Ik hing rusteloos in mijn grijze sofa, niet uit liefde, eerder uit gemakzucht. Er stond iets te gebeuren. Was het het begin van het einde? Of het einde van het begin? Ik zat al heel lang slecht in mijn vel. Precies alsof ik gevangen zat in een jetlag die maar niet overging. In een droom die bleef duren. Een nachtmerrie, eigenlijk. Zo één die niet verdwijnt als je wakker wordt. Of het middag was, avond of nacht, dat herinner ik me niet. Dagen en nachten liepen toen door elkaar als in een sombere aquarel. Alles gleed door mijn vingers.
Buiten gutste regen tegen het raam. Mijn aandacht dwaalde af naar gebonk. Eerst was het zacht, dan harder, alsof er iets of iemand tegen de ruit stond te kloppen. Het ritmisch getik wrong zich in mijn hoofd en trok beelden op mijn netvlies van gezichten uit het verleden. Het waren silhouetten, schimmen, duistere figuren met bekende trekken. Sommigen huilden klagerig, anderen lachten, maar niet vriendelijk, eerder smalend. Eén fluisterde, “ik heb je gewaarschuwd”. Hij grijnsde met een lach die geen tanden liet zien. Het getik was geen geluid. Het was een herinnering. Onuitgesproken. Ongevraagd. De creaturen klopten niet op het raam maar op mijn geweten. En niet om even binnen te komen maar om te blijven.
Binnen was het stil. Te stil. Dat soort kleverige stilte die zich vastzet op de muren, alsof de kamer zelf naar adem hapte. De grijze sofa kreunde onder mijn gewicht. Hij kende me te goed. Hier had ik dikwijls gezeten, stomdronken, verdwaald, leeg en weggesijpeld. Maar ook dromend van ontsnappen en wegvluchten terwijl ik mezelf daardoor alleen maar dieper in onheil begroef en verder vast kwam te zitten in verslaving, isolement en zelfdestructie.
De zetel rook naar angst. Naar wijn, bedrog en overmoed. Ook naar koppigheid. Naar alles wat ik probeerde te vergeten, maar met elke ademstoot weer voelde.
De kamer ademde zwaarte. Niet letterlijk. Er was geen geest of spook, geen rook of geur. Alleen ballast, iets wat doorwoog, waardoor de lucht zelf ook zwaar en moeilijk uit te ademen was. De ingebeelde fles stond op haar vertrouwde plaats en staarde me aan. Ze keek niet echt. Maar ik voelde haar blik.Ik kreeg ze niet leeg. Ze bleef gevuld. Jarenlang had ze me aangekeken, als een standbeeld, starend zonder ogen. Als overblijfsel, van iets dat ooit veel macht had gehad en misschien nog had. De hallucinatie aan de fles vulde de kamer. Met kracht en met lawaai van iets dat ooit heel luid had geroepen.
Ik wist het al lang. Natuurlijk wist ik het. Jarenlang had ik me gulzig volgegoten, terwijl ikzelf langzaam helemaal leegliep. Dat gebeurde allemaal in stilte. Niet in één ruk, niet met gedaver of geschreeuw. Daar gingen jaren aan vooraf. De machteloosheid was langzaam binnengeslopen maar met een vastberadenheid die me meedogenloos uit mijn eigen ziel had verjaagd. Net zoals elke slok, hoe klein ook, dat ook had gedaan.
Onverschilligheid had zich in elke vezel van mijn lijf vastgezet. Met een leegte waardoor ikzelf nauwelijks nog geluid maakte. En als ik het toch deed, kwam mijn stem van zo ver dat er geen daadkracht inzat, alsof ze sprak vanuit een vervallen, uitgeput lijf dat ikzelf allang verlaten had.
Onwetend, koppig en gedreven, zo ging ik door met mezelf te slopen. Elke dag opnieuw, met handen vol gruis en puin van wat ooit mijn leven geweest was. Tot iemand me die ene vraag stelde. En ik luisterde. Voor het eerst. Het was geen groots moment. Geen donderslag. Geen drama. Alleen een kale kamer, een zitbank en die ene heldere, vrouwelijke stem die vroeg, “Is er drank in het spel?”
Die vraag deed de wereld stoppen met draaien. Alsof die stilte iets vasthield. Een stilte, zo essentieels, dat ik ze pas hoorde toen alle andere geluiden in mijn hoofd waren verstomd.
Ze keek niet streng, niet meelevend of oordelend. Alleen helder. Ze keek niet naar mij, maar dwars door me heen. Ik haalde mijn schouders op. Achteloos. Alsof ik met die beweging nog iets kon toedekken. “Misschien…,” prevelde ik. “Waarschijnlijk wel…”, verbeterde ik me snel.
En precies, die twee woorden. Die twee trillend uitgesproken woorden, die nauwelijks meer waren dan een half-ingeslikte bekentenis lieten iets verschuiven. Heel voorzichtig. Het was niet groot. Niet luid. Het was zelfs nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar voelbaar. Ik vond een kier, een spleet. Een stem zonder oordeel. Alsof ik diep vanbinnen het slot van een deur had losgewrikt. Niet met geweld, niet met een sleutel, maar met toestemming. Van haar en van mezelf.
De weken die volgden waren stil. En vreemd. Verwarrend. Alsof ik in een kamer zat waar het licht net was aangegaan, met ogen die nog moesten wennen. Alles leek hetzelfde, maar voelde anders. Er gebeurde iets wat ik niet verwachtte. Of beter, er gebeurde niets. Geen inzicht. Geen openbaring. Geen wonder… Niets, dat alles oploste en komaf maakte met het verleden. Alleen de spiegel. Hij hing daar, aan de muur. Lang gunde ik hem geen blik. Ik ontweek hem of keek erlangs, of er doorheen. Uit angst of schaamte en omdat hij zou tonen wat ik al lang wist.
Op een ochtend of een middag, ik herinner me dat soort dingen niet meer scherp. Mijn ogen bleven plakken op het spiegelglas. Ik fixeerde me op wat ik zag. Ik zag een verweerd gezicht en beschamende scènes. Wazige indrukken van vroeger. Ik had ze verbannen. Nu stond ik oog in oog met een uitgezakt lijf dat had gelogen met woorden die nergens naartoe gingen. Ik keek naar mijn mond die had gesproken om leugens te verkopen en vond angstige ogen die zelfs de spiegel medeplichtig maakte.
Zware deuren openden met een bonk. Ik daalde af in muffe kelders die ik ooit had dichtgemetseld en waar ik jaren niet meer was geweest. Naast tafels vol halflege glazen, gebroken beloftes en halfvolle excuses, zag ik oude bekenden die nog steeds wachtten maar ik vergat hen te bellen. Er lagen brieven, ooit geschreven, nooit verzonden. Ik zag mijn kinderen wazig en klein als foto’s in een natte kartonnen doos. Ik hoorde mijn stem in de verte, luid en vals en zag me liegen door niet te komen. Liegen door wel te komen, maar veel te laat of veel te zat en met woorden en gewauwel om mezelf uit de wind te zetten en met beloftes die nooit bedoeld waren om ze na te komen. Er waren uitgestrekte handen die ik had afgewezen. Stemmen, weggejaagd. En avonden die begonnen met “ééntje maar” en eindigden in coma of in een zwart gat zonder herinnering.
Ik stond daar. Voor de spiegel. Naakt. Uitgeput. Geen excuses of uitvluchten meer. Niets viel nog goed te praten. Wie ik zag, was geen monster. Geen slachtoffer. Geen vijand. Alleen mezelf en dat was genoeg om te beseffen dat ik daar niet hulpeloos kon blijven staan.
Later zat ik tussen anderen. Lotgenoten. Ze zaten ook rond tafels, in kringen, met koffiebekers en snoepjes. Hun hoopvolle blikken nagelden me niet vast. Ze maakten me los. De mannen en vrouwen spraken hardop uit wat ik alleen voor mijn spiegel had durven denken. Hun woorden sneden vieze wonden open die ik ooit zelf onhandig had dichtgenaaid. Om te genezen. Na een tijd begon al datgene wat me jarenlang de adem had afgesneden, onverwachts iets terug te geven. Erkenning, begrip, inzicht, vertrouwen. Eigenwaarde. Niet als medaille maar als een nieuw begin.
Met elke nieuwe dag durfde ik opnieuw kleine, ongemakkelijke beslissingen nemen. Opstaan in plaats van te blijven liggen. Een brood kopen in plaats van een fles. De vuilbak buitenzetten zonder dat iemand het vroeg. Nuchter blijven terwijl alles in me schreeuwde om verdoving. Elke dag opnieuw, soms uur per uur, koos ik ervoor om bij mezelf aanwezig te blijven in plaats van te verdwijnen. Ik bleef naar wekelijkse meetings gaan om er dingen te horen. Ik leerde zaken uit te spreken die ik eerst niet hardop durfde te zeggen. Ze zeiden, “gedeelde smart is halve smart en gedeeld geluk is dubbel geluk”. Ik geloofde hen. Omdat ze het wisten. Ze haalden hun wijsheid niet uit boeken, maar uit dezelfde nachten die ik had beleefd. Uit vergelijkbare schaamte. Uit zweet, angst en tranen en uit diezelfde kleverige stilte en dat alles verwoestend zelfbeklag waarmee ik mezelf ook lang had vastgezet.
Door die gesprekken kwam er rust. Niet ineens. Niet veel. Niet spannend, maar net genoeg om opnieuw te kunnen ademen en niet langer achteruit te leven. Ik was niet genezen en lang nog niet klaar, maar ik was niet meer alleen. Ik bouwde een nieuwe weg. Niet om ergens te komen, maar om niet meer te verdwalen. Ik deed het steen voor steen.Soms legde ik er maar één per dag. Soms maar een halve.
Door te spreken, hoorde ik mezelf voor het eerst. Lang dacht ik dat schaamte en schuld mij kapot zouden krijgen. Dat is niet gebeurd. Herstel is geen sprint. Het is kruipen. Soms achteruit. Het is niet pijnloos. Het gaat ook over eerlijkheid, niet om gelijk te krijgen, maar om trouw te worden aan mezelf. Eindelijk. Ik hoorde me spreken. Ik sprak. Stil als ik dat wou, voorzichtig als het kon, luid als het moest.
Op een dag begon ik met schrijven. Niet om iets te maken, of om iets recht te trekken maar om zelf niet kapot te gaan. Het witte scherm van mijn laptop was meedogenloos. Alles wat ik dacht en voelde, verscheen er, zonder filter. Mensen die ik had vermeden of moest vergeten. Fouten die ik had weggemoffeld. Leegtes, onmogelijk om ze op een andere manier onder woorden te brengen. Al wat ik verzwegen had verscheen op mijn scherm. Soms klikte ik alles weg. Soms liet ik het staan.
Verandering kwam niet als een storm. Maar ook als druppels die tegen een raam tikken. Met een glas water in plaats van wijn. Met een gesprek waarin ik leerde luisteren zonder weg te kijken of me erboven te zetten. Soms met stilte waarin ik bleef zitten. Al voelde het ook af en toe alsof ik opnieuw in mijn eigen vel moest kruipen. Soms zwem ik tegen de stroom in en vaar ik een bewuste koers. Soms drijf ik met de stroming mee, zonder weerstand. Maar ik blijf in beweging. Wakker. Alert. Nuchter.
Er zijn dagen dat ik lach zonder reden. Andere dagen ween ik zonder verklaring. Ik omring me met vertrouwde mensen en leer er nieuwe kennen. Ik zeg ‘belangrijke’ dingen af, om aandacht te geven aan zaken die ogenschijnlijk ‘onbelangrijk’ lijken, maar het niet zijn. Soms struikel ik nog, meestal over mezelf en hang nog altijd in mijn grijze sofa. Maar niet meer verdoken. Niet meer verstopt tussen de plooien.
Ik ben veranderd en werd iemand die zonder uitleg of excuses ‘nee’ zegt tegen drukte en dingen die niet meer bij me passen en ‘ja’ tegen stilte, ongemak en wachten. Ik kijk mensen in de ogen, zelfs als ze mij willen ontwijken. Soms laat ik de radio uit in de auto. Soms kijk ik wekenlang geen tv. Ik loop niet meer weg als het moeilijk wordt.
Soms zit ik daar nog. In diezelfde grijze sofa. Maar anders dan toen. Mijn rug is recht, mijn blik helder. De zetel draagt me nu zonder tegenstribbelen, zonder geur van wijn, angstzweet of zwijgen. Maar dat is geen overwinning en geen eindpunt. Het is iets anders. Iets dat ik nog geen naam heb kunnen geven. Maar het geeft de indruk nog even te willen blijven.
Nu ademt de kamer mee en werkt niet meer tegen. Geen schimmen meer aan het raam en minder fluisteringen in mijn hoofd. Handen rusten op mijn knieën, niet om iets vast te houden of los te laten. De stilte is niet langer kleverig of dreigend, maar rustig. Hier, in mijn zetel voel ik geen drang meer om te vluchten. Geen nood om te verdoven. Ik ben thuis. In mezelf.
Mijn wereld werd kleiner, maar voller. Met minder mensen, met meer verbinding. Met minder verplichtingen en meer betekenis. Minder geruis en meer muziek. Ik sport weer, niet om te winnen, maar om mee te doen en te voelen dat ik nog leef. De dagen lijken eenvoudig, maar zijn rijker dan ooit. Ik kies bewust voor stilte, voor mijn vrouw, mijn kinderen, mijn werk en een handvol vrienden die me zien zoals ik ben, maar doe het toch vooral voor mezelf. Zonder façade, zonder maskers. Er is geen grootsheid, geen spektakel en geen doen alsof. En in die rust en eenvoud schuilt een onverwachte overvloed. Stil, traag. Echt.
Ik heb niks meer te bewijzen. Alleen ik. En dat is genoeg.
Waarschijnlijk is dat het leven. Mijn leven. Zoals het is en zoals het komt. Ik leef niet meer vooruit en niet meer achteruit. Gewoon, dag per dag.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.