Categorie: Filosofisch

Waardeloze wens

Ik heb in mijn leven al heel wat af gewenst. Ik deed dat wanneer ik een vallende ster zag, als ik kaarsen uitblies, zelfs bij een verdwaalde wimper. Vorig jaar heb ik mensen het allerbeste gewenst. Ik zie het nog voor me. Ik deed het met de overmoedige overtuiging dat mijn woorden of wensen iets zouden kunnen omdraaien, vertragen of ongedaan maken. “Gelukkig nieuwjaar”, twee woorden, die ik vol verwachting en met hoop uitsprak alsof ze vanzelf hun weg wel zouden vinden.

Sommige van die mensen zijn er niet meer. Ondanks mijn wens. Ze verdwenen of gingen dood. Hun naam is niet weg, maar hij klinkt anders. Alsof ze niet meer in deze tijd staan, of zo. Mijn wens heeft hen niet kunnen beschermen. Hij heeft niets tegengehouden, niets genezen, niets verlengd, en dan denk ik, mijn wens is waardeloos geweest.

Maar misschien was hij niet verkeerd of waardeloos, maar heb ik hem te groot gewenst, of heb ik hem te achteloos of te kwistig uitgedeeld en had ik gewoon wat zuiniger moeten zijn voor wie ik hem bewaarde.  Ik probeer het dit jaar te doen, misschien dat het leven zich volgend jaar dan een beetje zal gedragen, dat verlies een omweg zal nemen en de kalender een beetje milder zal zijn.

Mijn wens van vorig jaar heeft me geleerd dat een wens geen belofte is en dat de dingen niet altijd proper op elkaar volgen zoals een wens of het leven dat zou moeten doen. Soms stort alles gewoon in elkaar ongeacht al dat gewens.

Vandaag, aan de rand van een oud jaar en aan het begin van een nieuw, wil ik het allemaal een beetje zuiniger, een beetje rustiger. Ik wens je dan ook geen vanzelfsprekend, groots geluk met de verwachting dat daarmee alles afdwingbaar wordt, want dat zal het nooit zijn.

Wat blijft er dan over? Aanwezigheid misschien, voor jezelf en voor elkaar?  Misschien zullen we dan beseffen dat elk moment zijn waarde heeft. Misschien dat we dan durven blijven kijken en blijven voelen ook op momenten dat het leven ingewikkeld wordt. Dat we dan niet wegkijken van stilte, gemis, oneerlijkheid, eenzaamheid en van alles wat niet direct opgelost raakt. Misschien moet niet alles direct opgelost te raken.

Voor mezelf wens ik voldoende moed om mensen te blijven vasthouden zolang ze er zijn, zonder overmoedig te denken dat tijd vanzelfsprekend is. Dat aanwezigheid vanzelfsprekend is.  Dat jij vanzelfsprekend bent. Voor jou wens ik hetzelfde.

Ik wens mezelf ook zachtheid en rust om afwezigheid, gemis, oneerlijkheid en eenzaamheid niet altijd te willen herstellen met woorden maar ook een keer met daden.

Morgen begint een nieuw jaar. Geen ziel die weet wat dat zal brengen.  Dus niemand die nu al weet welke straks het meest bruikbaar zullen zijn. Ik hoop dan ook dat deze waardeloze wens genoeg is om opnieuw te beginnen, om er het hele jaar mee door te komen.

Gesponsorde bullshit met een kortingscode

Strontmoe ben ik het, niet een klein beetje sarcastisch moe maar echt strontbeu. Ziekmakend is het. Op de plaats waar ik vroeger een beetje mentale rust vond, liggen nu advertenties te rotten.

Het begint ’s morgens al. Zelfs op kerstdag. Nog voor ik goed en wel mijn ogen heb opengetrokken, ligt die fucking gsm al als een opgefokte hond in mijn oor te hijgen. Iedereen wil iets van mij en iedereen wil het me laten weten. Wat zogenaamd goed en juist is, waar ik beter van moet worden, nog voor ik zelf weet dat ik iets mankeer. Niemand houdt nog gewoon zijn bek.

Vijf- tot zesduizend reclameprikkels per dag, dat is geen marketing meer dat is pure mishandeling. Terreur. Elke vijf seconden tikt een ingebeeld iemand ongevraagd op mijn schouder, die komt zeggen, “heb je dit of dat niet vandoen want zoals je er nu uitziet ben je niet af. Zoals je er nu bijloopt, ben je geen van ons. Heb je dit of dat al eens geprobeerd?” En als het geen product is waar ik al niet zat op te wachten, is het tegeltjeswijsheid in een gesponsorde levensles. Gesponsord. Uiteraard.

Zwijg me over al die fucking influencers. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn wandelende reclameborden met gesponsorde gezichten. Allemaal tuiten ze hun lippen gelijk een gans maar lachen doen ze niet want dat rendeert niet. Zelfs na hun laatste mentale breakdown willen ze me iets verkopen. “Ik deel dit even met jullie omdat het belangrijk is.” Hou toch je bakkes. De enige reden waarom je dit deelt is omdat er geld in zit.  Zelfs de ziel of het geweten van je moeder zou je verkopen. Wees tenminste eerlijk in je smerigheid.

Ik wil niks proberen en al zeker niks kopen. Ik zal zelf wel bepalen wie mijn redding zal zijn. Auto’s, kleren, rust, focus, zelfliefde, alles moet in dezelfde Zalando-, Amazon-, of bol-dot-com-doos passen. Allemaal laten ze uitschijnen dat mijn existentiële ellende maar zal verdwijnen met dit of dat product. Ik heb geen tekort aan producten, ik heb een tekort aan rust. Ik wil geen overdosis bullshit-gelul meer.

Mijn brein is stilaan een vuilnisbelt aan ’t worden waarop elke marketeer, elk bedrijf en elke influencer zijn, met reclame bedrukte vuilzak rotzooi dumpt. De Hoge Maey is er niks tegen. En ik zou nog dankbaar moeten zijn ook.  Als ik alles moet geloven zou ik met al die zever tien andere versies van mezelf kunnen kopen. Dank-u, maar ik moet jullie zogenaamde luxe niet. Ik moet er niet voortdurend herinnerd te worden aan alles wat ik niet ben. Daarvoor ga ik wel naar een psycholoog.

Zelfs mijn stilte wordt kapotgemaakt met meditatie-apps die tegen me praten met ademhalingsoefeningen met een abonnement. Ik wil betalen om gerust gelaten te worden. Elke dag word ik door het internet en al die social bullshit in elkaar geklopt om daarna een pleister en een pilletje tegen de zeer te krijgen, tegen betaling of met een abonnement.

Ik scroll mee. Ongewild.  En dan haat ik mezelf. Want dat is misschien nog het smerigste, ze hebben me zo ver gekregen dat ik medeplichtig geworden ben aan mijn eigen overprikkeling, uitputting en ergernis.

Ik wil geen gesponsorde of geïnfluenste merken meer, niet aan mijn lijf, niet in mijn hoofd en niet in mijn gsm. Ik wil geen producten. Ik wil geen beloftes meer en zeker geen opgedrongen abonnementen met fucking kortingcodes. Ik wil dat alles stopt. Dat iedereen stopt met die gesponsorde bullshit in mijn strot te duwen. Ik wil dat mijn gedachten weer van mij alleen worden, zelfs al zijn ze lelijk, onsamenhangend en nutteloos.

Maar dat verkoopt niet. Dus spuug ik ze hier maar in jouw feed. Gratis en voor niks.

Ergens. Tussen onrecht, schuld en vergeving

Ik slenter tussen de echo van mijn eigen stappen. Soms klinken ze te luid, soms te zacht. Het lijkt wel alsof ik mezelf door die stilte heen wil slaan. Ergens in mij resoneert iets dat lijkt op oude schaamte, zwaar en stijf, iets dat ik niet helemaal begrijp, laat staan onder woorden kan brengen. Het is geen duidelijk gevoel, eerder een koude wind die telkens in mijn nek blaast net voor de nacht besluit of hij mij welkom heet of niet.

Wanneer ik denk dat ik dat gevoel ben ontgroeid, duikt het opnieuw op.  Onaangekondigd als zachte, beschuldigende indrukken die fluisteren dat ik nooit genoeg zal zijn, alsof ik iets of iemand onrecht heb aangedaan, misschien mezelf wel het meeste.

De laatste weken heb ik gedacht dat vergeving of acceptatie bij de ander begint. Dat iemand mij wel zou aankijken om te zeggen, “het is goed genoeg, ik begrijp je”. Nu pas voel ik hoe dringend ik die woorden tegen mezelf moet uitspreken. Want, niemand kent het gewicht dat ik draag beter dan ikzelf. Ik alleen weet precies waar het verkeerd is gelopen. Ik ken de situaties, mijn gedachten en de keren dat ik zweeg terwijl ik had moeten opstaan en protesteren. Maar ik ken ook de momenten waarop ik te luid sprak terwijl zwijgen beter was geweest.

Wanneer ik terugkijk, zie ik mezelf als kind. Helder, niet vaag of verdwaald, maar onzeker, met te kleine handen om te dragen wat me werd aangereikt. Ik probeerde al stevig te staan, maar mijn benen waren te kort, mijn rug te zwak voor alles wat op mijn schouders drukte.

Heb ik daarom zo vroeg geleerd om mezelf te verstoppen in verhalen en gedachten die niet van mij waren om te fel te leven zoals anderen dat van mij verwachtten, in plaats van zoals ik het voelde. Wie zal het zeggen?

Er zit iets rauws in het besef dat schuld en schaamte of onrecht niet zomaar verdwijnt met de tijd. Het is dat soort gevoel dat zich ingraaft, in stilte groeit en zich voedt met pijnlijke herinneringen en rondcirkelende gedachten. Maar als ik goed kijk, vind ik in al die mijmeringen ook een zacht kantje, één dat ik mezelf maar zelden gun.

Er zit iets dat ik te lang heb genegeerd. Ik wil ook vooruit, soms te traag, vaak onbeholpen, dikwijls te stuntelig maar wel vooruit. Ik voel dat ik het mezelf verschuldigd ben om op te houden met weg te duiken, om eindelijk rechtop te staan, zelfs als ik kwetsbaar ben en het ongemakkelijk of oneerlijk aanvoelt.

Wat mij raakt is, hoe mezelf vergeven fragiel en moeilijk blijft. Het is geen groots of dramatisch gebaar naar mezelf. Het zijn geen open armen in het midden van de storm. Het is eerder mijn stem die zegt, “Janneke, zullen we het nog een keer proberen?” Het is die glimlach die ik mezelf schenk wanneer ik mijn littekens aanraak en voel dat ze minder pijn doen, omdat ze een schoon verhaal vertellen.

Ik verstop me nog te dikwijls achter starre trots, omdat toegeven als zwakte voelt. Terwijl ik beter weet dat kwetsbaarheid geen capitulatie is, maar misschien de mooiste vorm van zelfbehoud. Leg me dan uit waarom ik me blijf verdedigen tegen mijn eigen hart?

Er zit een zekere schoonheid in het herkennen van mijn tekortkomingen zonder ze per force te willen corrigeren of te veroordelen. Ik observeer mezelf, de mens die ik was, die ik ben en die ik nog wil worden. Tussen die drie figuren zit nog afstand maar ook nieuwsgierigheid. Maar misschien moet ik toch eerst helemaal barsten en breken om ruimte te krijgen om terug te kunnen groeien.

Vergeving is geen point final aan het einde van een zin, eerder een komma midden in een verhaal dat zich nog aan’ t schrijven is.

De wind zal gaan liggen als ik besloten heb om niet meer mee te waaien. Om te blijven staan, misschien tegen beter weten in, hopelijk met een soort onverwachte moed. Dan pas zal ik opnieuw mijn echte stem horen en met mijn hart op mijn hart kunnen zeggen, “Ik ben het niet vergeten, maar ik heb het een plaats gegeven …”

Maar dat is nog niet … echt nog niet voor vandaag!

Ergens anders.

Rust komt niet zomaar komt aanwaaien. Hoe harder ik haar probeerde te grijpen, hoe verder ze van me afdreef. Op zo’n momenten voelt het alsof ik zand probeer vast te houden. Hoe harder ik knijp, hoe sneller het tussen mijn vingers wegglipt.

Ik dacht lang dat rust iets was dat ik moest verdienen. Na een drukke week, een vol hoofd of na een to-do-lijst die eindelijk afgevinkt is. Maar de afgelopen maand heb ik gemerkt dat dat niet zo werkt, althans niet voor mij. Een moment waarop alles klaar is, bestaat niet voor mij. Er is altijd iets te doen zelfs al is het een dwingende gedachte die roept: “straks moet je nog naar Amalfi, naar Pompeï en op de top van de Vesuvius ook al is die top een gat”

Mijn laatste reisje Napels heeft me dat op een vreemde manier doen inzien. Ik ging er naartoe om op te laden, om dingen te zien en om onbekende mensen te ontmoeten. De waarheid is dat ik mijn onrust gewoon meenam in mijn koffer. En dat mag je gerust letterlijk nemen want door een cyberattack in de luchthaven was mijn bagage een dag te laat. Ineens voelde ik me ontworteld, verweesd bijna, alsof ik niks kon doen en niemand kon zijn zonder mijn tandenborstel of een propere t-shirt. Het was ongemakkelijk, frustrerend. Het bracht een vreemde onrust die ik niet had voorzien. Ik dacht, hoe kan ik hier nu rust vinden als zelfs mijn valies mijn tempo niet kan bijhouden?

De eerste dag liep ik dan ook rond als een stinkende toerist die bang is om iets te missen. De stad was luid, vol geuren, vol kleuren en vol hectische chaos. Na een frustrerende morgen van telefoongesprekken, e-mails en sms’en die geen duidelijkheid brachten over mijn valies, zat ik op een klein terras, ergens in een smalle straat met pas gewassen lakens boven mijn hoofd en relikwieën van Maradonna zowat overal.  Scooters en Vespa’s scheerden voorbij met daarop mannen en vrouwen met luidruchtige stemmen die elkaar overstemden. Naast me zat een oude Italiaan. Zijn gezicht was verweerd, alsof de zon van Napels er jarenlang verhalen in had gebrand. Rimpels als karresporen, diep en grillig. Zijn neus was groot en haakvormig, een trotse boog boven een mond waaruit een gouden tand opblonk als hij glimlachte. Niet uit luxe, maar uit gewoonte. Die tand ging waarschijnlijk al even lang mee als zijn sandalen.

Zijn linnen hemd was vaalblauw en verkreukeld. Er ontbrak een knoop. Zijn broek ooit wit geweest, had nu dezelfde kleur als al het stof van Napels. Alles aan hem leek het rumoer te overstemmen. Zijn handen rustten op de tafel, met ouderdomsvlekken op zijn kromme vingers. Hij bewoog amper, alsof elke beweging voorafging aan een moeilijke keuze. Zijn espresso stond voor hem als zijn laatste vriend.

Hij dronk hem tergend traag, zonder haast, alsof tijd voor hem niet bestond. En ineens voelde ik het. Ik werd helemaal rustig.  Ondanks mijn koffer-loze morgen, mijn lichte paniek over dingen die ik niet dicht bij me had, voelde ik dat ik even mocht ophouden met zoeken.

Vanaf dat moment stopte ik met plannen. Met willen. Met moeten. Ik dwaalde gewoon door de straten, zonder doel, en vreemd genoeg, midden in die chaotische drukte, vond ik stilte. Niet buiten me, maar vanbinnen. Ik besefte ineens dat ik niks nodig had om hier te zijn.

Ik ben bijna een week terug en ben vastberaden om dat gevoel vast te houden. Niet door mijn dagen perfect in te plannen, maar door genoeg momenten te voorzien waarin ik niets moet doen. Soms lukt dat door gewoon even uit het raam te staren. Maar ook door dit te doen. Beschrijven wat ik denk en voel.

Het helpt me om gecontroleerd stil te vallen. Van het ogenblik dat ik mij klavier op mijn schoot leg, vertraagt alles. Mijn gedachten kalmeren en krijgen woorden, mijn adem wordt rustiger en mijn hartslag vertraagt. Soms schrijf ik alleen maar losse zinnen, zonder richting, zonder dat het ergens naartoe moet. Juist daarin vind ik mijn rust.

Ik begin stilaan te begrijpen dat rust niet betekent dat alles stil is of stilstaat. Rust is niet de afwezigheid van geluid, lawaai of beweging. Het is de aanwezigheid van mijn aandacht. Het is het moment waarop ik ophoud met achter de dingen aan te lopen en te beseffen dat de wereld of mijn bagage op een ander tempo loopt.

Misschien is rust geen plaats, geen reis, geen plan of geen prestatie. Misschien is het gewoon iets waar ik elke dag even mag voor kiezen. Zoals die oude man in Napels zijn espresso dronk bewust en zonder haast. Mogelijks is schrijven mijn manier om dat te doen. Even stoppen, even alleen maar ademen, luisteren en voelen, ook als mijn koffers en al wat ogenschijnlijk belangrijk is, nog ergens anders zijn.

Het ochtendritueel van een verzopen kieken

Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.

Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.

Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.

Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.

Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.

Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.

Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.”  Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”

Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.

Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.

En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.

Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.

Ongemakkelijke anusjeuk

Daarstraks, ik opende de ijskast en vond er mijn autosleutels. Ik was ze al twee uur aan ’t zoeken. Met mijn vondst viel alles in de plooi. In die ene flits van mistige zinsverbijstering zag ik mijn bestaansrecht voor mijn ogen verdampen. Alsof mijn hersenen zeiden, “sorry makker, we geven het op. Zoek het van hieraf maar zelf uit. Succes nog voor de rest.”  En ik doorzocht als een verdwaalde aap verder mijn ijskast, in de hoop in het groentebakje mijn gsm tegen te komen. Op momenten als deze voel ik me niets meer dan een slaapwandelende orang-oetan die zich probeert op twee benen staande te houden terwijl hij beter terug op vier poten zou gaan lopen.

Ik zeg zo dikwijls dat ik een denkende mens ben, zoekend naar meer. Ik vind mezelf gelaagd, diep, verstandig en betekenisvol. Met een plan. Serieus? Toen ik daarnet in mijn ijskast verdwaalde, voelde ik me iets minder ‘gelaagd’. Ik voelde me eerder lid van een overbodige kutgroep die de aarde al millennia lang overbevolkt en om zeep helpt. We zijn ooit rechtop gaan lopen, hebben vuur, een knots en een wiel ontdekt. Toegegeven, dat was straf. Maar zijn we sinds dan, niet allemaal stilaan gaan evolueren tot wandelende zakken broeikasgas met spraakintelligentie en een Facebook-account?

Om maar iets te zeggen.  In ons leven krabben we tienduizenden keren aan ons kruis alsof één of andere hogere macht daar een antwoord heeft verstopt. We wisselen drie keer per dag van onderbroek alsof het een ritueel betreft dat ons moet zuiveren van iets dat we zelf niet meer kunnen benoemen. We staren om de vijf voet in spiegels en schermen en noemen dat ‘zelfreflectie’, terwijl we, als we eerlijk zijn met onszelf, gewoon checken of er niet te veel haar uit onze neus groeit. Elke dag schijten we minstens twee keer de pot vol en vegen alles proper met toiletpapier, tweeënhalve laag dik, als het kan. Doen dat nauwgezet en met stille hoop dat onze vinger niet doorschiet. Terwijl we daar zitten kakken, scrollen we met diezelfde vinger over schermen en peuteren we onze neus proper om nadien opnieuw te checken of we toch niet door dat tweeënhalf-lagig dik toiletpapier hebben gezeten.

We zijn het menszijn stilaan aan ’t afleren om te verworden tot een cluster van nieuwe reflexen, aangeleerde dwangmatigheden en lichaamsgeluiden die we angstvallig willen verbergen. Ons leven is gaan vervellen tot een scheet in een fles en een boer in de wind. Kortom we verspillen 40% van ons leven met het hooghouden van een façade, met nieuwe dwangmatig aangeleerde reflexen en met het checken of er niet te veel haar op ons gat groeit.

We zijn een kudde ‘zelfbewuste’ apen geworden die hun lichaam voortduwen richting het einde, met als houvast de illusie van de controle. We denken dat we bangelijke verhalen schrijven en ‘een leven’ leiden terwijl we in werkelijkheid de hele dag bezig zijn, met ons ego op te pompen, onze piet in bedwang te houden en een venusheuvel haarvrij te krijgen.
Terwijl we dat doen hopen we dat er niet toevallig een scheet passeert en hopen nog harder dat niemand het merkte. We verzinnen van alles om te verbergen dat we van niks weten en dat we eigenlijk gewoon domme, gestreste beesten zijn die wat het ook moge kosten, bij die overbodige kutgroep willen blijven horen.

En de rest van de tijd? Ah, die besteden we zoals ik nu doe, aan het rationaliseren van dat alles. We kopen boeken over zingeving, volgen cursussen mindfulness en meditatie en prijzen onszelf slim door levenslang te leren terwijl we nog steeds acht keer per dag neuspeuteren en vijftien keer aan ons kruis pulken als niemand kijkt.

Ik heb het uitgerekend. Meer dan 40% van onze tijd die we op deze planeet doorbrengen gaat op aan dat soort complete kutonzin en de overige 60% verspillen we aan het proberen te begrijpen waarom we dat doen. Alleen we komen niet tot toegeven dat alles gewoon vastzit in onze eigen anus die jeukt en we het allemaal niet meer zo gemakkelijk uitgekakt krijgen.

Het leven is geen mysterie. Het is gewoon luchtverplaatsing.  Een verdwaalde scheet of een ingehouden boer, dat ligt eraan langs welke kant hij eruit komt.

Doe gerust nog een verse onderbroek aan als je dat wil. Knoop je veters en kuis je reet nog eens proper, want je had toch het gevoel dat daar nog wat kak aan hing.  Loop desnoods een paar uur rond als een waggelende pinguïn omdat er nog wax aan je schaamlip plakt. Doe het met je kop in de lucht, alsof het allemaal betekenis heeft.
Maar eigenlijk ben je gewoon maar lucht, een scheet in een fles of een boer in de wind.

En als je deze ongemakkelijke waarheid niet aankan, heb je duidelijk nog niet genoeg in je ijskast gekeken of aan je kruis gekrabd.

De (soms) ondraaglijke lichtheid van… mijzelf

Soms denk ik dat ik te zwaar of te licht ben om vast te houden of vastgehouden te worden. Dat ik door vingers glip, zoals zand op een strand. Ik lach, ik schrijf, ik slaap, ik speel, niet noodzakelijk in die volgorde. Maar onder die lichte tred zit oud gewicht. Niet dat jij het kan zien. Ik ben niet zeker of iemand het kan zien.

Wat jij ziet is een man die lijkt alsof hij het heeft gehaald. Een man die niet meer drinkt, die langs buiten rustig lijkt, terwijl wat hij voelt of denkt, verborgen blijft onder zorgvuldig uitgekozen woorden. Je ziet of leest alleen mijn ritme, ogenschijnlijk kalm en behoedzaam maar niet de barsten van waaruit dat ritme is geboren.

Ik weet trouwens niet of ik besta zoals jij mij ziet. Misschien besta ik zelfs alleen maar uit extreme contrasten. Of als een onduidelijke projectie tegen een muur van onuitgesproken zinnen. Onze pa kon ook zwijgen alsof hij iets wist wat de rest van de wereld niet mocht weten. Liggend op zijn rug op de zetel of zittend met zijn rug naar mij, keek hij naar het plafond. Als kind vulde ik stille leegtes met een angstige fantasie, en later, met drank. Ik had hem misschien, moeten vragen waar hij met zijn gedachten zat, misschien ook niet.

Vroeger, toen drank mijn toevlucht geworden was, werd ik zwaar en met elk glas werd ik zwaarder. Letterlijk en figuurlijk.  Met een hoofd zwaar als lood en de roes als mijn anker, de ketting ervan strak rond mijn lijf gespannen. Hij trok me onder als ik dreigde te ontsnappen. De ketting was net lang genoeg om me niet helemaal onder te trekken, om te blijven ademen maar ze was niet lang genoeg om echt te leven. Nu is er geen ketting en geen anker. Ik ben lichter. Te licht soms, denk ik. Ik laveer door het leven met een lichaam dat niet meer weerspannig stampt, maar sluipt. Soms kom ik ergens binnen en vergeet ik waarom ik er ben. Ik weet wel dat ik er nog ben.

Mensen praten, ik antwoord. Mensen lachen, ik volg. Maar in de kern van die momenten weet ik, ik ben er niet helemaal bij. Zo was er een verjaardagsfeestje, ergens in een tuin vol lachende mensen. Iemand vroeg me, “En jij, hoe gaat het met jou?” Ik glimlachte en ontweek de vraag met een mop als antwoord. Die was veiliger dan stilte.

Herstel, zo beweert men, is een terugkeer naar stevigheid naar vastigheid. Voor mij is het net het tegenovergestelde. Het is loskomen van de illusie van dwangmatige houvast. Want niets blijft. Niets is permanent, alles schuift. Soms lijkt het alsof mijn dag begint in snelvaart en met richting, en dan, ergens halverwege de dag, sta ik stil met de koelkastdeur open, zoekend naar iets dat er niet meer is. Misschien is dat mijn definitie van herstel, ik val niet meer zelfs al weet ik niet altijd waarom ik nog rechtsta.

In mijn lichtheid schuilt ook een soort medelijden. Ik zie mensen worstelen met hun rollen, met hun maskers en al hun gewichtige plannen. Ze hechten betekenis aan agenda’s, aan materiele overbodigheden, aan oppervlakkigheid. Ik knik, niet omdat ik het eens ben, maar omdat ik het begrijp. De wereld houdt van gewichtige plannen, van strakke lijnen en ambitieuze doelen en van harde cijfers. Wat als we gewoon maar mensen zijn die elkaar toevallig raken, zonder te weten waarom, zonder te snappen wat het doet, met broosheid in onze bedoelingen en met onhandigheid in al de rest?

Ik geloof niet meer in redding. Wel in het feit dat ik, ondanks alles, overeind blijf en steeds weer opsta als ik onderuitga. Dat ik schrijf, spreek of luister en dat ik, ook al voelt het alsof ik geen diepe voetsporen nalaat, soms toch nog opgemerkt word. Door een kat, een vogel, door een lezer of door iemand die, net zoals ik ook lichter geworden is, ondanks de zwaarte van het bestaan.

Misschien is het geen kwestie van kiezen tussen lichtheid of zwaarte, maar van vrede sluiten met dat tussengebied, waarin alles ok is. Ik ben niet genezen en ik ben niet kapot. Ik ben onderweg. Als een ballon aan een losse draad. Naar waar hij vliegt? Dat weet ik niet.  Soms verdwijn ik even uit het zicht. Soms kom ik onverwacht terug. En als iemand mij vraagt hoe het gaat, dan antwoord ik, “ik weet het niet maar ik ben er nog”

En soms is dat, voor iemand zoals ik, net genoeg.

Braakland

Er zijn dagen die vanzelf verdwijnen. Als je even omkijkt, zijn ze er niet meer. Deze dag moet nog beginnen, dus ik sta op, drink koffie, rook een sigaret aan de vijver en kijk naar het gazon. Hij ligt er schraal bij, met kale plekken die eruitzien alsof er nooit iets heeft gegroeid. Veel meer is er niet. En toch, ik ben wakkerder dan ooit. Ik adem en voel dat ik leef, zonder dat er iets moet gebeuren.

Mijn laptop ligt op de tafel, op zijn vaste plaats, precies waar hij hoort te liggen. Ik raak hem aan, klap hem open en kijk naar het witte scherm, onschuldig en stil. Ik klap hem weer dicht, schuif hem opzij en doe niets. Het is een dagelijkse beweging geworden, bijna een ritueel. Zoals ik soms ook nog oud visgerei schoonmaak dat ik al jaren niet meer gebruik. Maar het weggooien zou ook aanvoelen als een soort verraad aan het loze vissertje dat ik ooit was.

Er is geen gevoel van schuld want niets is dringend. Geen haast, er is alleen die zachte, volstrekt neutrale stilte. Het is geen matte leegte die zuigt of een sluimerende zwaarte die drukt, eerder een onbelangrijke afwezigheid. Het is als de lucht vlak vóór de regen, wanneer alles even stilvalt en de bomen in mijn hof hun adem inhouden. Dat moment waarop mijn gazon weet dat hij regen krijgt, alleen nog niet wanneer.

Schrijven heeft me zeker geholpen. Het maakte dingen helderder. Wat te groot was om vast te houden in mijn hoofd, werd kleiner op papier.  Alles kreeg een vorm, verhoudingen en grenzen. Maar nu is er al een tijdje niets meer om te verkleinen of te begrenzen. Er woedt geen storm en het is geen oorlog in mijn hoofd. Er zijn geen gedachten die schreeuwen om aandacht. Wat overblijft is de zachte leegte van deze kamer alsof er net iemand is opgestaan en is vertrokken. De geur hangt er nog en de indruk zit nog in het kussen van mijn grijze sofa, als een laatste herinnering die weigert mee te vertrekken.

Ik denk aan verhalen, aan gezichten van mensen die ooit belangrijk waren.  Ze vervagen en doen dat op dezelfde manier als de dag die vanzelf verdwijnt, heel langzaam. Wat blijft zijn de details, de toon van hun stem, de onhandige gebaren, de manier waarop ze mijn naam uitspraken. Niet de drama’s, niet de scherpe randen. Wel de vluchtige, belangrijke momenten die blijven hangen als stof in een zonnestraal.  Ik denk aan plekken waar de zomer ooit sprak maar de zon ook traag stierf. Ik denk eraan, maar schrijf niets.

Toen het nog stormde in mij en de gedachten zich opstapelden tot iets dat veel groter was dan mezelf, hielpen woorden. Ze waren mijn zandzakken tegen de gedachten die overstroomden. Ze maakten het draaglijk, lichter.  Ze reduceerden de chaos en maakten hem kleiner. Nu is er niets dat verkleind of verlicht moet worden. Wat betekent het als ik even niks te verwerken heb? Is dat rust of is het gewoon leegte met een strik errond?

Ik blader door oude boeken. Titels waarvan ik het einde al ken. Ik blader verder want ergens zit iets troostends in het voorspelbare. Ik word vanzelf rustig als woorden en zinnen zich herkenbaar gedragen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik herken mezelf in hun ritme denk ik. Soms is dat genoeg.

Mijn gazon ziet er niet uit. Stukken ervan lijken wel braak te liggen, met dorre plekken en hier en daar wat koppige pisbloemen.  Zoals elk jaar opnieuw rond deze tijd. Maar ik weet dat er iets gebeurt. Iets zit te kiemen, iets zit te wachten. En geduldig wachten is geen leegte, dat weet ik ondertussen beter dan wie ook. Misschien is dit geen schrijfstilstand, maar is het een soort van tussenruimte, een verbindende witruimte tussen twee paragrafen zoals mijn gazon die rust neemt, maar nog niet dood is.

Ik zal weer schrijven. Ja zeker, maar niet vandaag. Misschien morgen, misschien over een jaar. En misschien doe ik het zelfs pas als de stilte me niet meer kan troosten en ze me opnieuw langzaam begint te kwellen, zoals woorden niet willen blijven liggen en opnieuw naar boven willen kruipen.

Tot dan ben ik hier. Op mijn braakland. In rust. In de leegte die geen vijand meer is.


En dat is genoeg.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Als je stopt begin het pas

Het was laat of vroeg.  Dat hangt af van hoe je naar tijd kijkt. In elk geval, ik was op tijd om te zien hoeveel leven je in een uur kunt proppen en hoeveel leegte in tien jaar. Mensen die dicht bij me staan, weten dat. Ik kan dagen vullen met niets zonder dat het tijdverspilling is. Dat lijkt misschien gemakkelijk maar ik heb het moeten leren. Vroeger leefde ik snel of niet. Dat hangt af van hoe je ernaar kijkt.

Ik zit op een plaats, waar de lucht droog is maar de koffie sterk. Hij is sterk genoeg. De troebele herfstzon staat laag en werpt licht over de tafel alsof ze mijn gedachten wil wegvegen.

Mensen glijden voorbij. Ze passeren in mijn blikveld. Bekende mensen, collega’s, allen zijn ze gehaast, en ernstig. Hun ruggen onder een denkbeeldige last gekromd, de ogen ergens opgericht waar ze nooit zullen aankomen maar dat weten ze nog niet. Sommige spreken, anderen luisteren. De sprekers spreken, de luisteraars luisteren, de zwijgers zwijgen of knikken instemmend alsof ze het eens zijn. Bijna nooit is het andersom. Het is precies een film die ik te vaak heb gezien, en waarin ik veel te dikwijls en veel te lang de hoofdrol had. Ikzelf was ooit spreker, één die niets te vertellen had, ook al dacht hij toen van wel.

Ik was niet alleen spreker, ik gaf ook alles weg. Mijn tijd, mijn aandacht, mijn geld, mijn liefde… mijn eigenwaarde. Ik strooide het rond alsof het nooit op kon raken. Dat deed het toch, op een dag. Mensen pikken op wat ze nodig hebben en verdwijnen nadien om nooit terug te keren. Buiten enkele uitzonderingen waren de meeste geen verrijking, eerder een beperking. Beperkers van geluk, van ademruimte en van vrijheid. Niet dat het slechteriken waren, ik geloof niet in slechteriken.

Het zou een ongemakkelijke keuze kunnen zijn om mijn dagen met hen te vullen, met gesprekken die niets zeggen en met gezichten die niets geven, zelfs als ze meer vragen dan ze bieden. Alleen ik heb het te lang gedaan. Ik besef dat sommige connecties maar blijven bestaan als je ze blijft voeden. Toen ik stopte met geven, begon ik pas te ademen.

Leven is lastig, maar sterven is lastiger, denk ik. Leven is volhouden. Loslaten wat je moet loslaten en vasthouden wat je nodig hebt, wat je completer maakt. Doe je dat niet, dan dreig je jaren te verliezen. Niet letterlijk, maar erger want je merkt het pas later, als je terugblikt en ziet hoeveel tijd je verspild hebt aan zaken die het niet waard waren. En ik spreek voor mezelf want ik stond te vaak stil waar ik had moeten lopen, ging door waar ik had moeten stoppen en zweeg te dikwijls waar ik had moeten roepen.

De kunst van het leven is volgens mij dat je leert wanneer je moet stoppen. Dat je leert om te durven veranderen en dat je geen slingers bij anderen moet hangen als je eigen muren nog kaal zijn. Ik had recht op ademruimte. Ik verdiende een dag die gevuld is met niets zonder tijdverspilling en een leven dat echt van mij is.  Misschien was ik ermee aan de late kant, maar laat is beter dan nooit.

Misschien komt mijn wens voor het nieuwe jaar te vroeg of te laat. Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Toch komt hij recht uit mijn hart, met ruimte en moed om het leven te pakken zoals het voor jou goed voelt, zonder druk van buitenaf, zonder opgedrongen verwachtingen van anderen, met lessen uit het verleden en hoop voor de toekomst maar vooral met de juiste keuze, voor jezelf, omdat niemand anders het voor jou gaat doen.

Al is het maar een seconde

Herfst, zondagmiddag. Grijze lucht hangt neer met een mistige stilte, zo stil dat ik haar bijna kan aanraken. Alles voelt versteend alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. Toch zie ik in de dreef van het bos nogal wat mensen slenteren. Hun uitdrukkingsloze gezichten vertellen me niets. Hun passen zijn hetzelfde, stap na stap, alsof ze allemaal aanvaard hebben dat er op deze weg geen zijsprongen meer zijn, alleen dit ene pad.

Als ik naar ze kijk, lijkt het alsof ik zelf leef op automatische piloot.  Ik stel me de vraag wanneer ik voor het laatst iets gedaan of gelezen heb dat mezelf of iemand anders in beweging heeft gezet. En bedoel ik niet de alledaagse dingen of de gewone woorden die gemakkelijk inwisselbaar zijn met woorden van gisteren.  Ik bedoel woorden die blijven hangen alsof ze de moed hebben gehad om belangrijk genoeg te zijn, om hun eigen weg te gaan en voor altijd te blijven. Woorden die niemand hardop durft uitspreken en slechts een enkeling durft te schrijven.

Daarstraks sprak ik mijn jongste zoon. Hij is in Nepal om daar zijn wereld te veranderen. Na ons gesprek voelde ik een steek, althans ik denk dat het er een was. Misschien ben ik vergeten hoe het voelt om iets wezenlijks of zinvols te doen zoals hij, of om iets te lezen dat verschil maakt, iets te denken dat niet per se veilig hoeft te zijn. Even voel ik me met deze gedachte alsof ik drijf in een stroom van ideeën waarin de oevers nooit veranderen en het uitzicht altijd hetzelfde blijft.

Misschien ervaar je het ook soms, dat gevoel dat je met de stroom wordt meegedreven en dat je zonder logische verklaring gedachten van anderen in je opneemt zonder je af te vragen of ze wel echt van jou zijn. We lezen snel en vluchtig wat ons wordt voorgekauwd en worden de gedachten die anderen ons opdringen.  We zijn niet meer kritisch over onze acties en doen gewoon wat men van ons verwacht, netjes in het gareel, veilig en ogenschijnlijk comfortabel.

Maar ergens in die stroom, zitten gelukkig nog mensen die tegen de stroming in bewegen. Mensen die zich herinneren dat ze eigen gedachten hebben, een eigen wil of een eigen, onduidelijk plan. Soms vraag ik me af of ik daar nog toe behoor, tot die groep die er liever voor kiest om vergeten te worden door de meerderheid dan hun eigen ideeën en gedachten in een mal te laten persen. Misschien herken je dat gevoel wel, dat je soms onbewust of uit gemakzucht meegevoerd wordt met de stroom zonder echt stil te staan bij datgene wat je beweegt?

Als het zo is, en je hebt even haltgehouden bij deze gedachten of je hebt ze misschien heel even hebt gedeeld, dan voelt het dat ik je niet helemaal kwijt ben en dat ik niet echt verdwenen ben.

Mocht je er morgen ook nog aan denken, zelfs al is het maar een seconde, maakt het voor mij niet zo veel meer uit dat de rest van de hoop me vandaag al vergeten is.