Categorie: Lachen

Gesponsorde bullshit met een kortingscode

Strontmoe ben ik het, niet een klein beetje sarcastisch moe maar echt strontbeu. Ziekmakend is het. Op de plaats waar ik vroeger een beetje mentale rust vond, liggen nu advertenties te rotten.

Het begint ’s morgens al. Zelfs op kerstdag. Nog voor ik goed en wel mijn ogen heb opengetrokken, ligt die fucking gsm al als een opgefokte hond in mijn oor te hijgen. Iedereen wil iets van mij en iedereen wil het me laten weten. Wat zogenaamd goed en juist is, waar ik beter van moet worden, nog voor ik zelf weet dat ik iets mankeer. Niemand houdt nog gewoon zijn bek.

Vijf- tot zesduizend reclameprikkels per dag, dat is geen marketing meer dat is pure mishandeling. Terreur. Elke vijf seconden tikt een ingebeeld iemand ongevraagd op mijn schouder, die komt zeggen, “heb je dit of dat niet vandoen want zoals je er nu uitziet ben je niet af. Zoals je er nu bijloopt, ben je geen van ons. Heb je dit of dat al eens geprobeerd?” En als het geen product is waar ik al niet zat op te wachten, is het tegeltjeswijsheid in een gesponsorde levensles. Gesponsord. Uiteraard.

Zwijg me over al die fucking influencers. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn wandelende reclameborden met gesponsorde gezichten. Allemaal tuiten ze hun lippen gelijk een gans maar lachen doen ze niet want dat rendeert niet. Zelfs na hun laatste mentale breakdown willen ze me iets verkopen. “Ik deel dit even met jullie omdat het belangrijk is.” Hou toch je bakkes. De enige reden waarom je dit deelt is omdat er geld in zit.  Zelfs de ziel of het geweten van je moeder zou je verkopen. Wees tenminste eerlijk in je smerigheid.

Ik wil niks proberen en al zeker niks kopen. Ik zal zelf wel bepalen wie mijn redding zal zijn. Auto’s, kleren, rust, focus, zelfliefde, alles moet in dezelfde Zalando-, Amazon-, of bol-dot-com-doos passen. Allemaal laten ze uitschijnen dat mijn existentiële ellende maar zal verdwijnen met dit of dat product. Ik heb geen tekort aan producten, ik heb een tekort aan rust. Ik wil geen overdosis bullshit-gelul meer.

Mijn brein is stilaan een vuilnisbelt aan ’t worden waarop elke marketeer, elk bedrijf en elke influencer zijn, met reclame bedrukte vuilzak rotzooi dumpt. De Hoge Maey is er niks tegen. En ik zou nog dankbaar moeten zijn ook.  Als ik alles moet geloven zou ik met al die zever tien andere versies van mezelf kunnen kopen. Dank-u, maar ik moet jullie zogenaamde luxe niet. Ik moet er niet voortdurend herinnerd te worden aan alles wat ik niet ben. Daarvoor ga ik wel naar een psycholoog.

Zelfs mijn stilte wordt kapotgemaakt met meditatie-apps die tegen me praten met ademhalingsoefeningen met een abonnement. Ik wil betalen om gerust gelaten te worden. Elke dag word ik door het internet en al die social bullshit in elkaar geklopt om daarna een pleister en een pilletje tegen de zeer te krijgen, tegen betaling of met een abonnement.

Ik scroll mee. Ongewild.  En dan haat ik mezelf. Want dat is misschien nog het smerigste, ze hebben me zo ver gekregen dat ik medeplichtig geworden ben aan mijn eigen overprikkeling, uitputting en ergernis.

Ik wil geen gesponsorde of geïnfluenste merken meer, niet aan mijn lijf, niet in mijn hoofd en niet in mijn gsm. Ik wil geen producten. Ik wil geen beloftes meer en zeker geen opgedrongen abonnementen met fucking kortingcodes. Ik wil dat alles stopt. Dat iedereen stopt met die gesponsorde bullshit in mijn strot te duwen. Ik wil dat mijn gedachten weer van mij alleen worden, zelfs al zijn ze lelijk, onsamenhangend en nutteloos.

Maar dat verkoopt niet. Dus spuug ik ze hier maar in jouw feed. Gratis en voor niks.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.

Zeg, moette nu eens iets weten?

Het is een doordeweekse maandagavond van dertien in een dozijn. Zoals gewoonlijk op een avond als deze, hang ik languit in de zetel, zitten kun je dat bezwaarlijk noemen.  Ik ben volledig in camouflage-uitrusting.  Korte broek, kousen met gaten, een halve zak chips, en met een vaag plan om straks misschien nog iets nuttigs te doen. Mijn vrouw, druk in de weer met de was en de strijk. De tv is behangpapier en speelt iets wat me zoals gebruikelijk, geen bal interesseert. Eindelijk. Rust

Elke man weet het.  Want elk vredesverdrag is broos en elke stilzwijgende overeenkomst is gedoemd om ooit verbroken te worden. Vanachter de strijkplank klinken dan ook plots de gevleugelde woorden. “Zeg, moette nu eens iets weten?”

Elke man die zich in mijn situatie bevindt, weet instinctief wat die vraag inhoudt. Die ene zin doet, bij elke man die ooit voet zette in het gezinsleven, haren omhoogrijzen en het bloed stollen. Want het is niet zomaar een vraag. Het is een aankondigingsalarm van een monoloog van minstens een kwartier. Een tirade zonder climax, vol onnavolgbare emotionele diepgang en minstens vier vrouwelijke personages, waarvan drie dezelfde voornaam hebben. De lucht kleurt zwart, de barometer zakt, en ergens ver weg hoor ik een tweede donder. “Zeg Janneke, moette nu eens iets weten?”

Ik veer rechtop. Waarom er opeens een zwarte kat van mijn schoot springt weet niemand, want wij hebben niet eens een kat. Ik wijt het aan het overlevingsinstinct van dat ingebeelde zwarte beest dat op het punt staat zijn negende leven te verliezen, en aan mijn verbeeldingskracht.


Ze begint te vertellen.

Het gaat over iemand van haar werk, laat me haar gemakshalve X noemen.  Ook al heb ik haar naam al minstens dertig keer gehoord, ik durf in deze fase van het “gesprek” niet toegeven dat ik dat telkens vergeet. Blijkbaar had X iets gezegd over Y tegen Z. Y vond daar iets van. Z had het gehoord en het tegen W gezegd. En toen… enfin, je kent dat wel.

Een vrouwelijk verhaal is nooit zomaar een verhaal. Het is een soort van nieuw sociaal universum, compleet met hoofd- en bijrollen, flashbacks en vol met onduidelijke relaties en verborgen morele lessen die niemand begrijpt. Ik hoor namen, gevoelens, omstandigheden. Ik kan al lang niet meer volgen, laat staan onderscheiden wie het slachtoffer is en wie de dader, maar ik blijf dapper knikken, en doen alsof ik luister maar mentaal praat ze tegen een blinde muur. Af en toe gooi ik er een “hmm” of “amai, echt” tussen, puur als hartslagcontrole en om te checken of ik nog adem.

Na ongeveer twaalf minuten begin ik te zweten. Niet van emotie, maar van pure schrik, want ik weet wat eraan zit te komen. Ze gaat het zeggen. Ze gaat het vragen. Die ene vraag die elke man tot wanhoop kan drijven. Mijn maag trekt samen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

“Zeg. Wat denkt gij daar eigenlijk van?”


Inmiddels zit de ingebeelde kat met een staart zo dik als een tochthond helemaal in elkaar gedoken onder de zetel, instinctief, alsof ze voelt, ’t is hier gebakken met da schrijverke. Ik krimp ook ineen.

Mijn hoofd zit vol scenario’s. Wat kan ik zeggen? Als ik zeg “ik snap het”, peist ze dat ik haar niet begrijp. Als ik zeg “ge hebt gelijk”, denkt ze dat ik geen mening heb. Als ik zeg “amai, ook ni gemakkelijk”, peist ze dat ik me er zomaar vanaf wil maken. En als ik zeg “ik weet het niet, denkt ze dat ik het wel weet maar het niet zeg omdat ze denkt dat ik haar verdenk dat ze van mij denkt dat ik een betweter ben.

“Maar allez serieus… wat denkt gij daar nu van?”

Mijn brein slaat tilt. Paniek kruipt in mijn maag, mijn hartslag gaat crescendo en koud zweet staat in de spleet die de linkerhelft van mijn gat onderscheid van de rechterhelft. De ingebeelde kat kijkt ondertussen toe vanop veilige afstand onder de zetel en denkt, “gelukkig, ik heb negen levens.  Da schrijverke heeft er maar één”.

Net op het laatste nippertje vooraleer de hemel wordt opengereten, herinner ik me de heilige zin.  Die ene zin die alle mannen van generatie op generatie ooit fluisterend aan elkaar hebben doorgegeven. Ofwel op café, tussen twee pinten in, ofwel na een eerste huwelijkscrisis. Ze delen hem met elkaar en blijven het doen met hetzelfde respect dat anderen voor geloof en religie hebben.

“Neen, je overdrijft niet. X had dat niet mogen zeggen en Y had er niet zo emotioneel op mogen reageren. Ik denk dat je gelijk hebt.” Ik zeg het kalm, beheerst en zonder een enkele zenuwtic of vorm van emotie.

Ze kijkt me doordringend aan, één seconde… Twee seconden… Drie seconden.  Dan knikt ze voorzichtig instemmend, “Voila. Dat dacht ik dus ook”, terwijl ze haar ogen op spleten trekt.

Ik heb het gehaald. Ik heb geluisterd. Of heb op z’n minst iets gezegd dat klinkt alsof ik geluisterd heb. De ingebeelde kat die haar schuilplaats verlaten heeft, begint gelukzalig te spinnen en ik zak opnieuw rustig achterover in mijn zetel met een hartslag die langzaam daalt en een bilnaad die opdroogt.

Het is voorbij. Tot ze zegt, “Nu ik erover nadenk. Wa bedoelde gij daar eigenlijk mee? Waarover heb ik gelijk?”

De ingebeelde zwarte kat springt uit het raam.
En ik? Ik overweeg ernstig om erachter te springen!

Het ochtendritueel van een verzopen kieken

Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.

Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.

Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.

Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.

Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.

Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.

Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.”  Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”

Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.

Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.

En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.

Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.

Ongemakkelijke anusjeuk

Daarstraks, ik opende de ijskast en vond er mijn autosleutels. Ik was ze al twee uur aan ’t zoeken. Met mijn vondst viel alles in de plooi. In die ene flits van mistige zinsverbijstering zag ik mijn bestaansrecht voor mijn ogen verdampen. Alsof mijn hersenen zeiden, “sorry makker, we geven het op. Zoek het van hieraf maar zelf uit. Succes nog voor de rest.”  En ik doorzocht als een verdwaalde aap verder mijn ijskast, in de hoop in het groentebakje mijn gsm tegen te komen. Op momenten als deze voel ik me niets meer dan een slaapwandelende orang-oetan die zich probeert op twee benen staande te houden terwijl hij beter terug op vier poten zou gaan lopen.

Ik zeg zo dikwijls dat ik een denkende mens ben, zoekend naar meer. Ik vind mezelf gelaagd, diep, verstandig en betekenisvol. Met een plan. Serieus? Toen ik daarnet in mijn ijskast verdwaalde, voelde ik me iets minder ‘gelaagd’. Ik voelde me eerder lid van een overbodige kutgroep die de aarde al millennia lang overbevolkt en om zeep helpt. We zijn ooit rechtop gaan lopen, hebben vuur, een knots en een wiel ontdekt. Toegegeven, dat was straf. Maar zijn we sinds dan, niet allemaal stilaan gaan evolueren tot wandelende zakken broeikasgas met spraakintelligentie en een Facebook-account?

Om maar iets te zeggen.  In ons leven krabben we tienduizenden keren aan ons kruis alsof één of andere hogere macht daar een antwoord heeft verstopt. We wisselen drie keer per dag van onderbroek alsof het een ritueel betreft dat ons moet zuiveren van iets dat we zelf niet meer kunnen benoemen. We staren om de vijf voet in spiegels en schermen en noemen dat ‘zelfreflectie’, terwijl we, als we eerlijk zijn met onszelf, gewoon checken of er niet te veel haar uit onze neus groeit. Elke dag schijten we minstens twee keer de pot vol en vegen alles proper met toiletpapier, tweeënhalve laag dik, als het kan. Doen dat nauwgezet en met stille hoop dat onze vinger niet doorschiet. Terwijl we daar zitten kakken, scrollen we met diezelfde vinger over schermen en peuteren we onze neus proper om nadien opnieuw te checken of we toch niet door dat tweeënhalf-lagig dik toiletpapier hebben gezeten.

We zijn het menszijn stilaan aan ’t afleren om te verworden tot een cluster van nieuwe reflexen, aangeleerde dwangmatigheden en lichaamsgeluiden die we angstvallig willen verbergen. Ons leven is gaan vervellen tot een scheet in een fles en een boer in de wind. Kortom we verspillen 40% van ons leven met het hooghouden van een façade, met nieuwe dwangmatig aangeleerde reflexen en met het checken of er niet te veel haar op ons gat groeit.

We zijn een kudde ‘zelfbewuste’ apen geworden die hun lichaam voortduwen richting het einde, met als houvast de illusie van de controle. We denken dat we bangelijke verhalen schrijven en ‘een leven’ leiden terwijl we in werkelijkheid de hele dag bezig zijn, met ons ego op te pompen, onze piet in bedwang te houden en een venusheuvel haarvrij te krijgen.
Terwijl we dat doen hopen we dat er niet toevallig een scheet passeert en hopen nog harder dat niemand het merkte. We verzinnen van alles om te verbergen dat we van niks weten en dat we eigenlijk gewoon domme, gestreste beesten zijn die wat het ook moge kosten, bij die overbodige kutgroep willen blijven horen.

En de rest van de tijd? Ah, die besteden we zoals ik nu doe, aan het rationaliseren van dat alles. We kopen boeken over zingeving, volgen cursussen mindfulness en meditatie en prijzen onszelf slim door levenslang te leren terwijl we nog steeds acht keer per dag neuspeuteren en vijftien keer aan ons kruis pulken als niemand kijkt.

Ik heb het uitgerekend. Meer dan 40% van onze tijd die we op deze planeet doorbrengen gaat op aan dat soort complete kutonzin en de overige 60% verspillen we aan het proberen te begrijpen waarom we dat doen. Alleen we komen niet tot toegeven dat alles gewoon vastzit in onze eigen anus die jeukt en we het allemaal niet meer zo gemakkelijk uitgekakt krijgen.

Het leven is geen mysterie. Het is gewoon luchtverplaatsing.  Een verdwaalde scheet of een ingehouden boer, dat ligt eraan langs welke kant hij eruit komt.

Doe gerust nog een verse onderbroek aan als je dat wil. Knoop je veters en kuis je reet nog eens proper, want je had toch het gevoel dat daar nog wat kak aan hing.  Loop desnoods een paar uur rond als een waggelende pinguïn omdat er nog wax aan je schaamlip plakt. Doe het met je kop in de lucht, alsof het allemaal betekenis heeft.
Maar eigenlijk ben je gewoon maar lucht, een scheet in een fles of een boer in de wind.

En als je deze ongemakkelijke waarheid niet aankan, heb je duidelijk nog niet genoeg in je ijskast gekeken of aan je kruis gekrabd.

Onderbroekjungle, mijn natuurmonument onder de gordel

Eens was er een tijd dat de mens nog een bos droeg in z’n onderbroek. Van kale kinderspeelplaatsen was geen sprake.  Iedereen, man én vrouw, was voorzien van een zompige, zwoele onderwereld waarin je niet zonder kompas afdaalde.  Onder die Bermudadriehoek heerste een broeierig microklimaat, een geurig habitat waaronder verlangen verborgen zat als warme, zwoele vochtigheid die zich ophoopte zoals mist boven een regenwoud.

In die dichte, vochtige jungle van wellust stonden stengels en sprieten fier overeind, altijd in volle groei, altijd omhoog met volle goesting. Het schaamgewas, een levend tapijt op zich, huisvestte een compleet ecosysteem. Alles wat zich tussen de benen bevond stond op zichzelf, zelfregulerend, zelfreinigend en zelfbewust, als een harig heiligdom. En dat hebben we kaalgeschoren, uit vrije wil. Alsof je het Amazonewoud kapt voor een parkeerplek.

Bij mannen stond het daar allemaal gewoon, als bos boven de ballen, waarin zweet kon blijven hangen als eerbetoon aan labeur. Je rook nog wie hij was, de man. Geen sprake van kaalgeschoren kinderzakjes, vuurrood van irritatie, neen gewoon een warme, mannelijke geurige pels, als donzig matje van de lust.

En vrouwen, ver voor de revolutie van de kale gleuf, toen de onderkant er nog niet uitzag als een vers geschaafde courgette, was er geen sprake van klinisch gladgetrokken sneetjes.  Toen was de kut een stevige vulva met een kapsel als een langharig tapijt, waarin je kon verdwalen zonder erover uit te schuiven. Met heimwee kijk ik terug op dat fluwelen konijnenhol met een deurmat, op die poes met persoonlijkheid. Ok, om er te geraken moest je zoeken. Je moest ploegen en ploeteren en je overgeven aan je oerinstinct. Seks was toen nog een expeditie, geen bezoek aan een gesteriliseerde operatiekamer waarin je steriel binnenkomt, zonder karakter, zonder chaos, alles strak, leeg, geurloos en zonder een sprietje avontuur.

In één generatie gingen we van een zompige jungle naar een chirurgisch, steriele operatiezaal. Alles moest weg, zelfs de stoppel kreeg geen kans. En sindsdien is de fun eraf. Want onmiddellijk, zonder avontuurlijke natuurwandeling en zonder harige wegwijzer, sta je oog in oog met die gladde betonvloer, zo kil, kaal en zo leeg dat je zou zweren dat er nooit een bos heeft gestaan. En zeg nu zelf, eenmaal dat de krochten van het bestaan zijn glad gestreken, hou je toch alleen maar een lege, tochtige doos over waarbij seks een gevecht wordt tussen twee naaktslakken.

Ooit had de schaamstreek iets menselijks, iets dierlijks en zelfs etymologisch klopte het. Haar stond voor mysterie, voor volwassenheid, voor iets dat je verborg en er niet te koop meeliep. Een beetje schaamte dus! Maar met iedere scheerbeurt, met elke strip wax die van een kruis wordt gerukt alsof het mysterie er zelf aanhangt, nemen we iets fundamenteels weg. En, Alles moest weg. Want alles moest glad. Strak. Netjes. Steriel. We doen het telkens opnieuw alsof onze schaamstreek auditie moet doen voor één of andere chique design keuken catalogus.

En wat krijg je ervoor in de plaats? Juist! Rode scheerbrand, etterende boebelen, ingegroeide haartjes maar wel op een dansvloer zo glad dat een Dyson-stofzuiger er jaloers van wordt.

Wat met de biodiversiteit? Hele ecosystemen, voor altijd verdwenen! De schuchtere piemel panda, de onzichtbare vaginale flapper vleermuis en de nachtelijke bilnaadbever, allemaal uitgeroeid zonder pardon. Miljoenen jaren evolutie, onherroepelijk weggebrand met een laserpistool.

Dus nee, wereld. We zijn er niet op vooruitgegaan. We verlieten massaal de vochtige jungle en zijn de kale, tochtige woestijn van de gladde schaamteloosheid binnengestapt.  We hebben onze harige identiteit gewaxed tot er geen spriet meer rechtstond.

Mijn schaamstreek roept dan ook vandaag deze revolutionaire gil aan de mensheid. Laat het maar groeien. Laat de snor van je schaamstreek staan en draai er desnoods koppige krullen in.

Mocht iemand bezwaar hebben, weet dan. Mijn kruis is geen gemeentepark dat om de twee weken moet kaal getrokken worden. Mijn onderbroek is geen golfbaan. Het is een reservaat. Een wildpark. Een natuurmonument en het is er niet verboden om het gazon te betreden!

Zeker nu niet, terwijl de maatschappij druk in de weer is met haar jaarlijkse gazonfetisj en daarvoor in de plaats in stilte haar eigen identiteit wegscheert.

Maai mij dus niet. Niet in mei en niet in juni. Niet voor een date en niet voor mijn zwembroek.
Zelfs niet eens voor de sauna. Want, wie zaait, zal oogsten, maar wie dorst en maait, zal kaal en koud eindigen. In een wereld zonder mysterie. Dus bewaar het woud en bescherm je pelouze alsof het je eigen gazon is!

Boterhammen met kaas

Ik sta al een kwartier naar mijn telefoon te staren. Ik weet precies wat er gaat gebeuren, maar tegen beter weten in doe ik het toch. Ik bel.

De telefoon gaat over, één keer, twee keer. Op de vierde keer drink ik een halve liter water, alsof ik mezelf eerst helemaal moet hydrateren voor dit gesprek.

Ik heb geluk, ze neemt op en het gesprek begint zoals elke dag met een simpele vraag: “Wat eten we straks?” Op zich niet direct de meest existentiële vraag ter wereld, ook geen filosofische zoektocht naar de waarheid of naar de omvang van het universum. Het is gewoon een simpele vraag die, in een normale samenleving onder mannen, een rechtlijnig, duidelijk antwoord krijgt.

Op alles ben ik voorbereid: op pasta, op rijst, op patatten… op sla met lange tanden. In het slechtste geval ben ik zelfs bereid om een doodgewone boterham met kaas te eten. Ik ben namelijk de moeilijkste niet.

Ik hoor haar diep ademhalen alvorens ze zegt: “Ik heb vanmiddag spaghetti gegeten.”

Wat moet ik in godsnaam met deze informatie? Dit is gewoon een los statement, een feit, een nutteloze historische voetnoot in het leven van mijn vrouw, waar ik niet wijzer van word. Ze heeft vanmiddag spaghetti gegeten, en dan? Is dit antwoord een herinnering dat we afgesproken hadden om pizza te eten? Is het een waarschuwing of een aankondiging dat de voorraad spaghetti in de Colruyt is opgebruikt? Misschien een filosofische oefening die ze wel vaker met me doet omdat ze denkt dat ik jong-dement aan het worden ben? Moet ik uit haar antwoord iets leren? Zit er misschien een verborgen boodschap in?

“Dus… we eten spaghetti,” vraag ik met de voorzichtigheid van een archeoloog die net een nieuwe archeologische site heeft ontdekt.

“Nee,” en ze laat dat antwoord klinken alsof ik de grootste domme kloot ben van het westelijk halfrond. En daarmee voel ik me ineens zoals die man uit de film Jumanji die in huis per ongeluk een geheime deur ontdekt waarachter alle realiteit en redelijkheid oplost.

“Okee… Maar wat eten we dan wel?” probeer ik nog voorzichtiger.

“Ik weet het nog niet.” (stilte)

Meer heb ik niet nodig om helemaal opgeslokt te worden door het zwarte gat van onze communicatie. De grote nihilistische klap in mijn gezicht betekent het einde van mijn zoektocht. Er komt nooit een antwoord. Het is duidelijk, vandaag blijft het universum koud en onverschillig.

Een simpele vraag, mijn ene arme, onschuldige, simpele vraag heeft het niet overleefd. Ze implodeerde en werd verpletterd om nadien helemaal opgezogen te worden door het ondoorgrondelijke mysterie van de dingen, ook wel ‘conversaties met mijn vrouw’ genoemd.

Ik slik en vraag: “Hoe laat ben je ongeveer thuis?”

“Ik ben nog in een call…” (stilte)

Ik haak op. 56 ben ik ondertussen. Dit spel speelt zich al jaren af. Je zou denken dat ik na al die jaren de codes ondertussen wel gekraakt heb, maar nee, ik word nog steeds met open ogen in de val gelokt. Ergens in de verte hoor ik een zucht van verbazing, van het universum.

Volgende keer geef ik haar van hetzelfde laken een broek. Als ze me woensdag vraagt of ik de vuilniszakken heb buitengezet, zal ik haar diep in de ogen kijken en zeggen dat het lichtje van de ijskast niet brandt als de deur dicht is. Alleen is de kans groot dat ze gewoon met haar ogen knippert en vraagt hoe het komt dat het spoelmiddel voor de vaat op is en of ik morgen bloemkool wil.

In communicatie met mijn vrouw ben ik de amateur. Ik kan deze mindfuck nooit winnen. Maar ik zal blijven spelen, tot de dood ons scheidt.

Trouwens, ik eet graag boterhammen met kaas, dus wat is het probleem?

Jupilerman

Vandaag is een dag waarop ze me kunnen wijsmaken wat ze willen. Bijvoorbeeld dat liefde in een doos pralines zit of schuimt in een glas champagne.  Dat passie spant in een veel te duur lingeriesetje dat na vijf minuten op de grond ligt of erger nooit aangetrokken wordt omdat ik de maat van dat kanten niemendalletje niet wist.

Ze verwacht niks, want ze vindt het allemaal maar platte commerce. En net dat maakt het verraderlijk. Als ze iets verwachtte, kon ik het zo laten maar nu gaapt er een vacuüm, een zwart gat van stilzwijgende hoop dat ik moet vullen en waar al mijn mannelijkheid in verdwijnt. Vandaag moet het met oesters, rozenblaadjes, kaarslicht, een ritueel en een bankkaart.

Ik ken ze hoor, de mannen die aan dit circus ontsnappen. Ze blijven onbewogen bij dit commercieel gelul. Het zijn mijn idolen want ze laten zich niet meeslepen door hormonale wervelstormen of schreeuwende marketing. Zij zitten morgen in hun marcelleke, met hun voeten op de salontafel, een Jupiler in de hand te staren naar een scherm alsof dat de enige liefde is die er echt toe doet.

Ergens ben ik stront jaloers. Ik denk dat vervloekt ben want ik ben geboren met een ziekte die romantiek heet, een aandoening die me dwingt tot gedempt licht en dure zoetigheid in de hoop dat het in godsnaam ooit iets oplevert. Dat zij, als ze de chocolade smaakt, niet alleen de chocolat proeft, maar ook mij. Dat als ze haar glas heft, ook toost op mij. Dat als ze haar lingeriesetje uitpakt, ze niet alleen aan haar eigen lijf denkt, maar ook aan mijne.

Het is toch allemaal een grote leugen? Al die kostelijke attributen die ons nog eens vel tegen vel moeten krijgen, terwijl het gewoon een jaarlijkse realitycheck is waarin het pijnlijk duidelijk wordt dat we geen idee meer hebben hoe we liefde kunnen voelen zonder dat iemand ons vertelt hoe die er dan moet uit zien of hoe duur ze moet zijn.

De ironie is dat ik het weet. Ik zie de marketingmachine, de illusie en de absurde commedia dell’arte en toch speel ik mee. Omdat niets doen nog erger is. Omdat een vrouw die niks verwacht nog gevaarlijker is dan een vrouw die op rozen rekent. En omdat ik de hoop niet opgeef dat jupilerman verkeerd zit en dat liefde, ook al is het maar een beetje, nog te koop is.

Er was eens in Bethlehem

Die nacht was het redelijk fris in Bethlehem. De halve maan stond glimlachend aan de hemel, alsof ze wist wat er op het punt stond te gebeuren.

Maria, hoogzwanger en op het randje van een zenuwinzinking, strompelde naast een oude ezel die beladen was met huisgerief. Jozef, eveneens een ezel en ook over het randje van hysterie liep een paar passen achter haar, ook radeloos en duidelijk zwaar over zijn toeren.

In einde en verre was geen herberg te bespeuren.

“Marjake maar serieus, moet gij nu alweer pissen? Gij zijt het laatste uur al drie keer naar de koer geweest,” reclameerde Jozef die zijn aangroeiende irritatie niet langer meester was.

“Jef, zwegt!” krijste Maria fel als een hysterische furie. Haar stem deed zelfs de schapen en de herders met schrik recht veren, een beetje verder aan een bouwvallige stal.

 “Gij zijt ni in positie, hé Jef. Ik voel begot mijne rug al drie dagen ni meer. Die kleine zit op mijn blaas te sjotten, mijn voeten doen zeer en mijn uierzalf en mijn kompressen zijn op!”

Jozef stopte en keek haar ietwat vragend met gefronste wenkbrauwen aan. “Kompressen, uierzalf? Waarom hebt gij nu, in de naam van uw ongeboren kind, (godsnaam) uierzalf en kompressen vandoen?”

“Voor die striemen op mijn buik, he Jef en voor mijn tetten. Ja, voor mijn tetten, Jef. ’t Zijn precies kapotte ballonnen, ze lekken langs alle kanten!” Maria’s stem was zo luid en schel dat de oude ezel luid begon te balken en er met schrik van doorging, op de hielen gevolgd door de kudde schapen.

Jozef mompelde onverstaanbare woorden over horens dragen die versierd waren met kerstlichtjes en over een complot, maar hij besloot wijselijk om verder zijn mond te houden. Hij was ten andere nog steeds niet bekomen van het ‘goddelijke ingrijpen’ waarmee Marja in positie was geraakt. “Den Heilige Geest, mijn gat ja,” snoof hij binnensmonds, “als ik hem ooit tegenkom, ik snij zijn fluit eraf. Met een bot mes.”

“Oh nee, Jef”, permitteerde Maria ineens.

“Wat is ’t nu weer”, zuchtte Jozef.

“Mijn water is gebroken!” Maria gilde, de ogen angstig gericht op de natte plek van haar kleed.

“Serieus Marjake, hoe moet ik dat hier nu allemaal oplossen? Ik ben maar ne simpele timmerman, he zeg, geen vroedvrouw”, riep Jozef, wanhopig met zijn handen in het haar.

Maria keek hem woest met vlammende ogen aan. “Misschien had ge daar maar eerder aan moeten denken voor ge mij naar dit godvergeten gat sleepte. Daarbij ’t is nu niet het moment om ambras te maken!”

Op het moment dat de situatie helemaal uit de hand dreigde te lopen, verscheen er boven hun hoofden plotseling een felle lichtflits. Een stem galmde door de lucht. “Vrede, op Aarde beste mensen! Hier ben ik, de Heilige Geest!”

Maria en Jozef keken elkaar met grote ogen aan. “Zie je wel”, riep Maria ontroerd, “Eindelijk! Ik wist wel dat hij zou komen, de vader van mijne kleine.”

“Hoe zit dat hier feitelijk, is de Heiland al geboren”, vroeg de Heilige Geest nieuwsgierig, terwijl hij nonchalant van zijn wolk neerdaalde. Hij droeg een witte, doorschijnende toga met het provocerende opschrift ‘Ik doe wonderen’.

“Gij smeerlap! Gij hebt dit gedaan,” tierde Jozef, wijzend naar Maria’s buik. “Kon gij uw goddelijke fluit ni thuishouden. Kom hier da’k hem eraf snij?”

“Wacht, Jef,” zei de Heilige Geest met trillende stem. “Ik ben maar één van de drie. Dit is allemaal onderdeel van een goddelijk plan. Ik kan het allemaal uitleggen. Het is echt niet wat je denkt.”

“Wat? Eén van de drie? Sloerie, alsof één nog niet genoeg is, kom hier”, riep Jozef hysterisch.

“Een goddelijk plan?” Maria wierp haar handen in de lucht. “Wat is dees eigenlijk voor een goddelijk plan? Heb je misschien ook een plan voor mijn zere voeten, mijn lekkende tetten, en voor die stomme ezel die al drie dagen naar uierzalf riekt, een vroedvrouw misschien, toevallig?”

Net toen de Heilige Geest wilde antwoorden, klonk er luid getrappel van paardenhoeven. Vier figuren kwamen aanstormen, vanuit het Oosten.

“Wacht nu eens even,” zei Jozef stomverbaasd. “Zijn hier nu ineens ook vier koningen?”

De grootste van de vier, een rijzige man met een gouden kroon op zijn hoofd, kwam van zijn paard en haalde zijn schouders op. “Melchior kon ni meekomen, die heeft zijn knie zeer gedaan bij een kamelenrace. Dus hebben we den Barry meegenomen. Hij is een verre neef maar ’t kan ook een nicht zijn.”

Barry zwaaide enthousiast en riep met een opvallend hoge verwijfde stem, “En ik heb koekskes meegebracht!”

Maria keek Barry woest aan. “Koekskes, ‘k ga hier direct bevallen, waarom heb je geen vroedvrouw mee?”

Barry keek een beetje beteuterd naar de grond, en zei, “euh neu geen vroedvrouw, maar wel een thermos kamillethee, voor bij de koekskes.”

Toen de chaos een hoogtepunt dreigde te bereiken en ze het allemaal op de heupen kregen, Maria nog het meeste, kon ze het niet meer houden. Ze begon met persen en puffen. Onder geschreeuw, zweet, bloed en tranen werd er een klein, krijsend kindje geboren. Jezus trok zijn aureool recht en keek om zich heen, alsof hij zich ook afvroeg hoe hij hier terecht was gekomen.

De Heilige Geest glimlachte tevreden, “ziede wel, Jef. Alles komt altijd goed.”

Jozef keek met grote ogen. Eerst naar het pasgeboren kind, dan naar Maria en vervolgens naar Barry, die vroeg, “Waaroem hee die kleine na agelak-fatelak een talloor op zijne kop, die kleine zijn fontanelleke is nog nie eens oneengegroeid.”

Maria, helemaal aan het einde van haar latijn gilde hysterisch in ’t plat Nazareths, “zwegt na is efkes allemaal en houd allemaal ulle bakkes. “Ik zen hie vanonder hielemaa ingescheurd en mijn foef is ontploft, ik eis een mirakel en wel nu”, waarna ze plots ook een witte talloor op haar hoofd kreeg.

De hel van het jargon

Het moet gezegd, mensen die ik in het wild kan verdragen, ze lopen niet dik gezaaid. Ze zijn eerder schaars maar ze bestaan. Zelfs op kantoor ken ik er een paar. Het zijn meestal gezellige zielen, vriendelijke types met wie ik bij een koffie moeiteloos een gesprek kan voeren over het weer, vakanties en hoe die altijd te kort zijn of over de nieuwste Netflix-serie en waarom ik vind dat die absoluut niet te missen is.

Maar zet ze bij elkaar in een vergaderruimte en voor je het goed en wel doorhebt, zijn ze getransformeerd in jargon spuwende, terminator-achtige wezens. Zelfs AI-robots verbleken bij elke vergelijking. Ik zie de verandering onmiddellijk. Hun ogen beginnen fel te glimmen en hun mondhoeken krullen zelfvoldaan omhoog of omlaag.  

Zodra ze een whitebord naderen, raken ze, de ene na de andere, zelfgenoegzaam in hun “zone”. Eenmaal ze in hun “vibe” zitten, beginnen ze onophoudelijk nietszeggende woorden uit te braken. Precies die “vibe en zone” is de plek waar ik absoluut niet wil zijn, om niet te zeggen dat het mijn persoonlijke hel op Aarde is.

Deze mensen lijken ogenschijnlijk normaal, ze doen geen vlieg kwaad, zijn soms zelfs een beetje saai maar altijd beleefd. Toch transformeren ze bijna allemaal in taalexorcisten, vastberaden om normaal taalgebruik uit te drijven en uit te roeien, met wortel enal.

De wekelijkse stand-up meeting is de ultieme hoogmis van de onzin. “We moeten KPI’ s drillen en de synergiën upscalen,” zegt iemand terwijl hij diep in z’n laptop staart alsof hij net de geheimen van het universum heeft ontrafeld. Ik knik slaperig, niet omdat ik er iets van begrijp, maar omdat ik een heel zwakke poging wil doen om te overleven in de jungle van het corporate-gebrabbel. “Zorg aub dat de “deliverables aligned” zijn met onze Q4-goals,” hoor ik in de verte. “Vanzelfsprekend”, prevel ik onhoorbaar, “wie wil nu deliverables die níet aligned zijn?”

Dan heb je x (naam en adres bekend bij de redactie), buiten het kantoor is het een vriendelijke geitenwollen-sokken-vrouw met een voorliefde voor yoga, groene thee en vegan-koekjes maar met een grondige hekel aan mensen die op het voetpad fietsen of die in een zin haar, hun en het niet bij het juiste gender plaatsen. Zodra ze de vergaderzaal betreedt, verandert ze in een wandelende Van Daele vol corporate buzzwords. “We moeten de “stakeholders re-engagen”, zodat we de “buy- in” van onze “communities” optimaliseren voor de vernieuwde “agile implementatie.” En ze voegt er met een dooddoener aan toe, “We zitten nu eenmaal midden in een “transformation journey.”  Mijn gedachten zijn ondertussen al ver afgedwaald naar mijn laatste journey, het strand.

Bijna iedereen doet een gooi naar de titel van ongekroonde koning(in) van de bullshitbingo.  Ze doen het met passie, “out of the box” en met een jargon alsof hij of zij de eerste mens op aarde zijn die deze woorden-bullshit ooit hardop heeft durven uitspreken. Een verhaal is geen verhaal meer maar een “narratief”.  Dat is voor mij een eye-opener en het juiste signaal om mentaal de ruimte te verlaten en me terug te trekken in mijn “inner-space”.  Terwijl ze klassikaal een “paradigm shift” maken en een “value proposition maximaliseren” voel ik het respect voor het vermogen om begrijpelijke, coherente zinnen te vormen heel snel op mijn mentale grafiek naar links verschuiven.

Ik gok dat niemand in de kamer precies begrijpt wat al die onzin betekent, toch knikt iedereen hevig en instemmend.  Wie wil er nu betrapt worden om niet te maximaliseren? Iedereen lalt en zwamt verder met alle ingrediënten van het beste jargonfeestje en doet alsof elk duurder klinkend woord een Nobelprijswaardige doorbraak is in pak weg borstkankeronderzoek.

Waarom toch verandert een ogenschijnlijk normaal mens in een jargonmachine zodra ze een vergaderruimte binnenlopen? Is het angst of ambitie, ik vraag het me zomaar af.

Of misschien een collectieve onzekerheid want niemand wil de domste van de kamer zijn.  Luljargon is toch het beste rookgordijn? Hoe meer ingewikkelde termen je gebruikt, hoe meer het lijkt dat je weet waarmee je bezig bent. Jargon als beste bescherming tegen ontmaskering. “Oh, ze hebben het over synergiën, dan zullen ze vast en zeker weten wat ze doen!”

Hoe meer jargon, hoe hoger op de corporate ladder. Althans zo lijkt het. Gebruik je termen als “leverage”, “scalability” en “value chain” dan suggereer je dat je op een strategisch verantwoord niveau meedenkt. Je speelt het spel mee en wie niet meedoet, blijft achter als muurbloem die niets bijdraagt aan ‘de strategische conversatie’. Jargon als statussymbool, alsof je een geheime taal spreekt die alleen de elite begrijpt, terwijl eigenlijk niemand het snapt.

Jargon is angst om door de mand te vallen en zit verpakt in woorden die geen mens zonder migraine begrijpt.

Het slechte nieuws is dat in tegenstelling met het dodelijke marburgvirus uit Rwanda een vaccin niet onmiddellijk in zicht is.  Het enige wat je dus te doen staat, is proberen te overleven door in stilte te lachen en dat net zo lang vol te houden, tot iemand in de vergaderzaal oppert dat we dringend moeten “level setten” voor het volgende kwartaal.  

Spoiler alert: Niemand heeft enig benul wat dat betekent, niet jij, niet de lezers van deze tekst, laat staan de mensen die aanwezig waren in de vergaderzaal!

Kerstmis anno jaar nul

>Ja Jef wat nu weer?

< Kan die kleine echt niet van mij zijn?

> Neen Jef, hoeveel keer nog. Wanneer zou dat dan moeten gebeurd zijn? Gij waart dag in dag uit met die stomme meubelen bezig, en nu moet dat manneke, ocheere, nog tussen ’t strooisel in een trog slapen.

< … Ook niet van die ene keer, in Herodus zijn stal? Weet ge ’t nog?

> Nee Jef, van dan ook niet. Want toen uw klokken gingen luidden, moest gij rap-rap de kerk uit omdat ge geen propere varkensblaas bij had. Trouwens gij waart de schuldige van die plekken op mijnen onderrok. Ze zijn er begot nog niet uit!

< Dus den Heilige Geest heeft mij die horens gelapt terwijl ik ganser dagen die slaapkamer van ‘onze vader’ aan het maken was. Schoon voorbeeld voor de jeugd is dat!

Maar zeg, eens iets anders. Ik ken alleen iets van eik en beuk en van beitels en hamers. Van klein mannen weet ik niks, maar waarom heb je eigenlijk een taljoor op dat ventje zijn koppeke geplakt? Hij is dan wel niet uit mijn schrijnwerkersbroek geschud, maar ze gaan hem daar voorzekers mee uitlachen, peisde niet.

< Zeg Jef, niet beginnen he.  Het is voor mij ook niet gemakkelijk. Ik wou niet in positie zijn en ik wou al helemaal niet bevallen in een stal tussen een os en een ezel. Ik heb gans de nacht sterren gezien maar ik heb die taljoor niet op zijn koppeke geplakt. Daarbij dat is geen taljoor, dat is een aureool en die was er al, daardoor ben ik onderaan helemaal in tweeën gescheurd. En begot wat doen die drie verklede koningen hier. Ik kan geen broek verdragen en die zwarte is de hele tijd naar mijn kapotte foef aan ’t staren. En doe asjeblieft dat wierrookstokske uit, ik krijg daar migraineaanvallen van, daarbij da stinkt.

Kerstmis in het jaar nul was ook geen lachertje.

Respectabel. (Internationale Mannen Dag)

In een wereld waar het testosterongehalte sneller lijkt te smelten dan het ijs op de noordpool, bevind ik me in de schaduw van een man die zijn zelfvertrouwen zoekt in koffie, in de rook van sigaretten en in stille overpeinzingen van zijn eigen gedachten. Ze zorgen voor evenveel onbeantwoorde vragen als een puber die zich vragen stelt over het nut van schaamhaar en puisten. De rusteloze man voelt zich als een oude kater die ronddraaiend als een bezetene zijn eigen staart achtervolgt, hilarisch en frustrerend tegelijk maar ook een beetje zielig.

Het ontbijt is al moeilijk en de keuze lastig, yoghurt met vlokken en fruit of dubbele boterhammen met choco? De verkeerde keuze veroorzaakt al snel een schuldgevoel dat hem de rest van de dag doet navigeren door het mijnenveld van zijn ochtendhumeur. Alleen koffie wordt geschonken met dezelfde precisie, zekerheid en zelfvertrouwen van een barista die bonen omtovert in late of espresso.

Zijn mannelijke onzekerheid zijn wolken die nooit helemaal verdwijnen. Het maakt niet uit hoe vaak ik hem toefluister dat hij er voor zijn leeftijd nog respectabel uitziet. Hoe dikwijls ik zijn inlevingsvermogen prijs, zijn zelfvertrouwen blijft een lekke band die ik constant moet oppompen, alsof er een nageltje in de tube zit.

De slaapkamer, nog een intieme arena waarin zijn mannelijkheid op de proef wordt gesteld. Hij is gevuld met briesende stieren die onophoudelijk en trefzeker de rode lap van zijn twijfels blijven aanvallen. Het bed, de lakens als slagveld waarop hij zijn eigen twijfels en onzekerheden spreidt, terwijl de stieren wild blijven tekeergaan.

Als angst om afgewezen te worden te groot wordt, dwalen we samen af naar bruine cafés met donkere muren en morsige vloeren, naar dat verloren gewaand koninkrijk waar het gezelschap bestaat uit barkeepers en mannelijke zielen die er dezelfde dingen wegspoelen, ieder koning van zijn eigen rijk.

Later op de nacht, we staren samen naar het plafond. Ik vraag me af of ik ooit genoeg man zal zijn om de man naast me te genezen, of ooit mijn geduld en begrip groot genoeg zullen zijn om hem zijn innerlijke twijfels te laten overstijgen. Misschien moet ik zelf maar therapeut worden om hem te helen van zijn verwarde en gekneusde ego.

Morgen is het Internationale Mannen Dag, de enige dag van het jaar waarop mijn innerlijke mannelijke reisgezel ècht man mag zijn.  Tevens ook de enige dag van het jaar waarop hij zal worden gesust, gesoigneerd, gewiegd en onder de douche zal worden gewekt met een blow job.

Daarvoor ziet hij er, ondanks zijn leeftijd, nog respectabel genoeg uit!

Een liefdesbrief anno 2023

Veertig jaar geleden waren normen en verwachtingen rondom romantische relaties anders dan vandaag. ‘Ik vraag het aan’, ‘een onhandige kus’, ‘ongevaarlijk ‘tetteke-reus’ en ‘stiekem hopen op iets meer’, dat was het. De kans om meegesleurd te worden in -too-horror was onbestaande.

Daten anno 2023 is ‘tricky business’. Om vandaag Me-too-safe te daten zal het er in mijn hoofd ongeveer zo aan toe gaan, toegegeven het zal wel aan mij liggen. Onderstaand briefje zou een liefdesverklaring kunnen zijn mocht ik vandaag 17 zijn en ik van de gas zou gepakt zijn.

Hoi,

Ik hoop dat dit briefje u in de beste staat van welzijn bereikt. Met het oog op de huidige complexiteit van daten en afspraakjes, voel ik de noodzaak om mijn bedoelingen op een respectvolle en duidelijke manier kenbaar te maken.

Ik ben geïnteresseerd in het verkennen van een romantische connectie met jou en zou graag de mogelijkheid willen onderzoeken of de kans bestaat om elkaar beter te leren kennen. In overeenstemming met de moderne maatschappelijke verwachtingen, hecht ik veel waarde aan wederzijdse toestemming en respect voor persoonlijke grenzen.

Met het allergrootste respect voor jouw waarden en grenzen benader ik je dan ook via deze weg met mijn nederig aanbod voor een diepgaande en intieme verbinding. Een connectie, gebaseerd op alle principes van wederzijdse toestemming en op het allerhoogste respect voor jouw persoonlijke autonomie.

Als kandidaat voor de rol van ‘Uw Geliefde’ ben ik me terdege bewust van het belang van al deze aspecten in de uitbouw van een mogelijk relatie. Ik heb de vurigste wens om een veilige en ondersteunende omgeving te creëren voor al onze intieme ontmoetingen, maar nooit of te nimmer zullen ze kunnen plaatsvinden zonder uw impliciete en niet mis te verstane instemming en toestemming.

Jouw persoonlijkheid, als ik je die mijn eerbied mag toewijzen, is voor mij als een zeldzame bloem die alleen kan bloeien onder de meest gunstige omstandigheden, in klamme, zachte potgrond. Je glimlach is als de zachtste streling van een zomerbries op een frisse avond, die de lente van mijn ziel doet ontwaken. Je aanwezigheid een kunstwerk, even oogverblindend, nederig als breekbaar in mijn nabijheid.

Mijn ontembaar verlangen naar een intieme connectie met jou is als een dans van twee zielen, synchroon, passioneel en harmonieus, zoals twee bedrijven die samensmelten voor een strategische fusie zoals in een relationele joint venture waarbij twee inspirerend emotionele krachten samenkomen om een ongeëvenaarde eenheid te creëren. Elk moment van ons samenzijn zal met de grootste egards worden gekoesterd, en elke stap die we zetten zal in overeenstemming zijn met jouw wensen en diepste verlangens.

In een wereld waarin consent en wederzijdse toestemming centraal staan, beloof ik plechtig om jouw wensen te respecteren en je grenzen te eerbiedigen. Onze intieme interacties zullen gebaseerd zijn op voorzichtigheid, op open communicatie, op wederzijds begrip en met een diep respect voor ieders persoonlijke autonomie.

Jouw comfort, hygiëne en welzijn zullen altijd mijn allerhoogste prioriteit zijn, en ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat jij ons eerste intiem moment zal ervaren als een symfonie van genot, in consent getekend met bloed en gebeiteld in steen, gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Je ‘misschien’ zal ik respectvol als ‘een neen’ interpreteren, en ‘je neen’ zal ik nooit of te nimmer als ‘een misschien’ aanzien.

Dank je wel voor de lezing van mijn aanzoek en voor jouw aandacht maar ook voor de overweging van mijn voorstel. Laten we samen proberen om een intieme relatie te creëren die dient als een toonbeeld van liefde en respect waarin we elke stap van onze reis in volledige harmonie en vertrouwen nemen. Onze liefde zal dienen als een voorbeeld voor anderen, als een lichtend baken van respect en liefdevolle toestemming in een wereld van intieme relaties en van wederzijdse toestemming, een relatie die ons beiden voldoening en vervulling zal schenken.

Met deze brief wil ik mijn intenties oprecht en transparant kenbaar maken. Indien jij ook interesse hebt in het verkennen van een romantische connectie, zou ik het op prijs stellen als we een formele overeenkomst kunnen sluiten, waarin onze wederzijdse toestemming en verwachtingen duidelijk worden gedefinieerd en schriftelijk bekrachtigd.

Ik stel voor om, nadien en onder opschortende voorwaarde van een expliciet akkoord, een meer informele ontmoeting te regelen op een locatie en tijdstip naar jouw keuze, waar we op een respectvolle manier van elkaars gezelschap kunnen genieten. Jouw comfort en welzijn zijn voor mij van het grootste belang, en ik ben volledig bereid om de dynamiek van onze interactie aan te passen aan jouw wensen en grenzen.

Met liefdevolle hoogachting,

Jan

De Man van Gwendolyn Rutten.

Vandaag heb ik de eer en het genoegen om je mee te nemen op een uiterst gevaarlijke maar spannende reis naar het hart van de natuur. Ik heet je dan ook welkom in het rijk van opvliegende sissers, in de wereld van stemmingswisselende rollercoasters en in de woestijn van koude schouders en onuitstaanbaar zuidelijke droogtes. Leun achterover en vergeet tijdens deze reis door Absurdistan vooral niet te genieten van de eeuwige strijd om de thermostaat!

Het is een bekend fenomeen dat slechts in uiterst zeldzame gevallen, vrouwen die zich aan de rand van de menopauze bevinden en hevig aan veranderingen zijn blootgesteld toch transformeren in een vuurspuwende draak.  Nochtans kan haast elke vrouw die zich in deze situatie bevindt soms de vergelijking absoluut wel doorstaan.

Beste mannelijke lezer, ofwel ben je, was je of zal je je ooit middenin een relatie bevinden met een vrouw in de overgang.  Weet dan dat overleven in deze tumultueuze tijden geduld vereist, veel geduld maar ook humor, en wel humor van een soort die droger is dan de Zuidelijke Sahara.

Neem bijvoorbeeld die van mij, de eens zo koele en kalme hippe vrouw, die de kunst van het leven verstond om in elke situatie, ijskoud haar cool te bewaren, veranderde van de ene op de andere dag in een menselijke sauna, stralend van hitte en even gloeiend als een wandelende kachel. Om misverstanden te vermijden, als ik me in deze specifieke situatie over temperatuur uitspreek, bedoel ik temperatuur uitgedrukt in graden Celsius, absoluut niet over temperatuur uitgedrukt in graden hitsigheid, want die is omgekeerd evenredig aan haar lichaamstemperatuur. Herken je jezelf in deze situatie, wees dan asjeblieft alert en op je hoede, want op elk willekeurig moment kan een ogenschijnlijk doodnormale activiteit zoals koken, tv kijken of een boek lezen, overslaan in een klimatologische revolutie waarop Greta Thunberg jaloers zou zijn.

Met een bordje in de hand waarop ‘Strejk for Klimatet’ stond, riep ze me plotseling schuimbekkend hysterisch en met ogen gevuld van wanhopige tranen, toe op dezelfde manier waarop Greta, Trump zich ongemakkelijk deed voelen: “Jij, jij stal mijn jeugd.  Nu pik je mijn seks en waarom is het hier zo koud. Waarom is het hier altijd zo fucking ijskoud!”

Dit alles gebeurde onaangekondigd op een doordeweekse avond, waarop mijn anders zo rustige alles beredenerende vrouw nu, met ogen als gloeiende kolen, als een raket uit de zetel schoot, om een tel later, met een agressieve swung de thermostaat op “tropisch paradijs” te draaien en om even later het koud geworden kersenpit kussentje naar mijn hoofd te slingeren. Ongevraagd maar vooral ongewild werd ik deelgenoot van hoe een nooit geziene klimaatrevolutie zich voltrok binnen de muren van ons eigen huis, dit terwijl door deze temperatuurverandering op de Noordelijke IJszee een ijsberg smolt en de aarde sneller opwarmde dan alle door de mens veroorzaakte broeikaseffecten.

Als je denkt de natuur te slim af te zijn door, zoals ik in de winter shorts te dragen om het koel te houden, je hebt het mis. De kracht van de menopauze kent geen grenzen. Voor je het weet heb je heimwee naar die Arctische temperaturen van een uur geleden en snak je naar een Oorlogswinter en terwijl je dit doet probeer je je badend in het zweet te herinneren wanneer je de thermostaat voor het laatst onder de 26 graden Celsius hebt gezien, het lukt niet!

Als je dit al heftig vindt, heren, “Fasten your seatbeld” en zet je schrap. Met datgene wat komt mocht ik alle emoties die bekend zijn in alle uithoeken van het vrouwelijke emotionele spectrum ervaren en dat binnen de tijdspanne van een enkel uur. Het ene moment werd ze de belichaming van Spaanse woede en riep ze een Fatwa uit over mij voor de één of andere niet vervulde maar ook niet uitgesproken belofte.  Het volgende moment barstte ze hulpeloos in tranen uit over één of ander seks-in-the-city-achtig ding op het internet. Leven met een vrouw in de overgang is alsof ik elke dag moet doorbrengen met een hysterische thuisactrice die zich voorbereidt op een Oscarwaardige prestatie. Wij weten allebei dat dit nooit zal gebeuren.

Navigeren door dit emotionele mijnenveld is als een koorddans-act boven een kuil vol alligators. Een misstap en ik zit dagenlang op de strafbank terwijl ik gewoon een stofzuiger vasthield als symbool van mijn eeuwige liefde. En dan spreek ik, deels uit doodsangst deels uit schaamte niet eens over de nachten die door de hormonenkwestie veranderd zijn in een oorlogszone die de vergelijking met de Palestijns-Israëlische zaak moeiteloos kan doorstaan.

Heb je een relatie met een vrouw in de menopauze, houd moed “menopauzende man”, sluit je desnoods op in je bubbel, blijf onder het maaiveld, tel je geld en maak de juiste keuze of je het al dan niet uitgeeft aan een minnares dan wel aan de nieuwste Ducati Desert X.

Maar vooral besef dat het altijd erger kan. Stel je je maar eens voor dat je de man van Gwendolyn Rutten bent!

Vrijdag dertien, je bent gewaarschuwd

Op een gelijkaardige grijze, winderige vrijdag de dertiende als deze, een dag op zichzelf al vervuld met tragedie, werd ik geboren. Mijn moeder, zwaargehavend door de laatste perswee, nam me voorzichtig in haar armen en keek naar me alsof ik zojuist een spiegel had gebroken, met paniek in de ogen en met een verschrikte blik alsof ik een zwarte kat was die net onder een ladder was gelopen.

Redenen genoeg dus om me vandaag een verdoemd wezen te voelen om alle onheil en ongeluk op de rug van vrijdag de dertiende te schuiven.

Vrijdag de dertiende, vermijd hem als de pest. Blijf onder het maaiveld en vermijd oogcontact. Mocht je me ontmoeten, sluit jezelf dan op en omring je met zes geluksklavertjes. Gooi elk uur een zak zout over de linkerschouder. Verschuil je achter deuren en gordijnen met een knoflookteentje in de hand en een hoefijzer rond je nek. Huiver van bananenschillen, van ladders en zeker van zwarte katten want zij zijn vandaag de incarnatie van het kwaad en de boodschappers van het noodlot.

Ontwijk me even hard als een kogel uit een geweer, zie je me of spreek je me toch doe het dan met een angst die grenst aan paranoia.

Het leven op vrijdag de dertiende, een horrorfilm die geschreven is door het lot zelf.

Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.