Categorie: Lachen

Oude, grijze gazet

Door alle wensen die ik op deze heuglijke dag mag ontvangen, lijkt het erop dat ik vandaag de leeftijd van 55 heb bereikt. Nu ik me in de spiegel zo bekijk, zie ik een kerel die eruitziet alsof hij al een paar keer in de touwen van het leven heeft gehangen.

Kijk ook naar me, als je durft tenminste. Mijn haar is grijs, mijn huid is gekreukt als een oude krant, en mijn lichaam schreeuwt om genade. De rimpels op mijn gezicht vormen de kaart van mijn leven. De wegen die ik afgelegd heb kan je volgen met een vergrootglas, de reis boeiend, de bestemming nog steeds onbekend. Zelfs kortgeknipt zijn mijn haren even grijs als een vergeten gazet en met elke nieuwe dag voelt mijn lijf aan alsof het ieder moment uit elkaar kan vallen.

Je hoort het goed, ik ben nog steeds hier, nu om over mijn nieuwe ouderdom te klagen, dus laat me dat dan maar doen. Soms denk ik dat ik met mijn onstuitbare jeugdigheid en mijn nieuwsgierige geest nog steeds de wereld kan veroveren om hem naar mijn hand te zetten, diezelfde wereld die me al een paar keer een ferme boks in mijn maag gegeven heeft. Onstuitbare jeugdigheid! Echt, dat was sarcastisch bedoeld want ik voel me vandaag als dat vergeten basilicumplantje, eens fris en fruitig, nu verdroogd en verrimpeld omdat ik te lang op het aanrecht in de zon heb gestaan.

Mijn reputatie als avonturier van losgeslagen gedachten heeft me zowel bewondering als medelijden opgeleverd. Hoe zeggen ze dat? Het leven is een slagveld en ik? Ik ben al lang verslagen omdat ik niet langer in oorlog ben. Het is al goed, en als het slecht is, is het ook goed.

Het mag een wonder zijn dat ik überhaupt mijn 55ste verjaardag heb gehaald. Misschien loop ik vandaag langs de dokter om mijn hoofd nogmaals te laten checken, misschien stop ik met roken, niet zeker of ik dat wel wil. Ik zie wel. Maar één ding is wel zeker. Ik zal altijd blijven lachen, met mezelf en met de rol die ik nog steeds heb in deze tragikomische biografie van mezelf.

Dus op deze heuglijke dag en net zoals elke andere dag maak ik mijn entree met gebruikelijke flair, zeker van mijn tekst en met narigheid, zelfmedelijden en de juiste dosis sarcasme en zelfspot, als clown van mijn eigen circus.

The show must go on. Sent in the clown!

Een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset

Onder het oppervlak van Ken’s onberispelijke façade, waar perfectie slechts een dun laagje glanzend vernis is, gloeit zijn mannelijkheid als smeulende kolen met elke nieuwe dag heviger en heter.

Met een haarlijn strakker dan de manen van een ongetemde hengst en een kaaklijn scherper dan het scherpste scheermes vervloekt hij zijn uiterlijk als een heiligschennende ketter. “Wat ben ik hiermee, godverdomme.  Wat heb ik in hemelsnaam aan een roze Ferrari en aan een perfect uitgebouwd lichaam als ik gedoemd ben te leven zonder mijn traditionele gereedschapskist?”

Voor die ene perfecte Barbie, die hem adoreert voor zijn onberispelijke uiterlijk, terwijl zijn innerlijke drang het elke dag uitschreeuwt om veel verder te gaan dan haar roze pastelkleurige façade. Hij aanschouwt haar perfecte tieten zonder tepels en haar vormloos gewaxte kut zonder lippen, hetzelfde kunstmatige ideaal dat hij veracht maar waar hij zelf de verpersoonlijking van is. Wat moet hij ermee? Hij heeft niet eens een piemel, het grootste symbolische kenmerk van mannelijkheid.

Niets liever zou hij zich willen “losrukken” van zijn beperkingen om dat minstens drie keer na elkaar herhalen en zich zo te ontdoen van de kettingen van perfectie die hem aan zijn kunstmatig bestaan kluisteren. Wat zou hij graag leven met de ruigheid van een echte vent zonder zich te hoeven bekommeren over al die pastelkleurige grenzen die zijn verlangens begrenzen.

Daar staat hij dan, adonis der adonissen, gewaxt en gepolijst maar gevangen in een standbeeld op een voetstuk, met een Barbie naast hem als zijn onwetende gevangenismaatje. Op zijn pedestal is hij te bewonderen, zonder fysieke snikkel maar met nieuwe opgedrongen clichés en met andere stereotypen die even strak zitten als een roze, veel te hard knellend vrouwenkorset die zijn ware aard probeert te verhullen, een mannelijke aard die verlangt naar actie, ruigheid, avontuur en pure mentale vrijheid.  

In een wereld die streeft naar verscheidenheid en identiteit en waar de traditionele grenzen tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid vervagen, wordt nieuwe mannelijkheid en nieuwe vrouwelijkheid niet gedefinieerd door uiterlijke attributen. Je persoonlijkheid of authenticiteit wordt niet meer waard of groter door een gepolijste torso, door een strakke haarlijn of een scherpe kaaklijn. Je vrouwelijkheid wordt niet afgemeten aan de grote van je rondborstige tieten, aan je getuite lippen of aan je ronde billen, maar aan de kracht om tegen de stroom in te gaan en opzoek te gaan naar jezelf.

Onder het gepolijste uiterlijk van elke Ken en Barbie schuilt een verborgen verlangen naar oprechtheid, naar tederheid of naar ruwheid, naar vrijheid of naar diepe verbinding, naar het verlangen om simpelweg jezelf te zijn.

Breek los van je beperkingen ongeacht de pastelkleurige wereld waarin je gevangen lijkt te zitten, zelfs als die wereld met alle kracht probeert je die beperkingen op te leggen.

Ze zijn niet echt!

Waanzinnig Woke

In deze verwarrende, excentrieke tijden van het parallelle universum waarin we leven, voelen verwarde en merkwaardige mensen, steeds vaker behoefte om gekende gebeurtenissen die zich in het verleden afgespeeld hebben te hervormen tot iets wat past in een nieuwe agenda. Graag zouden ze alle gewelddadige feiten en gebeurtenissen een nieuwe betekenis geven, feiten die beschreven staan in normale geschiedenisboeken waarin minderheidsgroepen soms slachtoffer werden van een tirannieke eenling, van een systeem dan weer van een superieure meerderheidsgroep.  Liever nog zouden ze dit doen met het ongelofelijk spektakel van ongeziene absurditeit.

Omdat ik niet kan achterblijven maar toch vooral omdat mij ook onrecht werd aangedaan, sta ik op het punt Rome aan te klagen in een onwaarschijnlijke rechtszaak die de toekomstige geschiedenisboeken zal ingaan als het ultieme proces van het “Allerlaatste Waanzinnige Woke Sacrament.”

De reden? Simpel, mijn DNA.  Deze uitverkorene, tevens schrijver en voorwerp van mijn toekomstige aanklacht zal fungeren als spreekbuis van het gezond verstand en tegen de waanzin. Ik ben van plan om de Romeinse republiek aanklagen voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA ten gevolge van de tumultueuze overrompeling van Gallië door de Romeinen in 58 v.Chr. Ja, je leest het goed, ik stel de toenmalige bewindsvoerders van het Romeins imperium en meer bepaald Julius Caesar in persoon verantwoordelijk voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA.

Gekleed in driedelig maatpak zal ik in een waanzinnig woke proces aan de edele rechters van het gezond verstand en aan de leden van de jury bewijzen dat mijn voorouders en bij uitbreiding mijn volledige genetische erfenis op een doortastend en zwaar belastende wijze is aangetast door de Romeinse overheersing van Gallië.

Als aanklager van Rome zal ik aantonen dat de teksten die ik vandaag schrijf en waarin mijn voorliefde voor lang uitgesponnen, krachtige zinnen, mijn heldhaftige voorstelling van mannelijke moed, en hun superieure vastberadenheid en mijn totaal gebrek aan erkenning van de vrouw als overwinnaar van de battle of the sexes, te herleiden zijn tot de onfortuinlijke genetische erfenis uit die verre Romeinse hoogdagen, mijn DNA dus.

Als ultieme bewijs zal ik in mijn eindbetoog pleiten dat het Latijn, die Romeinse taal die destijds zo fors heerste dat ze de taal bij uitstek werd, bij het bestuur en bij het chique gedoe in het toenmalig Gallië, dit terwijl de Galliërs eigenlijk niets liever wilden dan hun eigen dialecten te blijven brabbelen, mijn huidig taalgebruik zonder mijn expliciete goedkeuring heeft gevormd.  Zonder enig mondeling of schriftelijk consent sloop precies dat Latijn als een kwieke smokkelaar van vervuilde woordenschat stiekem onze oertaal binnen.

Latijn en Gallisch, twee talen die elkaar in het gezicht sloegen met woorden en klanken waardoor met de brokstukken en de ruïnes daarvan iets nieuws ontstond dat later Frans werd genoemd. Het oer-Frans was een mix van het oude en nieuwe klanken die zich vermengden tot een eigen dieventaaltje dat vanaf dat moment gesproken werd op het grondgebied waarop we ons vandaag bevinden. De beïnvloeding van mijn DNA en mijn schrijfstijl zal hierdoor door de rechtbank van het gezond verstand als bewezen geacht worden.

Om een schadevergoeding is het mij niet te doen. Het enige wat ik vraag is erkenning van het feit dat mijn woordgebruik, mijn grammatica en mijn schrijfstijl het product zijn van het kosmische theater van de Romeinse expansiedrang en per definitie dus van de genetische beïnvloeding van mijn literaire expressie. Als straf en vergelding zal ik eisen dat zowel geschiedenis en literatuur als werelderfgoed dienen behandeld te worden en dus onaangeroerd moeten blijven zodat we ze kunnen omarmen als wonderlijke leerschool van al het goede en kwade en van alles wat zich in de mens schuilhoudt maar ook als eerbetoon van de verbeeldingskracht van de schrijver van het verhaal.

Locutus sum. Ad litem.

Het epos van een welzijnskip

Met een hart vol goede bedoelingen en met een maag die rammelde als een verongelijkte leeuw in een vegetarische savanne, trok ik uitgehongerd naar mijn favoriete restaurant. Mijn doel was even logisch als duidelijk en net zo helder als een sterrennacht in diezelfde savanne. Ambitieus was mijn voornemen ook. Uiteraard zou ik eerst mijn honger stillen maar tevens wou ik, min of meer vastberaden maar toch eerder opgefokt door mijn ecologische geweten mijn veel te grote ecologische footprint proberen te verkleinen door ‘iets vegetarisch’ te eten.

Als naïeve Don Quichot van den Aldi maar met een plan trok ik, gewapend met mes en vork in plaats van met een lans ten strijde tegen de klimaatverandering en tegen alle gerechten die door vlees-verslindende molens, ‘saignant’ geserveerd worden om ze er te laten uitzien alsof ze voor de opwarming van de Aarde geen bedreiging vormen.

De menukaart strekte zich over mijn leeg bord uit als een culinaire landkaart die mijn morele kompas en mijn hongerige ziel probeerde te verenigen. De kort aangebakken shiitake en de gekonfijte oesterzwammen met truffeltoets, klonken even verleidelijk als die mysterieuze vreemdelingen uit de roman die nog moet geschreven worden. De linzencurry met wortelparfum die als een betoverend exotisch avontuur mijn smaakpapillen wilde ontvoeren was dat ook.

Op dat eigenste moment, net voor ik mijn keuze kon maken, viel mijn oog op een literaire plottwist die zelfs Madame Bovary, u weet wel de legkip van Gustave Flaubert in vervoering zou brengen.  Op regel vier van de menukaart las ik drie betoverende woorden: “Consommé van Welzijnskip” en ik schrijf ze nog eens voor jullie neer opdat ze zouden doorklinken al ware ze van de hand van Flaubert hemzelf, “Consommé van Welzijnskip”.

Door die dichterlijke woorden, ik had ze zelf niet mooier kunnen bedenken, leek het alsof de kip in kwestie, zelf vorig jaar het besluit had genomen om een weloverwogen sabbatical te nemen om te ontsnappen aan haar traditionele kippenbestaan om zo via een doordachte carrièreswitch een loopbaan te beginnen als vrije legkip van biologische scharreleieren.

“Welzijnskip waarom niet”, prevel ik in mezelf met een glimlach die voelt als een schouderophalende knipoog naar mijn eigen interne komedie. Dit is toch dè uitgelezen kans om ecologisch bewust te eten en om tegelijkertijd een pluizige, zelfbewuste welzijnszoekende kip, palliatief naar het kippenhiernamaals te begeleiden. Win-win lijkt me, toch?

Maar, binnenin knaagt de twijfel van een nerveuze schrijver die zijn woorden in het rood aanstreept wanneer ze hem niet bevallen. “Hoe kan ik mezelf au serieus nemen nu ik hier kip zit te eten? Een kip die waarschijnlijk meer emotionele vrijheid heeft ervaren dan die ik ooit zal dromen? Een zelfbewuste, vrije uitloopkip, die notabene, een leven lang biologische eieren heeft gelegd alsof ze voor zichzelf gelegd waren, in België!  Terwijl ik niet eens een idee heb hoe ik ze perfect hard of zacht kook.

Hoewel mijn geweten knaagt, steek ik toch mijn vork als een moderne plichtsbewuste ridder aarzelend in het sappige stukje “Welzijnskip”. Ik trek daarbij een grimas die een mengeling is van genot, zelfspot, spijt, schaamte en triomf, niet omdat ik ogenschijnlijk verstrikt ben geraakt in mijn naïeve zoektocht naar duurzaamheid of in de illusie van het nut van een vegetarische schotel waarmee ik me een zuiver geweten kon schoppen.  Neen ik twijfel alleen nog of ik me niet beter tegoed had gedaan aan een ordinaire kippenbout afkomstig uit een economisch rendabele legbatterij, in plaats van aan het vlees van een overgelukkige welzijnskip die waarschijnlijk overijverig en voor het nageslacht het epos van haar boerderijavonturen in al haar eieren heeft geschreven.

Lach clown, lach dan

De tragikomedie van mijn bestaan wordt met de dag lachwekkender, zeker nu ik al zes weken vanuit mijn grijze ligzetel naar mezelf staar als hoofdpersonage van een absurde deurenkomedie. Zonder auditie te moeten doen schitter ik als rijzende ster op dit tijdelijke podium.

Toch, en zelfs nu mijn bestaan grotendeels beperkt is tot deze grijze ligzetel van waarop ik naar ’t plafond kijk, blijf ik zoeken naar de diepere betekenis van dit lot. Wat wil de wereld mij leren?  Ik stel me die vraag oprecht, terwijl dat wereldje misschien alleen nog maar bestaat om me te leren lachen met mijn eigenwijze, dwaze zoektocht naar betekenis.

In een wirwar van gedachten wankel ik als een dronken clown op krukken, balancerend op de dunne koord tussen waanzin en luciditeit. Mijn geest heeft de afgelopen dagen alles weg van een circusattractie van ontspoorde emoties en waanzinnige gedachten zonder logica. Ze sleuren me mee door labyrinten van verwarring en onzin.

Waarom denk ik wat ik denk? Waarom voel ik wat ik voel, maar vooral waarom schrijf ik wat ik schrijf? Zijn het marsmannetjes in mijn hoofd die onafgebroken en onzichtbaar, aan een stuk door tokkelen op hun buitenaardse klavieren om zo hun onbegrijpelijke symfonieën van de nonsens te componeren. Ben ik een personage in een absurd filosofisch toneelstuk dat geleid wordt door een gestoorde regisseur of worden mijn gedragingen georkestreerd door een onzichtbare dirigent met een wel heel erg grillige smaak voor dramatiek? Of zitten er dan toch spaghettislierten in mijn brein die helemaal in de knoop geraakt zijn en mijn gedachtewereld veranderd hebben in een hilarisch onbegrijpelijke chaos?

Wat er ook van zij, op dit moment is het alsof ik elke handeling uitvoer als een marionet aan touwtjes in handen van een onhandige poppenspeler waarbij beweging het resultaat lijkt van een willekeurige loterij waarbij mijn beslissingen worden bepaald door een dobbelsteen met veel te veel zijden. Het leven geleefd als in een surrealistische droom waarin ik deels blootvoets rondren op krukken en achter mijn andere schoen aan hol, zonder te weten waar ik naartoe ga.

Als ik niet oplet word ik straks ècht mijn eigen tragikomische vertoning, als manke held in een film waarin ik alle personages tegelijk speel, het slachtoffer, de schurk, de bijrol en het publiek, allemaal tegelijkertijd en vooral zonder plot.

Zal ik anders mijn eigen absurditeit omarmen? Om me ècht te zien als een clown in het circus van het leven, als een figuur die met humor en zelfspot zijn eigen ongelukkige lot viert? Ligt daar dan de sleutel. Om mezelf met een knipoog en grijns te aanschouwen.

Ik blijf nog even op deze ingebeelde scene staan als clown van mijn eigen dwaze circus, lachend om de groteske komedie waarin ik ben aanbeland. Ik smijt een denkbeeldige hoed in de lucht, vang hem op met mijn bilnaad en geef me over aan absurditeit die me wapent tegen dit ondraaglijk licht bestaan.

Met deze absurde cirkelredeneringen van dit tijdelijke leven, ontvouw ik dit paradoxaal inzicht en omarm het met de humor van een paljas.

Lach clown, lach dan.

‘Janchilles’, Trojaanse held!

Hier lig ik dan, in een ziekenhuisbed, even onbeholpen en verslagen als de moderne versie van Achilles, eigenaar van zijn onfortuinlijke pees. Gekluisterd aan dit bed, ben ik omringd door knappe, meestal blonde verpleegsters die getooid in smetteloos witte uniformen als Trojaanse godinnen op me neerkijken met een mix van medelijden en beroepsernst.

Ze geven me medicijnen, verschuiven mijn kussens, doen allerlei handelingen die alleen verpleegsters kunnen en geven me alle aandacht die ik nodig heb.

Toch vraag ik me af of ook zij me zien als dezelfde tragische Trojaanse held die ik me op dit ogenblik voel of ze me eerder zien als een zoveelste willekeurige patiënt met een onwillig weerspannige pees?

Bij elke intrede in mijn kamertje vragen ze mijn naam en geboortedatum terwijl deze info met een eenvoudige oogopslag af te lezen is van het label dat aan dit bed kleeft of van het bandje dat ik al twee dagen rond mijn pols draag.  

Terwijl ik hier lig en pijn voel bij elke beweging die ik maak, kan ik niet anders dan me afvragen waarom juist ík dit weer moest ondergaan. Zou het omdat ik in mijn jongere jaren te veel riskante avonturen heb beleefd en daar mijn straf voor ontlopen ben. Is dit dan mijn finale boetedoening voor al die jaren van losbandigheid en onbezonnenheid? Het lijkt erop dat het universum me straft voor al mijn dwaasheden.

Omringd door mensen zonder echte connectie, verlang ik ‘als gewoonte’ zelfs nu naar diepere verbinding, maar mijn situatie maakt dat wat moeilijk. Daarom probeer ik tegenover de verpleegsters al mijn heldencharmes in te zetten, met stomme grapjes en nog stommere opmerkingen. Hoe kan een man met een gescheurde pees anders indruk maken? Ze lijken niet onder de indruk.

In de gang worden patiënten die zich in nog erbarmelijkere toestanden dan ik bevinden in ziekenhuisbedden voortgeduwd op weg naar hun ingreep. Toch overwint mijn zelfbeklag en mijn drama. Zij zijn vandaag mijn enige metgezel want ik voel me als een geknakte bloem in een veld vol lentebloemen.

“Jan Pultau / 13 september negentienachtenzestig en veertien minuten!”, zeg ik misschien iets norser dan een kwartier geleden nog voor ze me de vraag kan stellen. De blonde ziekenzuster glimlacht want ze ziet de absurditeit van de situatie ook wel in. “We hebben interne audit en moeten vandaag echt aandacht geven aan alle protocols en procedures, zelfs al zijn ze wat onnozel”, antwoordt ze een beetje verontschuldigend. “Ik ben net naar het toilet geweest, naar het kleine en het grote, dat mocht toch?”, vroeg ik bijdehand. Dat mocht gelukkig!

De dag kruipt tergend langzaam vooruit. Elk uur voelt als een kleine triomf die alleen gevallen Trojaanse helden kunnen ervaren, al lijkt deze weg naar het einde van de dag eindeloos te duren. Ik stel me voor hoe ik straks weer kan stappen als een onverschrokken avonturier, maar nu moet ik het alleen doen met mijn pijnlijke pees en met mijn zielig zelfbeklag.

Straks word ik ontslagen uit dit ziekenhuis en zal ik bevrijd zijn van dit bed en van de knappe verpleegsters. Ik zal hen inruilen voor mijn vertrouwde sofa en mijn knap zorgzaam lief. Zij kent mijn geboortedatum uit het hoofd.

Ik hoop dat ik dit tragische figuur uit de Griekse mythologie en gevangen zit tussen lachen en huilen en als een schaduw van zelfmedelijden achter me aansluipt hier in dit ziekenhuis kan achterlaten.

Want ook al heb ik de looks, ik ben echt geen Trojaanse held. Ik heb alleen dezelfde pijnlijke pees!

Venijnige Vos

Daar zit ik dan, starend naar een leeg wit scherm met een hoofd dat aanvoelt als een dichtgeknoopte ballon.  Hoewel het lijkt alsof mijn 8mm film net brak, dansen beelden wild rond in mijn hoofd. Ze weigeren koppig elke medewerking en geven geen gehoor aan mijn nederig verzoek om georganiseerd, in woorden en zinnen op papier te verschijnen.

Hoewel de avond lang en de nacht kort was voel ik me niet suffer of vergeetachtiger dan op andere ochtenden. Verstrooid of verward ben ik evenmin, toch lukt het niet om me te concentreren. Meestal kost het geen moeite om wartaal uit te kramen, nu echter lijken de woorden vast te zitten in het slijk van mijn gedachten.

Ik zucht ogenschijnlijk vastberaden maar tast vruchteloos in het duister naar juiste woorden.

Op deze regenachtige ochtend kijk ik naar mijn computer, naar mijn laatste trouwe metgezel, de enige steun en toeverlaat in deze verwar(ren)de tijden. Ik probeer een bericht te beantwoorden maar de woorden ontwijken me als een vluchtende haas.

Mijn vingers dansen over het toetsenbord, maar wat ik te lezen krijg zijn slechts rafels van letters en flarden van woorden. Ze missen elke betekenis.

Opeens verlang ik hevig naar de scherpte van mijn denkvermogen, naar de elegantie van mijn alerte geest maar hij is net als die vis die uit mijn vijver sprong en op het droge tevergeefs naar zuurstof hapt.

In een ultieme poging om mijn geest op te frissen, zoek ik mijn toevlucht in koffie. Ik grijp naar het zwarte goud dat er altijd is en dat nu mijn traag geworden brein opnieuw tot leven moet wekken. Tergend traag slurp ik aan mijn kop, in de hoop dat de cafeïne mijn geheugen zal aanslingeren als een oude viertaktmotor.

Vergeefs en vastberaden blijf ik me verzetten tegen die ongenadige omhelzing van die verwarrende mist in mijn hoofd.

De alliteratie van deze zin zet me op het juiste zijspoor naar meer zweverige zinloosheid.

Als een verstrikte vogel in een veld vol verwarrende wolken van woorden, worstelde ik daarnet met mijn vermaledijde hersennevel. Maar nu met de alliteratie van de vorige zin als leider, worden gedachten even helder als een huppelende haas. Ze zijn niet langer verward en zitten niet meer verstrikt in dat web van wilde woorden.

Ik kijk opnieuw naar hetzelfde scherm, met ogen verlangend en verlost van het wervelende waas. Woorden hebben geduldig gewacht om in scherpe zinnen te worden geschreven. Ze rollen nu als dartele dansers uit mijn pen en zijn niet langer verward en verdraaid en klinken niet langer als een valse viool in de symfonie van de stilte.

Met datzelfde brein dat daarnet nog beklad met een brij van bedrog dienstweigerde, vechten in die vertraagde video van daarnet mijn vingers nu haastig om de juiste toetsen, terwijl ik alle woorden, als weerspannige wilde winden, meedogenloos laat ontsnappen. Ze stinken niet meer.

Daarstraks was je een venijnige vos, een verraderlijke tornado die mijn gedachten verstoorde. Je spotte terwijl ik worstelde met het vinden van wegende wendingen en wikkende woorden. Je brulde smalend terwijl ik stamelde en struikelde.

Even zat ik vast in de grijpgrage klauwen van mijn breinnevel, maar gaf niet toe aan zijn greep. Want ik weet dat heldere gedachten altijd diep in mijn geest verscholen liggen, geduldig wachtend om bevrijd te worden. Door woorden en zinnen, al dan niet allitererend.

Komt een man bij de therapeut

Sommige mensen zijn chronisch gelukkig, anderen niet. Mensen die leiden aan toxisch geluk hebben geen nood aan therapeuten. Het overige gedeelte wel maar die zijn te bang om in therapie te gaan omdat ze vrezen dat in die lege stoel, aan de andere kant van het salontafeltje, iemand gaat zitten die zegt, ‘jij bent zot!’

Maar het tegenovergestelde is waar. Jij gaat in een comfortabele zetel zitten en zegt tegen een compleet onbekende, die zopas op de ongemakkelijke stoel heeft plaatsgenomen, ‘ik denk dat ik zot ben!’ waarop de therapeut in kwestie, knieën over elkaar, antwoordt, ‘ok, je bent zot, laat ons daarmee aan de slag gaan, laat ons daarmee beginnen!’

Wat zich dan afspeelt verloopt ongeveer als volgt. Aan een stuk door en onophoudelijk rammel je openhartig alle dingen af waarvan jij denkt dat je zot geworden bent. De therapeut zelf doet niets, niemendal.  Hij of zij zwijgt, knikt, kucht, geeft indruk te luisteren en noteert zorgvuldig alle dingen waarvan jij vermoedt dat ze je zot gemaakt hebben in een notaboekje. Of erger, op een flipchart zodat het lijkt alsof jullie samen een gruwelijke moord oplossen maar waarvan jij verdacht wordt de seriemoordenaar te zijn.

Elke gebeurtenis, elk dramatisch ding en elke mislukking waardoor je je waardeloos en onbegrepen voelt wordt gelinkt aan je ergste jeugdtrauma, waarvan je al vergeten was dat je die allemaal een half uur geleden had opgebiecht.

De kans is niet onbestaande dat je aan het einde van die oefening zegt, ‘eindelijk, nu weet ik waarom ik zot geworden ben’. Waarop de therapeut antwoordt, ‘inderdaad, eindelijk weet je waarom je “denkt” dat je zot geworden bent.’ ‘Ben ik nu dan niet zot meer’, vraag je vervolgens hoopvol en vol verwachting, waarop de therapeut eindelijk het woord neemt en zegt, ‘nee, nee, nee was dat maar waar. Zo simpel is het allemaal niet. Zover zijn we nog lang niet.’

Waarop jij, met tranen in de ogen en de wanhoop nabij vraagt, ‘Wat moet ik dan doen, ben ik een hopeloos geval? Ben ik echt zot en is er voor mij dan geen meer kans op genezing?’

‘Kom gewoon elke week naar hier, breng honderdvijftig euro of je kredietkaart mee dan raken we er samen wel uit.’

Therapie helpt om bij de oorzaak te raken waarom je van jezelf denkt dat je zot bent. Lezers die ooit in therapie geweest zijn en zich in deze situatie herkennen, weten nu waarom die doos Kleenex op dat salontafeltje staat. Om tranen te drogen voor je lege bankrekening.  Mocht een mannelijke lezer denken dat die doos zakdoekjes ervoor een andere reden staat, stop met lezen en zoek professionele hulp of een goede therapeut want jij bent echt gestoord. Zot!

Een sprookje van kus mijn kloten.

Tegenwoordig wordt me een droomwereld opgedrongen waarin een boosaardige heks niet langer die wrattige, haveloze vrouw met een harige bobbel op haar kin mag zijn, die met een giftige appel een jonge ietwat naïeve vrouw in verleiding probeert te brengen. In plaats daarvan moet ik me een adembenemende mooie vamp voorstellen die met haar betoverende schoonheid vliegend op een Swiffer elke zwakke witte man op de knieën wil krijgen. “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand in wat voor een wereld ben ik aanbeland?”

Reuzen torenen niet langer boven ons uit, maar zijn net zo klein en schattig, als de favoriete chihuahua die op de schoot zit van de sensitieve lezer die hierboven de heks cancelde.  De zeven dwergen, zijn gewoon van normale lengte, neem gemiddeld één meter drieëntachtig, wat het een stuk makkelijker maakt om er kleren voor te kopen.

Elfen zijn niet meer die sierlijke wezens die ik me ooit in mijn grenzeloze fantasie mocht voorstellen. Ze zweven niet langer met hun sierlijke vleugeltjes op elfenstof door de lucht. Ze zijn net als ik en jij een gewone sterveling met de voeten vast op de grond, wat betekent dat ze maar figureren in het verhaal en gewoon lopen zoals ieder van ons. En de slechteriken? Die zijn ook niet meer zo slecht als vroeger, in feite zijn ze zelfs best vriendelijk geworden en iedereen wil ze te vriend zijn.

Als gevoelige lezer, zou je je de vraag kunnen stellen, “Wat is dan nog het probleem?” Want, schoonheid is subjectief, en als heksen eruit willen zien als supermodellen, en dwergen als een puberende schooljongen wie ben ik dan om daarover te oordelen? En waarom zou ik me storen aan een wereld waarin reuzen, dwergen, slechteriken en Hobbits allen op die gemiddelde buurjongen van naast de deur lijkt? Het is allemaal toch maar respectvol onschuldig plezier?

Misschien wel maar misschien ook niet. Soms zijn dingen zoals ze zijn met een reden. Neem die heks, bijvoorbeeld. Ze werd in elk sprookje altijd afgeschilderd als lelijk, achterbaks, slecht en verrimpeld. En daar was een goede reden voor. Afgrijselijke heksen en verschrikkelijke monsters vertegenwoordigen namelijk gevaar en illustreren de onbekende en donkere zelfkant van de mensheid. Reuzen en dwergen waren altijd meer dan levensgroot, niet alleen qua gestalte maar ook qua karakter, ofwel supergoed ofwel superslecht. Ze vertegenwoordigen en verpersoonlijkten extremen, lees het beste en het slechtste van de mensheid. Hoe meer ze op ons te laten lijken, hoe meer de lezer dat gevoel van ontzag, verwondering en verbazing verliest, zelfs de kleinste lezer!

En wat slechteriken betreft, die horen slecht te zijn. Zij vertegenwoordigen de obstakels en lastigheden die we moeten overwinnen, de uitdagingen die we moeten aangaan en de duisternis waar we door moeten om onze doelen te bereiken. Zonder dat alles verliest een sprookje of een verhaal alle betekenis en doel.

Dus beste gevoelige lezer die graag al eens een woord doorstreept. Hoewel het onschuldig lijkt om dingen te veranderen door ze aangenamer, vriendelijker en minder angstaanjagend voor te stellen, voor onze moderne gevoeligheden, onthoudt dat er een reden is waarom dingen zijn zoals ze zijn en verhalen geschreven zijn zoals ze geschreven zijn. Soms is het echt beter om de dingen te laten voor wat ze zijn. Je zou er zelfs een beetje haar van op de tanden kunnen krijgen.

Hé daar! Ben je er nog of heb je me al gecanceld? Luister, als jij je voor jezelf een wereld wilt voorstellen waarin heksen supermodellen zijn en reuzen klein en schattig, ga je gang.  Wie ben ik om je tegen te houden. Doorstreep gerust alle woorden waar je aanstoot aan neemt. Verander desnoods het woord “lelijk” in “niet zo mooi voor iedereen”, maar doe het in je eigen boekje maar blijf met je stengels van de andere.  

Sta misschien eens stil bij de gedachte dat de beste dingen in het leven soms net die zaken zijn die uitdagend, ongemakkelijk en ja soms een beetje beangstigend zijn. Soms zijn lelijke slechteriken echt zo slecht niet en af en toe zijn schattige dwergen monsterachtig.

Dus sensitieve schrapper, als je per se met klassiekers wil rommelen, doe het dan voorzichtig en met respect, anders wordt elk verhaal een sprookje van kus mijn kloten. En als je echt groen wil lachen, raad ik je aan eens een verhaaltje van mij te lezen.

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering

Oké mensen, neem gerust eerst een kop koffie, leun achterover en geniet van dit uitstekend stukje kantoorkomedie! Mag ik je alstublieft even meenemen in de wondere wereld van de absurde vergadering?

Stel het je voor, je zit in een vergaderzaal met een groep ogenschijnlijk verstandige mensen, althans daar moet je van uit gaan.  In het beste geval weet iedereen waarmee ze bezig zijn, in het slechtste geval helemaal niemand. Na de ronde tafel introductie waarop iedereen hun cv afratelt, blijkt dat de vergaderzaal overvol zit met mensen die er eigenlijk niet horen te zitten maar omdat ze zichzelf interessant en belangrijk genoeg vinden, zijn ze er toch.

De organisator van de meeting moet zonder twijfel gedacht hebben, laat ik gewoon iedereen die ik ken uitnodigen. Ikzelf weet ook van toeten of blazen, dus hoe meer zielen hoe meer vreugd, en wat maakt het uit als de helft ervan Candy Crush speelt op hun telefoon of nadenkt over een ‘catchy’ opener van hun Tinderprofiel?

Er worden zaken besproken die misschien interessant zijn, mogelijks belangrijk, soms zelfs essentieel maar beslissingen worden nooit genomen, niet één. Iedereen krijgt om beurten, maar het liefst door elkaar, de mogelijkheid om zich uitgebreid intellectueel te masturberen. Rink aan één en onophoudelijk wordt gepalaverd en gefilibusterd dat het een lieve lust is. Zonder uitzondering neemt iedereen, al dan niet ongevraagd het woord, al is het maar om de vorige spreker te herhalen. Naarmate de meeting vordert, vraag je jezelf af, “waarom zit ik hier, wat doe ik hier maar vooral, waarom maak ik deel uit van deze poging om met de langste of meest zinloze vergadering in het Guinness Book of Records te komen?

Waarom kiezen voor structuur, duidelijkheid en efficiëntie als chaos ook een optie is?

Ik noem vergaderingen als deze vanaf nu witte-, bruine- of zwarte- kippenvergaderingen.  

Meetings als deze verlopen dikwijls volgens eenzelfde stramien. Ze hebben weg van vergaderingen die doorgaans in marketingkringen plaatsvinden. Stel je daarbij een kleurrijke groep hippe mensen voor. Ze werken bijvoorbeeld in een marketingbureau en hebben bijvoorbeeld de opdracht gekregen om voor een lokaal pluimveebedrijf – we zitten nu toch volop in de stikstofcrisis – een unieke en opvallende campagne te bedenken voor promotie van de lokale biologische boerderij die gespecialiseerd is in pluimvee, kiekens dus.

Zonder één seconde na te denken over de opdracht, over het doel van de campagne, laat staan over het budget en hoeveel het grapje mag kosten, heeft het voltallig deelnemersveld zich al vastgereden in een eindeloze discussie en in de vraag of als blikvanger niet best een witte, een bruine dan wel een zwarte kip moet genomen worden.

Aanvankelijk probeert ieder zijn keuze met het juiste argument te verdedigen.

“Witte kippen zijn de klassieke, voor de hand liggende keuze”, zegt een van hen. “Laat daar geen misverstand over bestaan. Ze zijn schoon, puur en zuiver, net als de producten van de bio-boerderij, een no-brainer als je het mij vraagt.”

“In de huidige maatschappelijke context is deze keuze niet te verdedigen. In de modder van een kippenhok zal je altijd de vieze smurrie blijven zien”, zei een wel heel wakkere stem. “Bruine kippen zijn rustieker, neutraler en hebben net dat gezellige, dat – hoe zal ik het zeggen – huiselijke en onpartijdige imago. Onze doelgroep zal zich daarin gemakkelijk herkennen”, ging de klaarwakkere stem verder, “en minderheidsgroepen zullen er geen aanstoot aan nemen want bruine kippen zijn divers.  Ze leggen namelijk witte èn bruine eieren.”

“Stop, en vergeet alstublieft de witte en de bruine Boomer-kippen. Die zijn zoooo jaren tachtig. Zwarte kippen zijn nu top of mind. Zij zijn dè nieuwe next-gen-Z-kip bij uitstek omdat ze strak en modern ogen. Zij alleen kunnen een jong en trendy publiek aanspreken, en laat dat nu nèt onze doelgroep zijn.” “Ja, en zwart verslankt!”, roept een fel geschilderd, luidruchtig, blond kieken dat ook op de vergadering blijkt aanwezig te zijn. De poule in kwestie is voorzien van twee ferme kippenfilets, al zou de kiek in kwestie ook gewoon een kwetterende haan kunnen zijn die denkt dat hij een legkip is.

Uren verstrijken, en standpunten raken steeds verder van elkaar verwijderd. Soms lijkt een compromis over de witte kip in de maak, af en toe lijkt de keuze voor de bruine kip de bovenhand te nemen, maar dan komen voorstanders van de zwarte kip met een ogenschijnlijk doorslaggevend argument, dat het bij nader inzien niet blijkt te zijn, zodat ze terug naar af moeten.

Nergens nog kunnen ze het eens over worden. Naarmate de discussie vordert, komen er steeds nieuwe standpunten en meningen bij. Om geen ‘ondoordachte beslissing’ te moeten nemen, de kleur van de vogel is namelijk niet iets waar lichtzinnig mag overgegaan worden, wordt de definitieve keuze uitgesteld naar de volgende dag.

Wanneer een discussie ontstaat over het geslacht van de engelen kan de nacht geesten doen rijpen!

Als ‘s anderendaags na veel vijven, zessen maar ook na veel zevenen, achten en negens de keuze eindelijk valt op de diverse bruine kip, zij bleek dan toch voor alle partijen een aanvaardbaar modelcompromis, komt ‘out of the blue’ iemand op het lumineuze idee om niet een kip maar een fazant als beeld te gebruiken. “Denk er eens over na,” zei ze. “Een fazant is uniek en onverwacht. Het zal de boerderij echt onderscheiden van alle concurrenten.”

Eerst wordt het idee met de nodige scepsis ontvangen. “Een fazant is niet eens een kip!” protesteert iemand. “Dat beest past niet in onze opdracht.” Maar toen ze meer ideeën begonnen te bedenken lijkt het fazantconcept toch mogelijkheden te bevatten.

Langzaamaan raakt iedereen het eens over het voordeel van het fazantidee. Met het wilde en exotische karakter van de fazant kan het beest gepositioneerd worden als hoogwaardig alternatief voor de doodgewone kip.

Tot iemand vraagt, “en wat denken we eigenlijk van een Kwartel of een Patrijs?”

Onderschat nooit de kracht van een absurde vergadering!

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

Ontwaken en vaststellen dat mijn identiteit nog steeds overeenstemt met het geslacht waarmee ik geboren ben, is in de tijd waarin we leven een hele opluchting. Zonder hierover in detail te willen gaan, maar een geslacht als het mijne, het heeft soms zijn nadelen en elk nadeel heeft zijn voordeel.  

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

Om het niet over het ‘glazen plafond’ te moeten hebben, breng ik vandaag hulde aan alle ongelooflijke vrouwen over de hele wereld en aan alle fantastische bijdragen die ze aan het mensdom leveren.

Waarom ik het doe, geen levende ziel kan deze vraag beantwoorden, maar in een absurde intieme bliksemflits stel ik me uitgerekend op vrouwendag, een wereld voor waarin mannen met dezelfde ongemakken kampen als vrouwen.

Dat zou buiten interessante pré- en postnatale lessen zeker nog andere interessante dingen opleveren. Hoe moeten we ons bijvoorbeeld ochtendmisselijkheid bij aanstaande vaders voorstellen? Hebben zwangere mannen ook constant goesting in augurken en crème glace. Ik vraag me dat af. En wat gedaan met die uitgezakte mannenblaas, dat uitdijende mannenlijf en die pijnlijke tepelkloven na het zogen? In elk geval zouden wij mannen de pijn en de glorie van een bevalling beter kunnen snappen.

Stel je voor, mannen op pumps of stiletto’s. Voor geoefende vrouwen is lopen op hoge hakken al zoiets als koorddansen op stelten terwijl je een marathon loopt. Zouden mannen er, tien cm boven de grond, even professioneel, gepolijst en stijlvol kunnen uitzien als vrouwen? Of zouden ze alleen maar zeuren en zagen over dat eindeloze spelletje voetkwelling van blaren, hamertenen, pijnlijke voeten of erger, eeltkloven, omdat de rode hak van hun nieuwste Louboutins door hun even rode voetzool dreigt te priemen?

Deze veel te dure marteling zorgt voor genoeg leed om alle vrouwenschoenen op het stort te gooien. Voortaan mogen ze rondlopen op blote voeten, als een Hobbit! Maar alleen als ze de haren van hun tenen scheren.

Nu we het toch over ontharen hebben. Als mannen hun benen, oksels, rug, gat, zak, borstkas en zwembroeklijn op dezelfde manier zouden moeten scheren als zij dat van een vrouw verlangen, ze zouden allemaal van pedofilie kunnen verdacht worden. Toch wordt van een modelvrouw verwacht dat ze er even haarloos en glad uitziet als een twaalfjarige met een c-cup.  Minstens een c-cup!

Deze C-cup brengt me trouwens, al dan niet naadloos bij de beha. Hoewel vele mannen bij het dragen ervan gebaat zouden zijn, de wereld zou vergaan moesten ze elke dag te maken hebben met het constante ongemak van het dragen van dat knellend stukje kant, dat te kleine dingen er groot doet uitzien en te kleine dingen groter. De worsteling van het verstellen van bandjes met schuifdingen die nooit doen wat ze moeten doen, het gedoe en gepruts met sluitingen die in je vel komen te zitten en dat gevoel dat de beugels in de huid snijden, wat een nachtmerrie. En toch wordt van vrouwen verwacht dat ze elke dag dit figuur corrigerend martelwerktuig dragen zonder te zeuren. Gun hun toch ook dat comfortabel ‘Marcelleke’ waarmee ze kiekens tegen de draad kunnen zetten.

Mochten mannen trouwens te maken hebben met rugpijn, krampen en het ongemak van de menstruatie, de wereld zou krijsend en gillend tot stilstand komen. Vergaderingen, reisplannen en belangrijke gebeurtenissen zouden afgelast worden, en de ziekteverzekering zou onbetaalbaar worden. Toch krijgen vrouwen vaak te horen dat ze zich moeten inhouden, flink moeten zijn en door moeten gaan met hun dagelijkse beslommeringen alsof er helemaal niets aan de hand is.

En dames en heren, mag ik het tenslotte over echte slapstick hebben!  Ik bedoel make-up. Als mannen zouden proberen zich daarmee bezig te houden, ze zouden verloren zijn als een clown in een doolhof. De hoeveelheid kleuren en strepen zou hen verbijsteren en zou hen eruit laten zien als het troebelste aquarel van Monet.

Maar van dames verwacht de maatschappij wel dat ze zich opdoffen als een pop, dat ze euro’s uitgeven aan producten die afkomstig zijn van een potvis om ze nadien aan hun gezicht te smeren.  Die producten beloven dames er mooi uit te zien zodat de weg naar voorspoed en geluk geplaveid is met glitterende tegels. Van meisjes en vrouwen wordt nu eenmaal letterlijk verwacht dat ze de clown uithangen terwijl mannen dat alleen maar figuurlijk hoeven te doen.

Hoewel dit verhaaltje een absurde gedachte is waarin ik ‘vrouw zijn’ op een fles trek, toch is de toekomst vrouwelijk want zij hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld omdat het ‘sterke geslacht’ al veel langer een hoger doel dient dan er goed uit te zien of zich in een rolpatroon te wurmen.

In deze realistisch sensationele gedachte realiseer ik me trouwens dat ik als man, buiten eigenaar van een beetje macho-branie eigenlijk helemaal niet zoveel voorstel, althans niet zoveel als de meeste mannen doen, al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

Gelukkige Vrouwendag trouwens!

Hoe vermijd je dat je eindigt met een struisvogelbrein?

Ben jij ooit al in een hokje gestopt? Je weet wel, iemand waarmee je drie woorden wisselt en onmiddellijk, op basis van jouw werk, je hobby, geslacht of sterrenbeeld wel heel snel concludeert dat je zus of zo moet zijn.

Ik bedoel, kreeg jij ooit al opmerkingen zoals, “Ah, jij bent schrijver, is dat niet heel erg eenzaam? Je wordt toch snel een soort van kluizenaar, daar zo alleen in je kelder, zonder daglicht, met je laptop als enige gezelschap?” Of, “Is het leven niet lastig als maagd. Dagelijks kampen met angsten en onzekerheden, zeker als je ook nog een controlefreak bent die elk detail over-analyseert, da’s toch geen leven?”

Het zijn ogenschijnlijk onschuldige opmerkingen, alleen je krijgt ze ongevraagd en ze hebben hetzelfde effect alsof je in een klein doosje wordt gestopt en gelabeld wordt als een pakje vogelzaad.

Vogelzaad, niet onbelangrijk nu de vogelgriep opnieuw in ons landje is neergestreken. Ik neem dan ook de vrijheid om even op je scherm te springen en je kwetterend als een mus te vertellen dat ‘hokjes denken’ uitsluitend voor vogels geldt, niet voor mensen.

Mag ik daar een ei over leggen?

Zolang we mensen blijven stereotyperen op basis van hun vermeende kenmerken en ze in hokjes blijven steken, zullen ze in hun vogelhok nooit de vleugels spreiden. Ze zullen nooit vliegen, nauwelijks vogelen en zeker geen eieren uitbroeden.

Maar maak je geen zorgen, sterker ik wil je geruststellen.  Om niet in de valkuil van het ‘hokjes denken’ te trappen bestaan er manieren zodat je niet eindigt met een struisvogelbrein.

Laten we om te beginnen proberen om opnieuw voor onszelf te denken en laat ons ophouden om mee te gaan met vooroordelen die anderen voor ons hebben bedacht. Het is niet omdat iemand een filosoof of advocaat is dat hij geen gevoel voor humor kan hebben, toch?  Het is niet omdat iemand het sterrenbeeld vis heeft dat hij altijd als een zalm stroomopwaarts zwemt en een voetbalsupporter is niet per definitie marginaal, al is de kans vele malen groter dat hij het wel is dan een normale mens. Zoals steeds bevestigt uitzondering de regel.

‘Hokjes denken’ weg ermee dus!

Verschillen maken ons uniek. Lach er hard mee maar vecht er niet tegen. Of je nu een flamingo, een pinguïn of een huismus bent, je hebt de kudde iets te bieden. Dus laten we allemaal de vleugels uitslaan om hoog te vliegen. De Icarus van de vliegkunst valt wel uit de hemel als hij te dicht bij de zon komt.

Merk je dat je toch in een ‘vogelkot’ wordt geplaatst, wees dan niet bang om als een pauw met je pluimen te pronken om de wereld te laten zien dat je meer bent dan een eendimensionale vogel die opgesloten zit in een kot.

Met de vogelgriep in ’t land is het zelfs gevaarlijk om nu uit de kast te komen en je te outen als vogel met een struisvogelbrein, tenzij je graag met je kop in ’t zand blijft steken natuurlijk.

Tenzij je allergisch bent voor humor?

Voor een bepaald soort mensen van een bepaalde generatie of sociale klasse, bestaat er geen groter geluk dan stoïcijns te zijn. Niets wat zich in hun nabijheid of in de wijde wereld afspeelt lijkt hen te deren, niet ten goede en niet ten kwade. Elk probleem, groot of klein, lijkt als boter op Tefal van hen af te glijden.

Stoïcijnse mensen vind je overal, ook op feestjes maar daar nemen ze haast nooit het woord. Het zijn onopvallende behangpapiermensen die aan het eind van een hoogoplopende discussie, wanneer het gesprek dreigt te ontsporen, gevraagd wordt, “He, wat vind jij er eigenlijk van?’

Met een genuanceerd antwoord waarin iedereen zich kan vinden, slagen ze erin om met twee woorden de lont uit het kruitvat te halen.

Een stoïcijns iemand zal je op overdreven grootspraak of op enthousiaste uitbundigheid nauwelijks kunnen betrappen. Ze bewaren liever afstand, luisteren geamuseerd maar reageren zelden, alsof ze allergisch zijn voor plezier of zoiets.

Hoogstens zal je een veel- of niets betekende, gereserveerde glimlach op hun gezicht zien verschijnen. Alle andere reacties of emoties zijn gedoseerd of worden geweerd. Praat je met stoïcijnen lijkt het wel alsof je bloed uit een steen probeert te persen. Soms halen ze dat vanonder je nagels. In haast elke situatie zijn het vliegen op een muur maar zoemen doen ze zelden.

Laat ik het even over hun tegenpolen hebben. Een term om deze groep mensen te omschrijven heb ik niet maar je zal ze wel herkennen. Deze grootsprekers, hebben het hart op de tong, zijn tè aanwezig, en voeren altijd het woord. Na het diner zeggen ze, “Ja, de zalm was niet slecht maar weet je waar je echt de beste zalm kan eten? In Canada, in het Five Sails Restaurant in Vancouver.” Hoewel je deze emotionele orkaan al minstens een kwartier lang probeert te negeren zal hij toch pogingen blijven ondernemen om jouw aandacht te vangen, zelfs al interesseert het je geen bal. De moppen die hij verteld zijn oud als de straat en zo ongeschoren als de baard van Leopold II.

Deze ‘Ned Flanders’ doet gewoon altijd tè hard zijn best, is tè beleefd of tè boertig maar is vooral tè storend. Zijn tussenkomsten zijn nooit afgemeten en altijd straffer of avontuurlijker dan die van de vorige spreker. Deze mensen hebben overal pijn en hebben die kwetsuren als gevolg van fantastische ongelukken waarbij een normale sterveling geen kans op overleven heeft.  Ze vinden racisme vreselijk maar ergeren zich ook donkergroen aan progressieve meningen.

De vrouwelijk ‘Ned Flanders’, mist naast veel andere dingen vooral haar vriendinnen omdat ze te druk-druk bezet is. Ze zit vol zelfmedelijden en beklaagt zich tegen iedereen die het wil horen dat haar man naast de pot pist. Kan je het hem kwalijk nemen? Wat dit soort mensen pas echt onverdraagzaam maakt is dat ze naast vreselijk irritant, oppervlakkig, supersaai en zelfingenomen ook nog gigantisch voorspelbaar zijn.

Resten me de zelfverklaarde verdraagzame mensen die zichzelf aan de juiste kant van de geschiedenis plaatsen. Deze nieuwe soort mensen beschouwen zichzelf als vernieuwende denkers en zijn radicaal politiek-correct.  Ze noemen zich inschikkelijk en tolerant maar in werkelijkheid vertonen ze die verdraagzaamheid uitsluitend wanneer het over hun eigen dada gaat.  

Ze staan voor transgenderrechten, zijn fel tegen racisme gekant, misschien vatbaar voor complot denken maar zijn zeker verschrikkelijk gevoelig voor al datgene wat niet in hun wereldbeeld past. Ze zijn op zijn zachtst uitgedrukt intolerant ten overstaan van al datgene wat ze bekritiseren en nemen er zelfs aanstoot aan.  Op hun agenda staan homo- en transgenderrechten, racisme, seksisme, dekolonisatie, intersectionaliteit etc. Begrijp me niet verkeerd, mensen die zich bewust zijn van sociale problemen en van onrechtvaardigheden, dat is belangrijk.

Maar er is een onzichtbare lijn tussen bewust zijn, verandering opperen of er aanstoot aan nemen. Want ze lezen je de les en bekritiseren je ‘privileges’ ook al weten ze niets over je achtergrond, je verleden of je levenservaringen. Ook al gaan deze ruimdenkers er prat op te ijveren voor sociale rechtvaardigheden aarzelen ze niet om vrienden of familie onder de bus te gooien en ze te elimineren zonder kans op vergeving als ze niet in hun (biologisch groenten-) kraam passen.

Wat ze je natuurlijk niet vertellen is dat machtsdenken wellicht hun echte beweegreden is. Want eigenlijk willen ze niets liever dan de wereld op te delen in kampen, in het goede kamp en in het slechte kamp, in onderdrukten en in onderdrukkers. Minderheden hebben geen macht en moeten dus slachtoffer genoemd worden en behoren daarom per definitie tot de goeden. Aan de andere kant van de arena bevindt zich de witte westerse man. Hij is per definitie machtig, geprivilegieerd en dus slecht.

Deze mensen kwalificeren machtig en slecht bijvoorbeeld met eigenschappen als geslacht (man), huidskleur (blank), seks (hetero) en leeftijd (Boomer). Het zijn echter dezelfde aangeboren eigenschappen en kenmerken die ze als argument gebruiken om er minderheden mee te definiëren. Begrijp jij het nog?

Zelfs al kom je in grote lijnen overeen met de visie van deze groep mensen, hou je je best toch op de vlakte. Je mag voor vrouwen-, homo- en transgenderrechten opkomen, gekant zijn tegen racisme, zelfs dan hou je als witte ‘boogieman’ nog beter je mond. Er rest niets anders dan plaats te maken voor alle minderheden. Stel je je niet nederig op en ben je het niet altijd voor de volle honderd procent eens, dan deug je niet, word je genegeerd, gecanceld, hoogstens gedoogd maar niet geaccepteerd. In het aller slechtste geval eindig je onder de bus.

Wat is er tegenwoordig toch aan de hand met de mensheid? Het lijkt wel of iedereen wakker geworden is in een soort van ‘new-age-star-wars-wereld’ waarin men plots beseft dat het eten van avocado’s en quinoa of het schrappen van heetgebakerde woorden in boeken de sleutel tot geluk zijn?

Mensen lijken meer geïnteresseerd in het etaleren van hun eigen deugdzaamheid dan in ècht maken van verschil. Het is alsof ze elkaar proberen te overtreffen in een moreel gezelschapsspel. “Oh, jij bent alleen veganist? Nu, ik ben veganist EN ik recycle EN ik ben Woke!”

We lijken met zijn allen wel te leven met als opdracht een Rubik’s kubus op te lossen door ons slechts op één kant te concentreren. Zeker, je krijgt misschien die ene zijde helemaal groen, maar hoe zit het met de andere vijf kanten?

Draai of keer het, uiteindelijk moeten we allemaal onthouden dat we er samen voor staan. We hebben misschien verschillende meningen en overtuigingen, maar we zijn allemaal mensen die op hun manier proberen te navigeren in een ingewikkelde wereld. Dat we onszelf voortdurend overschatten en anderen onderschatten mogen we onszelf best vergeven want dat betekent dat we menselijk zijn en precies door die menselijkheid zal het met de wereld uiteindelijk wel goed komen, of toch niet?

Laten we dus proberen om naar elkaar te luisteren, en er misschien zelfs een paar grappen over te maken.

Tenslotte is humor toch het beste medicijn, tenzij je daar ook allergisch voor bent.

Mannen weten waarom

Wie van mening is dat AB Inbev alle credit mag opeisen voor de slogan, “…mannen weten waarom”, lees even verder. Nu zoveel mensen het collectief een maand drooghouden zou je het je zomaar kunnen afvragen waarom bierdrinken zo diep in ons samenlevingsweefsel verankerd zit, waarom we dat gewoon en als vanzelfsprekend vinden, en waarom mannen, al dan niet terecht de alleenheerschappij van het “weten waarom” opeisen.

Antwoorden op deze vraag reiken verder dan de kantine van de lokale voetbalploeg of van het plaatselijke dorpscafé, of misschien toch niet.  Ik neem je even mee naar de vroege Middeleeuwen. Voetbal werd nog niet gespeeld en foute alcoholreclame was nog niet uitgevonden, maar toch was het brouwen van bier in die tijd doodnormaal. Het gebeurde in huiselijke kring en het was een taak die uitsluitend bestemd was voor, je gelooft het nooit… ‘vrouwen’.

Hoewel het ‘biersteken’ ook achter kloostermuren bedreven werd door monniken en nonnen, deden ze dat in hoofdzaak om in hun levensonderhoud te voorzien.

In de Middeleeuwen werd trouwens relatief meer bier gedronken dan vandaag. Je mag rekenen dat op jaarbasis toen elke man, vrouw of kind gemiddeld zo’n drie- a vierhonderd liter bier naar binnen goot.  Grof gerekend is dat zo’n 5 à 6 alcoholeenheden per dag. Toen Caesar in zijn Bello Gallico liet noteren dat Galliërs voortaan het dapperste volk der volkeren moest genoemd worden had hij beter laten opschrijven dat ze het zatste volk ooit waren.

Maar er waren verzachtende omstandigheden. Want de volksgezondheid had er iets mee te maken. Bier werd namelijk hoofdzakelijk gedronken als alternatief voor water dat dikwijls door bacteriën besmet was omdat het uit waterputten geput werd of uit grachten of beken werd gehaald. Bier werd gewoonweg gedronken uit noodzaak om niet ziek te worden. Maar of het uitsluitend een mannelijke aangelegenheid was, durf ik ten stelligste te betwijfelen.

Bier en mannen, ik kan er bladzijden over volschrijven. Het is weerzinwekkend te zien hoe mannelijke drinkebroers vandaag nog steeds hun identiteit en ego, met de slogan, ‘adje, voor de sfeer’ met elkaar afmeten. Omdat mannen menen te “weten waarom” en omdat vrouwen daar niets mee te maken willen hebben, distantieert dat vrouwvolk zich van dit haantjesgedrag. Uiteraard drinken ze ook, misschien evenveel, soms meer en waarschijnlijk iets anders, maar ze doen het niet om er hun identiteit mee in de verf te zetten, maar eerder om er hun waardigheid mee te verliezen. Sta me aub toe om historische drinkgewoonten en drinkerfgoed te beschermen met een vleugje humor en sarcasme.

Wat ik wel met historische zekerheid weet is dat drinken me tot de man heeft gemaakt die ik vandaag ben. Ik heb het veel te veel moeten doen en moest er huis, goed en bijna mijn verstand aan verspelen om te beseffen dat het goedje niet langer voor deze man bestemd was. Mijn schaamte of mijn mannelijkheid hoef ik al lang niet meer op te lappen als ik op café een water of een koffie bestel.

En dat doet me nadenken over die seksistische slogan, ‘… mannen weten waarom.’ Omdat hij knap bedacht werd om vrouwen, die vastgeketend zijn aan hun rolmodel en in de plaatselijke supermarkt nog steeds de wekelijkse boodschappen moeten doen, eraan ter herinneren welk merk ze best meebrengen om er hun man mee te plezieren.  

Want je bent toch niet zo naïef te denken dat mannen, eens ze aan een toog aanbeland zijn niet weten welk merk ze het liefst binnen gieten, al blijft de vraag wel onbeantwoord of mannen, maten en makkers echt wel weten waarom.

Cupido, Valentijn en het heilige kruis

Eerlijk is eerlijk, ‘strontjaloers’ ben ik op al die harteloze mannen met een totaal gebrek aan romantiek die hun relatie vastgeklikt hebben in oude, maar duidelijke rolpatronen. Zij kunnen morgenavond immers ongestoord, zich van geen kwaad bewust, rustig, zakje chips in aanslag naar de Champions League wedstrijd PSG – Bayern München kijken. Niet zo dus voor deze oeverloos ‘morantisch’ ingestelde sufkop. Ik kan weer aan de slag met oesters, champagne, rozenblaadjes, chocolade, gedempt kaarslicht en met een pikant lingeriesetje, het liefst in de juiste volgorde om het allemaal wat proper te houden.

Reclamedames en -jongens die de voorbije dagen geen kans onbenut lieten om me nogal dwingend met hartjes, chocolade en ‘peperdure rode lingeriesetjes’ op mijn Valentijns-plichten te wijzen, zullen me morgenavond geen geluksvogel doen voelen.  Ook al verwacht ze zelf niets, en al zeker geen ‘peperdure kruis-loze lingeriesetjes’ is net dat niets verwachten wat Valentijn zo venijnig maakt. Immers het zich aan niets verwachten, maakt net dat het een briljante ‘move’ wordt als je het wel doet. Plat, meedogenloos grensoverschrijdend… emotioneel machtsmisbruik, in een waarom #menot-sfeertje.

Je begrijpt dan ook dat ik behoorlijk afgunstig ben op al die tegenovergestelde nieuwe mannen, die Valentijnsdag maar plat commercieel gelul vinden en die fier eigenaar bleven van een totaal gebrek aan geforceerde hoffelijkheid en artificiële romantiek. Zij kunnen, zonder zich moeilijke vragen te stellen, gemakkelijk weerstaan aan de subtiel opgedrongen verborgen verleiders omdat zij geen superdure attributen nodig hebben om er de liefde van hun vrouw mee (om)te kopen.

Het blijft toch wonderbaarlijk hoe reclame en cupido er met venijnige verleiders op 14 februari telkens in slagen om de hoogdag van de liefde te banaliseren en te reduceren tot platte commercie. Wonderbaarlijker is nog dat mannelijke jagers met bankkaarten en vrouwelijke prooien met nieuwe rode lingeriesetjes dit jaarlijks terugkerend ‘lockbite-event’ nodig hebben om er hun steendode liefdesleven mee te reanimeren.

Alleen de vraag blijft, wie houdt wie voor de gek en wie bedacht deze slechte commedia del arte?  Goed geweten trouwens, dat de patroonheilige van Valentijn, de hoofdrolspeler van dit gebeuren, niemand meer maar ook niemand minder is dan pater Valentinus, een ‘contrair heilig paterke’ uit de middeleeuwen, die dik tegen de zin van de keizer, in ’t geniep verliefde soldaten trouwden terwijl hem dat ten stelligste verboden was omdat hen dat zou afleiden van de oorlogsmissie.

Schappelijke mens die Valentinus, daar niet van, en alle lof voor die contraire dienaar van het ‘heilige’ kruis.  Ik vraag me alleen af, waar en wanneer de rode lingerie, de champagne en de chocolade erbij gesleurd werden want die spullen waren bij mijn weten in het jaar 270 nog niet uitgevonden.