Categorie: Lachen

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Rupsje rimpel en Jan lul

 

Hoe onnozel achterlijk! Ik die dacht dat vrouwen enkel de hand aan zichzelf leggen op Hustler- en Playboy-tv. Of voor camera’s van internetsites waar heel veel XXX-en in het webadres zitten. Al wist ik ook wel dat het af en toe eens gebeurde in de boekskes. In die bladjes, vol geile vrouwen die voorzien zijn van te dikke borsten met sterretjes op, en die je kunt kopen in benzinestations langs grote autostrades. Al meen ik me ook nog te herinneren dat schreeuwende vrouwen wel eens tot hoogtepunten gemanoeuvreerd werden in reclamefilmpjes van shampoo met speciale kruiden. Al heb ik dat nooit goed verstaan. 

Dat was dus waar ik foefelende vrouwen mee associeerde maar toch niet met  stijvere presentatrices of met radiostemmen.

Tot gisteren dus, toen werd ik verbaasd uit mijn preutse illusie getrokken. Ongevraagd was ik getuige, en nog wel in prime-time en ik vertaal dat even vrij in pruimtijd, dat onze aller ex-speekerin Eva Daeleman dagelijks de vingers bevochtigt. In haar voorpoep en verplicht nog wel, elke dag. Met de complimenten van haar kraker. Om opnieuw connectie te leggen tussen lijf en geest. 

Toen ik in mijn tijd “lichaam en geest probeerde te verbinden” achter de deur, en ik werd betrapt, vloog ik naar meneer pastoor. Om er te biechten. Met wat geluk mocht ik als boete en voor absolutie, op de schoot. Om te voelen hoe eerwaarde biechtvader geen onderbroek droeg onder zijn kazuifel. Echt plezant vond ik dat niet maar ik deed het liever dan twintig  weesgegroetjes en dertig onzevaders op te dreunen. Want dat hielp zeker ook niet. De ene zondigt en de andere zalft en balsemt zal ik toen al gedacht hebben.

Nu zit iedereen er blijkbaar anders in. Nu kunnen persoonlijke gamechangers in geuren en kleuren als bloemlezing besproken worden op tv. Als getuigenis tot innerlijk geluk en groei.  Over groei gesproken trouwens. Vaak voel ik mezelf als Jan lul. Te stijf om te pissen en te slap om te poepen en dan gebeurt er niks. Eva deed het niet. Haar getuigenis over hoe ze voortouw nam in haar leven heeft me ontroerd. Haar moedige verhaal heeft me echt gepakt. Hoe ze al haar zekerheden over boord gooide om zich te storten in een ongekend, onzeker avontuur. Goed voor haar en inspirerend als voorbeeld voor anderen maar misschien hoefde ik niet te weten dat ze daarvoor ook elke dag rupsje rimpel aait. Want die visual staat nu toch ongevraagd op mijn netvlies gebrand. Schreeuwend, onder de douchekop met kruidenshampoo in het haar.

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

Kwallen, zweetkaas en zeemeerminnen.

 

Het zilte nat spat onstuimig rond. Achter ons verandert de kleur van het water in appelblauw zeeazuur. Door het bruisende kielzog van ons bootje en door de luchtbellen die er van de buitenboordmotor doorheen gedraaid worden. De hemel is staalblauw en er is geen wolkplukje te bespeuren. Hier en daar laat een meeuw van zich horen, al blijken die redelijk zuinig te zijn met hun gekrijs. 

Onze vissersschuit is kleurrijk versierd met verticale strepen. Gele, rode, groene en blauwe gekleurde meten, een beetje zoals gondels op de grachten in Venetië.

De wind blaast ons bootje langzaam naar een rotsachtig eilandje. Niet groter dan een boerenzakdoek. “Blue Lagoon” staat op het kaartje dat we van de zeekapitein mee hadden gekregen. Want zo zag de verweerde kapitein Haddock er uit, die ons het sloepje verhuurd had. Alsof de wind en de zon diepe rimpels geploegd hadden in zijn getaande gelaat.

2 knopen snel deinen we de baai in. Luxejachten omringen ons. Het ene al wat chiquer en trendier dan het andere. Bovendeks, op het grote witte jacht met vier verdiepingen zit vast rijk volk want ze worden er bediend door statige mannen in witte pakken. Er wordt kreeft geserveerd en hier en daar knalt een kurk. 

De jachten vullen de baai met luidruchtig gejengel en gejoel. Engelsen schat ik, of Hollanders dat zou ook nog kunnen. Die twee naties worden nu eenmaal altijd een beetje lawaaieriger eens ze hun heimat achter zich gelaten hebben en er wat alkohol op vergoten wordt. Hun koloniaal verleden zal daar mogelijks de hand in hebben. Wie zal het zeggen? We zitten per slot van rekening in Malta, de handelspoort naar Afrika en Azie. Ze spelen eigenlijk een halve thuismatch, onze kolonisten van Catan.

Op een iets kleiner schip liggen dames drukdoend te keuvelen. Ze zijn neergevleid op het voorsteven. Op wit, duur strandlinnen.  De marineblauwe of hagelwitte lapjes textiel waarmee ze hun intieme plekjes verbergen zijn soms wat nipt en benepen. Overdaad kruipt nu eenmaal altijd naar de vervelendste plekjes. Waar het niet gewenst is. Ook bij duurdere dames.

Bruin gebrand mansvolk tracht met halsbrekende duiken de vrouwen te imponeren. Of is het met de gouden kettingen die rond hun halzen bengelen. Dat kan ook. Ik ben niet helemaal zeker of het hen aan het lukken is. Dat imponeren. Want de dames hebben ogenschijnlijk geen aandacht voor de paringsdans van de bronstige macho’s. Mogelijks zouden de deernes ook wel voor hen bezweken zijn zonder die halsbrekende toeren. Omdat ze nu eenmaal uit “een iets durdere pantalon” geschud werden. Want een werkmansbroek zal het niet geweest zijn. Al werd deze stelling is niet met feiten onderbouwd.

Het aanzicht is mooi en de baai fabelachtig. Maar de zee wordt niet blauwer vanop een dure cruiseboot. Vanop onze kleurrijke, lekke visserssloep. Met een paar flesjes halfwarm mineraalwater en een wakke pistolet met zweetkaas, ziet ze er net eender uit. En mijn twee meerminnen mogen er ook zijn, al zouden ze beter wat minder schrikkentist  zijn. Want de kwallen zitten immers echt wel allemaal op die grote boten!

Over tuinbonen en borstvergrotingen

 

Het is verwarrend. Waarschijnlijk ben ik wat trager. Misschien zijn vrouwen en tattoo’s echt “wel” een goede combinatie. Misschien moet ik dringend mee met de tijd zodat ik ook het mooie van lichaamskunst op een vrouwenlijf kan leren appreciëren. Maar dan heb ik het zeker niet over smakeloze reetgeweien, opzichtige indianentribes of in het oog springende borstenpoëzie.  Eerder over subtiel geplaatste lichaamsfresco’s. Fijnzinnige zinnebeeldjes met betekenis. Die doen afleiden van de essentie of die vrouwen er wulpser of harstochtelijker en uitdagender doen uitzien. Zulke lichaamsschilderingen kan ik nog wel pruimen. Al hoeft dat deeltje vrouwenlijf, of de dichte omgeving ervan, nu ook weer niet noodzakelijk permanent bedrukt. Laat dat maar zo. Dat stukje vrouw spreekt meestal wel genoeg vanzelf tot de verbeelding. Dat hoeft niet in de verf. Less is more!

Van al wat neigt naar altijddurende lichaamsversiering heb ik doorgaans een lichte tot sterke, natuurlijke afkeur. Waarschijnlijk omdat de oren van die fout geplaatse Mickey Mouse, er na verloop van tijd, helemaal anders zullen uitzien dan het figuurtje dat Walt Disney er ooit mee in gedachten had. Mogelijks ook omdat een konijntje met een strik ter hoogte van die linker eierstok niet langer bij je past nu je zelf, je dochter probeert te overtuigen dat een tattoos echt wel voor altijd zijn.

Of gewoon maar omdat oorlellen met uitgerokken, grote gaten er ronduit afzichtelijk uitzien. En dan heb ik het nog niet eens over tepelspijkers, vulvaringen of andere extreme lichaamsmodificaties. 

Dus dames kleur jullie vooral vol maar laat de dingen die voor zich spreken onbeschreven. Zo blijven ze ook onbesproken. 

Wie schrijft die blijft. Dat staat als een paal maar dat opstel op de tieten of die proza op jullie dij. Dat hoeft niet hoor. Al wil ik jullie met plezier allemaal, helemaal komen vol schrijven. Pagina’s vol. In henna. Dan kan ik er volgende week iets anders op verzinnen.

Over tuinbonen of zo of over borstvergrotingen.

Overbodige informatie in een spannende BH.

Geen minuut duurt het of ik ben aan de praat. Is het zenuwachtigheid die me loslippiger maakt? Is het die veel te smalle zetel waar ik in opgespannen zit zoals een clown in een springdoos? Of is het omdat  mijn vrouw en dochter drie rijen achter mij zitten en ik hen niet kan lastigvallen met mijn vliegfobie? Ik weet het niet. In elk geval, ik kom er na tien minuten achter dat de man naast mij dit tripje een aantal keer per maand doet. Voor zaken. Hij vertrouwt me toe dat het vliegpersoneel op deze vlucht, je geen twee minuten met rust laat. Hij kan het weten. Luttele tellen later krijgt hij gelijk want net dan wordt nuttige en overbodige informatie  in een hels tempo, in onverstaanbaar Engels door de intercom gebrabbeld. Zo snel, zonder articulatie of intonatie dat onmogelijk te achterhalen valt welke informatie nuttig is of welke overbodig. Ik besluit dat het allemaal even overbodig is. De lichtgele reddingsvest en het potsierlijk toneeltje dat erbij hoort gaan zoals bij elke vlucht aan mij voorbij. Evenals het okergele bekertje dat uit het plafond valt wanneer we voor welke reden dan ook zonder zuurstof zouden raken. De doorkijkbloes van de vliegactrice maakt het schouwspel op een vreemde manier helemaal gênant. Vooral voor haar dan, wel te verstaan.. Mijn aandacht verslapt  want als deze kist neerstuikt zitten we toch met zijn allen in een wip bij magere hein. Daar zullen die gele ondingen niet veel aan kunnen verhelpen. Wat me wel opviel was dat de bh van de stewardess van dienst zo krap zat dat het leek alsof ze precies wel wat  zuurstof zou kunnen bezigen. 

De wat zwaardere zakenman had een punt. De vliegcrew heeft blijkbaar opdracht gekregen om ons constant lastig te vallen. Met wakke sponsbroodjes, belegen met plastiek cheddar.  Met Heineken in blikjes, met hete slappe koffie of met lotjes van de loterij voor een of ander goed doel. “Misschien zou de vliegtiran van Rayanair zijn personeel een beetje menswaardiger behandelen zodat ze niet met lotjes hoeven, lopen te leuren”, bedenk ik licht geïrriteerd. Mocht dit een liefdadigheidsproject zijn, ik kocht tien lotjes of 20. Zeker weten. Van die hostess met het te spannend ondergoed wel te verstaan.

De man naast mij die een klein beetje met zijn Bmi worstelt, is aangenaam gezelschap. Al had ik liever gehad dat hij, toen we nog op de grond stonden, voor een broodje kaas had gekozen in plaats van voor een pitta met looksaus. En die pepermuntjes die hij opknabbelt, zijn het alleen maar erger aan het maken.

 “Als België wereldwijd vermaard is voor frieten, bier en chocolade is Malta het land bij uitstek voor games en spelletjes”, gaat hij verder, terwijl hij de gamingbrowser van zijn macbook opzij schuift. 

De bezienswaardigheden van Malta zijn me na een half uur bekend. The Blue Lagoon zijn te mijden, Gozo is een must do een Valetta aan aanrader. Op dat zakdoekeiland is buiten lekker eten en mooi weer niet veel meer te beleven. 

“Net genoeg voor mij”, schat ik.

Vliegen. Om de een of andere reden heb ik er een bloedhekel aan al heeft de vriendelijke, wat zwaardere pittaman de vlucht zeker aangenamer gemaakt. Alleszins onderhoudender dan de loterijmadam met de te spannende soutien want het was niet door haar dat ik weer weet hoe een kebab met look smaakt en dat Maltezers diep gelovig zijn. Al zou je dat aan die spannende, niets aan de verbeelding overlatend corset van die vlieg-escorte niet onmiddellijk verwachten.

Proppen of vouwen?

 

Wezenloos staar ik voor me uit. Naar een witte muur in een veel te kleine kamertje. “Nooit zal ik nog naar de pijpen dansen van een vrouw”, lees ik in Dag Allemaal die hier al een paar weken rond slingert want de Rode Duivels moeten nog wereldkampioen worden.

Chris Van Tongelen was de pijpen of het pijpen (daarover is het artikel niet sluitend) van zijn ex-vrouw Brigitte blijkbaar grondig beu en is opnieuw op de markt.

Mooi! Denk ik en ik betrap me erop dat de ex-stiefvader van de Vlaamse Justin Bieber het bij mij aan respect aan het winnen is. Even verder in het “artikel” laat de Familieman er met zijn uitspraken, geen spaander van heel en verhakselt hij mijn prille waardering tot schriele houtkrullen.

“Een onenightstand moet wel kunnen”, staat er schaamteloos, al wil hij zich tegelijkertijd ook wel voor de volle 100% smijten in een nieuwe, romantische “coup de foudre”. Maar hij lijkt ook blij te worden van nieuwe vriendinnen waar hij af en toe eens mee kan gaan eten of een goed gesprek mee kan hebben. Ja ja… een goed gesprek? Dat zal wel.

“Van Tongelen, stielbederver! Je bent Romeo-onwaardig”, prevel ik tegen het boekje. “Wees eens een vent, word duidelijk en red de tijger! ”Wat wil je nu precies? Wil je de midlifecrisis van je gat vogelen? Ga je voor die fladderende buikvlinders die je weer naar pijpen zullen doen dansen of is het dat goede gesprek waar je cupidopijlen aan wil verschieten?

“Soms is het beter om je mond te houden en dom te lijken dan hem te openen en alle twijfels weg te nemen”, zeg ik tegen mijn witte muur. Hij antwoordt niet. “Zwijgen is instemmen”, prevel ik tegen het super de luxe toiletpapier, maar ook daar krijg ik geen gehoor.

De oudste Romeo moet het ontgelden. Opeens ziet hij er met zijn bloeddoorlopen oog uit alsof hij een dik pak slaag kreeg van Brigitte. Al was het maar omdat de mug die zich vannacht volzoog met mijn bloed nu op de voorpagina prijkt van s’ lands onbenulligste stukje roddelpers. Zo ongeveer ter hoogte van Van Tongelens’ rechter oog. Nu ziet de goedlachse Puttenaar er helemaal niet meer uit.  Hoe hij er nu uit ziet, zal hij met zekerheid niet aan die onenightstand raken en al zeker niet als hij zijn mond open doet.

Tegen zoveel vrolijkheid kan ik niet op en richt mijn blik opnieuw op die witte muur. Mijn 2 slapende billen halen me plots uit mijn ochtendlijke nonsens en brengen me abrupt weer tot de orde van de dag? Zal ik proppen of vouwen?

Ik wil ook zo iets!

 

Laat er vooral geen twijfel over bestaan. Vrouwen die lippen vuurrood kleuren, het zet iets in gang bij een vent. Daar hoeven wij, minderbedeelden der natuur, niet flauw over te doen. Zelfs antropologen zijn het roerend eens. Hoe roder de lippen hoe vruchtbaarder de vrouw. 

En ze weten het verdomd goed. Die van het sterke geslacht.  Mannen associëren getuite rode lippen nu eenmaal, ongewild met sex, met paren en met voortplanten. Zo beweren diezelfde menskundige wetenschappers toch. Hoewel ik van dat laatste maar moeilijk te overtuigen ben. Dat zullen die er zeker wel bij gesleurd hebben om al die vrouwen met hun rode lippen gerust te stellen.

Maar is het dan te kort door de bocht te stellen dat vrouwen met felrode mondcontouren bronstige, op sex beluste, hete manverslinders zijn? 

Zijn zij dan niet die ogenschijnlijk hulpeloos ogende prooien waarvoor wij mannen hen sinds Darwin aanzien?  Zijn zij dan de “gedoodverfde” medogenloze jagers bij uitstek? De roofdieren die met hun rode vettigheid mannen om de tuin weten te leiden omdat zij de associatie aan flapperende schaamlippen niet kunnen weerstaan waardoor automatisch de werking van de rest van hun neo-cortex wordt stil gelegd? Want daar zijn diezelfde antropologen het ook nog over eens. Bij fel rode lippen denken wij verdorven, zieke mannen zowizo eerst aan rupsje rimpel! Dat beeld floept bij rode lippen bij ons mannen als eerste binnen. Als close-up van de flamoes. Van de vochtspelonk en als oester op de ijsberg.

Zien jullie dames dan niet in en kunnen jullie de gevolgen dan niet inschatten van wat jullie met die rode verf allemaal aanrichten in ons brein? Ici-Paris-XL wordt een pornofilm. Een catwalk van venusheuvels, schaamdriehoekjes en wandelende gleuven.

Jullie moesten beschaamd zijn!

Vrouwen zijn dus al eeuwen in staat om alleen met rode verf het verleidingsspel en de paringsdans in gang te zetten! Een ritueel dat bij ons venten altijd het startschot is om ons gelijk halve zotten beginnen uit te sloven om op die manier in de gratie te vallen van een stel bedriegelijke rode lippen? 

Hoe oneerlijk is dat niet? Zeg? Ik wil ook zo iets…

Ik ben hoer! We kunnen fisten.

 

< “He ik ben al hoer, ik zie je zo aan het ontbijtbuffet. Noor is ook al hoer. Ze is bij mij. Tot zo.. en haasten jullie zich een beetje?”

We waren met zijn vieren in Parijs.  Om er cultuur te snuiven en ons culinair te laten overmeesteren. Een bezoek aan het kasteel van Versailles stond op de planning en mijn lief wou met dit tekstberichtje laten weten dat ze fris gewassen was en dat ze helemaal klaar was voor een culturele hoogdag. 

Versailles was mijn idee. De logies zijn steeds haar rayon. Ze had twee ruime kamers geboekt in een leuk pension vlakbij het kasteel. Noor had bij mijn vrouw geslapen en Dries had mij gans de nacht wakker gesnurkt.

Toen het, ik-ben-hoer-smsje, de gsm in mijn broekzak deed trillen kon ik een grijns maar moeilijk onderdrukken.  De radertjes in mijn hoofd draaiden helemaal gek en een snood plannetje ontspon zich razendsnel. Zoals een spin rag spint rond een vastgekleefde vlieg.

> “Hoer? En dat met onze dochter in de buurt, wat schuift dat? Kijk je eens even snel of er viagrabrood is of vaginacrème en vers fluit”: Antwoordde ik met de voorbedachtheid om haar helemaal tureluurs te teksten.

< “Hier”, bedoelde ik zot. Viagrabrood en vaginacrème? Maak eens dat je beneden bent, snul. Wij hebben honger”

> “Schreef ik viagrabrood? Ik bedoelde ciabattabrood en vanillecrème. Damn..  autocarrosserie, ik bedoel autocapitalistion… grrrrrr… autocorrect!” “Kont in orde hoor! Ik ben me aan het afdrogen.”

< “Neen hier hier is geen ciabatta, wel brioche en baguettes, en ik weet dat mijn kont in orde is. Ben je er?”

> “Komt in orde”:  Had het moeten zijn maar je hebt gelijk, je kont is nog in orde en ik kan het weten want op elk potje past een deksletje.” 

< “Deksletje… haha .. je doet het er om”

> “We zijn er hoor. Ga al maar. Ik loop gewoon nog even langs de balie voor onze tickets. Naar welke maitresse heb je die gestuurd?”

< “Hu?”

> “Maitresse… haha! emailadres. Naar welk emailadres?”

>“Het jouwe. Laat je ze voor de zekerheid printen? Als ze daar geen scanner hebben      aan de ingang kunnen we nog een uur in de rij staan.”

<“Kont in orde hoor! alles is afgerukt en nog goed nieuws we hoeven niet te stappen. Ik ben ook hoer en we kunnen fisten”

 

Slappe Lotus.

 

Blijf uit mijn energiebaan want ik raak uit balans. Het ene moment ben ik overmatig actief en heel dominant aanwezig. Dan weer vind je me stilletjes op de achtergrond. Diep in mezelf teruggetrokken. Een beetje afwezig en op zoek naar een strohalm. Het voelt aan alsof er te veel in mijn hoofd zit waardoor ik me licht en onevenwichtig voel. Ik heb nochtans een groot hoofd. Toch groter dan het gemiddeld hoofd. 

Zou mijn wortelchakra droog staan?

Ingeborg zou er zeker een gepaste uitleg voor hebben. Mocht ik haar kennen dan zou ze me zeggen: “Jan, je sacraalchakra leeft op oorlogsvoet met je navelchakra waardoor je zonnevlecht in de knoop zit. Laten we samen zingen. Toe! Please! Ik ken nog een topper. Gratitude before me, Gratitude behind me….”  

Ik krijg er spontaan bobbelen van en kom innerlijk in opstand tegen zoveel bewierookte, aansteklijke, opdringerigheid waarmee ze steeds ongevraagd probeert de edelstenen van mijn energie te bekrachtigen. Zeker wanneer ze me wil doen dansen om mijn opkomende depressieve gevoelens te onderdrukken. 

Terwijl ik het schrijf voel ik mijn sacraalchakra in opstand komen. 

Door de wind en door de regen probeert ze me er dwars door alles heen van te overtuigen dat ik een twijfelaar ben. Ze beschuldigt me van onzekerheid op het werk, in relaties en in de liefde. Wellicht is mijn zonnevlecht verkeerd geknoopt of zit ze helemaal in elkaar geklit. 

Ik begin me slechter te voelen. Lichamelijk zelfs. Mijn keelchakra heeft blijkbaar ook al afgehaakt want die zure boer voorspelde weinig goeds. Hopelijk is hij niet de voorbode van echte brokken.

Mijn hartchakra dan maar. Is deze al back on track? Ja, want ik voel de revolutie in mezelf in alle hevigheid los barsten. Ik doe wat ik het beste kan en kom in opstand tegen de zee van zweverigheid.  Pas wanneer ik Ingeborg en haar gratitude heb weggezapt ontstaat een beetje ruimte voor innerlijke vrede. 

Mijn derde oogchakra en mijn kruinchakra zijn het roerend eens. Ik ben zonet in mijn eigen kracht gestapt zodat ik eindelijk opnieuw verbinding heb met mijn eigen universum. Ik onhoud opnieuw mijn dromen zodat wanneer ik wakker word mijn lot vastbesloten in de handen kan leggen van lotus. Al hoop ik wel dat ik hem niet te lang in mijn koffie sop zoniet kan ik weer helemaal van voorafaan beginnen.

Harra harra harra….

 

Belle-vue

 

Ik drink graag koffie aan de favoriete toog van mijn favoriet cafeetje. Ik lach praat en redekalf er doorgaans met mensen die er even vertrouwd zijn als ik. Ze zijn even gemeenzaam als het cafeetje zelf. De gesprekken variëren.  De mensen, de standpunten en de manier waarop ze verdedigd worden zelden. Hoewel het garnituur op het eerste zicht weinig tot niets met elkaar gemeenschappelijk heeft ontstaat er toch een soort praatsysteem waar ieder zijn rol in heeft. Soms met geroep en getier of met een okkazionele “nondedju” godverdomme!

Aan de bar zitten ze door elkaar. Alle mannelijke stereotypen vertegenwoordigd en op een rij verzameld. De grootmoedige, grootsprekende ego’s zijn er eerst. Ze zijn meestal in de meerderheid. Ze proberen op iedereen indruk te maken terwijl ze wachten op hun vrouwen.  Die laten tijdens het obligaat wekelijks cafébezoek van hun bink, haar watergolven, wimpers wat langer krullen of ze doen een tintje donkerder op tussen de bank van het plaatselijke zonnecentrum. Nadien kopen ze allemaal nieuwe schoenen of een nieuw tailleurreke uit een vitrine van de plaatselijke middenstand.

De roepers verzamelen op dat moment dicht bij de bierkranen. Je herkent ze onmiddellijk omdat ze luid zijn.  Een onhebbelijke eigenschap die hun vrouwen hen na 20 jaar huwelijk niet afgeleerd krijgen. Thuis lukt het soms wel maar eens de vrouwelijke leiband er niet meer is, hervallen ze met een pint in aanslag in oude gewoonten. Ze zijn dan het vaakste aan het woord en nemen fors en overtuigend standpunt in over onderwerpen waarover zij zich thuis, met wikipedia bij de hand eerst over geïnformeerd hebben. Meestal staat hun volumeknop zo hoog omdat ze in de buurt van een tapkast meer zelfvertrouwen krijgen. Ook wel omdat hun vrouwen niet onmiddellijk in de buurt zijn. Het zijn de gangmakers.  Zij brengen met branie de boel op gang en oreren overtuigend controversiële onderwerpen.

De ja-knikkende conformisten zitten daar ook. Torenhanen die draaien met de wind en die thuis meestal nog minder te vertellen hebben omdat hun broek door moeder de vrouw daar ook al werd opgeëist. Ze zijn het gewoon naar de mond te praten en ondersteunen elke mening ook al wijkt deze 180° af van diegene waarvoor ze nog nooit durfden uitkomen. Nooit en nergens. Zij zijn de saaiste compagnie. Zij doen er niet toe. Om “iets” te compenseren dat wat groter had mogen uitvallen rijden ze in dure duitse auto’s  met 3 letters en dragen rayban omdat ze er op die manier hopen bij te horen.  Al zouden ze zeker ook gele oliejekkers of kaki zuidwesters dragen mocht een gangmaker met overtuiging beweren dat dit straks in Milaan de nieuwste modetrend wordt. 

Verwar hen niet met de scherpzinnige diplomaten. Want zij onderscheiden zich van de conformisten. Ze hebben wel een eigen mening. Komen er voor uit als ze zeker zijn en verstaan de kunst om te bemiddelen tussen de gangmakers en de dwarsen. Ze zeggen tegen de ja-knikkers dat ze moeten zwijgen of halen met hun: “Patron laat ons nog een keer drinken”, net op tijd -voor gemoederen echt oververhitten- de lont uit het kruidvat.

De “dwarsen” zijn naast de “opgepompte ego’s “ voor de “verstandige zwijgers” het meest interssantste mannentiepetje om te observeren. Volgens hen vergaat de wereld overmorgen en zal de 8e plaag nadien alles in een puinhoop veranderen. Net voor de wereld op ons hoofd valt. Ze nemen geen blad voor de mond en er durft al eens een vloek aan te pas komen om dingen wat krachtdadiger te stellen.

Mannen aan een toog. Soms durf ik echt betwijfelen of ze wel weten waarom!

Gelukkig is het gespreksonderwerp vandaag Naingolan, de bloedvorm van Hazard en de stijfheid van Martinez. En prijs me nog gelukkiger dat ons wekelijks cafeetje niet Facebook heet maar café Belle-Vue. Er waren anders doden gevallen of minstens zwaar gewonden.

Botergeil van tuinkruiden

Hoe krijg ik mijn vrouw weer botergeil?
Ondertussen zijn we een halve eeuw verder en kan je het pillendraaiers bezwaarlijk aanvrijven niet begaan geweest te zijn met de vrouwelijke sexualiteit en lust. De pil was al een revolutionaire uitvinding die begin jaren 60 vrouwen eindelijk hun verdiende wipgoesting teruggaf zodat vanaf dat moment eindelijk volop klokken geluid konden worden tijdens volle hoogmis. Haleluja. Vrouwen konden en mochten. Ad libitum, eindelijk. En dat er wat afgevogeld werd.
Als vrouw werd je niet langer als promiscue, vulgair of los van zeden bestempeld als je het graag deed en veel. Riscoloos, histig sensueel of wellustig.
Als ik echter de recente berichtgeving mag geloven zitten we opnieuw opgescheept met een massale sexdroogte. Maar niet getreurd er wordt op dat vlak hard onderzoek gevoerd. De vrouwelijke libidopil is in aantocht zodat veluxen of andere slaapkamerramen opnieuw vol condens bedampt kunnen worden.
Waar viagra paal en perk zet bij de man in nood zal de vrouwelijke lustpil dijken in het zuiden doen overstromen bij diegenen die het onderaan wat moeilijker vochtig krijgen. Of toch niet?
Wat met bijwerkingen? Zal onze enige favoriete sexpoes geen snor krijgen? De baard in de keel of hoofdpijn, en had ze die niet al? Zal vermoeidheid geen lastig bijfenomeen worden? Want te moe, dat was ze toch ook al? Maar belangrijker misschien, zal ze zich niet blijven storen aan mijn favoriete slaapmarcelleke zodat ze mij daarmee nog steeds met Onslow uit keeping up appearences zal associeren? Zal mijn onfrisse ochtend-walm die doorgaans sterk genoeg is om bootvluchtelingen finaal voor Engeland als eindstek te laten opteren, de pret niet onderdrukken?
Sex en goesting of het gebrek eraan afdoen als een epidemische vrouwelijke hersenaandoening is misschien wat bruggen te ver. Misschien moeten wij venten gewoon ook wat meer moeite doen. Misschien zouden we ons favoriete marcelleke waar onze mannentronie 25 jaar geleden mee kon geaccentueerd worden voortaan niet beter inruilen voor een mooie gestreken pyjama. En zouden we ‘s morgens niet eerst een rolletje king-muntjes wegknabbelen alvorens onze nieuwste pornomoves te etaleren. Misschien is tegen vrijwillige monogamie, sleur en een hespenrolletje meer wel geen pillenkruid gewassen?
Nu dan? Want Ik heb net mijn teennagels geknipt, mijn boxershortje gesteven en heb een halve tube tandpsta opgefret.
Btw ik ruik naar lavendel en kamille. Ik hoop nu maar dat ze geen hooikoorts heeft of allergisch is aan tuinkruiden.

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

50/50 of 60/40?

Laten we er vooral eerlijk over zijn. Wanneer tijdens een gezellig avondje onder vrienden, bij een etentje of op café, de gesprekken plots gaan over klassieke rolpatronen is de kans niet onbestaande dat de sfeer wat grimmig of venijnig wordt. Tot er groen hout van komt.

Vrouwen vegen vandaag nog steeds de grot proper en zorgen nog altijd voor blinkende stalagmieten en –tieten.

In het hol van Lascaux en Altamira of in het Neanderthal ergerden ze zich indertijd al blauw over speren en bogen die veilig moesten weggelegd worden voor de kinderen opdat knotsen niet op verkeerde hoofden terecht zouden komen. Of over de verf die nog gemaakt moest worden om er de wanden mee te beschilderen met jachttaferelen.

Rondslingerende sokken en dopjes van tandpasta zijn clichés en scoren vandaag nog steeds hoog in de top 10 van de vrouwelijke ergernissen. Ze blijven een terugkerend discussiepunt. Het ouderwetse plaatje dat vrouwen wassen, plassen en het grut verzorgen terwijl mannen zelfs hun eigen viezigheid niet zien, blijft overeind.

Statistieken bevestigen. Huishoudelijk werk en er met veel zelfbeklag over klagen, is anno 2018 na christus nog steeds hoofdzakelijk een vrouwending. Waarom worden vrouwen anders al miljoenen jaren obsessief-compulsief als het stof, vuil en rommel gaat? Maar belangrijker waarom willen vrouwen de regeling die al sinds mensenheugenis overeind blijft, veranderen in een modernere 50/50 regeling? In het genderdebat hoeft de maatschappelijke vooruitgang van de vrouw toch niet de achteruitgang van de man te betekenen? Alsof de man een soort communicerend vat wordt waarin de opmars van de vrouw alleen maar kan geregeld worden door het zwakkere geslacht naar beneden te halen.

Moeten mannen dan mee onder huishoudelijke druk bezwijken terwijl het hun genetisch gezien en volgens de evolutieanalyse van Darwin geen zak uitmaakt? Dat er stof op het aanrecht ligt of dat de ramen niet perfect streep-loos en doorzichtig zijn?

Misschien wel! Want hulpvaardige mannen hebben een beter seksleven. Behulpzame, altruïstische heren zouden volgens statistieken sneller worden gekozen als potentiële sekspartner. Zelfs voor een korte stomende flirt.

Dames! Vergeet dus snel het genderdebat en zeg me waar dat vuilblik ligt. Geef me die dweil en die handleiding van die stofzuiger?

En is een 60/40 regeling ook ok?