Geen dag van dertien in een dozijn!

Dertien, een getal dat vroeger nauwelijks betekenis had. Tijd en dagen kwamen gewoon voorbij. Ze waren even vloeibaar als wijn en het bier in mijn glas, ik telde ze niet.  Het bier en de wijn, even koud als mijn hart, het glas in mijn hand, net zo zwaar als mijn gemoed. Ik dronk om te vergeten, om niet te voelen, om de voortdurende ruis in mijn hoofd te dempen. Op het einde dronk ik om te vergeten dat ik leefde en sliep om te vergeten dat ik dronk. Ik had geen plan om te stoppen.

Op dertien maart, 2013 sneeuwde het hevig. Het was geen dag van dertien in een dozijn. De wegen waren verraderlijk glad. Wat moest gebeuren, gebeurde. Ik gleed uit en brak mijn knie. Daar lag ik, roerloos op een ijskoude parking. Een zielige man zonder richting, geveld in de sneeuw die alles bedekte, zoals drank dat jaren met mij had gedaan.

De maanden nadien werden mijn hel op aarde. Toen een week na die val mijn schouder het begaf, kromp mijn wereld in elkaar tot de vier muren van mijn living, met zelfbeklag als enige gezel. Mijn alcoholmisbruik ontspoorde totaal. Glas na glas, dag na dag, van s’ morgens tot s’ avonds. De drank verdoofde de pijn van mijn knie en schouder, maar niet de leegte in mijn kop. Buiten draaide de wereld door en ik draaide nog harder door!

Mijn knie genas, ik niet. Ochtenden begonnen met een kater.  Avonden eindigden in eenzame duisternis, soms in bed, soms op de zetel. Op een dag keek ik in een glas en zag niets meer, geen bodem, geen licht, geen uitweg, alleen een onbeschrijfelijke leegte. Nog één glas, nog één slok en ik zou voorgoed verdwijnen.

Maar ik zette het neer, en dronk het niet. Niet uit overtuiging, niet uit kracht, maar gewoon omdat ik wist, doe ik dit niet dan blijft er niets meer over. Het zou nog een half jaar duren tot mijn laatste glas, maar ik weet zeker, mijn herstel begon dan. Wat nodig was, gebeurde!

Vandaag, zoveel jaren later kan ik erover schrijven met een heldere blik en met een heldere geest. Ik doe het nederig maar met een heel klein beetje trots.

Nuchter worden, is zelden een heldenverhaal. Het is geen epische strijd met een duvel die eindigt in een triomf. Het is opstaan en niet drinken, gaan slapen en niet drinken en daartussen de leegte uitzitten die de drank heeft achtergelaten. Maar het is ook een verraderlijk, donker, gapend gat dat onophoudelijk roept om gevuld te worden. Als je aan het geroep blijft weerstaan, wordt het langzaamaan vaste grond, hard en ongenaakbaar, een rustige plek waar opnieuw iets kan groeien.

De eerste jaar was het zwaarst. Mijn handen zochten onophoudelijk naar een glas, mijn gedachten naar zachtheid van de roes, mijn geweten naar proberen te vergeten. Tijd was een vijand die een vriend moest worden. Alle uren die ik verspild had aan drinken en plannen, aan het kopen en aan het verbergen van katers, lagen nu opeens open en bloot voor me. Ik wist niet wat ik ermee moest aanvangen. Stoppen deed de dagen te lang duren, alsof ik iets essentieels was kwijtgeraakt.

Mijn verziekte alcoholbrein bleef schreeuwen naar een snelle oplossing. Alcoholisten zijn allemaal ongedurige wezens, ik was daar geen uitzondering in.  Nog steeds zocht ik een uitweg, een manier, een verdoving, een wonder. Verandering moest van buitenaf komen en onmiddellijk voelbaar zijn, maar er kwam niets, alleen minuten die langzaam voorbijkropen.

Ik miste de structuur van mijn eigen ellende, denk ik, het vaste patroon van drinken, spijt hebben, beloven om te stoppen en opnieuw drinken. Toen dat allemaal wegviel, bleef alleen dat gapend gat over dat moest gevuld worden, maar waarmee?

Ik bleef nuchter met de hulp en inzicht van lotgenoten die het glas ook noodgedwongen hadden neergezet. Ik leerde de ellende van me af te schrijven zonder de mist van de drank. Mijn woorden werden scherper, rauwer maar eerlijker. De waarheid over mezelf onder ogen zien kostte moeite, soms was dat wreed en meedogenloos, maar nooit zo leugenachtig of verraderlijk als alcohol.

Ik verloor vrienden, drinkbroeders die mijn nuchterheid als verraad zagen. Er kwamen er anderen in hun plaats. Mensen met een beschadigde ziel maar met heldere ogen, een groot hart en een vastberaden blik. Mensen die weten wat het betekent om uit een dal omhoog te klauteren. Maar vooral, ik vond mezelf terug, of beter ik ontdekte wie ik diep van binnen ben, niet de man die ik was, maar de man die ik kan worden.

Mensen vragen me soms of ik het niet mis, of ik niet af en toe een glas wijn wil drinken, gewoon voor de smaak of voor de gezelligheid. Ze begrijpen er niets van. Voor mij is er geen soms of af en toe, geen juiste gelegenheid. Eén slok, dat weet ik, en mijn wereld kantelt opnieuw en mijn monsters keren terug. De drank zelf mis ik niet meer. Soms mis ik de illusie van de eenvoud die hij me gaf wel. Maar eenvoud of betekenis zitten niet verborgen in een fles. Het zit in de manier hoe ik mijn dagen vul.

Twaalf jaar is een lange tijd. Lang genoeg om te beseffen dat nuchterheid geen uitzonderlijke prestatie is, geen eindpunt, geen finish. Het is gewoon iets dat bij me is gaan horen en dat ik onderhoud, elke dag opnieuw. Een beetje zoals schrijven.  Ik zet woorden op papier en ga door, zelfs als ik geen inspiratie heb. Ik heb geleerd erop te vertrouwen dat de volgende zin wel komt, dat deze dag eindigt en dat morgen een nieuwe begint.

Lang geleden zette ik het glas neer, niet voor één dag, niet voor één jaar. Ik heb het simpelweg nooit meer opgepakt en ik heb niet de intentie om dat opnieuw te doen. Omdat ik verdomd goed weet dat mocht ik het doen, er simpelweg geen morgen meer zal zijn.

In ruil voor die keuze kreeg ik het enige waar ik ooit echt heb naar gezocht, mezelf en een leven dat echt is, ongefilterd, onverbloemd, rauw, hard maar van mij alleen.