Categorie: Vroeger

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Een weg die ik kwijt was

Begrijp me alstublieft niet verkeerd. Ik ben niet langer boos, niet meer opstandig. Ik kijk zelfs niet terug met een verwijtende blik. Maar je kan me niet langer klein houden of kwetsen want het maakt me helemaal niets meer uit wat je van me denkt. Niet dat ik je enig slecht toewens, dat doe ik niet. Trouwens, je kan me, mocht je dat willen, een schouderklopje geven voor mijn veerkracht, voor het traject van mijn herstel of voor die laatste poging die je ondernam om me hard te treffen maar daarin niet lukte.

Ooit was ik een schim, een omhulsel dat zich steeds opnieuw verloor in het gedruis van de menigte. Ik plooide naar de verwachtingen van anderen. Voor mezelf was ik een onoplosbare puzzel verpakt in een doos van jouw sterke wil en mijn beperkingen. Ik hield mezelf klein. Die tijd ligt achter mij. Nu ben ik meer, veel meer dan de som van mijn delen.

Je mag nog een poging doen om me te doorgronden of te veranderen. Je mag minachtend proberen om me met jouw etiketten en recepten te labelen, het zal niet lukken. Want ik ben niet te vatten in simpele definities, noch in wat jij van me denkt of van me verwacht. Dat heb ik over mezelf geleerd.

Je hebt trouwens geluk dat je me hier aantreft want ik ben echt kieskeurig geworden in gezelschap. Echt, laatste tijd kies ik het zorgvuldig uit en vertrouw daarbij op mijn gevoel. Naar een hogere status of naar vluchtige materiële dingen ben ik niet langer op zoek, wel naar diepere en authentieke verbindingen met mezelf en anderen die op een gelijkaardige manier naar de dingen kijken. Ik omring me daarbij met mensen die me verrijken, me inspireren om te groeien en me helpen om te evolueren tot de beste versie van mezelf. En geloof me, die mensen zijn heel erg zeldzaam.  Niet dat ik me schuchter verstop maar ik ben wel moeilijker te vinden, zeker als je me zoekt op de voor de hand liggende plaatsen die ik vroeger uitkoos.

Toen was ik een willoos voorwerp, een vormloos figuur dat altijd ergens in moest passen. Ik was een tweestapper die vooral geen aandacht besteedde aan wat hij zelf nodig had. Vandaag ben ik het tegenovergestelde, nu kies ik zelf de mensen uit die bij mij passen alvorens ze toe te laten in mijn wereld. Situaties die mijn stabiliteit bedreigen, vermijd ik. Noem me koppig, mysterieus, ongrijpbaar of egoïstisch als je wil, dat mag maar het bespaart mij wel een hoop gedoe, vooral met mezelf.

Langzaamaan word ik diegene die ik verkies om te zijn, met minder noodzaak naar bevestiging of kritische stemmen. Eindelijk ben ik mezelf aan het vinden. Ik zat diep vanbinnen verborgen in mezelf, op een weg die ik al heel lang kwijt was.

Koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Iets meer dan tien jaar geleden, ik bevond me in woeliger water en stond lang niet zo stabiel en rustig in het leven als vandaag. Mijn dagen, destijds, waren een aaneenschakeling van eindeloze twijfel, angst en uitzichtloze schaamte waarin ik continu strijd voerde met de fles die me in haar omklemmende greep hield.

Het leven was niets minder dan een uitzichtloos gevecht dat ik dacht te winnen, maar waarvan ik elke dag opnieuw als verliezer de aftocht moest blazen. Elk glas werd een hopeloze poging om mezelf, en dat verdomde betekenisloze en storende leven te verdoven en te ontwijken.

Die waarheid durfde ik nooit onder ogen te zien, maar wie zijn leven in een andere richting wil sturen ontkomt er gewoonweg niet aan.

Een stem die zich ergens onder de oppervlakte bevond, fluisterde me, ‘Wie gelukkig wil worden en wil veranderen, verzet zich niet tegen het leven maar verzet zich tegen zijn duvels.’ Uiteindelijk besloot ik te luisteren.

Het heeft jaren geduurd voordat ik besefte dat mijn weerstand tegen veranderingen me alleen maar hadden uitgeput en teleurgesteld. Ik, een man die altijd koppig en vastberaden tegen de wind in liep, terwijl die bries me alleen maar mee wilde voeren naar nieuwe, ongekende horizonten.

Elke morgen begon met lege beloften aan mezelf, en eindigde met de overtuiging dat ik de volgende dag sterker zou zijn. Maar mijn verslaving lachte me uit, fluisterde bedrieglijke leugens en ik? Ik luisterde weerloos.

Veranderen is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt moed en volharding, twee eigenschappen waarvan ik dacht dat ik ze miste. De eerste stap was toegeven dat ik een gewoonte had die mijn leven beheerste, dat ik vastzat in een vicieuze cirkel van verslaving en ontkenning. Ik keek in de spiegel en zag de vermoeide ogen en het verweerde gezicht van een man die gevangen zat in zijn eigen dwingeland. Het was hoogtijd om de kar te keren.

Mensen met wie ik maanden later, na dat laatste glas mijn prille nuchterheid aftoetste zeiden me dat ik ongeduldig was, dat ik te snel resultaat verwachtte. En ze hadden helemaal gelijk. Ik wilde dat de verandering meteen kwam, dat ik ’s ochtends wakker werd en dat de zucht naar de fles verdwenen was, opgetrokken als ochtendnevel in de morgenzon. Maar zo werkt het niet. De tijd, dat ongrijpbare beest, heeft zijn eigen ritme en wetten. Het enige wat ik kon doen, was me er geduldig doorheen laten dragen, door de juiste mensen en vertrouwend op mijn geduld, wetende dat elke dag zonder alcohol een stap vooruit was.

De eerste weken zonder de fles, waren een beproeving op het leven. De verleiding was er constant maar ik weigerde te luisteren. De nachten waren opnieuw gevuld met eenzaamheid, zelfbeklag en angst, maar ik wist dat ik door moest zetten. Dat was mijn enige uitweg, mijn enige hoop op een beter leven. Die andere keuze had mijn ondergang betekend.

Weken, maanden zo niet jaren later begon ik langzaamaan de schoonheid van mijn nuchtere leven te zien. De ochtenden werden helderder, mijn ogen scherper en mijn doel duidelijker. Ik ontdekte dat er meer was in het leven dan de bodem van een glas. Mijn zintuigen en mijn gevoel ontwaakten als een slapende reus, ik deed weer mee.

De tijd gaat voorbij en telt al mijn hartslagen. Hij is mijn metgezel en bondgenoot. De ene dag brengt hij uitdagingen, de andere verleidingen. Soms gaat het goed en soms gaat het slecht maar ik ben sterker, stabieler en zelf zekerder om de onzekere stroom van het leven te aanvaarden, om niet langer tegen de golven in te vechten. Ik ben een man geworden die leeft in plaats van te overleven.

Het pad naar herstel was geen rechte lijn, het was een kronkelende weg met ups and downs. Maar ik weet dat ik nooit meer terug wil naar de man die ik ooit was. Ik heb geleerd dat verandering geen vijand is, maar een vriend die me de weg gewezen heeft naar een leven dat ik nooit voor mogelijk had gehouden.

En zo ga ik verder, stap voor stap, dag na dag, met de smaak van verleidingen als vage herinneringen, als een spook uit het verleden.

En ik, ik ben een ouder wordende man die het leven vastgrijpt op zijn eigen tempo en voorwaarden, zonder grote verwachtingen maar met dezelfde koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Met familie als achtergrondmuziek

Familie, of het niet-toevallige lot van elke sterveling die de pech of het geluk kent ooit geboren te zijn, het is maar hoe je het bekijkt. Je hebt ze niet om uit te kiezen, niet de broers, niet de zussen noch de neven, achternichten, nonkels of tantes, en maar goed ook. Familie is gewoon een packagedeal, die soms alleen nog maar verbonden lijkt door een bloedband die zonder de uitwisseling van generaties lange genetica, onmogelijk aan elkaar zou te hechten zijn. Toch plakken ze op een vreemde manier toch allemaal aan je ziel.

Heb je geluk, word je gezegend met het talent van je overgrootmoeder die de gave bezat om lief te hebben, heb je pech word je ongevraagd de nieuwe eigenaar van hetzelfde kronkelende gekkenbrein van je betovergrootvader langs de andere kant van de stamboom. Elk familiedrama dat oorsprong vindt aan een of andere tak van de geslachtsboom krijg je gratis mee besteld. Je hoeft daar niets voor te doen. Het is alsof je figureert in een stomme film die achterstevoren wordt afgespeeld.  De karakteristieken van de personages zijn bekend, hun daden ook. Al hun mooie en donkere kanten zijn vertrouwd, ja zelfs het plot is voorspelbaar. Alleen de scenes die zich afspelen tussen het einde en begin durven af en toe nog te verrassen.

Familiebanden hebben één groot voordeel. Zelfs al manoeuvreer je op de achtergrond, wil je er misschien niet al te veel mee te maken hebben of wil je ze soms zelfs ontkennen, elke bloedverwant geeft toch op de een of andere onbegrijpelijke manier onbetaalbaar inzicht in alle excentriciteiten die je zelf ook bezit, zelfs al wil je die soms het liefst van al angstvallig ontvluchten.

Elke familiesaga, elke genetische bloedband en elk nieuw familiedrama doen tegelijkertijd haten en liefhebben. Ze zweven rond als achtergrondmuziek, het deuntje klinkt vertrouwd maar je kan het je maar niet herinneren waar je het voor de eerste keer gehoord hebt.

Romantische verzetsdaad

Veel moedige verzetsdaden heb ik in mijn leven niet gesteld. Meestal verkies ik het veilige pad. Aangeleerd gedrag, vermoed ik.

Gisteren parkeerde ik mijn auto net buiten de stad, in een ondergrondse VINCI-parking.  Op het eerste gezicht zou je dit bezwaarlijk een verzetsdaad noemen.  Toch nam ik dit moedige besluit omdat een parkeerplaats me voor de vierde keer ontglipte.  Telkens werd ze voor mijn neus ingenomen door één of andere onbeschofte verkeersagressor. Ik weet dat verzetsdaden zich dikwijls voltrekken tegen de agressor, behalve gisteren. In plaats van mij verbaal af te reageren op deze zich herhalende boertigheid, besloot ik mijn autootje uit protest niet in de binnenstad te parkeren. Ik verkoos een ruime ondergrondse betaalparking waarin beschaafdere verkeersregels gelden. Bekijk het maar, bende onbeschofteriken!

Toen ik me even later in de Merodestraat bevond, besefte ik maar pas dat ik het zelf allemaal moest bekijken. Ineens was ik een wandelaar geworden in de stad waar ik van hou. Een oude stad die ik hoofdzakelijk als autorijder ken en die tot voor kort zo hard door autorijders werd gedefinieerd dat zelfs het gps-netwerk er overbelast van raakt.

Eerst beschouwde ik deze verplichte wandeling als zinloze arbeid maar algauw begon ik te genieten van mijn zelf opgelegd martelaarschap. De onverwachte vertraging zorgde niet alleen voor rust, het maakte ook dat ik nieuwe dingen zag maar ook dat ik bekende dingen op een andere manier zag. Ik fantaseerde de zesendertig cafés erbij die ooit deel uitmaakten van het straatbeeld in de tijd toen de kazerne nog bemand werd door drieduizend dienstplichtigen die er in de cafés hun soldij kwamen verbrassen.

De wandeling van vierduizend negenhonderd éénentwintig stappen in een van de oudste straten van Mechelen werd een herinnering van samengeperste tijdlagen. Zo zag ik ineens cinéma Lumière, een geklasseerd gebouw dat ooit dienstgedaan had als Karmelietenklooster, meisjesschool en nadien als stadsfeestzaal. Jaren geleden was het de uitvalsbasis bij uitstek geweest voor jonge bakvissen zoals ik die er op romantische wijze invulling probeerden te geven aan hun anders zo zinloos studentenleven.  Twintig was ik, het was nog ver vóór de tijd van Google Maps en Streetview, toen ik aan de overkant van de straat, tegen de muur van het sint-janskerkhof de sterren uit de hemel kuste met een medestudentin aan wie ik mijn hart verloren was geraakt. Toen was ik welbewust naar deze plaats afgezakt. Nu was ik toevallig gepasseerd om erachter te komen dat de straat en de wandelaar buiten herinneringen niets meer met elkaar gemeen hebben.

Melancholie overvalt me. Dat overkomt me wel meer. Ik heb het altijd een beetje bizar gevonden, hoe plaatsen blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen raast. Dat ik op dit kruispunt kan staan en me kan herinneren hoe ik daar, jaren geleden iemand kuste in het holst van de nacht. De gebeurtenis is helemaal verdwenen terwijl het een betoverende gedachte is te denken dat die romantische avond helemaal met die plek verweven is geraakt. Dat is natuurlijk niet zo. De muur van het sint-janskerkhof heeft er niets mee te maken, die is wat hij is: gewoon een muur. De herinnering, is enkel voorbehouden aan de muur, aan mezelf, en aan diegene met wie ik de sterren deelde.

Het leven heeft soms een rare manier om gebeurtenissen met elkaar te rijmen.

Als deze quote niet de juiste manier is om het leven samen te vatten, is deze romantische verzetsdaad in een oude stad misschien wel de drijfveer om auto’s er voorgoed uit te verbannen.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Voornemen…

… De nacht was net zolang bloedheet geweest tot de koelte van verse regen de zwoele hitte had weggespoeld. De kerkklok van het nabijgelegen klooster had net een vijfde keer slag geslagen en dat gedempt geklingel had me bruusk uit mijn broeierige nachtmerrie bevrijd. Nog enigszins slaapdronken tuurde ik vanuit het open raam over het zwarte zadeldak dat met veertien zonnepanelen bekleed was. In de weerglans daarvan koepelde helder en weids de hemel waartegen de blauwe maan, die omgeven was met helder sterrenstof, een plaats had gezocht. De straten waren nog kletsnat en ik sperde mijn neusgaten ver open om de natte geuren van de malse regenbui op te snuiven. Aan de horizon in het Oosten werd het duister van de nacht stilaan opgeslokt door de opkomende zon en op de takken van de half-kale appelboom die onder het gewicht van tientallen halfrijpe appelen gebukt ging, speelden een paar luidruchtige kauwen of zaten zich roerloos met hun opgezette dons in de koele ochtendbries te warmen aan de eerste schuchtere zonnestralen. In het overgrote gedeelte van de slapeloze nacht had ik zolang mijn recente leven overpeinsd tot dat gepeins overging in een donkere droom waarin de gedachten even hobbelig waren als de kasseien van de oprit naar mijn ingebeeld luchtkasteel. Ze waren even koud en kil als een winterzolder met een raam op het Noorden van waar ik nu naar de uitdovende sterren tuurde en in de donkere hoeken van mijn denkwereld weefde de spin van valse vooroordelen onhoorbaar vastberaden haar web …

In de nevel van mijn droom stelde ik me de vraag hoe ik onvrede, die soms even veranderlijk kan zijn als de wolken in de lucht en die even wervelend kan zijn als een zomeronweer na een slapeloze nacht, een plaats kon geven? Het enige wat ik met mijn nachtgepieker bereikt had was dat de dreigende doemscenario’s zo fijn ontrafeld werden dat ze vanuit de hemel op mijn kop dreigden te vallen. In die nutteloze nachtelijke queeste had ik gezocht naar oorzaken van verloren idealen en verbannen doelen die ik door omstandigheden ver buiten mezelf een wachtplaats hadden gegeven. Ik stelde vast dat ik met mijn gedub geen centimeter in de richting van een minnelijke regeling was opgeschoven en ik besefte opeens dat zolang ik hoog boven de wolken, in het duister van de nacht of in het verleden en in de toekomst naar oplossingen zocht ik geen voldoening of rust zou kunnen vinden, alsof dat inzicht met die laatste regenbui door het open dakraam was binnen gesijpeld. Opeens wist ik dat zolang ik buiten mezelf bleef zoeken ik geen gepaste repliek zou kunnen vinden om mezelf in eer te herstellen.

Toen bij het krieken van de dag alle donkere gedachten waren ingeruild voor opgewekter ochtendgloren, nam ik mezelf voor om niet langer uit te reiken naar bevestiging of erkenning van anderen maar dat ik wat meer energie zou steken in het slopen van mijn eigen hindernissen die ik zelf op mijn pad had opgezet. Ik hoop nu maar dat het vannacht niet regent zodat dat voornemen ook niet wordt weggespoeld.

Traag en saai.

… Neem nu mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In de keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was. ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie. Koffie die doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat in dat kleine kruip-in teveel mensen woonden en dat ik als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen.

Omdat vader de bonen zelf maalde in een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst moest fluiten was zelfs de koffie traag. Alles nam tijd, tijd tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was en we eindelijk aan onze tas zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig. We mopperden niet…

Toen was traag niet saai, wist ik veel.

Nu denk ik dat langzaam betekent dat ik bedachtzaam bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen en ik gemakkelijker kan absorberen. Het is alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen. Dan ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen opnieuw vervult raakt met aroma’s van pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn traag leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid niet altijd even hard geapprecieerd. Voor sommigen is het leven pas interessant wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Mag ik mijn joker inzetten?

Misschien ben ik gewoon rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan ik het besef. Ik ben vastbesloten om geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets omdat ze me geen voldoening schenken. Ik zoek andere dingen. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan de ratrace. Een nutteloze wedstrijd waarin ik toch als laatste eindig omdat ik koers zonder versnellingen.

Voor mezelf hoeven niet alle grenzen verlegd. Grenzeloosheid beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben en om te zien dat aan elke grens nog een andere limiet zit, om die ook na te jagen omdat anderen het doen. Aaarrrrggg….

Mag het nu wat trager alstublieft? Met een slakkengang kom je ook wel aan de eindstreep hoor!

Denk je dat ik het ben?

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of dertig, was lelijk en spichtig, zo mager als een riet en even puistig als een afgeknotte wilgentak. Haar onverzorgde gebit stond schots en scheef en haar blik was zo hol als een vergeetput. Hoewel ze zichtbaar moeite gedaan had om er een beetje toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de houten zolen van haar te iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met doorzopen stem terwijl ze een zelf gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie leek. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een geruime tijd geen afwaswater meer had gezien. Ik had al minstens vijf vliegen geteld die af en aan vlogen van een bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik ook een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met niet gespeelde eerlijke nieuwsgierigheid. Door die astrante vraag dwaalde ik in gedachten ver af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te ratelen… over mezelf zoals ik dat altijd doe in situaties als deze.

‘Ik ben zeker dat ik doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag verschool zich voortdurend onder de oppervlakte. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik er een soort light-versie probeerde van te maken maar met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem en dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik nog een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een illusie was. Als ik ‘s avonds in de spiegel keek en ik zag de ellende die terugkeek, was ik zo bang omdat ik zeker wist dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt en voelde me met elke poging om te minderen dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen, omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie om de roes via mijn keel in mijn bloed te voelen stromen en met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel wanneer door diezelfde slome roes de ruwe randen van het leven geëffend werden. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Ik kon niet drinken zoals normale mensen dat doen omdat ik er niet mee kon stoppen omdat ik steeds maar op zoek ging naar iets wat niet bestaat.’

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag niet meer hoefde te stellen of ik een probleem had, of ik alcoholist was. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere kleine stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik had mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink en ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai.

Het leven is moeilijk.

Het leven is wreed.

Ik ben gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk.

Ik ben ongelukkig.

Het is weekend.

De kinderen zijn er niet.

Oma is dood.

Het is elf uur.

Ik heb toch ontbeten.

Ik heb een rotdag.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen.

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen, wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist ben.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van de zaak is dat dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden dus als je jezelf herkent in een of alle excuses hoef je geen test meer afleggen of moet je mij of jezelf die vraag niet meer stellen omdat je het antwoord al kent.’ ‘Er is geen juist moment om te stoppen zoals er geen slechter moment bestaat om te beginnen maar wacht er niet mee want met elke nieuwe verzopen dag wordt het moeilijker. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas opnieuw een kruimel eigenwaarde doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan, stoppen. Als ik het kon, kan jij het ook want er bestaat nog leven na de fles. Niet dat alles zonder drank perfect en gemakkelijk wordt maar alles wordt rustig op een rommelige manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het zelfs gemakkelijk als je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.