Categorie: Zelfkritisch

57 tinten mezelf

En plots was daar het getal. 57. Een primeur en een priemgetal. Ondeelbaar, net als mijn mening over politiek, vrouwen en koude pap. 57, een nuchtere vaststelling van de tijd die zich niet laat omkopen, zelfs niet met een goeie fles rode wijn vol valse beloftes.

Maar vandaag was er geen paniek. Ouder worden is voorlopig nog geen straf. Het voelt eerder als wonen in een huis dat al jaren van mij is. De zesde en tiende trap kraken, de waterleiding zingt bij elke temperatuurwisseling, en de terrasdeur klemt als het regent. Ik weet eindelijk waar de zekeringenkast zit. Maar ook waar ik mijn bril, mijn sleutels en mijn GSM niet heb gelegd.

De vele berichtjes die ik vandaag kreeg waren een balsem. Digitale knuffels, telefoontjes, en berichtjes vol emoji’s met meer emotie dan sommige gesprekken. Ze kwamen van overal. Vrienden, familie, lotgenoten, zelfs die ene kennis die altijd typt alsof hij een fax verstuurt. En ik? Ik las ze allemaal, met een glimlach die rimpels maakt op plekken waar vroeger alleen een gladde verwachting zat.

Mijn lichaam kraakt ook. Net zoals trap zes en tien van mijn huis. Mijn geheugen is een boek dat zichzelf alsmaar opnieuw herschrijft. En mijn zak? Die begint gevaarlijk dicht bij het water in de wc te hangen. Ik ben een staanklok geworden die de tijd meet, maar dan met minder gratie. Een priemgetal dus, dat zich niet laat delen behalve door de zwaartekracht en mezelf.

Maar ik dans nog. Soms op ABBA. Soms in gedachten en soms op een geniale inval die pas om middernacht komt. 57 is geen eindpunt. Het is een tussenstation met een volle ijskast, een leesbril, een doos viagra en een goed verhaal. Want ouder worden is één ding. Gezien worden  met zelfspot, en zelf relativering dat is pas echt jong blijven. In gedachten nog 17  27 of 37, afhankelijk van de lichtinval.

Bedankt voor de wensen.

De kunst van verdwijnen

Ik wil je niet altijd in de buurt. Wanneer dat zo is, zoek ik isolement en trek ik me terug, vrijwillig. Zoals eb zich terugtrekt op een uitgestrekt strand. Ik doe dat dikwijls. Meer dan vroeger, dan deed ik het nooit. Toen kende ik het niet, of durfde het niet. Dat laat ik in het midden. Niet dat ik niet van verbinding met mensen hou of dat ik mensen niet wil verdragen, integendeel.  Alleen zijn met mezelf als enige gezelschap, is iets wat ik mezelf ben gaan gunnen, soms zelfs ben gaan verplichten. Omdat ik anders leegloop. Zeker wanneer ik te lang blootsta aan het lawaai van de wereld en de drukte ervan. Aan de gewelddadige, collectieve haast van de menigte met zijn onophoudelijke luide woordenstroom. Dan zonder ik me af van gesprekken die me overrompelen, overspoelen en onderduwen.

Ik heb nooit echt geleerd om alleen te zijn, ik heb dat leren kiezen. Dat is niet hetzelfde, dat is iets compleet anders. Ik leerde dat alleen zijn niet aanvoelt alsof ik iets mis maar als binnenkomen bij mezelf.  Noem het gerust zelfbehoud of zelfbescherming. Er is geen beter woord voor, denk ik. Op die momenten ben ik liever alleen dan omringd te zijn door mensen die op een andere frequentie leven als ik. Niet hoger, niet lager, niet slechter of beter maar gewoon anders. Dat wil niet zeggen dat zij minder interessant zijn.  Die pretentie of arrogantie heb ik niet. We zijn gewoon verschillend. Met andere nuances of gevoeligheden die elkaar niet raken omdat we simpelweg op een andere golflengte zitten, met andere hoogtes of dieptes.

Beetje bij beetje durf ik te zeggen, hoe ouder ik word, hoe beter ik begin te voelen wie ik ben, waar ik heen wil, wat ik nodig heb en wat niet langer bij me past en dus mag loslaten. Dat weten is geen overwinning. Dat hoeft het helemaal niet te zijn. Het leven gaat al lang niet meer over winnen en dat is een ongelofelijk zachte luxe.

Ik heb niet altijd gezelschap nodig, en voel me zelden eenzaam. Die stilte en rust is geen leegte maar een kleine ruimte waar ik gewoon kan zijn wie ik ben. Niet groter of kleiner, niet slimmer of dommer. Ik hoef me voor niemand anders voor te doen.
Als ik mensen om me heen verzamel, is dat omdat ik daar goesting in heb. Niet uit gewoonte, niet omdat ik iets verwacht of niet voor de verkeerde reden maar omdat ze me vreugde of iets anders bijbrengen, en ik hen dat ook wil bieden. Mijn innerlijke rust vind ik in mijn cocon, thuis op mijn grijze zetel, alleen, of ergens buiten op een zandweg. Daar laad ik op. Daar kan ik loslaten. Die plekjes herinneren me eraan wie ik ben zonder te moeten.

Een asociale kluizenaar ben ik niet, hoop ik. Dat is echt niet wie ik wil zijn. Selectiever ben ik wel geworden, in mensen en in mijn empathie. Die bron is niet onuitputtelijk. Ik vermijd meer, maar leef intenser. Ik ben, als ik het zo mag zeggen, iemand geworden die zijn grenzen heeft gevonden en ze probeert te respecteren.

Maar als ik je graag zie, luister ik. Dan ben ik er. Onvoorwaardelijk. Dan zal ik helpen met woorden of daden.  Daarna heb ik een rustpauze nodig, dikwijls een hele lange.

Weet dat, als ik tijd met je doorbreng, dat niet is om een leegte in mezelf op te vullen, maar omdat ik je aanwezigheid op prijs stel en jij iets toevoegt. Omdat ik er wil zijn. Bij jou mijn vriend. Met volle aandacht en met een open hart. Dat is het meest oprechte wat ik je wou laten weten. Want vriendschap verdwijnt of vervaagt niet. Soms neemt ze gewoon een andere gedaante aan.

En wie me dan toch vindt in die stilte, vindt mij misschien voor de eerste keer, echt.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Duister gezelschap

Hij is een vreemd en duister gezelschap, een genadeloze vijand en een ongewenst heerschap waarvan ik wenste dat ik hem niet had ontmoet. Soms sluipt hij ongevraagd binnen in de vroegste uren van de ochtend wanneer de wereld nog stil en rustig is. Dan weer verschijnt hij diep in de nacht om mijn rust te verstoren door mijn schouder en rug met denkbeeldige messteken te doorboren. Hij heeft vele gedaanten en evenveel namen, maar zijn gezicht blijft onveranderlijk en onverzettelijk. Hij ziet er afschuwelijk uit.

Zoals gisterennacht, hij verscheen langzaam in de stilte van de nacht, eerst als een storend gefluister. Dan werd het een troebele nachtmerrie die snel uitgroeide door zijn alles verterende aanwezigheid. Hij is geen oppervlakkige verkenner die komt en gaat. Neen, hij neemt de gedaante aan van een diep wortelende zeurende last die zich vastzet in elke beweging, in elke kuch en in elke ademstoot. Hij komt zonder uitnodiging en weigert te vertrekken, hoe vaak ik het hem ook vraag of smeek.

Pijnstillers bieden nauwelijks of slechts tijdelijke verlichting en ze zijn een dubbelsnijdend zwaard. Aan de ene kant dempen ze wel de felste pijnscheuten en maken ze dragelijker. Langs de andere kant dragen ze gevaren met zich mee die nog angstaanjagender zijn dan zijn aanwezigheid zelf.  Verslaving, afhankelijkheid en de voortdurende dreiging van gewenning maken me angstig en onrustig. Het wankele evenwicht tussen verlichting en de risico’s van verslavende pijnmedicatie blijft een ongelijke strijd die ik liever niet aanga.

Het ergste zijn niet de gekneusde botten en kapotte gewrichten, maar niet kunnen doen en laten wat ik wil, niet kunnen bewegen en voelen hoe mijn pijnlijk lijf beperkingen oplegt die ik zo vroeg nog niet had verwacht. Dat is een nieuwe gewaarwording. Vannacht werd hij een constant dreigende schaduw die bij me blijft en heel aanwezig is, bij elke beweging en bij elke gedachte.

Er is weinig troost want hij verlengt deze onverdraaglijke nacht die ik niet bewust wens te beleven. Hij maakt elke minuut zwaarder en elke seconde langer.

Hij is onlosmakelijk verbonden met mijn bestaan en al een tijdlang mijn persoonlijke metgezel. Soms vrees ik zelfs dat hij zolang zal blijven tot het moment dat ik mijn laatste adem uit zal blazen. Hij, een donkere wolk die me achtervolgt, heel aanwezig en dreigend, als onwelkome gast die mijn plezier en vreugde verstikt en hoop in de weg staat of zelfs in de kiem smoort.

In plaats van zijn aanwezigheid te aanvaarden schrijf ik hem nu weg in de duisternis van deze lange nacht. Hopelijk kan ik zo eventjes uit zijn genadeloze greep ontsnappen.

Pijn, die gemene, genadeloze klootzak die terwijl ik dit schrijf elke druppel vreugde uit de nacht zuigt tot er niet veel meer overblijft dan een schrale herinnering aan hoe die ooit was, rustig en kalm, tot hij onverwacht opdook.

Ik haat hem, maar hij zal me er altijd aan helpen herinneren van het gevaar wanneer ik de volgende keer besluit om met een slaapkop en badslippers als schoeisel de trap af te komen.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!

De waarheid schrijft zichzelf niet in de nacht

Het is lastig om me in deze toestand tot jou te richten.  Mijn pijnlijke schouder confronteert me namelijk bij elke beweging met de beperkingen ervan. Elke beweging, zelfs de simpelste handeling, neem nu het typen van deze intieme gedachte, is een pijnlijke uitdaging. Met slechts twee vingers navigeer ik traag en onhandig over het toetsenbord. Mijn pijnlijk lijf en mijn woorden lijken me in de steek te laten terwijl ze wanhopig proberen te beschrijven wat er gaande is.

Het is alsof mijn lichaam zich tegen me keert en tegen me samenspant, elke beweging, hoe minimaal ook, wordt een herinnering aan mijn kwetsbaarheid en aan mijn vergankelijkheid.

Woorden druppelen traag als een lekkende kraan maar ik weiger me over te geven aan de frustratie die me bedreigt. “Pijn is tijdelijk, slechts voorbijgaand”, prevel ik. “Het is slechts een donkere wolk die zal wegdrijven”.  Ondertussen zet ik mijn gedachten op papier, hetgeen ik altijd doe, vinger voor vinger, letter voor letter, tot mijn boodschap is overgebracht.

Pijn, is een eenzame strijd. Het is een gevecht dat ik voer met mezelf en met mijn eigen lichaam. Dus hier hang ik, mijn schouder stijf, gespannen en pijnlijk, maar met een vastberaden geest die onwankelbaar blijft. Ik kies ervoor te schrijven omdat praten nog moeilijker is.

Ken je die momenten waarop gesprekken moeilijk verlopen, waar verbinding ongrijpbaar of onmogelijk lijkt. Woorden en zinnen verdwalen dan in de leegte tussen jezelf en de ander, alsof er een onzichtbare barrière tussen zit en ondoordringbaar lijkt.

Ik ken ze maar al te goed. Dan voel ik me een vreemde in mijn eigen lichaam. Dan spreek ik woorden alsof ze van een vreemde zijn. Ik probeer ze wel te sturen of te vormen naar wat ik wil vertellen, maar ze blijven steken in de ether van onuitgesproken gedachten.

En dat, beste lezer is ook een eenzame strijd, een gevecht met mezelf en met de wereld om me heen. Ik stel me de vraag wat ik kan doen om tot hen door te dringen en kan achterhalen wat zich afspeelt achter de maskers die ze dragen.

Misschien ben ik niet gemaakt voor deze wereld van woorden, misschien is zwijgen beter en hou ik het liever stil. Misschien ben ik veroordeeld tot oppervlakkigheid, tot onbegrip en misverstanden.

Maar zelfs op mijn zwakst, met een pijnlijk lijf dat opspeelt en met woorden die verdwijnen in de nacht, blijf ik geloven dat ergens een waarheid wacht om gevonden te worden.

En daarom zal ik blijven schrijven, tot het zomeruur, tot het ochtendgloren en mijn pijnlijke schouder me dwingt om te stoppen. De waarheid schrijft zichzelf immers niet in de nacht!

Als het lente wordt

De lente breekt aan, maar ik voel geen vonk. De wereld bloeit langzaam open met een nieuw kleurenpalet.  De lucht ruikt al naar beloften van de lente maar ik zit verstrikt in twijfel die woekert als onkruid, verstikkend en onvermijdbaar. De natuur ontwaakt en mijn geest zit gehuld in een mistige twijfel, als een laatste restant van een winter die er nooit echt één is geweest. Ik twijfel.

Kwetsende kritieken en ongevraagde adviezen, beladen met verwachtingen zijn er genoeg. Ze voelen allemaal ongemakkelijk aan, niet zeker of ik ze nog wil dragen. De lente mag dan wel vernieuwing brengen, mijn denken, doen en laten, blijft verankerd aan oude lasten en aan vreemd aanvoelende gewoonten. Ik twijfel.

In een poging om de chaos van mijn ziel te temmen, probeer ik mijn innerlijke tweestrijd te vangen in woorden en zinnen, rauw en direct. Het resultaat is even schraal als mijn gazon. Het enige wat ik voel is een ongemakkelijke rust die ik niet ken, alsof de lente me uitdaagt om echt confrontatie aan te gaan, met mezelf en met de keuzes die voor me liggen. Ik twijfel.

Mijn blik dwaalt naar buiten, over mijn gazon en naar de bomen die erin staan. Ik staar verloren naar nieuwe grassprieten en naar ontluikende knoppen die de lente aankondigen. Terwijl ik vastzit in die eindeloze spiraal van overpeinzing verandert de wereld om me heen, met keuzes die doorheen mijn gedachten spoken, als schaduwen van onzekere beslissingen die ik moet nemen.  Ik twijfel.

Misschien is het tijd om de last van verwachtingen van anderen voorgoed van me af te schudden, om oude bladeren te laten vallen en nieuwe knoppen te laten groeien. Het is immers niet voor niets Lente. Ik twijfel.

Soms verlang ik ernaar te weten in welk verhaal ik me bevind en welke rol ik daarin speel. Om te weten hoeveel lentes er zich nog zullen aandienen.  Alleen, dat zal ik pas ontdekken als het voorgoed winter wordt en ik niet meer kan mijmeren over wat een nieuwe lente brengen zal.

Alleen ik weet dat straks alle onzekerheden zullen vervagen, als het echt lente wordt.

Alleen voor jouw oren bestemd

In de kleinste uren van de nacht, wanneer schaduwen op de muur dansen als schimmen uit het verleden, ontmoet ik in de rokerige schemer van mijn herinneringen een vertrouwde compagnon de route. Ongevraagd duikt hij op, kijkend met misprijzen. Hij alleen kent de keuzes die ik ooit maakte, de laffe en lichtzinnige, de overmoedige of egoïstische. Maar hij kent ook alle beslissingen die ik nooit nam en had moeten nemen.

Het is een onguur figuur, met ketenen vastgeklonken aan mijn verleden en aan de nacht. Hij zet afdrukken op het zachte papier van mijn ziel waar ik nu mijn vulpen in kras. In het midden van de vergeelde bladzijde met donkere contouren, staat de schaduw van spijt als een onuitwisbare vlek.

Mijn verzadigde alcoholbrein heeft zich genesteld als een maffia-gangster in alle uithoeken van mijn gedachten. Hij overmeestert me laf, neemt het stuur en voert me mee. Als een onbetrouwbare gids sleurt hij me naar de donkerste plaatsen waar ik nooit in had moeten afdalen.

Zelfs nu, na tien jaar in de herwonnen nuchterheid van mijn dagen, fluistert hij nog altijd in mijn oor, met de sirene van verleiding waar ik met elke vezel van mijn zijn aan moet weerstaan. Ik zwicht niet, maar de vergadering van daarstraks en de nacht verplichten me om te kijken naar mensen die ik liefhad, degenen die ik koester, en zie de scheuren die mijn wervelwind in hun leven heeft achtergelaten.

In mijn tornado van destructie, heb ik mensen gekwetst, harten gebroken, harten van degenen die het dichtst bij me stonden. Nu, achter het gedempte licht van mijn scherm, voel ik de scherpe randen van spijt die snijden als een mes en voel de tranen die ik veroorzaakt heb, de beloften die ik gebroken heb en de littekens die ik heb achtergelaten.

Maar spijt is geen herstel. Het is gewoon een nevel die zich uitstrekt over het heden, een herinnering aan de prijs die ik nu betaal voor de illusie van voorbijgaand genot en vluchtige extase.

Soms zou ik niets liever willen dan terug te reizen in de tijd om die eerste fles tegen de muur kapot te gooien zodat de geest die erin zat me nooit in zijn giftige omhelzing zou kunnen sluiten. Ik zou hem verbannen naar een eeuwige schaduw, waar hij thuishoort, maar zelfs die onbestaande schaduw van het verleden is onuitwisbaar.

‘De kapotte fles’ zou zomaar een symbolische daad kunnen zijn als gevecht tegen de vijand van glas en kurk. Voor hetzelfde geld was het de titel van een onuitgegeven manuscript van Ernest Hemingway.

Ik ben Hemingway niet, eerder een schrijver van een lichter verhaal met hoopvolle bladzijden maar ook met openhartige bekentenissen over spijt en nostalgie, over keuzes die ik maakte en niet maakte en hoe deze me vormen tot de persoon die ik vandaag ben.  Is dat niet het leven ten volle beleefd en geleefd?

Ik hoop dat binnen enkele uren, als de zon opkomt, mijn duistere compagnon de route verdwenen zal zijn en me met rust laat, voor jou maar toch vooral ook voor mijn zielenrust. Met elke nieuwe dag doe ik een onuitgesproken soort belofte, ‘Nooit nog keer ik terug naar die onoverzichtelijke chaos’, maar dat schreeuw ik niet van de daken. Die belofte is alleen voor jouw oren bestemd!

Wat het betekent om mezelf te zijn

‘Niets wat ertoe doet is gemakkelijk’, denk je dat ik dat niet weet. Neem nu mezelf. Op een dag word ik een goede man, fatsoenlijk, liefhebbend, rustig en dan zal ik ertoe doen, ooit misschien. Maar ik ben die man nog niet. Ik ben namelijk onfortuinlijke eigenaar van een schaduwzijde die een sluier werpt over mijn aspiraties en over wie ik wil zijn. Vriendelijk ben ik niet altijd, met woorden vaak te scherp. Ik ben er te gulzig mee terwijl ik met mijn daden te voorzichtig of te spaarzaam omspring. Denk niet dat ik dat niet weet, ik zie het wel in jullie blikken en hoor het wel aan jullie zuchten.

Als ik dan tijd neem, zoals afgelopen week toen ik vanop een trap in Parijs, mezelf met wat afstand wou bekijken, voelde ik me een beetje verloren in mijn eigen kleine denkwereldje. Daar, in de anonimiteit van de lichtstad van nostalgische schoonheid, probeerde ik het onbegrijpelijk mysterie van mezelf te doorgronden. Het leek alsof ik probeerde een vrouw te begrijpen, soms kijkt ze afstandelijk en ontglipt ze me alsof ze iets achterhoudt, dan weer trekt ze zich terug in de schaduw van mijn eigen onzekerheid, luiheid, opstandigheid of koppigheid.

Op zulke momenten, wanneer woorden haperen en zinnen vastlopen in donkere hoeken of op eenzame trappen, voel ik dat ik altijd mezelf nog heb. Dan dwaal ik rond in dat labyrint van gedachten en emoties, soms verward, soms helder, meestal compleet ongrijpbaar. Het is daar op die vertrouwde plek waar twijfel en zekerheid met elkaar in conflict gaan en hun eeuwige strijd voeren, als rivaliserende minnaars op een strijdtoneel waar duistere demonen moeten verjaagd worden en waar engelen vrij mogen gelaten worden.

Telkens ik op dat plekje terechtkom, vraag ik me af of het me ooit zal lukken om die man te worden die bedachtzame woorden met zorg zal uitkiezen en zijn daden met meer compassie en daadkracht zal leiden. Niets wat ertoe doet is gemakkelijk of vanzelfsprekend. Mijn grootste uitdaging, dat ben ikzelf. Zal ik die innerlijke storm ooit onder controle krijgen? Misschien hoeft dat niet eens. Misschien is het net die worsteling die me dwingt om te blijven onderzoeken, om mezelf te leren kennen en om zo bedachtzaam vooruit te blijven gaan?

Ik ben niet perfect, verre van dat, maar ik vlucht niet meer en dat ben ik aan mezelf leren waarderen.  En wie weet, word ik zo, ooit wel een man die ik wil zijn, met zachte woorden en met krachtige daden. Tot die tijd zal ik blijven schrijven over mezelf om mijn innerlijke wereld te verkennen, en om proberen te begrijpen wat het betekent om mezelf te zijn.