Er zijn dagen die vanzelf verdwijnen. Als je even omkijkt, zijn ze er niet meer. Deze dag moet nog beginnen, dus ik sta op, drink koffie, rook een sigaret aan de vijver en kijk naar het gazon. Hij ligt er schraal bij, met kale plekken die eruitzien alsof er nooit iets heeft gegroeid. Veel meer is er niet. En toch, ik ben wakkerder dan ooit. Ik adem en voel dat ik leef, zonder dat er iets moet gebeuren.
Mijn laptop ligt op de tafel, op zijn vaste plaats, precies waar hij hoort te liggen. Ik raak hem aan, klap hem open en kijk naar het witte scherm, onschuldig en stil. Ik klap hem weer dicht, schuif hem opzij en doe niets. Het is een dagelijkse beweging geworden, bijna een ritueel. Zoals ik soms ook nog oud visgerei schoonmaak dat ik al jaren niet meer gebruik. Maar het weggooien zou ook aanvoelen als een soort verraad aan het loze vissertje dat ik ooit was.
Er is geen gevoel van schuld want niets is dringend. Geen haast, er is alleen die zachte, volstrekt neutrale stilte. Het is geen matte leegte die zuigt of een sluimerende zwaarte die drukt, eerder een onbelangrijke afwezigheid. Het is als de lucht vlak vóór de regen, wanneer alles even stilvalt en de bomen in mijn hof hun adem inhouden. Dat moment waarop mijn gazon weet dat hij regen krijgt, alleen nog niet wanneer.
Schrijven heeft me zeker geholpen. Het maakte dingen helderder. Wat te groot was om vast te houden in mijn hoofd, werd kleiner op papier. Alles kreeg een vorm, verhoudingen en grenzen. Maar nu is er al een tijdje niets meer om te verkleinen of te begrenzen. Er woedt geen storm en het is geen oorlog in mijn hoofd. Er zijn geen gedachten die schreeuwen om aandacht. Wat overblijft is de zachte leegte van deze kamer alsof er net iemand is opgestaan en is vertrokken. De geur hangt er nog en de indruk zit nog in het kussen van mijn grijze sofa, als een laatste herinnering die weigert mee te vertrekken.
Ik denk aan verhalen, aan gezichten van mensen die ooit belangrijk waren. Ze vervagen en doen dat op dezelfde manier als de dag die vanzelf verdwijnt, heel langzaam. Wat blijft zijn de details, de toon van hun stem, de onhandige gebaren, de manier waarop ze mijn naam uitspraken. Niet de drama’s, niet de scherpe randen. Wel de vluchtige, belangrijke momenten die blijven hangen als stof in een zonnestraal. Ik denk aan plekken waar de zomer ooit sprak maar de zon ook traag stierf. Ik denk eraan, maar schrijf niets.
Toen het nog stormde in mij en de gedachten zich opstapelden tot iets dat veel groter was dan mezelf, hielpen woorden. Ze waren mijn zandzakken tegen de gedachten die overstroomden. Ze maakten het draaglijk, lichter. Ze reduceerden de chaos en maakten hem kleiner. Nu is er niets dat verkleind of verlicht moet worden. Wat betekent het als ik even niks te verwerken heb? Is dat rust of is het gewoon leegte met een strik errond?
Ik blader door oude boeken. Titels waarvan ik het einde al ken. Ik blader verder want ergens zit iets troostends in het voorspelbare. Ik word vanzelf rustig als woorden en zinnen zich herkenbaar gedragen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik herken mezelf in hun ritme denk ik. Soms is dat genoeg.
Mijn gazon ziet er niet uit. Stukken ervan lijken wel braak te liggen, met dorre plekken en hier en daar wat koppige pisbloemen. Zoals elk jaar opnieuw rond deze tijd. Maar ik weet dat er iets gebeurt. Iets zit te kiemen, iets zit te wachten. En geduldig wachten is geen leegte, dat weet ik ondertussen beter dan wie ook. Misschien is dit geen schrijfstilstand, maar is het een soort van tussenruimte, een verbindende witruimte tussen twee paragrafen zoals mijn gazon die rust neemt, maar nog niet dood is.
Ik zal weer schrijven. Ja zeker, maar niet vandaag. Misschien morgen, misschien over een jaar. En misschien doe ik het zelfs pas als de stilte me niet meer kan troosten en ze me opnieuw langzaam begint te kwellen, zoals woorden niet willen blijven liggen en opnieuw naar boven willen kruipen.
Tot dan ben ik hier. Op mijn braakland. In rust. In de leegte die geen vijand meer is.
En dat is genoeg.
