Categorie: Autobiografisch

Demonen en nachtspoken.

Zij was pas 15 geworden dat was ik niet vergeten. Haastig fietste ik naar de brico. In de plantenafdeling vond ik onmiddellijk wat ik zocht. Ze had pas een verzameling cactussen aangelegd. Grote en piepkleine. Sommige hadden prachtige bloemen. Andere waren schraal en puntig. Ik wist gevoelsmatig welke zij zou kiezen en kocht er drie. Een kleine schrale met puntige stekels maar op dewelke, als ze hem goed verzorgde, oranje met rood en gele bloemen zouden verschijnen. Haar kennende zou dat niet te lang duren. Hoogstens een maand, of twee. Want voor planten was ze ook zorgzaam en stipt. Alleen water als ze in bloei stonden. Op andere momenten haalden ze hun vocht uit de lucht en kregen ze geen druppel. De andere steekplant leek meer op een soort vetplant die weelderig zou tieren als ze hem in de volle grond zou verplanten. Aan de derde groeide vruchten die ik niet onmiddellijk kon thuisbrengen. Zij vast ook niet maar ze zou het zeker opzoeken in haar encyclopedie. Om er nadien enthousiast over te vertellen. Wat de oorsprong ervan was. Waar ze groeiden en hoe ze bloeiden en welke woestijndieren zich aan hun vruchten tegoed deden. Om te overleven wanneer de zon te heet brandde als het hoogzomer was. De kassiester zette de planten in een kartonnen doosje waar ze precies in pasten. Ik klemde de buit onder de rekker van de bagagedrager en reed naar mijn lief. Om haar te verrassen. Voor haar vijftiende verjaardag. Ze zou het ongewone cadeautje zeker weten te appreciëren. Dat wist ik zeker.

Vandaag houdt het me wakker. Waarom had ik toen cactussen gekocht? Planten die ze zo graag wilde? Omdat ik haar oprecht graag zag, strontverliefd was en haar wou imponeren met de juiste attentie? Of om me op voorhand van wat voorsprong en krediet te voorzien opdat ze niet zo boos zou worden als ze er de maandag nadien op school zou achterkomen dat ik die avond rond 11uur niet recht naar huis was gefietst. Zoals ik het haar beloofd had. Maar ik eerst nog langs het jeugdhuis was gepasseerd. Om daar in ander gezelschap pinten binnen te gieten. Veel pinten. Om dan met geveinst zelfvertrouwen een slow te kunnen dansen met Katrien. Die lange blonde basketbalspeelster die er in haar korte short en hoge kousen ook leuk uitzag als ze over het basketveld dartelde. Op woensdagnamiddag toen ik altijd veel te vroeg in de sporthal was.

Toen was ik er niet mee bezig. Of toch niet op de manier. Nu 35 jaar later houdt het me klaarwakker.

Hoe lang al heeft alcohol me al in zijn greep? Hoe lang al hebben pinten mijn gedrag bepaald? Hoe lang precies al ben ik verslaafd en was het bier dat voor mij besliste? Wat er ook op het spel stond? Wat ook de consequenties waren? Hoe lang zit ik al gevangen in de cel van mijn verslaving. Van mijn vijftien? Zal het dan nooit stoppen? Houdt het dan nooit op? Ook al sta ik bijna 5 jaar kurkdroog. Wanneer kan ik het afsluiten? Nooit?

De demonen spoken nog steeds rond en houden me bezig. Vaak op de meest onverwachte momenten. Zoals nu om 3 uur ‘s nachts. Al denk ik wel dat door dit verhaaltje neer te schrijven ze weer even verjaagd zijn.

Geesten van het verleden.

Persoonlijk zie ik me eerder als iemand die meer vooruit blikt dan achteruit.
Ik probeer vandaag te leven. Met mijn wortels in het nu. Om niet omver geblazen te worden door gisteren.
Dat lijkt me een goede manier. Misschien is dat de juiste tactiek voor mezelf. Om te leren leven met de ervaringen uit het verleden maar met de blik gericht op wat nog moet komen.
Vooruit, met gedachten en energie gericht op de toekomst. Of op straks.

Ik ben soms wel eens nostalgisch. Op die momenten blader ik graag in een oud fotoalbum. Dan komt wel eens een beeld of een geur helder terug op de voorgrond. Maar ik bewaar geen stapels krantenartikels of schoolrapporten. Tenzij op zolder ergens in een vergeelde doos. Maar dan niet om er sentimentele herinneringen in gevangen te houden. Maar omdat ze deel uitmaken van wie ik ooit was.  En opdat mijn kinderen straks ook nog weten wie ik ooit geweest ben wanneer ik het zelf vergeten ben.
Als ik iets 2 jaar niet gebruikt heb gooi ik het doorgaans weg. Om maar te zeggen. Mijn geschiedenis is niet zo belangrijk. Ik ben er niet heel erg mee bezig. Dacht ik. Tot de laatste dagen. Tot deze week.
Deze week was een ongewone week. De stekker werd uit een verleden getrokken. Daardoor kwam ik in contact met een deel van mezelf dat ik vergeten was. Door de gesprekken kwamen herinneringen binnen die me terug brachten naar mijn roots. Of ik het wou of niet. Of ik ze wou zien of niet!
Ik kwam opnieuw op al die plaatsen, bij al die mensen, bij al die geesten uit het verleden.
Ze hielden zich wellicht al die tijd ergens stil verscholen op een plaats mij onbekend. Ergens in een klein donker plekje van mezelf. Maar ze waren er nog. Ze zijn nooit weg geweest.
De laatste dagen werd ik door de gebeurtenissen achteruit geslingerd en door de tijd terug gereisd naar al die plaatsen. Waar ik al was geweest. Lang geleden.

In een boekje bij de dokter las ik ooit. Het leven draait rond in cirkels. Ik zal zeker mijn voorhoofd gefronst hebben en zonder er verder aandacht aan te geven gedacht hebben: “Ja, dat zal wel!”
Maar als het wel zo is, helpt het misschien dat ik voor ik weet waar ik naar toe ga, eerst probeer te achterhalen waar ik al geweest ben.
Dan komt het verleden en de toekomst straks bij de volgende slingerbeweging misschien samen en worden 2 dimensies op mysterieuze wijze terug verenigd.
En dan zal ik de persoon die ik toen was misschien wel herkennen om te beseffen dat ik dat was!

Tweeduizend-vroeger.

De wereld wordt langzamerhand wit geschilderd. Het open vuur knettert en vult de kamer met een gezellig ruikende warmte. Dennenhout gok ik. Want het vuur verteert het hout te snel om beuk of eik te zijn.
De gelige verlichting langs de straatkant projecteert de schaduw van vallende sneeuwvlokken tegen het strakke, voile gordijn.
De meeste pakjes onder de boom zijn verpakt in goud of zilver. Rood kan ook. Tenzij de cadeautjes voor de kleinsten bestemd zijn. Dan mogen ze ook felblauw of roze.
Als je zelf al op jaarlijkse cadeautjes rooftocht geweest bent, weet je aan de verpakking alleen al uit welke etalage ze komen. Als je ze schudt ken je de inhoud. Meestal toch. Ik deed het elk jaar opnieuw. In het geniep. Wanneer er niemand thuis was en zeker niet betrapt kon worden.
Het rode pakje met het gouden strakke, in professioneel gedraaide krullen is parfum. Want er plakt een stickertje op. ici paris xl. Dat zie je, als je van dicht genoeg kijkt.
De flessen voor de mannen haal je er ook uit. Straf spul van Prik & Tik. Of hele dure rode. Dat kan ook.
De kleinste pakjes zijn de duurste. De grootste het goedkoopst. Want die moeten door hun omvang goed maken wat er maar voor betaald werd. Een nieuwe pmd vuilbak is een kanshebber, gis ik.
Al zou ik dit jaar ook wel eens dat kleinste doosje willen maar dat zal voor volgend jaar zijn.
Het maakt niet veel uit.
Er zijn al 5 echte glazen ballen aan gruzelementen gevallen. De eerste kerstbal brak toen ik het kleinste pakje wou verbergen tussen de naalden en de lichtjes. De laatste toen mijn eega een passende plek zocht voor het grootste pakje.
Het maakt niet zo veel uit.
Volgend jaar moeten er toch nieuwe gekocht worden omdat deze verzameling niet meer compleet is. En omdat er geen 2 verschillende soorten tegelijkertijd in mogen. Dat vloekt. Gelijk een tang op een varken. Zegt ze. Ze zal wel gelijk hebben want ik ken niet veel van kerstballen.
De feestdis staat ook op punt. Geen gevulde kalkoen met airellen en gestoofde peer met kroketten maar iets met lam en verloren groenten. En creme brulee als dessert. Alleen mag ik niet vergeten te zorgen voor een keukenbrander. Het oog wil ook wat. Anders blijft het gewoon maar creme patissiere met suiker. Ook niet slecht maar niet zo chique.
Het maakt niet heel veel uit.
Eigenlijk maakt het niets uit. Want één stoel zal onbezet zijn. Die van onze pa. En hij vond het allemaal niet zo belangrijk. De ballen, de dure rode of de paris xl. Die werd gewoon elk jaar opnieuw al gelukkig met die paar woorden die steevast de pakjesavond inluidden…Van je kleinkind Noor, Thijs of Dries, Bornem 1 januari “tweeduizend-vroeger”…

 

Stem

Ik wil niet laten blijken dat het me soms allemaal zwaar valt.

Ik wil niet zielig zijn en al helemaal niet pathetisch overkomen. Hoe simpel zou het leven zijn als ik er oppervlakkig zou kunnen door fietsen. Zonder moeilijke vragen. Zonder antwoorden die ik niet ken. Of hoe het verder gaat of zou moeten gaan?

Ik zoek toch geen geforceerde goedkope aandacht of airtime om zo maar wat te praten? Over koetjes en kalfjes of over wat er echt speelt?
Natuurlijk stoort het me dat ik je niet op val. Dat ik helemaal radio stil en geruisloos onder jouw radar blijf manoeuvreren. Dat het voor jou gewoon niet belangrijk genoeg is. Misschien is het dat ook gewoon wel? Voor jou. Van geen enkel belang.

Dan zwijg ik ook maar. Ogenschijnlijk ook onverschillig of niet geïnteresseerd. Maar eigenlijk sta ik mezelf gewoon toe om weerloos te ondergaan en af te wachten op wat er komt of niet komt.

Als jij er mee zat had je dat toch al laten blijken? Dan was je er toch al over begonnen? Je had dat dan toch al op de een of andere manier kenbaar gemaakt. Of bespreekbaar? Al dan niet subtiel? Of met geroep en getier?

Misschien beeld ik het me allemaal maar wat in en worstel ik er alleen maar zelf mee. Dan hoef ik er jou toch niet mee lastig te vallen? Dan zit het gewoon tussen mijn oren te wachten op een verlossende bevrijding die niet komt.

Tijdverlies!

Maar die constant twijfelende innerlijke stem hoor jij niet. Die praat alleen maar tegen mezelf. Luid en klaar. Ze heeft het steeds verwijtend lang over elk uitvergroot klein ingewikkeld detail van mezelf. Maar zo geruisloos stil zodat jij het zeker niet hoort…

 

 

 

Lichtje…

Als ik het hem zelf oplepel biedt hij nagenoeg geen weerstand. Bij de verpleegsters lukt het minder goed. Bij hen houdt hij de lippen stijf op elkaar. Hoewel er nauwelijks nog energie in dat oude lijf zit, wringt hij toch nog tegen. Van hen moet hij het niet. Bij hen denkt hij wellicht: “peinzen die nu echt dat ik die bocht ga opeten?”
Als ik dan met dat oranje papje kom aanvliegen gaat de val wel open. Traag weliswaar maar ze gaat open. Dan hapt hij dat groentesoepje zonder kauwen toch naar binnen. Niet meer zo gulzig als vroeger, toen ons ma telkens vroeg: “moet je geen schop hebben?” Maar dan met wat meer boze emotie dan dat ik het hier laat uitschijnen.
“Moet je geen schop hebben? Of een riek?” Dat zei ze steeds wanneer ze zich ergerde aan zijn tafelmanieren.
Tafeletiquette. Dat is nooit zijn sterkste punt geweest. De discussies aan tafel waren dan ook vaak hilarisch. Zeker wanneer hij haar provoceerde. Als hij dan smakkend vroeg: “Die erwt? Die ga je die echt ineens in je mond proppen? Of ga je die eerst nog eerst in 4en snijden?” Kans groot dat de jus van de wekelijkse rosbief op dat eigenste moment via zijn kin, op zijn pas gesteven zondagse broek druppelde.
Hij probeerde zich dan soms te verontschuldigen dat hij altijd snel en gulzig moest eten. “Dat het nog een gewoonte was van vroeger. Van tijdens de oorlog.
Als je toen niet rap was, had je niets. Dan moest je een week op de vod bijten.” Ik hoor het hem nog zeggen. Het lijkt weer alsof het gisteren was.
Vandaag kost het allemaal veel meer moeite. Er lukt haast niets meer. Als hij rechtop zit, zakt hij na een paar minuten ongemakkelijk, onnatuurlijk onderuit. Als hij neerligt wordt hij geplaagd door ellendige hoestbuien die hij amper nog de baas kan. Het oogt allemaal heel zielig. Ik heb compassie met onze oude snaak.

Het gros van de dag zweeft hij tussen slapen en soezen. En als hij bij is, is de blik in zijn ogen vaal en afwezig. De guitigheid die eens zijn handelsmerk was, is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor glazige afwezigheid.
Tot voor kort dwaalde hij nog rond in zijn persoonlijke tijdzones en mengde hij zijn gedachten en herinneringen in de verkeerde volgorde. Maar hij was op zijn manier nog aanwezig. Nu rest enkel nog die wazige blik die geen emoties meer schuil houdt.
Soms snak ik zelf naar wat ruimte in mijn hoofd. Hij heeft er teveel van. In het leven zijn maar weinig dingen juist gedoseerd of zijn ze ter beschikking op momenten dat je ze van doen hebt. Denk ik ongepast.
Een schone oude dag? Zo zegt men het. Vandaag echter ontging de schoonheid mij helemaal.

Als een leven wegglijdt en uitdooft, rest niet veel schoonheid of grandeur. Dan rest enkel nog stille eindigheid. Tot op het moment dat hij heel even opflakkert en heel stil, haast onverstaanbaar prevelt. “Jij bent mijn beste vriend he?” Dan was er heel even weer een heel klein lichtje dat de droevige duisternis helemaal op lichtte.
Morgen krijgt hij chocomousse. Misschien gaat hij dan opnieuw op de tafel dansen.

 

Te vroeg op vrijdagavond

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee.
De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van.
De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo.
Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren.

Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe.
Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren.
Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen.
Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden.
Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet.

Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen.
Voldoende niets doen werkt!
En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.

 

Koffie

Ik zou veel geld over hebben om gewoon in bed te blijven liggen in plaats van mezelf in het duister naar het werk te moeten slepen. Zouden ze het aan mij kunnen zien? De opgewekte ochtendmensen? Ik hoop dat ze me een beetje ontzien en dat ze uit mijn buurt blijven? Die douche heeft trouwens zijn opzet volledig gemist.

Straks vervloek ik binnensmonds de vrolijke lui die gisteren al om 19:00u tussen het meel lagen. Diegenen ook die vanaf 5:00u in hun ledikant lagen draaien en keren. Te wachten op de haan die met zijn gekrijs het startschot geeft voor de wilde dans der dwazen.

Hoe ben ik hier geraakt? Ik wist zelfs niet dat mijn automatische piloot überhaupt aanstond.

“GOEDE MORGEN!!! Het belooft weer een drukke dag te worden, niet?”
Mocht ik nu toegeven aan mijn innerlijk alter ego ik zou zeker zeggen. “Man hou je snavel, zwijg, en laat me gerust. Ik wil slapen.” Maar ik prevel iets zoals: “Grommmorgen!”

Ochtenden als deze. De koffie laat veel te lang op zich wachten. Even denk ik dat een infuus vlugger doorsijpelt dan dit slow motion koffieapparaat. Gelukkig zijn de bonen aangevuld en is het lekbakje niet vol zodat ik alsnog binnen een min of meer aanvaardbare tijdspanne aan mij troost raak.

Slurpend aan mijn zwarte gif dwaal ik af naar de lunchpauze. Zal ik dan een powernap kunnen doen? Vrouwen hebben het gemakkelijk, denk ik ineens. Zij kunnen de donkere kringen en wallen mooi verbergen achter hun make-up. Als ze hun ogen kunnen open houden tenminste. Anders is dat voordeel eveneens zinloos als mijn wallen.

Ik wou dat ik goed gezind was. Dat ik kon lachen. Ik zou willen dat ik eindelijk wakker werd. Nee, ik wil eigenlijk gewoon nog wat slapen. Zou ik anders doen alsof ik geconcentreerd aan het lezen ben? Een rapport of een verslag of zo. Ik kan dan mijn hoofd ondersteunen. Ellebogen op het bureau. Één hand onder mijn kin en het andere half voor mijn ogen. Maar telkens ik dromerig weg zwijm, valt mijn kin van zijn steun.

Ik wil dood. Neen dat is een beetje overdreven. Maar Ik wou dat ik thuis was en stinkend rijk was. Dat ik niet naar het werk moest. Of gewoon maar dat ik s’avonds  voldoende zin had om op tijd naar bed te gaan in plaats van nog een column te schrijven. Of naar nog een zinloos tv-programma te blijven gapen. Of net dat ene juiste excuus vond om’ s nachts te slapen zoals de rest van de wereld, die op dat moment ook zachtjes indommelt.

Nooit nog blijf ik op tot 01:30u. Vanavond ga ik vroeg naar bed en haal wat slaap in. Maar had ik dat gisteren ook al niet gezegd. Deze keer meen ik het. Het mag gebeuren of anders haal ik het einde van de week niet.

Het leven van een nachtmens is hard. Zeker als het er vol loopt met dagmensen.
Waarom moet de dag zo vroeg in de ochtend beginnen? Als de dag rond het middaguur zou beginnen, zou me dat veel beter uitkomen. Tegen dan zou ik klaar zijn voor het ontbijt. Pistolets eten om 7 uur? Wie heeft dat uitgevonden?

Voila. Het is 10:00 uur. De caffeïne heeft zijn bestemming bereikt en zetten stilaan mijn hersen-haarvaten open. Ik kom er stilaan door. Het gaat me lukken vandaag. Misschien zelfs tot een uur of 5.
“En slecht gehumeurd? Met een verkeerd been uit bed gestapt?”
“Zwijg en bemoei je met je eigen zaken!”

 

Anders

Hoe gevulder ik mijn dag inplande des te minder ik gereed kreeg. Of hoe minder tevreden ik was met het resultaat van de dingen die ik half zijn gat had geaan. “Kiezen is verliezen”: hadden ze me gezegd.

Daarom wou ik altijd alles doen. Desnoods alles tegelijk om niets te missen. En dan was ik dikwijls nog niet eens voor mezelf aan de slag. Ik was zo begaan met mijn drukdoenerij en met ingebeelde verwachtingen tegenover anderen dat ik gedubbeld werd in de race tegen mezelf.

Kinderen, lief, werk, familie en vrienden. Alle dagen en uren zorgvuldig ingepland om de beschikbare aandacht netjes te verdelen. Ieder om beurt. Gelijke deeltjes, afgewogen met de apotheekbalans. Behalve voor mezelf. Ik werd uitgesteld naar de volgende planning. Naar een volgend rantsoen. Niet goed.

Ik moest het omkeren. Het moest veranderen. Niet uit egoïsme of omdat het me opgelegd werd of omdat ik me tegenover iemand verplicht voelde. Neen, mijn instinct en zelfbehoud spelden me de les: “dit moet anders, dit moet beter kunnen of het loopt slecht af.”

Maar mezelf op de eerste plaats? Hoe moet dat? Hoe pak ik dat vast? Ik kwam er snel achter dat sommige zaken gewoon niet tegelijk kunnen. Voor belangrijke dingen neem je beter de nodige tijd, met focus. En wat afstand, om het goed te doen en om goed te doen. Juist. Voor jezelf. Andes loopt het mis. Vroeg of laat.

Voor anderen bedenken hoe ze kunnen veranderen is niet moeilijk. Daar heb je geen gedragstherapie voor van doen. Dat lukt zo wel.  Oordelen, is niet zo moeilijk. Preken ook niet. Dat kunnen we allemaal gelijk de besten.

Gecompliceerder wordt het wel als je zelf eens goed in de spiegel naar jezelf kijkt.  En tracht uit te vissen hoe je jezelf kan corrigeren op dingen die minder goed lopen. Als je probeert te achterhalen hoe het anders of beter kan. Daar is net iets meer lef, durf en moed voor nodig maar het kan… als je het doet!

Maar begin er niet aan als het je wordt opgedrongen. Begin niet aan als je denkt dat je het moet doen om er bij te horen. Doe het alleen puur en authentiek.

Wanneer het veranderd is moet het beter zijn. Als je beter wil, moet het veranderen. Maar als het veranderd is en je werd er zelf niet beter van, doe het dan opnieuw.

Je leven is van jou.

Doe wat je wil en doe het goed en veel. En gedreven. Met een groot hart.

En wil je het niet meer? Verander het dan.

Van aanpak, van werk.  Van huis. Van lief of van land.

Het leven is te kort om te wachten tot het vanzelf komt.

Doe het gewoon!

Voor jezelf. Vandaag.

Alle anderen worden er vanzelf ook beter van.

dagh en nacht denc ic.

Elke week opnieuw, wanneer ik wil aan vatten, ontwaakt de remmende gedachte dat er niets te vertellen is. Althans niets wereldschokkends of baanbrekend.

Misschien zit er sleet op de pen. Is het op? Twijfel die dient als saboteur om voluit te gaan en die leidt tot doofstomme besluiteloosheid. Het kritische woord vermoord door vlakke onverschilligheid, slome laksheid of creativiteit verwoestende twijfel? Ik zoek het en vind het niet.

En dan opeens wordt een op het eerste zicht kramakkelig woord of associatie, een prelude van ontluikende intieme gedachten. Een voorspel dat mijn vingers op het klavier los smijt en me na een paar uur bemoedigend doet glimlachen over het voortvloeisel. Woordjes traag tot een tekst.

Een wekelijkse tour de force die het klad omzet in beelden die nadien omgetoverd worden in sprekende zinnen. Zo strijk ik telkens opnieuw met mijn denkrimpels van de nacht mezelf weer glad. Zo zit schrijven in elkaar. Dat is wat ik doe. Dat is waar ik mijn portie klein geluk oogst. Bij mezelf.

Niet dat ik veel reactie krijg. Zelden eigenlijk, tenzij op controversiële onderwerpen maar die mijd ik.

Het liefst dop ik mijn pen in de pot om het gewoon maar over mezelf te hebben. Misschien ben ik zo wel mijn eigen psychiater en persoonlijke reflectiebord. Mijn ziel bloot gelegd. De snelheid van het denken belemmerd door de traagheid van mijn hart.

Zonder verborgen agenda maar gewoon als remedie tegen het allesomvattende niets. Of om met mezelf in het reine te komen omdat er dan geen verborgen agenda meer is.

Omdat dan het filosoferen en het speculeren kan stoppen.

 

Ruzie maken is (g)een kunst.

Toen ik het vroeger te bont maakte, kreeg ik ruzie en vloog ik in de hoek.  Ik mocht daar dan rustig afkoelen om een beetje tot mezelf te komen. En dat werkte.

Een paar minuten kon ik mijn stijve koppigheid in die hoek volhouden, niet veel langer.  Snel dwaalden mijn gedachten af naar mijn leger soldaten, mijn go-kart of de doos plakkaatverf met hard geworden penselen. Maar niet alvorens ik eerst, gedurende die tijdelijke verbanning,  voldoende tijd gekregen had om kwaad te zijn, me onbegrepen te voelen en een denkbeeldige emmer koleirige krokodillentranen te vullen. Om zo uiteindelijk in te zien dat voetballen in de keuken echt niet kon en spijt te krijgen omdat ik die porseleinen luchter in gruizelementen had gescoord met een afstandsschot.

Na mijn plechtige belofte het nooit meer te doen en met wat minder spaarcenten op mijn spaarboek, mocht ik dan even later, met mijn waterverf en harde penselen op de achterkant van een overschot behangpapier aan mijn kunstwerk beginnen. De kans niet onbestaande dat ik een uur later opnieuw in die hoek moest om me te bezinnen omdat de tafel mee geschilderd werd terwijl ons ma me nog zo gezegd had dat er gazettenpapier onder moest.

Als ik ruzie verdiende, brachten de hoek en wat later de kelder rust, inzicht en een voornemen om het vanaf daar anders te doen.  Zo ging dat toen en op de een of andere manier marcheerde dat. Ik bleef niet dwars of hardleers, ons ma niet boos of nors.

Vandaag gaat het anders.  Ook omdat ik niet meer voetbal in de keuken.  Nu bakkeleien we over andere, ernstige zaken. Over een sifon die lekt en waarom die gisteren nog niet gemaakt werd? Of over haar in de douche of het dopje van de tandpasta.

Als we nu ambras maken doen we dat zoals de grote mensen.  Dan discussiëren we. We argumenteren, rationaliseren, debatteren en raisonneren net zo lang tot we er uit zijn. Desnoods 3 dagen aan een stuk. Met groen hout en beeld zonder klank of smoelwerk en bokkenpoten.  Maar we houden wel vol… Lang… Net zolang tot er een winnaar is en een verliezer.

“Zie je wel dat ik gelijk had, ik ben echt zo blij dat je dat eindelijk inziet.”

“Was dat nu nodig om hier zo lang stom voor te lopen?”

Door het zo te doen zien we niet dat de uitkomst van die “opgeloste ruzie” de voedingsbodem is voor de volgende.  De openstaande rekening zal bij de volgende gelegenheid wel vereffend worden. Waarschijnlijk met interest.

Doen we het zo verder?  Tot we zo ver bij elkaars enkels in het krijt staan dat het op den adem pakt.  Met de gevolgen van het opbod van zinloos gelijk of ongelijk?

Of gaan we de volgende keer gewoon een paar minuten in de hoek staan?

Desnoods met een emmer koleirige krokodillentranen.  Eventjes met wat afstand, wachten op een potje natte verf en een hard penseel?

Onaf, lelijk is ook mooi!

Ik ben aaibaar imperfect. Aan mij is redelijk veel onaf.  Met de juiste bedoelingen aan begonnen, maar verkeerd of in de verkeerde volgorde in elkaar gepast.

Zou ik een liefdesbrief zijn, ik was doorstreept. Te melig geschreven om gepost te worden, dus weggemoffeld ergens in een stofferige lade.

Mijn ruwe onvolkomenheden en mijn stuntelige gebreken maken me broos maar menselijk.  Ik zeg dat niet om met mijn doordeweekse alledaagsheid naar complimenten te vissen. Echt niet, maar toch attrapeer ik me er op, er het liefst zo onopzettelijk nonchalant mogelijk uit te zien zodat ik anoniem in de massa kan worden opgeslokt.

Onzorgvuldig slodderig. Zo wil ik het. Het zo laten uitschijnen dat ogenschijnlijk geen enkele inspanning gedaan is om er stoffig en muffig uit te zien. Zoals een oude tafel op een rommelmarkt. Met krassen en vlekken op het blad die achterbleven na een wild feest of een diepgaand gesprek. Lang geleden. Door geleefd en doorleefd.

En dan tut ik me op, in een verhakkelde broek met rafels. Of in een grijs gewassen T-shirt om een zo cool mogelijke ongedwongen indruk na te laten.  Haren, met gepaste gel in  de juiste nonchalante net-uit-mijn-bed look gewaxt.

Perfectie is achterhaald en zo jaren 80.

Wanneer de tand van de tijd knaagt, overwint mijn gedachte dat herontdekte schoonheid van iets wat lelijk en vergankelijk is, zo veel meer aanspreekt dan symmetrische kunstmatige maakbaarheid. Of Perfectie.

Mijn schoonheidsideaal past niet in een mager, bleek maatje 36. Er mag een kantje aan zitten. Met een rosse sproet, een spleet tussen de tanden of een los eindje. Want volmaakt is saai en griezelig, of zelfs een beetje bedreigend.

Volmaaktheid van anderen duwt ons naar beneden op het scorebord van het leven. Net daarom voelen we ons verbonden met de underdog of het onvolmaakte personage waarmee we een goede band hebben. Op die manier brengen  we onze eigen onhebbelijkheid in het juiste perspectief.

Als voor mij minder dan helemaal meer is geworden en wanneer al het overbodige is weg gelaten en ik ben achtergebleven met wat voor mij essentieel is voel ik me helemaal de niet-favoriet. De zelfzekere underdog die klaar is om de denkbeeldige wedstrijd te winnen. Al ben ik niet zeker van de competitie waar ik me in bevind en wat de spelregels morgen zullen zijn.

 

Stevig in de schoenen.

Echte mannen moeten stevig in hun schoenen staan, ten minste als ze voor een soms wat afwijkende persoonlijke mening durven uitkomen.

Doorgaans ben ik optimistisch positief en leef ik voornamelijk in het hier-en-nu. Zo durf ik uitspreken wat ik denk en voel of durf ik benoemen waar ik wakker van lig. Deze levenshouding behoedt me voor overdreven of onrealistische dagdromerij en houdt me tegelijk scherp om zuurdere mensen op een veilige afstand te houden.

Mijn aangeboren behoefte om het anderen naar de zin te maken, bieden me wat charme en ongevraagde populariteit. Althans daar proberen ze mij wel eens van te overtuigen. Uiteraard laat ik me dan wat graag ophemelen door die overdreven ego-strelingen. Wat had je gedacht?

Zelf, zie ik me eerder als bewaker van mijn grenzen. Een soort stadswacht die aan de poort beslist wie er in mag en wie niet. Een soort Theo Francken die buitenwipper speelt van mijn eigen ietwat donkerder gekleurde gedachten.

Ook al verberg ik mijn nieuwsgierige mening meestal met karakteristieke verdraagzaamheid, toch ben ik soms nog getoucheerd door onverschilligheid of ongefundeerd hevige kritiek.

Toen ik me afgelopen weekend nog maar eens verbaasde over de toon en het taalgebruik van onze politieke elite kreeg ik veel wind van voren. Orkaan Irma raasde woedend de woorden van mijn scherm.

Van uit de digitale verte, ergens van achter een anoniem klavier, werd ik plat geschoffeerd omdat ik me op een nieuwsforum, verwonderend, niet begrijpend, had uitgelaten over de kuiswoede-tweet van Theo Francken. Over de subtiele kniestoten onder de gordel naar mensen die zich niet kunnen verdedigen tegen zoveel tweetgeweld.

Me publiek uitspreken over politieke statements is gevaarlijk ijs voor een charmante woordjes-troubadour, dat weet ik wel.  Ik doe het dan ook niet zo dikwijls. Eigenlijk alleen maar wanneer boertigheid hoogtij viert. Dan is het wel eens sterker dan mezelf. Dan moet mijn pen in de inktpot om me met veel krullen te beklagen over de platvloersheid van de politieke beau monde die de plak zwaait.

Natuurlijk ben ik op zulk een moment voorbereid op vitriool en maagzuur zodat de scherpe opmerkingen van onder de gordel, vlotjes van me afglijden zoals water van een eend.

Onpasselijk makende internetwoede is dan gewoon een onplezierige bijwerking van een medicijn dat ik nodig had om me van mijn eigen misselijkheid te ontdoen.

Mijn digitaal schrijversvel is ondertussen wel ongeveer zo dik geworden als de huid van, pak weg Maggie de Block.  Mollige Maggie, nog zo iemand die zich van achter paniekerig-snel, in elkaar gedraaide wetsvoorstellen beklaagt over schrijfstijl. Maar dan wel over de schrijfstijl van haar ex-collega’s. Een schrijfstijl die ze tot nog niet zo lang geleden zelf hanteerde.

Maar dat is iets voor later. Wanneer het duidelijk is dat je voor een afwijkende mening als vrouw ook stevig in de schoenen moet staan.

Wie is hier zot?

 

IMG_1862

Puisterig was ik niet zo erg. Onberekenbaar en wispelturig? Ja dat dan weer wel. Heel erg zelfs. Het ene moment was ik hyper en vrolijk. Boordevol enthousiaste plannen en ideeën. Het andere moment kon ik voor het zelfde geld vervallen in een bodemloze tristesse, zelfbeklag of hulpeloze passiviteit.

Ik voelde me zeker onbegrepen. Een beetje zoals als een sociaal ingewikkeld wezen waar niemand iets van snapte en dat iedereen tot wanhoop dreef omdat ik ervan verzekerd was dat nooit iets mijn schuld was.
Mijn ouders zullen toen ook wel gedacht hebben dat er van mij niks zou in huis komen.
Zelf, vang ik wel af en toe een glimp op van de volwassene die straks fier en gesterkt uit de strijd zal komen. Al gebeurt dat wel minder naarmate de puberteit meer de kop opsteekt. Dat zal toentertijd wel niet anders geweest zijn.

In mijn puberlijf was van alles aan de gang. En ik kon daar niks aan doen. Het is nu eenmaal de natuur. Ik was veel te groot en te slungelig voor mijn leeftijd en had een veel te grote mond voor het zelfvertrouwen dat ik maar had.
Ik had altijd gelijk ook al dacht ik daar later in mijn bed dikwijls anders over. Al zou ik dat nooit hebben toegegeven. Ben je gek?

Grote voeten had ik al maar mijn hersenen waren nog niet ontwikkeld genoeg om alle nuances te vatten. De kleine dingen vergrootte ik uit. Over de grote zag ik over.
Daarom kon ik niet kiezen, plannen, opruimen, structuur brengen, sociaal zijn of zinnig meepraten met volwassenen die op elke vraag steeds onmiddellijk een juist antwoord verwachtten. Ik deed dikwijls alles net averechts dan hetgeen wat van mij werd verwacht.
Het voelde dan aan alsof ik de enige normale was in een wereld vol vreemde wezens van een andere planeet.
Maar het was niet mijn schuld want ik was een puber.

Nu, een paar levenservaringen rijker, ben ik dus in feite een door de wol geverfde, overjaarse, ontgroende, ervaringsdeskundige puber. En wel zo een die van zijn halfwassen aanhangsel verwacht dat hij kiest, plant, opruimt, structuur brengt in zijn studies, sociaal is en zinnig meepraat met volwassenen die op elke vraag steeds een juist antwoord verwachten.

Wie is hier zot?

 

 

4…

Ik drink niet omdat ik niet drink.

4 jaar al. Geen alcohol meer.  Om het even wat de omstandigheden zijn.  Om het even hoe ik me voel. Vrolijk, verdrietig, opgejaagd of net rustig. Ik doe het zonder. Al 4 jaar lang.

Sommige mensen drinken ook niet. Uit principe, omdat ze het niet lekker vinden. Omdat ze te veel dronken en niet meer mogen van hun vrouw of dokter of omdat ze al dood zijn.

Andere mensen drinken wel. Omdat het gezellig en lekker is. Of uit gewoonte, of om er bij te horen of omdat ze denken dat het erbij hoort om er bij te horen.

Sommige drinken bij de juiste gelegenheid. Anderen hebben zoals ik vroeger geen gelegenheid nodig. En dat is allemaal ok. Maar ik doe het al eventjes op een andere manier, in mijn ogen een betere.

Voor mij maakt het allemaal niet zo veel meer uit. Ik ben er niet meer zo mee bezig. Al is dat in het begin wel anders geweest. Soms floept dat kwelmannetje op een onbewaakt moment nog wel eens binnen. Hevig! Als een duivel uit een doosje maar dat duurt nooit lang. Ik weet al een tijdje dat hij snel opgeeft omdat ik slimmer geworden ben dan hem omdat ik het gevecht niet meer aanga.  Hij mag winnen zonder wedstrijd… Ik blijf uit de boksring.

Er is veel veranderd. Ik ben veranderd. Bewuster, denk ik dat het woord is dat het meeste de lading dekt. Ik ben meer bezig met mezelf. Niet uit egoïsme maar uit zelfbehoud. Ik moet goed voor mezelf zorgen om gefocust te blijven. En dan doe ik dat maar omdat het met vooruit helpt. Alles is beter dan de donkere duisternis van afhankelijkheid toen drank de keuzes maakte.

“Vrienden” van vroeger vinden me soms saai en denken dat ik een kluizenaar ben geworden omdat ik nu meer dan een armlengte verwijderd ben van de toog die ons indertijd dagelijks bij elkaar hield. En af en toe vind ik dat wel jammer maar dan besef ik dat in vele gevallen het enkel de pint was die we als gemeenschappelijke beste vriend hadden en die is al een tijdje dood en begraven.

 

Soms wordt het wel eens donkerder omdat de gemakkelijke vluchtweg er niet meer is.  Dan neem ik een pauze. Een bewuste time-out om overzicht te krijgen en te beslissen of ik de zaken aanpak of ze beter laat voor wat ze zijn. Die beslissing kunnen nemen zonder te vluchten in iemand die ik niet ben, is me zoveel waard dat ik het hier wil getuigen.  Een beetje fier maar vooral rustig en nederig en niet te overmoedig.

Vandaag ben ik ok en morgen? Misschien komt die wel niet en dan is het tijdverlies om me daar vandaag al zorgen over te maken.

Rustig verder doen dat is wat ik ga doen. Zeker en vastberaden …

Ik pruts aan de mal van mezelf.

Hoe steviger ik mijn hand dicht knijp om dat losse zand bij te houden des te sneller het weg vloeit. Tot er maar een paar korreltjes meer achterblijven.

0e9d8548b2efc7b0a580796870548019_medium

Het denken, doen en laten van mensen. Ze willen begrijpen, veranderen en controleren. Het houdt me heel ver weg van mezelf. Beschouwen, oordelen en vonnissen daar ben ik goed in. Ver weg van mijn eigen spiegelbeeld bemerk ik heel scherp het vlekje welke jouw gezicht ontsiert.

En dan ben ik me kwijt. Helemaal verloren in de opgehoopte speculaties, oordeelvellingen en taxaties van anderen. In mijn hoofd staan jullie te dringen voor mijn aandacht en mijn mening. In rijen achter elkaar. Soms geduldig ordelijk, vaak onbeleefd en opdringerig. Jullie versperren mijn weg en duwen me van mijn pad zelfs al weet ik niet waar ik naar toe ga.

En dan wil ik onvindbaar verdwijnen. Doelloos afwezig worden en op zoek gaan naar wat rust. Ergens, nergens.

Wanneer zal me dat lukken? Waar ben ik me verloren en waar vind ik me terug? Hoe laat ik alles los wat me tegenhoudt in de zoektocht naar mezelf?

Hoe en wanneer ontvouwt de vlinder zich uit de pop die me verborgen houdt?

Ik weet wel dat het niet gebeurt door me met jou te vergelijken of door te trachten te beheersten wat jij denkt. Datgene wat jij van mij denkt is niet van mij maar van jou. Ook weet ik dat de comfortzone niet dat plekje is waar magie gemaakt wordt en dat ik zelf mijn beperkende overtuiging ben in het excuus dat ik bedenk om iets niet te doen of te worden.

En dan begin ik te prutsen aan mezelf en schrijf wat gedachten op. Mijn innerlijke stem begint dan te roepen en te tieren en wurmt zich in een nauwe spleet een weg naar buiten. Vingers tokkelen snel en spuwen alles er uit. Ik laat los wat niet bij mij past en ontdoe me van het ballast dat mijn reis verzwaart. Kaf apart van koren.

En dan tracht ik het zaakje blauw-blauw te laten. En is dat dan zwak? Of net sterk? Moet ik toch het gevecht aangaan dat niet te winnen is? Of blijf ik niet beter uit die boksring om nog wat aan mijn details te prutsen zodat ik straks beter pas in de mal van mezelf.

Selvportrett mellom klokken og sengen, 1940-43