we gemeen. Allemaal dachten we dat we controle hadden. En dat is misschien zijn grootste gave, want drank deed me geloven dat het allemaal een keuze was, dat het een deel van mezelf was en dat het allemaal in mijn karakter verborgen zat met nieuwsgierigheid naar mijn grenzen. Ik was ze al lang kwijt.
Na twaalf jaar zonder roes weet ik dat je met stoppen niets kan forceren. Het leven wordt niet ineens draaglijk of gemakkelijk. Of voorspelbaar. Het enige wat je kan doen is geduldig afwachten. En als je dan eindelijk stilstaat en omkijkt, zie je dat die weg achter je, hoe moeilijk hij ook was, volledig door jezelf is aangelegd.
Dat is veel om vandaag dankbaar voor te zijn.
