Categorie: Autobiografisch

Ergens anders.

Rust komt niet zomaar komt aanwaaien. Hoe harder ik haar probeerde te grijpen, hoe verder ze van me afdreef. Op zo’n momenten voelt het alsof ik zand probeer vast te houden. Hoe harder ik knijp, hoe sneller het tussen mijn vingers wegglipt.

Ik dacht lang dat rust iets was dat ik moest verdienen. Na een drukke week, een vol hoofd of na een to-do-lijst die eindelijk afgevinkt is. Maar de afgelopen maand heb ik gemerkt dat dat niet zo werkt, althans niet voor mij. Een moment waarop alles klaar is, bestaat niet voor mij. Er is altijd iets te doen zelfs al is het een dwingende gedachte die roept: “straks moet je nog naar Amalfi, naar Pompeï en op de top van de Vesuvius ook al is die top een gat”

Mijn laatste reisje Napels heeft me dat op een vreemde manier doen inzien. Ik ging er naartoe om op te laden, om dingen te zien en om onbekende mensen te ontmoeten. De waarheid is dat ik mijn onrust gewoon meenam in mijn koffer. En dat mag je gerust letterlijk nemen want door een cyberattack in de luchthaven was mijn bagage een dag te laat. Ineens voelde ik me ontworteld, verweesd bijna, alsof ik niks kon doen en niemand kon zijn zonder mijn tandenborstel of een propere t-shirt. Het was ongemakkelijk, frustrerend. Het bracht een vreemde onrust die ik niet had voorzien. Ik dacht, hoe kan ik hier nu rust vinden als zelfs mijn valies mijn tempo niet kan bijhouden?

De eerste dag liep ik dan ook rond als een stinkende toerist die bang is om iets te missen. De stad was luid, vol geuren, vol kleuren en vol hectische chaos. Na een frustrerende morgen van telefoongesprekken, e-mails en sms’en die geen duidelijkheid brachten over mijn valies, zat ik op een klein terras, ergens in een smalle straat met pas gewassen lakens boven mijn hoofd en relikwieën van Maradonna zowat overal.  Scooters en Vespa’s scheerden voorbij met daarop mannen en vrouwen met luidruchtige stemmen die elkaar overstemden. Naast me zat een oude Italiaan. Zijn gezicht was verweerd, alsof de zon van Napels er jarenlang verhalen in had gebrand. Rimpels als karresporen, diep en grillig. Zijn neus was groot en haakvormig, een trotse boog boven een mond waaruit een gouden tand opblonk als hij glimlachte. Niet uit luxe, maar uit gewoonte. Die tand ging waarschijnlijk al even lang mee als zijn sandalen.

Zijn linnen hemd was vaalblauw en verkreukeld. Er ontbrak een knoop. Zijn broek ooit wit geweest, had nu dezelfde kleur als al het stof van Napels. Alles aan hem leek het rumoer te overstemmen. Zijn handen rustten op de tafel, met ouderdomsvlekken op zijn kromme vingers. Hij bewoog amper, alsof elke beweging voorafging aan een moeilijke keuze. Zijn espresso stond voor hem als zijn laatste vriend.

Hij dronk hem tergend traag, zonder haast, alsof tijd voor hem niet bestond. En ineens voelde ik het. Ik werd helemaal rustig.  Ondanks mijn koffer-loze morgen, mijn lichte paniek over dingen die ik niet dicht bij me had, voelde ik dat ik even mocht ophouden met zoeken.

Vanaf dat moment stopte ik met plannen. Met willen. Met moeten. Ik dwaalde gewoon door de straten, zonder doel, en vreemd genoeg, midden in die chaotische drukte, vond ik stilte. Niet buiten me, maar vanbinnen. Ik besefte ineens dat ik niks nodig had om hier te zijn.

Ik ben bijna een week terug en ben vastberaden om dat gevoel vast te houden. Niet door mijn dagen perfect in te plannen, maar door genoeg momenten te voorzien waarin ik niets moet doen. Soms lukt dat door gewoon even uit het raam te staren. Maar ook door dit te doen. Beschrijven wat ik denk en voel.

Het helpt me om gecontroleerd stil te vallen. Van het ogenblik dat ik mij klavier op mijn schoot leg, vertraagt alles. Mijn gedachten kalmeren en krijgen woorden, mijn adem wordt rustiger en mijn hartslag vertraagt. Soms schrijf ik alleen maar losse zinnen, zonder richting, zonder dat het ergens naartoe moet. Juist daarin vind ik mijn rust.

Ik begin stilaan te begrijpen dat rust niet betekent dat alles stil is of stilstaat. Rust is niet de afwezigheid van geluid, lawaai of beweging. Het is de aanwezigheid van mijn aandacht. Het is het moment waarop ik ophoud met achter de dingen aan te lopen en te beseffen dat de wereld of mijn bagage op een ander tempo loopt.

Misschien is rust geen plaats, geen reis, geen plan of geen prestatie. Misschien is het gewoon iets waar ik elke dag even mag voor kiezen. Zoals die oude man in Napels zijn espresso dronk bewust en zonder haast. Mogelijks is schrijven mijn manier om dat te doen. Even stoppen, even alleen maar ademen, luisteren en voelen, ook als mijn koffers en al wat ogenschijnlijk belangrijk is, nog ergens anders zijn.

Mijn grijze sofa spreekt. Voor het eerst!

Ik hing rusteloos in mijn grijze sofa, niet uit liefde, eerder uit gemakzucht. Er stond iets te gebeuren. Was het het begin van het einde? Of het einde van het begin?  Ik zat al heel lang slecht in mijn vel. Precies alsof ik gevangen zat in een jetlag die maar niet overging. In een droom die bleef duren. Een nachtmerrie, eigenlijk. Zo één die niet verdwijnt als je wakker wordt. Of het middag was, avond of nacht, dat herinner ik me niet.  Dagen en nachten liepen toen door elkaar als in een sombere aquarel. Alles gleed door mijn vingers.

Buiten gutste regen tegen het raam. Mijn aandacht dwaalde af naar gebonk. Eerst was het zacht, dan harder, alsof er iets of iemand tegen de ruit stond te kloppen. Het ritmisch getik wrong zich in mijn hoofd en trok beelden op mijn netvlies van gezichten uit het verleden. Het waren silhouetten, schimmen, duistere figuren met bekende trekken. Sommigen huilden klagerig, anderen lachten, maar niet vriendelijk, eerder smalend. Eén fluisterde, “ik heb je gewaarschuwd”. Hij grijnsde met een lach die geen tanden liet zien. Het getik was geen geluid. Het was een herinnering. Onuitgesproken. Ongevraagd. De creaturen klopten niet op het raam maar op mijn geweten. En niet om even binnen te komen maar om te blijven.

Binnen was het stil. Te stil. Dat soort kleverige stilte die zich vastzet op de muren, alsof de kamer zelf naar adem hapte. De grijze sofa kreunde onder mijn gewicht. Hij kende me te goed. Hier had ik dikwijls gezeten, stomdronken, verdwaald, leeg en weggesijpeld. Maar ook dromend van ontsnappen en wegvluchten terwijl ik mezelf daardoor alleen maar dieper in onheil begroef en verder vast kwam te zitten in verslaving, isolement en zelfdestructie.

De zetel rook naar angst. Naar wijn, bedrog en overmoed. Ook naar koppigheid. Naar alles wat ik probeerde te vergeten, maar met elke ademstoot weer voelde.

De kamer ademde zwaarte. Niet letterlijk. Er was geen geest of spook, geen rook of geur. Alleen ballast, iets wat doorwoog, waardoor de lucht zelf ook zwaar en moeilijk uit te ademen was. De ingebeelde fles stond op haar vertrouwde plaats en staarde me aan. Ze keek niet echt. Maar ik voelde haar blik.Ik kreeg ze niet leeg. Ze bleef gevuld. Jarenlang had ze me aangekeken, als een standbeeld, starend zonder ogen. Als overblijfsel, van iets dat ooit veel macht had gehad en misschien nog had. De hallucinatie aan de fles vulde de kamer. Met kracht en met lawaai van iets dat ooit heel luid had geroepen.

Ik wist het al lang. Natuurlijk wist ik het.  Jarenlang had ik me gulzig volgegoten, terwijl ikzelf langzaam helemaal leegliep. Dat gebeurde allemaal in stilte. Niet in één ruk, niet met gedaver of geschreeuw. Daar gingen jaren aan vooraf. De machteloosheid was langzaam binnengeslopen maar met een vastberadenheid die me meedogenloos uit mijn eigen ziel had verjaagd.  Net zoals elke slok, hoe klein ook, dat ook had gedaan.

Onverschilligheid had zich in elke vezel van mijn lijf vastgezet. Met een leegte waardoor ikzelf nauwelijks nog geluid maakte. En als ik het toch deed, kwam mijn stem van zo ver dat er geen daadkracht inzat, alsof ze sprak vanuit een vervallen, uitgeput lijf dat ikzelf allang verlaten had.

Onwetend, koppig en gedreven, zo ging ik door met mezelf te slopen. Elke dag opnieuw, met handen vol gruis en puin van wat ooit mijn leven geweest was. Tot iemand me die ene vraag stelde. En ik luisterde. Voor het eerst. Het was geen groots moment. Geen donderslag. Geen drama. Alleen een kale kamer, een zitbank en die ene heldere, vrouwelijke stem die vroeg, “Is er drank in het spel?”

Die vraag deed de wereld stoppen met draaien. Alsof die stilte iets vasthield. Een stilte, zo essentieels, dat ik ze pas hoorde toen alle andere geluiden in mijn hoofd waren verstomd.

Ze keek niet streng, niet meelevend of oordelend. Alleen helder. Ze keek niet naar mij, maar dwars door me heen. Ik haalde mijn schouders op. Achteloos. Alsof ik met die beweging nog iets kon toedekken. “Misschien…,” prevelde ik. “Waarschijnlijk wel…”, verbeterde ik me snel.

En precies, die twee woorden. Die twee trillend uitgesproken woorden, die nauwelijks meer waren dan een half-ingeslikte bekentenis lieten iets verschuiven. Heel voorzichtig. Het was niet groot. Niet luid. Het was zelfs nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar voelbaar. Ik vond een kier, een spleet. Een stem zonder oordeel. Alsof ik diep vanbinnen het slot van een deur had losgewrikt. Niet met geweld, niet met een sleutel, maar met toestemming. Van haar en van mezelf.

De weken die volgden waren stil. En vreemd. Verwarrend. Alsof ik in een kamer zat waar het licht net was aangegaan, met ogen die nog moesten wennen. Alles leek hetzelfde, maar voelde anders. Er gebeurde iets wat ik niet verwachtte. Of beter, er gebeurde niets. Geen inzicht. Geen openbaring. Geen wonder… Niets, dat alles oploste en komaf maakte met het verleden. Alleen de spiegel. Hij hing daar, aan de muur. Lang gunde ik hem geen blik. Ik ontweek hem of keek erlangs, of er doorheen. Uit angst of schaamte en omdat hij zou tonen wat ik al lang wist.

Op een ochtend of een middag, ik herinner me dat soort dingen niet meer scherp. Mijn ogen bleven plakken op het spiegelglas. Ik fixeerde me op wat ik zag. Ik zag een verweerd gezicht en beschamende scènes. Wazige indrukken van vroeger. Ik had ze verbannen. Nu stond ik oog in oog met een uitgezakt lijf dat had gelogen met woorden die nergens naartoe gingen. Ik keek naar mijn mond die had gesproken om leugens te verkopen en vond angstige ogen die zelfs de spiegel medeplichtig maakte.

Zware deuren openden met een bonk. Ik daalde af in muffe kelders die ik ooit had dichtgemetseld en waar ik jaren niet meer was geweest. Naast tafels vol halflege glazen, gebroken beloftes en halfvolle excuses, zag ik oude bekenden die nog steeds wachtten maar ik vergat hen te bellen. Er lagen brieven, ooit geschreven, nooit verzonden. Ik zag mijn kinderen wazig en klein als foto’s in een natte kartonnen doos. Ik hoorde mijn stem in de verte, luid en vals en zag me liegen door niet te komen. Liegen door wel te komen, maar veel te laat of veel te zat en met woorden en gewauwel om mezelf uit de wind te zetten en met beloftes die nooit bedoeld waren om ze na te komen. Er waren uitgestrekte handen die ik had afgewezen. Stemmen, weggejaagd. En avonden die begonnen met “ééntje maar” en eindigden in coma of in een zwart gat zonder herinnering.

Ik stond daar. Voor de spiegel. Naakt. Uitgeput. Geen excuses of uitvluchten meer. Niets viel nog goed te praten. Wie ik zag, was geen monster. Geen slachtoffer. Geen vijand. Alleen mezelf en dat was genoeg om te beseffen dat ik daar niet hulpeloos kon blijven staan.

Later zat ik tussen anderen. Lotgenoten. Ze zaten ook rond tafels, in kringen, met koffiebekers en snoepjes. Hun hoopvolle blikken nagelden me niet vast.  Ze maakten me los. De mannen en vrouwen spraken hardop uit wat ik alleen voor mijn spiegel had durven denken. Hun woorden sneden vieze wonden open die ik ooit zelf onhandig had dichtgenaaid. Om te genezen.  Na een tijd begon al datgene wat me jarenlang de adem had afgesneden, onverwachts iets terug te geven. Erkenning, begrip, inzicht, vertrouwen. Eigenwaarde. Niet als medaille maar als een nieuw begin.

Met elke nieuwe dag durfde ik opnieuw kleine, ongemakkelijke beslissingen nemen. Opstaan in plaats van te blijven liggen. Een brood kopen in plaats van een fles. De vuilbak buitenzetten zonder dat iemand het vroeg. Nuchter blijven terwijl alles in me schreeuwde om verdoving. Elke dag opnieuw, soms uur per uur, koos ik ervoor om bij mezelf aanwezig te blijven in plaats van te verdwijnen. Ik bleef naar wekelijkse meetings gaan om er dingen te horen. Ik leerde zaken uit te spreken die ik eerst niet hardop durfde te zeggen.  Ze zeiden, “gedeelde smart is halve smart en gedeeld geluk is dubbel geluk”. Ik geloofde hen. Omdat ze het wisten. Ze haalden hun wijsheid niet uit boeken, maar uit dezelfde nachten die ik had beleefd. Uit vergelijkbare schaamte. Uit zweet, angst en tranen en uit diezelfde kleverige stilte en dat alles verwoestend zelfbeklag waarmee ik mezelf ook lang had vastgezet.

Door die gesprekken kwam er rust. Niet ineens. Niet veel. Niet spannend, maar net genoeg om opnieuw te kunnen ademen en niet langer achteruit te leven. Ik was niet genezen en lang nog niet klaar, maar ik was niet meer alleen. Ik bouwde een nieuwe weg. Niet om ergens te komen, maar om niet meer te verdwalen. Ik deed het steen voor steen.Soms legde ik er maar één per dag. Soms maar een halve.

Door te spreken, hoorde ik mezelf voor het eerst. Lang dacht ik dat schaamte en schuld mij kapot zouden krijgen. Dat is niet gebeurd.  Herstel is geen sprint. Het is kruipen. Soms achteruit. Het is niet pijnloos. Het gaat ook over eerlijkheid, niet om gelijk te krijgen, maar om trouw te worden aan mezelf. Eindelijk. Ik hoorde me spreken. Ik sprak. Stil als ik dat wou, voorzichtig als het kon, luid als het moest.

Op een dag begon ik met schrijven. Niet om iets te maken, of om iets recht te trekken maar om zelf niet kapot te gaan. Het witte scherm van mijn laptop was meedogenloos. Alles wat ik dacht en voelde, verscheen er, zonder filter. Mensen die ik had vermeden of moest vergeten. Fouten die ik had weggemoffeld. Leegtes, onmogelijk om ze op een andere manier onder woorden te brengen. Al wat ik verzwegen had verscheen op mijn scherm. Soms klikte ik alles weg. Soms liet ik het staan.

Verandering kwam niet als een storm. Maar ook als druppels die tegen een raam tikken. Met een glas water in plaats van wijn. Met een gesprek waarin ik leerde luisteren zonder weg te kijken of me erboven te zetten. Soms met stilte waarin ik bleef zitten. Al voelde het ook af en toe alsof ik opnieuw in mijn eigen vel moest kruipen. Soms zwem ik tegen de stroom in en vaar ik een bewuste koers. Soms drijf ik met de stroming mee, zonder weerstand. Maar ik blijf in beweging. Wakker. Alert. Nuchter.

Er zijn dagen dat ik lach zonder reden. Andere dagen ween ik zonder verklaring. Ik omring me met vertrouwde mensen en leer er nieuwe kennen. Ik zeg ‘belangrijke’ dingen af, om aandacht te geven aan zaken die ogenschijnlijk ‘onbelangrijk’ lijken, maar het niet zijn. Soms struikel ik nog, meestal over mezelf en hang nog altijd in mijn grijze sofa. Maar niet meer verdoken. Niet meer verstopt tussen de plooien.

Ik ben veranderd en werd iemand die zonder uitleg of excuses ‘nee’ zegt tegen drukte en dingen die niet meer bij me passen en ‘ja’ tegen stilte, ongemak en wachten. Ik kijk mensen in de ogen, zelfs als ze mij willen ontwijken. Soms laat ik de radio uit in de auto. Soms kijk ik wekenlang geen tv. Ik loop niet meer weg als het moeilijk wordt.

Soms zit ik daar nog. In diezelfde grijze sofa. Maar anders dan toen. Mijn rug is recht, mijn blik helder. De zetel draagt me nu zonder tegenstribbelen, zonder geur van wijn, angstzweet of zwijgen. Maar dat is geen overwinning en geen eindpunt.  Het is iets anders. Iets dat ik nog geen naam heb kunnen geven. Maar het geeft de indruk nog even te willen blijven.

Nu ademt de kamer mee en werkt niet meer tegen. Geen schimmen meer aan het raam en minder fluisteringen in mijn hoofd. Handen rusten op mijn knieën, niet om iets vast te houden of los te laten. De stilte is niet langer kleverig of dreigend, maar rustig. Hier, in mijn zetel voel ik geen drang meer om te vluchten. Geen nood om te verdoven. Ik ben thuis. In mezelf.

Mijn wereld werd kleiner, maar voller. Met minder mensen, met meer verbinding. Met minder verplichtingen en meer betekenis. Minder geruis en meer muziek. Ik sport weer, niet om te winnen, maar om mee te doen en te voelen dat ik nog leef. De dagen lijken eenvoudig, maar zijn rijker dan ooit. Ik kies bewust voor stilte, voor mijn vrouw, mijn kinderen, mijn werk en een handvol vrienden die me zien zoals ik ben, maar doe het toch vooral voor mezelf. Zonder façade, zonder maskers. Er is geen grootsheid, geen spektakel en geen doen alsof. En in die rust en eenvoud schuilt een onverwachte overvloed. Stil, traag. Echt.

Ik heb niks meer te bewijzen. Alleen ik. En dat is genoeg.

Waarschijnlijk is dat het leven. Mijn leven. Zoals het is en zoals het komt. Ik leef niet meer vooruit en niet meer achteruit. Gewoon, dag per dag.

De kunst van verdwijnen

Ik wil je niet altijd in de buurt. Wanneer dat zo is, zoek ik isolement en trek ik me terug, vrijwillig. Zoals eb zich terugtrekt op een uitgestrekt strand. Ik doe dat dikwijls. Meer dan vroeger, dan deed ik het nooit. Toen kende ik het niet, of durfde het niet. Dat laat ik in het midden. Niet dat ik niet van verbinding met mensen hou of dat ik mensen niet wil verdragen, integendeel.  Alleen zijn met mezelf als enige gezelschap, is iets wat ik mezelf ben gaan gunnen, soms zelfs ben gaan verplichten. Omdat ik anders leegloop. Zeker wanneer ik te lang blootsta aan het lawaai van de wereld en de drukte ervan. Aan de gewelddadige, collectieve haast van de menigte met zijn onophoudelijke luide woordenstroom. Dan zonder ik me af van gesprekken die me overrompelen, overspoelen en onderduwen.

Ik heb nooit echt geleerd om alleen te zijn, ik heb dat leren kiezen. Dat is niet hetzelfde, dat is iets compleet anders. Ik leerde dat alleen zijn niet aanvoelt alsof ik iets mis maar als binnenkomen bij mezelf.  Noem het gerust zelfbehoud of zelfbescherming. Er is geen beter woord voor, denk ik. Op die momenten ben ik liever alleen dan omringd te zijn door mensen die op een andere frequentie leven als ik. Niet hoger, niet lager, niet slechter of beter maar gewoon anders. Dat wil niet zeggen dat zij minder interessant zijn.  Die pretentie of arrogantie heb ik niet. We zijn gewoon verschillend. Met andere nuances of gevoeligheden die elkaar niet raken omdat we simpelweg op een andere golflengte zitten, met andere hoogtes of dieptes.

Beetje bij beetje durf ik te zeggen, hoe ouder ik word, hoe beter ik begin te voelen wie ik ben, waar ik heen wil, wat ik nodig heb en wat niet langer bij me past en dus mag loslaten. Dat weten is geen overwinning. Dat hoeft het helemaal niet te zijn. Het leven gaat al lang niet meer over winnen en dat is een ongelofelijk zachte luxe.

Ik heb niet altijd gezelschap nodig, en voel me zelden eenzaam. Die stilte en rust is geen leegte maar een kleine ruimte waar ik gewoon kan zijn wie ik ben. Niet groter of kleiner, niet slimmer of dommer. Ik hoef me voor niemand anders voor te doen.
Als ik mensen om me heen verzamel, is dat omdat ik daar goesting in heb. Niet uit gewoonte, niet omdat ik iets verwacht of niet voor de verkeerde reden maar omdat ze me vreugde of iets anders bijbrengen, en ik hen dat ook wil bieden. Mijn innerlijke rust vind ik in mijn cocon, thuis op mijn grijze zetel, alleen, of ergens buiten op een zandweg. Daar laad ik op. Daar kan ik loslaten. Die plekjes herinneren me eraan wie ik ben zonder te moeten.

Een asociale kluizenaar ben ik niet, hoop ik. Dat is echt niet wie ik wil zijn. Selectiever ben ik wel geworden, in mensen en in mijn empathie. Die bron is niet onuitputtelijk. Ik vermijd meer, maar leef intenser. Ik ben, als ik het zo mag zeggen, iemand geworden die zijn grenzen heeft gevonden en ze probeert te respecteren.

Maar als ik je graag zie, luister ik. Dan ben ik er. Onvoorwaardelijk. Dan zal ik helpen met woorden of daden.  Daarna heb ik een rustpauze nodig, dikwijls een hele lange.

Weet dat, als ik tijd met je doorbreng, dat niet is om een leegte in mezelf op te vullen, maar omdat ik je aanwezigheid op prijs stel en jij iets toevoegt. Omdat ik er wil zijn. Bij jou mijn vriend. Met volle aandacht en met een open hart. Dat is het meest oprechte wat ik je wou laten weten. Want vriendschap verdwijnt of vervaagt niet. Soms neemt ze gewoon een andere gedaante aan.

En wie me dan toch vindt in die stilte, vindt mij misschien voor de eerste keer, echt.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

Braakland

Er zijn dagen die vanzelf verdwijnen. Als je even omkijkt, zijn ze er niet meer. Deze dag moet nog beginnen, dus ik sta op, drink koffie, rook een sigaret aan de vijver en kijk naar het gazon. Hij ligt er schraal bij, met kale plekken die eruitzien alsof er nooit iets heeft gegroeid. Veel meer is er niet. En toch, ik ben wakkerder dan ooit. Ik adem en voel dat ik leef, zonder dat er iets moet gebeuren.

Mijn laptop ligt op de tafel, op zijn vaste plaats, precies waar hij hoort te liggen. Ik raak hem aan, klap hem open en kijk naar het witte scherm, onschuldig en stil. Ik klap hem weer dicht, schuif hem opzij en doe niets. Het is een dagelijkse beweging geworden, bijna een ritueel. Zoals ik soms ook nog oud visgerei schoonmaak dat ik al jaren niet meer gebruik. Maar het weggooien zou ook aanvoelen als een soort verraad aan het loze vissertje dat ik ooit was.

Er is geen gevoel van schuld want niets is dringend. Geen haast, er is alleen die zachte, volstrekt neutrale stilte. Het is geen matte leegte die zuigt of een sluimerende zwaarte die drukt, eerder een onbelangrijke afwezigheid. Het is als de lucht vlak vóór de regen, wanneer alles even stilvalt en de bomen in mijn hof hun adem inhouden. Dat moment waarop mijn gazon weet dat hij regen krijgt, alleen nog niet wanneer.

Schrijven heeft me zeker geholpen. Het maakte dingen helderder. Wat te groot was om vast te houden in mijn hoofd, werd kleiner op papier.  Alles kreeg een vorm, verhoudingen en grenzen. Maar nu is er al een tijdje niets meer om te verkleinen of te begrenzen. Er woedt geen storm en het is geen oorlog in mijn hoofd. Er zijn geen gedachten die schreeuwen om aandacht. Wat overblijft is de zachte leegte van deze kamer alsof er net iemand is opgestaan en is vertrokken. De geur hangt er nog en de indruk zit nog in het kussen van mijn grijze sofa, als een laatste herinnering die weigert mee te vertrekken.

Ik denk aan verhalen, aan gezichten van mensen die ooit belangrijk waren.  Ze vervagen en doen dat op dezelfde manier als de dag die vanzelf verdwijnt, heel langzaam. Wat blijft zijn de details, de toon van hun stem, de onhandige gebaren, de manier waarop ze mijn naam uitspraken. Niet de drama’s, niet de scherpe randen. Wel de vluchtige, belangrijke momenten die blijven hangen als stof in een zonnestraal.  Ik denk aan plekken waar de zomer ooit sprak maar de zon ook traag stierf. Ik denk eraan, maar schrijf niets.

Toen het nog stormde in mij en de gedachten zich opstapelden tot iets dat veel groter was dan mezelf, hielpen woorden. Ze waren mijn zandzakken tegen de gedachten die overstroomden. Ze maakten het draaglijk, lichter.  Ze reduceerden de chaos en maakten hem kleiner. Nu is er niets dat verkleind of verlicht moet worden. Wat betekent het als ik even niks te verwerken heb? Is dat rust of is het gewoon leegte met een strik errond?

Ik blader door oude boeken. Titels waarvan ik het einde al ken. Ik blader verder want ergens zit iets troostends in het voorspelbare. Ik word vanzelf rustig als woorden en zinnen zich herkenbaar gedragen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik herken mezelf in hun ritme denk ik. Soms is dat genoeg.

Mijn gazon ziet er niet uit. Stukken ervan lijken wel braak te liggen, met dorre plekken en hier en daar wat koppige pisbloemen.  Zoals elk jaar opnieuw rond deze tijd. Maar ik weet dat er iets gebeurt. Iets zit te kiemen, iets zit te wachten. En geduldig wachten is geen leegte, dat weet ik ondertussen beter dan wie ook. Misschien is dit geen schrijfstilstand, maar is het een soort van tussenruimte, een verbindende witruimte tussen twee paragrafen zoals mijn gazon die rust neemt, maar nog niet dood is.

Ik zal weer schrijven. Ja zeker, maar niet vandaag. Misschien morgen, misschien over een jaar. En misschien doe ik het zelfs pas als de stilte me niet meer kan troosten en ze me opnieuw langzaam begint te kwellen, zoals woorden niet willen blijven liggen en opnieuw naar boven willen kruipen.

Tot dan ben ik hier. Op mijn braakland. In rust. In de leegte die geen vijand meer is.


En dat is genoeg.

Geen dag van dertien in een dozijn!

Dertien, een getal dat vroeger nauwelijks betekenis had. Tijd en dagen kwamen gewoon voorbij. Ze waren even vloeibaar als wijn en het bier in mijn glas, ik telde ze niet.  Het bier en de wijn, even koud als mijn hart, het glas in mijn hand, net zo zwaar als mijn gemoed. Ik dronk om te vergeten, om niet te voelen, om de voortdurende ruis in mijn hoofd te dempen. Op het einde dronk ik om te vergeten dat ik leefde en sliep om te vergeten dat ik dronk. Ik had geen plan om te stoppen.

Op dertien maart, 2013 sneeuwde het hevig. Het was geen dag van dertien in een dozijn. De wegen waren verraderlijk glad. Wat moest gebeuren, gebeurde. Ik gleed uit en brak mijn knie. Daar lag ik, roerloos op een ijskoude parking. Een zielige man zonder richting, geveld in de sneeuw die alles bedekte, zoals drank dat jaren met mij had gedaan.

De maanden nadien werden mijn hel op aarde. Toen een week na die val mijn schouder het begaf, kromp mijn wereld in elkaar tot de vier muren van mijn living, met zelfbeklag als enige gezel. Mijn alcoholmisbruik ontspoorde totaal. Glas na glas, dag na dag, van s’ morgens tot s’ avonds. De drank verdoofde de pijn van mijn knie en schouder, maar niet de leegte in mijn kop. Buiten draaide de wereld door en ik draaide nog harder door!

Mijn knie genas, ik niet. Ochtenden begonnen met een kater.  Avonden eindigden in eenzame duisternis, soms in bed, soms op de zetel. Op een dag keek ik in een glas en zag niets meer, geen bodem, geen licht, geen uitweg, alleen een onbeschrijfelijke leegte. Nog één glas, nog één slok en ik zou voorgoed verdwijnen.

Maar ik zette het neer, en dronk het niet. Niet uit overtuiging, niet uit kracht, maar gewoon omdat ik wist, doe ik dit niet dan blijft er niets meer over. Het zou nog een half jaar duren tot mijn laatste glas, maar ik weet zeker, mijn herstel begon dan. Wat nodig was, gebeurde!

Vandaag, zoveel jaren later kan ik erover schrijven met een heldere blik en met een heldere geest. Ik doe het nederig maar met een heel klein beetje trots.

Nuchter worden, is zelden een heldenverhaal. Het is geen epische strijd met een duvel die eindigt in een triomf. Het is opstaan en niet drinken, gaan slapen en niet drinken en daartussen de leegte uitzitten die de drank heeft achtergelaten. Maar het is ook een verraderlijk, donker, gapend gat dat onophoudelijk roept om gevuld te worden. Als je aan het geroep blijft weerstaan, wordt het langzaamaan vaste grond, hard en ongenaakbaar, een rustige plek waar opnieuw iets kan groeien.

De eerste jaar was het zwaarst. Mijn handen zochten onophoudelijk naar een glas, mijn gedachten naar zachtheid van de roes, mijn geweten naar proberen te vergeten. Tijd was een vijand die een vriend moest worden. Alle uren die ik verspild had aan drinken en plannen, aan het kopen en aan het verbergen van katers, lagen nu opeens open en bloot voor me. Ik wist niet wat ik ermee moest aanvangen. Stoppen deed de dagen te lang duren, alsof ik iets essentieels was kwijtgeraakt.

Mijn verziekte alcoholbrein bleef schreeuwen naar een snelle oplossing. Alcoholisten zijn allemaal ongedurige wezens, ik was daar geen uitzondering in.  Nog steeds zocht ik een uitweg, een manier, een verdoving, een wonder. Verandering moest van buitenaf komen en onmiddellijk voelbaar zijn, maar er kwam niets, alleen minuten die langzaam voorbijkropen.

Ik miste de structuur van mijn eigen ellende, denk ik, het vaste patroon van drinken, spijt hebben, beloven om te stoppen en opnieuw drinken. Toen dat allemaal wegviel, bleef alleen dat gapend gat over dat moest gevuld worden, maar waarmee?

Ik bleef nuchter met de hulp en inzicht van lotgenoten die het glas ook noodgedwongen hadden neergezet. Ik leerde de ellende van me af te schrijven zonder de mist van de drank. Mijn woorden werden scherper, rauwer maar eerlijker. De waarheid over mezelf onder ogen zien kostte moeite, soms was dat wreed en meedogenloos, maar nooit zo leugenachtig of verraderlijk als alcohol.

Ik verloor vrienden, drinkbroeders die mijn nuchterheid als verraad zagen. Er kwamen er anderen in hun plaats. Mensen met een beschadigde ziel maar met heldere ogen, een groot hart en een vastberaden blik. Mensen die weten wat het betekent om uit een dal omhoog te klauteren. Maar vooral, ik vond mezelf terug, of beter ik ontdekte wie ik diep van binnen ben, niet de man die ik was, maar de man die ik kan worden.

Mensen vragen me soms of ik het niet mis, of ik niet af en toe een glas wijn wil drinken, gewoon voor de smaak of voor de gezelligheid. Ze begrijpen er niets van. Voor mij is er geen soms of af en toe, geen juiste gelegenheid. Eén slok, dat weet ik, en mijn wereld kantelt opnieuw en mijn monsters keren terug. De drank zelf mis ik niet meer. Soms mis ik de illusie van de eenvoud die hij me gaf wel. Maar eenvoud of betekenis zitten niet verborgen in een fles. Het zit in de manier hoe ik mijn dagen vul.

Twaalf jaar is een lange tijd. Lang genoeg om te beseffen dat nuchterheid geen uitzonderlijke prestatie is, geen eindpunt, geen finish. Het is gewoon iets dat bij me is gaan horen en dat ik onderhoud, elke dag opnieuw. Een beetje zoals schrijven.  Ik zet woorden op papier en ga door, zelfs als ik geen inspiratie heb. Ik heb geleerd erop te vertrouwen dat de volgende zin wel komt, dat deze dag eindigt en dat morgen een nieuwe begint.

Lang geleden zette ik het glas neer, niet voor één dag, niet voor één jaar. Ik heb het simpelweg nooit meer opgepakt en ik heb niet de intentie om dat opnieuw te doen. Omdat ik verdomd goed weet dat mocht ik het doen, er simpelweg geen morgen meer zal zijn.

In ruil voor die keuze kreeg ik het enige waar ik ooit echt heb naar gezocht, mezelf en een leven dat echt is, ongefilterd, onverbloemd, rauw, hard maar van mij alleen.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De wereld met zijn harde lijnen, zijn onbegrijpelijke wetten en zijn scherpe randen die schuren. Kortom, die snelle wereld die al mijn pogingen om zacht te bestaan meer en meer lijkt te minachten, ik draag hem als een versleten jas. Hij zit niet meer juist. Toch trek ik hem nog aan, tegen mijn goesting.

Te veel meningen zonder feiten. Te veel zelfpromotie zonder diepgang. Te veel algoritmes die me sturen zonder dat ik het wil.  Te veel reclame, te veel kopen, te veel pulp en te weinig verhalen. Alles lijkt glanzend en sparkelend maar als je kritisch durft te kijken is alles hol en oppervlakkig, bedrieglijk bijna. Met zoveel AI dat zelfs echt en nep haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Het wordt veel, tè veel, voor deze zoekende ziel. En toch, in al die chaos bestaat er een plek. Het is er ook chaotisch, rommelig zelfs maar ook stil. Ik moet er niet efficiënt zijn, niet perfect, niet snel.  Onwetend? Dat mag! Mijn littekens, twijfels en gebreken, ik moet ze niet verstoppen. Ze mogen blijven hangen, als bewijs van het leven zelf, mijn leven. Deze plek heb ik zelf gemaakt. Ze dient niet om te volgen, niet om in te passen maar om gewoon te bestaan.

Ik herinner me bijlange na niet alle woorden die ik ooit heb opgeschreven. Ik schreef ze als mijn waarheid, meestal eenvoudig, een beetje ruw, soms zwaar, zoals ik ben.

Ik weet hoe het voelt om gevangen te zitten in verwachtingen, van anderen en van mezelf, om strijd te voeren, om sterk te blijven, om te voldoen. Te lang verdroeg ik het leven als een opdracht, met perfectie als ultieme doel. Tot ik besefte dat perfectie een illusie is, een gevangenis die ik met mijn eigen handen heb gebouwd. Mijn littekens, mijn kapotte gewrichten, mijn rimpels, mijn eindeloze overpeinzingen, mijn eeuwige twijfels, het werden onuitwisbare sporen van een leven dat niet stil heeft gestaan.

Toch blijft het een opdracht, niet toe geven aan die wereld die enkel glans en gladde oppervlaktes lijkt te waarderen. Maar hier, in mijn hoofd, waar ik veel tijd doorbreng, laat ik me niet van mijn stuk brengen. Hier wordt mijn verhaal verteld. Je mag meelezen als je wil.

Als ik je ooit ontmoet en we praten, zal ik zeggen, “toon me je kleuren maar, laat me zien wie je ècht bent en waar je vandaan komt”. Niet omdat ik iets van je verwacht, maar omdat ik weet hoe het voelt om dingen van jezelf mee te dragen waarvan je niet weet wat je ermee moet aanvangen.

Het zijn stukken die niet passen in je puzzel, ze hebben geen glans, maar zijn wel echt. Het zijn die stukken die ik van jou wil zien, niet de opgeblonken versie die de wereld accepteert. De echte, de rommelige, de onvolmaakte waar je niet trots op bent. Laat het ons daar over hebben.

Mijn lijf en littekens, ik accepteer ze niet altijd. Soms jeuken ze, en herinneren me aan een tijd waarin ik dacht dat kwetsbaarheid en openheid een zwakte was, toch probeer ik ze nu te dragen als een medaille van een strijd die ik voer. En zo kijk ik naar jou, niet naar wie je probeert te zijn, maar naar wie je werkelijk bent.

De wereld is luid, altijd bezig, altijd veeleisend. Maar hier mag ik ademen. Hier mag ik rusten. Hier mag ik mezelf zijn, zonder druk om iets te bewijzen.

Misschien is dat wat ik probeer te zeggen.  Je bent welkom. Niet die versie van jou die de wereld goedkeurt, maar de echte, de kritische en pretentieloze, met al zijn scherpe randen en zachte lijnen, met twijfels en hoop.

Hier vinden mensen hun weg en zijn op hun gemak als ze dat begrijpen. De anderen stoppen halverwege of blijven gekluisterd aan verwachtingen die ze amper zullen waarmaken.

Dus kom, maar als je komt, dàn zoals je bent, met al je wilde imperfecties, met je vragen die geen antwoorden vereisen en met je stille dromen. Hier, op deze plek die ik helder voor me zie, hoef je alleen jezelf mee te brengen. Misschien, is dat genoeg, gewoon bestaan met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.