Categorie: Filosofisch

Al is het maar een seconde

Herfst, zondagmiddag. Grijze lucht hangt neer met een mistige stilte, zo stil dat ik haar bijna kan aanraken. Alles voelt versteend alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. Toch zie ik in de dreef van het bos nogal wat mensen slenteren. Hun uitdrukkingsloze gezichten vertellen me niets. Hun passen zijn hetzelfde, stap na stap, alsof ze allemaal aanvaard hebben dat er op deze weg geen zijsprongen meer zijn, alleen dit ene pad.

Als ik naar ze kijk, lijkt het alsof ik zelf leef op automatische piloot.  Ik stel me de vraag wanneer ik voor het laatst iets gedaan of gelezen heb dat mezelf of iemand anders in beweging heeft gezet. En bedoel ik niet de alledaagse dingen of de gewone woorden die gemakkelijk inwisselbaar zijn met woorden van gisteren.  Ik bedoel woorden die blijven hangen alsof ze de moed hebben gehad om belangrijk genoeg te zijn, om hun eigen weg te gaan en voor altijd te blijven. Woorden die niemand hardop durft uitspreken en slechts een enkeling durft te schrijven.

Daarstraks sprak ik mijn jongste zoon. Hij is in Nepal om daar zijn wereld te veranderen. Na ons gesprek voelde ik een steek, althans ik denk dat het er een was. Misschien ben ik vergeten hoe het voelt om iets wezenlijks of zinvols te doen zoals hij, of om iets te lezen dat verschil maakt, iets te denken dat niet per se veilig hoeft te zijn. Even voel ik me met deze gedachte alsof ik drijf in een stroom van ideeën waarin de oevers nooit veranderen en het uitzicht altijd hetzelfde blijft.

Misschien ervaar je het ook soms, dat gevoel dat je met de stroom wordt meegedreven en dat je zonder logische verklaring gedachten van anderen in je opneemt zonder je af te vragen of ze wel echt van jou zijn. We lezen snel en vluchtig wat ons wordt voorgekauwd en worden de gedachten die anderen ons opdringen.  We zijn niet meer kritisch over onze acties en doen gewoon wat men van ons verwacht, netjes in het gareel, veilig en ogenschijnlijk comfortabel.

Maar ergens in die stroom, zitten gelukkig nog mensen die tegen de stroming in bewegen. Mensen die zich herinneren dat ze eigen gedachten hebben, een eigen wil of een eigen, onduidelijk plan. Soms vraag ik me af of ik daar nog toe behoor, tot die groep die er liever voor kiest om vergeten te worden door de meerderheid dan hun eigen ideeën en gedachten in een mal te laten persen. Misschien herken je dat gevoel wel, dat je soms onbewust of uit gemakzucht meegevoerd wordt met de stroom zonder echt stil te staan bij datgene wat je beweegt?

Als het zo is, en je hebt even haltgehouden bij deze gedachten of je hebt ze misschien heel even hebt gedeeld, dan voelt het dat ik je niet helemaal kwijt ben en dat ik niet echt verdwenen ben.

Mocht je er morgen ook nog aan denken, zelfs al is het maar een seconde, maakt het voor mij niet zo veel meer uit dat de rest van de hoop me vandaag al vergeten is.

Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.

Golven van gedachten

Mensen gaan hun gang zoals ze altijd doen, sommigen met veel lawaai anderen zonder woorden. De afgelopen jaren heb ik geleerd om niet van iedereen te verwachten dat er iets gezegd wordt. Soms heb ik de hoop op een gesprek laten varen, ook al leek dat noodzakelijk. Als mensen willen spreken, zullen ze dat doen, tenzij ze het niet de moeite waard vinden.

Op café, hoewel ik daar haast niet meer kom, zit ik meestal alleen. Ik kies dan een plek uit waar ik mezelf kan zijn zonder te hoeven praten. Ik bestel koffie en een glas water, en observeer en luister. Er is altijd wel iets te zien, een man in een hoek met zijn krant als zat hij op een eiland in een zee van lawaai. Een jonge vrouw achter de toog, die glazen spoelt en klanten bedient, als een danseres elegant bewegend op haar podium. Iedereen is druk of juist minder druk bezig met zijn eigen leven, met zijn eigen gedachten, ik ook. Op zulke momenten heb ik geen woorden nodig. Dan voel ik nauwelijks behoefte om te spreken en helemaal geen drang om te schrijven.

Vroeger fantaseerde ik meer over waaraan mensen denken, wat ze willen zeggen, wat ze voelen of waar hun gedachten naartoe dwalen. Dat doe ik nu minder. Nu kijk ik gewoon. Dat is gemakkelijker en kost minder moeite. Als iemand wil spreken, zal hij of zij dat wel doen. Als ik voor iemand belangrijk ben, vinden ze me wel. Ik hoef niet meer zo nodig te trekken en te sleuren en voel al helemaal niet meer de noodzaak om een gesprek te forceren. Controle heb ik namelijk alleen over mijn eigen daden en woorden, nooit over die van een ander. Dat besef is een opluchting. Het maakt me vrij, op een bepaalde manier.

De wereld om mij heen is groot en luidruchtig. Ik hoef van al dat lawaai niet altijd deel uit te maken. Ik mag kiezen om stil te zijn, om te wachten en te zien wie naar me toe komt. En als niemand dat doet, is dat ook goed.

Vroeger voelde ik me ongemakkelijk bij die stilte. Het voelde als een afwijzing, als een schaduw die het licht bedekte. Nu zie ik het anders. Stilte werd mijn oase, mijn plekje om na te denken, te observeren, te voelen en te groeien. Ik ken veel mensen die alleen maar praten omdat ze hun eigen stilte niet kunnen verdragen. Dan smijten ze hun woorden eruit als netten, in de hoop om iets of iemand te vangen.

Er zit veel waarde in woorden maar niet elk woord heeft betekenis of waarde. Niet elk gesprek moet gevoerd worden. Soms is het beter om af te wachten, te zwijgen en te zien wie mijn stilte kan verdragen.

In die rust van mijn gedachten, ben ik tevreden met mij rol als toeschouwer van het levenstheater. Niet iedereen hoeft te spreken. Niet iedereen hoeft te luisteren. Maar als iemand wil en denkt dat ik iets waard ben, zullen ze wel komen om me te vinden. Het enige wat ik moet doen is geduldig wachten. Als ze niet spreken zegt dat niets over mijn waarde.

Meer en meer voel ik dat mijn eigenwaarde niet afhangt van de woorden of van goedkeuring van een ander. Zo breng ik veel tijd in stilte door, alleen maar niet eenzaam. Soms alleen maar luisterend naar geluiden die ik wil horen en waar ik aandacht aan wil geven, het gerinkel van glazen, het gefluister van de wind.

Maar als iemand wil spreken, zal ik luisteren. En zo niet, dan is dat ook goed. Als niemand spreekt zegt dat ook iets. In dat geval luister ik wel naar de golven van mijn gedachten.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!

Het stipje waar ik naar kijk

Bijna als gehypnotiseerd staar ik naar een nietig glinsterend stipje op het immens canvas. Dit stipje, op een vreemde manier zoveel groter dan het is en tegelijk zo onvoorstelbaar klein en nietig, heeft te maken met elke ziel die er ooit op heeft geleefd. Ik staar.

Elke emotie ooit gevoeld, elke droom ooit gedroomd, alles samengeperst op één lichtgevende pixel. Het is als een rondzwevend stofje dat slechts zichtbaar wordt in de lichtbundel van een cinemazaal als een film wordt geprojecteerd.

Dit stipje, mijn thuis, onze thuis, waar jij en ik vandaan komen, waarop elke mens, elke plant, elk dier en elk organisme dat ooit heeft bestaan, ooit heeft geleefd, zonder één enkele uitzondering ooit zal sterven. Ik staar.

In een flits, een bliksemschicht van gedachten duiken duizend beelden op als in een razendsnelle filmmontage. Het is als het afspelen van een vintage filmrol, waarin ouders hun kinderen omhelzen, waarin verliefde koppels elkaar kussen in een verlaten bos, waarin verheven wereldleiders onrechtmatig een troon opeisen.  Waarin wereldsterren, pop- en sportidolen hun succes vieren terwijl clochards in verlaten straten aan hun voeten liggen.

Geloof en religies, wetenschappen en ideologieën, alles passeert. Ook die onbegrijpelijke overtuigingen die fel met elkaar in conflict zijn waardoor individuen of groepen elkaar bekampen en ze zich ten opzichte van elkaar superieur wanen, met hoogmoed, ‘de waarheid’ of onoverwinnelijkheid als inzet.

Elk historisch figuur, of held of vergeten lafaard, elke heilige, slachtoffer of zondaar, elke oorlog, elk onrechtmatig veroverd gebied, alle vreugde, alle rampspoed, verdriet of schaamte, zitten bij elkaar gepakt op dat kleine puntje stof, zwevend ver op de achtergrond van een canvas.

Hoe verklaar je moordende oorlogen die wreedaardig worden uitgevochten tot eer en glorie van de ‘leiders’ die ze bevelen? Waarover gaat het? Over een fractie van een stip, een zandkorrel in een woestijn of een betwist grensgebied dat in het grotere geheel geen enkele betekenis heeft?

Te midden van deze wirwar van emoties en beelden, voel ik me een nietig figuurtje op een eindeloos groot podium, een acteur van een oud toneelstuk, verloren in de coulissen, terwijl het drama van de wereld zich voor mijn ogen ontvouwt op de uitgestrekte scène. Ik staar.

Mijn hoogmoed, aanstellerij en waan, alsof ik iemand speciaal zou zijn, alsof jij iemand speciaal zou zijn, worden helemaal opgeslokt door de omvang van het canvas en door alles wat het stipje vertegenwoordigt. Ik kom plotseling tot besef dat niets of niemand in die grote duisternis ook maar iets van betekenis voorstelt of me zal komen redden, geen buitenaards wezen, geen verheven ziel of verloren hart, geen afgoderij, geen hogere macht, niemand. Als ik wil leven, zal ik het zelf moeten doen. Het blauwe stipje is alles wat er is. Ik staar.

Het is 1994, en NASA’s ruimtesonde Voyager bevindt zich een eind van huis, zo’n 6,4 miljard kilometer om precies te zijn. Met een duizelingwekkende snelheid vliegt het richting de uitgang van ons zonnestelsel. De bestuurders van het tuig besluiten om, vanuit hun thuisbasis, de camera nog één laatste keer om te draaien, als een afscheidsgroet aan de kleine blauwe stip waarop alles wat ooit gebeurd is en ooit zal gebeuren, in al zijn grootsheid en kwetsbaarheid, samenkomt. Dat is het stipje waar ik naar staar.

Wijsheid en ervaring geruild voor liefde

Januari schemert vaag en kleurt grijs en grauw.  Gedachten dolen door doodlopende gangen van de tijd als een verdwaalde reiziger in een onherbergzame stad. Ik slenter doorheen ondergesneeuwde straten. Ze zijn allemaal doordrenkt met herinneringen. In die uithoeken van smalle steegjes liggen oude bekenden op de loer. Af en toe treden ze naar voren om hun ware gelaat te tonen, een keer als anonieme getuige van de liefde, dan weer als deelgenoot van een gemiste kans of met een gezicht van zwakte of kwetsbaarheid.

De grijze lucht weerspiegelt mijn innerlijke wereld en de melancholie die zich in mijn ziel nestelt. Januari schrijdt langzaam voort alsof ze koppig plaats weigert te maken voor een nieuwe maand. Korte dagen leggen een zacht deken over mijn gedachten en over de schaduwen van het verleden. De donkere plekken vermengen zich met stille echo’s van ongekende vooruitzichten. Dagen als deze, waarin gepieker me dwingt om niets te doen worden paradoxaal genoeg dagen waarop ik het actiefste lijk. Ik ben moe maar al mijn zintuigen staan op scherp.

Doorheen donkere stegen dwalen mijn gedachten af. Ze leiden me naar gevaarlijk ogende plaatsen. Op een muur lees ik, “Wat is liefde?”  Is het de eenzaamheid van de ene die de onzekerheid van de andere in standhoudt? Is er plaats voor verlangen, als die alleen maar kortstondig in de golven van de oceaan kan schuilen zonder er een definitieve verblijfplaats in te vinden? De liefde blijft ongrijpbaar en vluchtig als kwikzilver. Of is het toch een virus dat zich in fasen ontwikkelt om te eindigen in een ramp?

Liefde begint vaak als een angstige zoektocht naar het onvindbare, zoals zoeken naar land in de mist van de zee met een kustlijn die onzichtbaar blijft voor het blote oog. De angst om de ware liefde niet te vinden wordt een vrees dat het echte leven verbergt.

Eens de liefde heeft toegeslagen, wordt die vrees een constante dreiging. Een paniekaanval om diegene te verliezen die je gevonden hebt. Je loop het risico om een stuurloos schip te worden dat zich te midden in die oceaan bevindt met een kompas dat alle richtingen tegelijk aangeeft.

In de laatste fase van liefde, wanneer gloed en passie vervagen, of de andere verdwenen is resteert slechts leegte, met een nihilisme zo diep als een oceaan waarin zelfs een ziel kan verdwijnen. Alles-beloofde liefde is dan slechts een verzameling van mooie momenten die zich net afgespeeld hebben voor de ramp. Het schip is gezonken. Zij klampt zich vast aan een stuk drijfhout, hij zinkt naar de bodem van de oceaan.

Mijn leven, een roman geschreven in de taal van de liefde is een dik boek met pagina’s vol vreugde en plezier, verdriet, verwarring en verlies. Gemis en gemijmer zijn de pasmunt die ik betaal voor de wijsheid die ik vergaar en die zich blijft ontvouwen in de chaos van het onbekende.

Liefde kent uiteindelijk nooit een happy-ending maar het is wel het enige dat het leven zijn betekenis en glans geeft. Wijsheid door ervaring, in ruil voor liefde!

Vandaag is het blauwe maandag, de enige dag van het jaar dus waarop deprimerende gedachten als deze een vrije uitloop mogen krijgen. Gelukkig is het maar blauwe maandag!

Vlinder op een zeldzame bloem

Mijn geheugen is fragiel, bijgevolg dus niet onfeilbaar. In mijn leven waarin alles zo snel gebeurt kan ik de verbanden tussen gebeurtenissen niet altijd goed begrijpen. Mijn begrip, gevoel en verstand schieten tekort. Ze raken door de tijd bedolven onder de ruis van herinneringen en onder het waas van verwachtingen, precies alsof mijn ziel erin is vastgeraakt. En ik, ik blijf maar ongevaarlijke pogingen doen om alles dichtbij te houden om het leven in een voor mij begrijpelijke dimensie te ordenen.

Herinneringen vervagen. De goede momenten, de foute keuzes, de pijnlijke vergissingen, het jammerlijk gemis, alles lijkt te vervliegen als rook in de wind. Misschien is dat maar beter zo want mocht elk detail van het verleden kristalhelder blijven, het gewicht van het leven zou ondraaglijk worden. En toch, zelfs met de fragiliteit van mijn geheugen en met vergetelheid als bondgenoot, begint het leven met zijn ondraaglijke lichtheid soms toch een beetje door te wegen.

Elk nieuw jaar belooft een frisse start, een blanco pagina in memoires die zichzelf nog moeten schrijven. Wat zal dit jaar anders maken? Deze vraag stuitert als een botsbal door mijn gedachten. Ik stel ze omdat het leven dat ik meen te kennen haar gewone, vertrouwde glans lijkt te hebben verloren, alsof een andere cadans het ritme nu bepaalt. Met dat nieuwe ritme weerklinken onzekerheden opnieuw als donderslagen. Je hebt de haast constante dreiging van oorlog en geweld.  De natuur lijkt niet blij te zijn en ook dichterbij lijken mensen steeds hartvochtiger alsof ze minder om elkaar geven, alleen nog geïnteresseerd in de persoonlijke zaakjes van hun smartphone, in snelle winst, in kortstondige zelfpromotie of in vluchtig genot.

Als ik daarover te diep na denk dreigt mijn rust en zachtheid te worden weggeduwd om te veranderen in loden lasten die als een sarcofaag mijn hart omsluiten. Ik probeer ze te bedwingen, maar lijk wel gevangen te raken in hun verstikkende greep.

Is het mijn onophoudelijke zoektocht, die vermoeiende en soms eenzame pelgrimstocht naar betekenis die me drijft met een niet te stoppen drang om orde te scheppen in de chaos van herinneringen, met de illustere hoop om grip te krijgen op alle onzekere schaduwen die door mijn dagen sluipen? Of is het net de paradox van vergeten en onthouden die als een eindeloze koorddans tussen wat was en wat kan zijn, mijn ziel blijft beroeren? Wat mag ik vergeten en wat absoluut niet? Welke herinneringen moet ik koesteren en welke kan ik beter laten vervagen in de stille nevel van vergetelheid?

En, is het wel ok om jou lastig te vallen met deze vraag aan de start van een nieuw beloftevol jaar? Want jij bent geen pelgrim van het verleden die zijn weg zoekt door de mist van herinneringen en door de wazige contouren van de toekomst en die met elke stap die hij zet een uitdaging ziet om de tijd bij te houden of om die nieuwe cadans van het leven te begrijpen?

Neen, jij bent een vlinder die door het leven fladdert. Misschien word ik in het nieuwe jaar ook een vlinder en kom ik je tegen op een zeldzame bloem.

Goed of druk, de enige goede antwoorden

Minstens vijf mensen vroegen me gisteren: “Hoe gaat het met jou?” Mijn bijna automatische reactie is dan: “Goed, het gaat goed, denk ik, en met jou?” Uit een soort van beleefde reflex, maar ook om aan te geven dat ik niet heel zeker ben of het wel echt goed met me gaat. Hoe kun je dat trouwens met zekerheid zeggen?

Al gauw ontdek ik in die vraag een handige manier om me uit te horen en vooral om te pronken hoe “goed” en “spannend” het leven van de vraagsteller zelf is. “Druk, nieuwe auto, eindelijk promotie, dure reis”, dat soort dingen waarmee mijn interesse tot een gesprek nauwelijks wordt gewekt.  Het was hen niet eens opgevallen dat ik van mijn antwoord niet heel zeker was. De vraagtekens hadden ze niet gehoord.

Een ander of een oprechter antwoord dan “goed”, zou waarschijnlijk geen verschil gemaakt hebben. De meesten waren immers te druk met zichzelf bezig om te verdoezelen dat mijn antwoord hen maar weinig interesseerde.

“Goed, het gaat goed”, werd dan snel een soort openingsbod, in Christies of in een ander prestigieus veilinghuis waarmee ik het opbod van mijn persoonlijk succes als een duur kunstobject moest aanprijzen om gekocht te worden. Alleen er waren geen kopers of bieders geïnteresseerd in zeldzaam antiek.

Ik had net zo goed kunnen antwoorden, “Ik ben er even niet, gelieve een bericht te laten na de biep”. Het resultaat zou hetzelfde zijn geweest. Mijn antwoordapparaat zou op een identieke manier zijn volgepraat. Alleen had ik dan de keuze gehad om snel door te gaan naar het volgende bericht.

En zo werd het gesprek, dat er nooit één geweest is een zwart gat waarin woorden verdwijnen. “Goed, het gaat goed, denk ik, hoe gaat het met jou?”, lijkt dus niet de juiste vraag of het juiste antwoord om een echt gesprek mee te starten.

Spijtig toch, hoe mensen, opgesloten door succes en vergrendeld achter oppervlakkigheid of angst zichzelf verheffen en opgejaagd door het leven vliegen alsof ze er meer dan één bezitten.

Wanneer we elkaar dan ontmoeten, ik traag en kwetsbaar, jij snel en vastberaden, beiden met sterren die vastzitten in onze ogen en in ons hart, ontken ik jouw leugen en word ik onzeker van mijn waarheid die ik verberg als monsters die zich diep in mijn hart verschuilen en zich achter slot en grendel bevinden. En dan hoop ik maar dat de dubbelgangers van mezelf die ik niet mag tonen, nooit vroegtijdig zullen worden vrijgelaten.

Om mezelf en jou te beschermen, lijkt het me dan ook verstandiger om voortaan te antwoorden, “Goed, het gaat goed”, maar dan zonder te vragen hoe het met jou gaat.

Ik weet namelijk al dat alles goed is en dat je het druk hebt.

Woorden als een storm in een fles

Woorden, onverbiddelijke krijgers met de potentiële kracht om de rijkdom van het onuitgesprokene te vernietigen en om verfijnde nuances te vervagen. Woorden, eens uitgesproken of losgelaten op papier nemen ze bezit van jouw gedachten en dwingen ze tot een eenduidige betekenis. De lagen van wat verborgen ligt, worden nooit echt onthuld, de waarheid nooit blootgelegd, naakt, eerlijk of onvermijdelijk?

Het is fascinerend hoe je, eens geconfronteerd met de grootsheid van het onzegbare of onbenoembare, bijna altijd instinctief teruggrijpt naar gekende woorden en naar bevattelijke zinnen, zelden naar gevoelens. Woorden worden dan een reddingslijn, een levensader die de illusie en complexiteit van onbegrensde gedachten en onberekenbaar gevoelens probeert te vangen in een web van letters en klanken, tot ze er zelf volledig in verstrikt raken.

Het is alsof ik een storm probeer te vangen in een fles. De waarheid echter is dat al die pogingen mijn onbegrijpelijke werkelijkheid reduceren tot een starre, gekende definitie, tot een geest die gevangen blijft in een labyrint van taal die worstelt met tegenstrijdigheden, meningen, uitdrukkingen en beperkingen.

Ik zie mijn verzonnen woorden wel op papier resoneren in de leegte van een taal die spreekt maar altijd zal tekortschieten. Ze breken keer op keer op de spiegel van mijn ziel wanneer ze mijn gedachten proberen uit te drukken.

En toch zit er in het falen van woorden en in de on-uitlegbaarheid schoonheid verborgen. Misschien verschuilt zich in de suggestie en in de zweem van de verbeelding iets dat groter is dan taal zelf, iets dat ontgaan blijft aan de heersende definities en consensus en, iets dat in de stilte na de echo de werkelijke complexiteit laat zien die alleen met jouw verbeelding kan gelezen worden, en dan bedenk ik me.

Niet alles hoeft gezegd, niet alles hoeft geschreven, niet elk woord vertaald.  Jij begrijpt me zelfs zonder woorden. Daar kan een tekst als deze zelfs niet eens aan tippen. Misschien had ik beter gezwegen!