Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.
Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.
Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.
Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.
Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.
Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.
Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.” Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”
Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.
Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.
En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.
Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.
