Categorie: Alcohol

Mijn grijze sofa spreekt. Voor het eerst!

Ik hing rusteloos in mijn grijze sofa, niet uit liefde, eerder uit gemakzucht. Er stond iets te gebeuren. Was het het begin van het einde? Of het einde van het begin?  Ik zat al heel lang slecht in mijn vel. Precies alsof ik gevangen zat in een jetlag die maar niet overging. In een droom die bleef duren. Een nachtmerrie, eigenlijk. Zo één die niet verdwijnt als je wakker wordt. Of het middag was, avond of nacht, dat herinner ik me niet.  Dagen en nachten liepen toen door elkaar als in een sombere aquarel. Alles gleed door mijn vingers.

Buiten gutste regen tegen het raam. Mijn aandacht dwaalde af naar gebonk. Eerst was het zacht, dan harder, alsof er iets of iemand tegen de ruit stond te kloppen. Het ritmisch getik wrong zich in mijn hoofd en trok beelden op mijn netvlies van gezichten uit het verleden. Het waren silhouetten, schimmen, duistere figuren met bekende trekken. Sommigen huilden klagerig, anderen lachten, maar niet vriendelijk, eerder smalend. Eén fluisterde, “ik heb je gewaarschuwd”. Hij grijnsde met een lach die geen tanden liet zien. Het getik was geen geluid. Het was een herinnering. Onuitgesproken. Ongevraagd. De creaturen klopten niet op het raam maar op mijn geweten. En niet om even binnen te komen maar om te blijven.

Binnen was het stil. Te stil. Dat soort kleverige stilte die zich vastzet op de muren, alsof de kamer zelf naar adem hapte. De grijze sofa kreunde onder mijn gewicht. Hij kende me te goed. Hier had ik dikwijls gezeten, stomdronken, verdwaald, leeg en weggesijpeld. Maar ook dromend van ontsnappen en wegvluchten terwijl ik mezelf daardoor alleen maar dieper in onheil begroef en verder vast kwam te zitten in verslaving, isolement en zelfdestructie.

De zetel rook naar angst. Naar wijn, bedrog en overmoed. Ook naar koppigheid. Naar alles wat ik probeerde te vergeten, maar met elke ademstoot weer voelde.

De kamer ademde zwaarte. Niet letterlijk. Er was geen geest of spook, geen rook of geur. Alleen ballast, iets wat doorwoog, waardoor de lucht zelf ook zwaar en moeilijk uit te ademen was. De ingebeelde fles stond op haar vertrouwde plaats en staarde me aan. Ze keek niet echt. Maar ik voelde haar blik.Ik kreeg ze niet leeg. Ze bleef gevuld. Jarenlang had ze me aangekeken, als een standbeeld, starend zonder ogen. Als overblijfsel, van iets dat ooit veel macht had gehad en misschien nog had. De hallucinatie aan de fles vulde de kamer. Met kracht en met lawaai van iets dat ooit heel luid had geroepen.

Ik wist het al lang. Natuurlijk wist ik het.  Jarenlang had ik me gulzig volgegoten, terwijl ikzelf langzaam helemaal leegliep. Dat gebeurde allemaal in stilte. Niet in één ruk, niet met gedaver of geschreeuw. Daar gingen jaren aan vooraf. De machteloosheid was langzaam binnengeslopen maar met een vastberadenheid die me meedogenloos uit mijn eigen ziel had verjaagd.  Net zoals elke slok, hoe klein ook, dat ook had gedaan.

Onverschilligheid had zich in elke vezel van mijn lijf vastgezet. Met een leegte waardoor ikzelf nauwelijks nog geluid maakte. En als ik het toch deed, kwam mijn stem van zo ver dat er geen daadkracht inzat, alsof ze sprak vanuit een vervallen, uitgeput lijf dat ikzelf allang verlaten had.

Onwetend, koppig en gedreven, zo ging ik door met mezelf te slopen. Elke dag opnieuw, met handen vol gruis en puin van wat ooit mijn leven geweest was. Tot iemand me die ene vraag stelde. En ik luisterde. Voor het eerst. Het was geen groots moment. Geen donderslag. Geen drama. Alleen een kale kamer, een zitbank en die ene heldere, vrouwelijke stem die vroeg, “Is er drank in het spel?”

Die vraag deed de wereld stoppen met draaien. Alsof die stilte iets vasthield. Een stilte, zo essentieels, dat ik ze pas hoorde toen alle andere geluiden in mijn hoofd waren verstomd.

Ze keek niet streng, niet meelevend of oordelend. Alleen helder. Ze keek niet naar mij, maar dwars door me heen. Ik haalde mijn schouders op. Achteloos. Alsof ik met die beweging nog iets kon toedekken. “Misschien…,” prevelde ik. “Waarschijnlijk wel…”, verbeterde ik me snel.

En precies, die twee woorden. Die twee trillend uitgesproken woorden, die nauwelijks meer waren dan een half-ingeslikte bekentenis lieten iets verschuiven. Heel voorzichtig. Het was niet groot. Niet luid. Het was zelfs nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar voelbaar. Ik vond een kier, een spleet. Een stem zonder oordeel. Alsof ik diep vanbinnen het slot van een deur had losgewrikt. Niet met geweld, niet met een sleutel, maar met toestemming. Van haar en van mezelf.

De weken die volgden waren stil. En vreemd. Verwarrend. Alsof ik in een kamer zat waar het licht net was aangegaan, met ogen die nog moesten wennen. Alles leek hetzelfde, maar voelde anders. Er gebeurde iets wat ik niet verwachtte. Of beter, er gebeurde niets. Geen inzicht. Geen openbaring. Geen wonder… Niets, dat alles oploste en komaf maakte met het verleden. Alleen de spiegel. Hij hing daar, aan de muur. Lang gunde ik hem geen blik. Ik ontweek hem of keek erlangs, of er doorheen. Uit angst of schaamte en omdat hij zou tonen wat ik al lang wist.

Op een ochtend of een middag, ik herinner me dat soort dingen niet meer scherp. Mijn ogen bleven plakken op het spiegelglas. Ik fixeerde me op wat ik zag. Ik zag een verweerd gezicht en beschamende scènes. Wazige indrukken van vroeger. Ik had ze verbannen. Nu stond ik oog in oog met een uitgezakt lijf dat had gelogen met woorden die nergens naartoe gingen. Ik keek naar mijn mond die had gesproken om leugens te verkopen en vond angstige ogen die zelfs de spiegel medeplichtig maakte.

Zware deuren openden met een bonk. Ik daalde af in muffe kelders die ik ooit had dichtgemetseld en waar ik jaren niet meer was geweest. Naast tafels vol halflege glazen, gebroken beloftes en halfvolle excuses, zag ik oude bekenden die nog steeds wachtten maar ik vergat hen te bellen. Er lagen brieven, ooit geschreven, nooit verzonden. Ik zag mijn kinderen wazig en klein als foto’s in een natte kartonnen doos. Ik hoorde mijn stem in de verte, luid en vals en zag me liegen door niet te komen. Liegen door wel te komen, maar veel te laat of veel te zat en met woorden en gewauwel om mezelf uit de wind te zetten en met beloftes die nooit bedoeld waren om ze na te komen. Er waren uitgestrekte handen die ik had afgewezen. Stemmen, weggejaagd. En avonden die begonnen met “ééntje maar” en eindigden in coma of in een zwart gat zonder herinnering.

Ik stond daar. Voor de spiegel. Naakt. Uitgeput. Geen excuses of uitvluchten meer. Niets viel nog goed te praten. Wie ik zag, was geen monster. Geen slachtoffer. Geen vijand. Alleen mezelf en dat was genoeg om te beseffen dat ik daar niet hulpeloos kon blijven staan.

Later zat ik tussen anderen. Lotgenoten. Ze zaten ook rond tafels, in kringen, met koffiebekers en snoepjes. Hun hoopvolle blikken nagelden me niet vast.  Ze maakten me los. De mannen en vrouwen spraken hardop uit wat ik alleen voor mijn spiegel had durven denken. Hun woorden sneden vieze wonden open die ik ooit zelf onhandig had dichtgenaaid. Om te genezen.  Na een tijd begon al datgene wat me jarenlang de adem had afgesneden, onverwachts iets terug te geven. Erkenning, begrip, inzicht, vertrouwen. Eigenwaarde. Niet als medaille maar als een nieuw begin.

Met elke nieuwe dag durfde ik opnieuw kleine, ongemakkelijke beslissingen nemen. Opstaan in plaats van te blijven liggen. Een brood kopen in plaats van een fles. De vuilbak buitenzetten zonder dat iemand het vroeg. Nuchter blijven terwijl alles in me schreeuwde om verdoving. Elke dag opnieuw, soms uur per uur, koos ik ervoor om bij mezelf aanwezig te blijven in plaats van te verdwijnen. Ik bleef naar wekelijkse meetings gaan om er dingen te horen. Ik leerde zaken uit te spreken die ik eerst niet hardop durfde te zeggen.  Ze zeiden, “gedeelde smart is halve smart en gedeeld geluk is dubbel geluk”. Ik geloofde hen. Omdat ze het wisten. Ze haalden hun wijsheid niet uit boeken, maar uit dezelfde nachten die ik had beleefd. Uit vergelijkbare schaamte. Uit zweet, angst en tranen en uit diezelfde kleverige stilte en dat alles verwoestend zelfbeklag waarmee ik mezelf ook lang had vastgezet.

Door die gesprekken kwam er rust. Niet ineens. Niet veel. Niet spannend, maar net genoeg om opnieuw te kunnen ademen en niet langer achteruit te leven. Ik was niet genezen en lang nog niet klaar, maar ik was niet meer alleen. Ik bouwde een nieuwe weg. Niet om ergens te komen, maar om niet meer te verdwalen. Ik deed het steen voor steen.Soms legde ik er maar één per dag. Soms maar een halve.

Door te spreken, hoorde ik mezelf voor het eerst. Lang dacht ik dat schaamte en schuld mij kapot zouden krijgen. Dat is niet gebeurd.  Herstel is geen sprint. Het is kruipen. Soms achteruit. Het is niet pijnloos. Het gaat ook over eerlijkheid, niet om gelijk te krijgen, maar om trouw te worden aan mezelf. Eindelijk. Ik hoorde me spreken. Ik sprak. Stil als ik dat wou, voorzichtig als het kon, luid als het moest.

Op een dag begon ik met schrijven. Niet om iets te maken, of om iets recht te trekken maar om zelf niet kapot te gaan. Het witte scherm van mijn laptop was meedogenloos. Alles wat ik dacht en voelde, verscheen er, zonder filter. Mensen die ik had vermeden of moest vergeten. Fouten die ik had weggemoffeld. Leegtes, onmogelijk om ze op een andere manier onder woorden te brengen. Al wat ik verzwegen had verscheen op mijn scherm. Soms klikte ik alles weg. Soms liet ik het staan.

Verandering kwam niet als een storm. Maar ook als druppels die tegen een raam tikken. Met een glas water in plaats van wijn. Met een gesprek waarin ik leerde luisteren zonder weg te kijken of me erboven te zetten. Soms met stilte waarin ik bleef zitten. Al voelde het ook af en toe alsof ik opnieuw in mijn eigen vel moest kruipen. Soms zwem ik tegen de stroom in en vaar ik een bewuste koers. Soms drijf ik met de stroming mee, zonder weerstand. Maar ik blijf in beweging. Wakker. Alert. Nuchter.

Er zijn dagen dat ik lach zonder reden. Andere dagen ween ik zonder verklaring. Ik omring me met vertrouwde mensen en leer er nieuwe kennen. Ik zeg ‘belangrijke’ dingen af, om aandacht te geven aan zaken die ogenschijnlijk ‘onbelangrijk’ lijken, maar het niet zijn. Soms struikel ik nog, meestal over mezelf en hang nog altijd in mijn grijze sofa. Maar niet meer verdoken. Niet meer verstopt tussen de plooien.

Ik ben veranderd en werd iemand die zonder uitleg of excuses ‘nee’ zegt tegen drukte en dingen die niet meer bij me passen en ‘ja’ tegen stilte, ongemak en wachten. Ik kijk mensen in de ogen, zelfs als ze mij willen ontwijken. Soms laat ik de radio uit in de auto. Soms kijk ik wekenlang geen tv. Ik loop niet meer weg als het moeilijk wordt.

Soms zit ik daar nog. In diezelfde grijze sofa. Maar anders dan toen. Mijn rug is recht, mijn blik helder. De zetel draagt me nu zonder tegenstribbelen, zonder geur van wijn, angstzweet of zwijgen. Maar dat is geen overwinning en geen eindpunt.  Het is iets anders. Iets dat ik nog geen naam heb kunnen geven. Maar het geeft de indruk nog even te willen blijven.

Nu ademt de kamer mee en werkt niet meer tegen. Geen schimmen meer aan het raam en minder fluisteringen in mijn hoofd. Handen rusten op mijn knieën, niet om iets vast te houden of los te laten. De stilte is niet langer kleverig of dreigend, maar rustig. Hier, in mijn zetel voel ik geen drang meer om te vluchten. Geen nood om te verdoven. Ik ben thuis. In mezelf.

Mijn wereld werd kleiner, maar voller. Met minder mensen, met meer verbinding. Met minder verplichtingen en meer betekenis. Minder geruis en meer muziek. Ik sport weer, niet om te winnen, maar om mee te doen en te voelen dat ik nog leef. De dagen lijken eenvoudig, maar zijn rijker dan ooit. Ik kies bewust voor stilte, voor mijn vrouw, mijn kinderen, mijn werk en een handvol vrienden die me zien zoals ik ben, maar doe het toch vooral voor mezelf. Zonder façade, zonder maskers. Er is geen grootsheid, geen spektakel en geen doen alsof. En in die rust en eenvoud schuilt een onverwachte overvloed. Stil, traag. Echt.

Ik heb niks meer te bewijzen. Alleen ik. En dat is genoeg.

Waarschijnlijk is dat het leven. Mijn leven. Zoals het is en zoals het komt. Ik leef niet meer vooruit en niet meer achteruit. Gewoon, dag per dag.

De (soms) ondraaglijke lichtheid van… mijzelf

Soms denk ik dat ik te zwaar of te licht ben om vast te houden of vastgehouden te worden. Dat ik door vingers glip, zoals zand op een strand. Ik lach, ik schrijf, ik slaap, ik speel, niet noodzakelijk in die volgorde. Maar onder die lichte tred zit oud gewicht. Niet dat jij het kan zien. Ik ben niet zeker of iemand het kan zien.

Wat jij ziet is een man die lijkt alsof hij het heeft gehaald. Een man die niet meer drinkt, die langs buiten rustig lijkt, terwijl wat hij voelt of denkt, verborgen blijft onder zorgvuldig uitgekozen woorden. Je ziet of leest alleen mijn ritme, ogenschijnlijk kalm en behoedzaam maar niet de barsten van waaruit dat ritme is geboren.

Ik weet trouwens niet of ik besta zoals jij mij ziet. Misschien besta ik zelfs alleen maar uit extreme contrasten. Of als een onduidelijke projectie tegen een muur van onuitgesproken zinnen. Onze pa kon ook zwijgen alsof hij iets wist wat de rest van de wereld niet mocht weten. Liggend op zijn rug op de zetel of zittend met zijn rug naar mij, keek hij naar het plafond. Als kind vulde ik stille leegtes met een angstige fantasie, en later, met drank. Ik had hem misschien, moeten vragen waar hij met zijn gedachten zat, misschien ook niet.

Vroeger, toen drank mijn toevlucht geworden was, werd ik zwaar en met elk glas werd ik zwaarder. Letterlijk en figuurlijk.  Met een hoofd zwaar als lood en de roes als mijn anker, de ketting ervan strak rond mijn lijf gespannen. Hij trok me onder als ik dreigde te ontsnappen. De ketting was net lang genoeg om me niet helemaal onder te trekken, om te blijven ademen maar ze was niet lang genoeg om echt te leven. Nu is er geen ketting en geen anker. Ik ben lichter. Te licht soms, denk ik. Ik laveer door het leven met een lichaam dat niet meer weerspannig stampt, maar sluipt. Soms kom ik ergens binnen en vergeet ik waarom ik er ben. Ik weet wel dat ik er nog ben.

Mensen praten, ik antwoord. Mensen lachen, ik volg. Maar in de kern van die momenten weet ik, ik ben er niet helemaal bij. Zo was er een verjaardagsfeestje, ergens in een tuin vol lachende mensen. Iemand vroeg me, “En jij, hoe gaat het met jou?” Ik glimlachte en ontweek de vraag met een mop als antwoord. Die was veiliger dan stilte.

Herstel, zo beweert men, is een terugkeer naar stevigheid naar vastigheid. Voor mij is het net het tegenovergestelde. Het is loskomen van de illusie van dwangmatige houvast. Want niets blijft. Niets is permanent, alles schuift. Soms lijkt het alsof mijn dag begint in snelvaart en met richting, en dan, ergens halverwege de dag, sta ik stil met de koelkastdeur open, zoekend naar iets dat er niet meer is. Misschien is dat mijn definitie van herstel, ik val niet meer zelfs al weet ik niet altijd waarom ik nog rechtsta.

In mijn lichtheid schuilt ook een soort medelijden. Ik zie mensen worstelen met hun rollen, met hun maskers en al hun gewichtige plannen. Ze hechten betekenis aan agenda’s, aan materiele overbodigheden, aan oppervlakkigheid. Ik knik, niet omdat ik het eens ben, maar omdat ik het begrijp. De wereld houdt van gewichtige plannen, van strakke lijnen en ambitieuze doelen en van harde cijfers. Wat als we gewoon maar mensen zijn die elkaar toevallig raken, zonder te weten waarom, zonder te snappen wat het doet, met broosheid in onze bedoelingen en met onhandigheid in al de rest?

Ik geloof niet meer in redding. Wel in het feit dat ik, ondanks alles, overeind blijf en steeds weer opsta als ik onderuitga. Dat ik schrijf, spreek of luister en dat ik, ook al voelt het alsof ik geen diepe voetsporen nalaat, soms toch nog opgemerkt word. Door een kat, een vogel, door een lezer of door iemand die, net zoals ik ook lichter geworden is, ondanks de zwaarte van het bestaan.

Misschien is het geen kwestie van kiezen tussen lichtheid of zwaarte, maar van vrede sluiten met dat tussengebied, waarin alles ok is. Ik ben niet genezen en ik ben niet kapot. Ik ben onderweg. Als een ballon aan een losse draad. Naar waar hij vliegt? Dat weet ik niet.  Soms verdwijn ik even uit het zicht. Soms kom ik onverwacht terug. En als iemand mij vraagt hoe het gaat, dan antwoord ik, “ik weet het niet maar ik ben er nog”

En soms is dat, voor iemand zoals ik, net genoeg.

Geen dag van dertien in een dozijn!

Dertien, een getal dat vroeger nauwelijks betekenis had. Tijd en dagen kwamen gewoon voorbij. Ze waren even vloeibaar als wijn en het bier in mijn glas, ik telde ze niet.  Het bier en de wijn, even koud als mijn hart, het glas in mijn hand, net zo zwaar als mijn gemoed. Ik dronk om te vergeten, om niet te voelen, om de voortdurende ruis in mijn hoofd te dempen. Op het einde dronk ik om te vergeten dat ik leefde en sliep om te vergeten dat ik dronk. Ik had geen plan om te stoppen.

Op dertien maart, 2013 sneeuwde het hevig. Het was geen dag van dertien in een dozijn. De wegen waren verraderlijk glad. Wat moest gebeuren, gebeurde. Ik gleed uit en brak mijn knie. Daar lag ik, roerloos op een ijskoude parking. Een zielige man zonder richting, geveld in de sneeuw die alles bedekte, zoals drank dat jaren met mij had gedaan.

De maanden nadien werden mijn hel op aarde. Toen een week na die val mijn schouder het begaf, kromp mijn wereld in elkaar tot de vier muren van mijn living, met zelfbeklag als enige gezel. Mijn alcoholmisbruik ontspoorde totaal. Glas na glas, dag na dag, van s’ morgens tot s’ avonds. De drank verdoofde de pijn van mijn knie en schouder, maar niet de leegte in mijn kop. Buiten draaide de wereld door en ik draaide nog harder door!

Mijn knie genas, ik niet. Ochtenden begonnen met een kater.  Avonden eindigden in eenzame duisternis, soms in bed, soms op de zetel. Op een dag keek ik in een glas en zag niets meer, geen bodem, geen licht, geen uitweg, alleen een onbeschrijfelijke leegte. Nog één glas, nog één slok en ik zou voorgoed verdwijnen.

Maar ik zette het neer, en dronk het niet. Niet uit overtuiging, niet uit kracht, maar gewoon omdat ik wist, doe ik dit niet dan blijft er niets meer over. Het zou nog een half jaar duren tot mijn laatste glas, maar ik weet zeker, mijn herstel begon dan. Wat nodig was, gebeurde!

Vandaag, zoveel jaren later kan ik erover schrijven met een heldere blik en met een heldere geest. Ik doe het nederig maar met een heel klein beetje trots.

Nuchter worden, is zelden een heldenverhaal. Het is geen epische strijd met een duvel die eindigt in een triomf. Het is opstaan en niet drinken, gaan slapen en niet drinken en daartussen de leegte uitzitten die de drank heeft achtergelaten. Maar het is ook een verraderlijk, donker, gapend gat dat onophoudelijk roept om gevuld te worden. Als je aan het geroep blijft weerstaan, wordt het langzaamaan vaste grond, hard en ongenaakbaar, een rustige plek waar opnieuw iets kan groeien.

De eerste jaar was het zwaarst. Mijn handen zochten onophoudelijk naar een glas, mijn gedachten naar zachtheid van de roes, mijn geweten naar proberen te vergeten. Tijd was een vijand die een vriend moest worden. Alle uren die ik verspild had aan drinken en plannen, aan het kopen en aan het verbergen van katers, lagen nu opeens open en bloot voor me. Ik wist niet wat ik ermee moest aanvangen. Stoppen deed de dagen te lang duren, alsof ik iets essentieels was kwijtgeraakt.

Mijn verziekte alcoholbrein bleef schreeuwen naar een snelle oplossing. Alcoholisten zijn allemaal ongedurige wezens, ik was daar geen uitzondering in.  Nog steeds zocht ik een uitweg, een manier, een verdoving, een wonder. Verandering moest van buitenaf komen en onmiddellijk voelbaar zijn, maar er kwam niets, alleen minuten die langzaam voorbijkropen.

Ik miste de structuur van mijn eigen ellende, denk ik, het vaste patroon van drinken, spijt hebben, beloven om te stoppen en opnieuw drinken. Toen dat allemaal wegviel, bleef alleen dat gapend gat over dat moest gevuld worden, maar waarmee?

Ik bleef nuchter met de hulp en inzicht van lotgenoten die het glas ook noodgedwongen hadden neergezet. Ik leerde de ellende van me af te schrijven zonder de mist van de drank. Mijn woorden werden scherper, rauwer maar eerlijker. De waarheid over mezelf onder ogen zien kostte moeite, soms was dat wreed en meedogenloos, maar nooit zo leugenachtig of verraderlijk als alcohol.

Ik verloor vrienden, drinkbroeders die mijn nuchterheid als verraad zagen. Er kwamen er anderen in hun plaats. Mensen met een beschadigde ziel maar met heldere ogen, een groot hart en een vastberaden blik. Mensen die weten wat het betekent om uit een dal omhoog te klauteren. Maar vooral, ik vond mezelf terug, of beter ik ontdekte wie ik diep van binnen ben, niet de man die ik was, maar de man die ik kan worden.

Mensen vragen me soms of ik het niet mis, of ik niet af en toe een glas wijn wil drinken, gewoon voor de smaak of voor de gezelligheid. Ze begrijpen er niets van. Voor mij is er geen soms of af en toe, geen juiste gelegenheid. Eén slok, dat weet ik, en mijn wereld kantelt opnieuw en mijn monsters keren terug. De drank zelf mis ik niet meer. Soms mis ik de illusie van de eenvoud die hij me gaf wel. Maar eenvoud of betekenis zitten niet verborgen in een fles. Het zit in de manier hoe ik mijn dagen vul.

Twaalf jaar is een lange tijd. Lang genoeg om te beseffen dat nuchterheid geen uitzonderlijke prestatie is, geen eindpunt, geen finish. Het is gewoon iets dat bij me is gaan horen en dat ik onderhoud, elke dag opnieuw. Een beetje zoals schrijven.  Ik zet woorden op papier en ga door, zelfs als ik geen inspiratie heb. Ik heb geleerd erop te vertrouwen dat de volgende zin wel komt, dat deze dag eindigt en dat morgen een nieuwe begint.

Lang geleden zette ik het glas neer, niet voor één dag, niet voor één jaar. Ik heb het simpelweg nooit meer opgepakt en ik heb niet de intentie om dat opnieuw te doen. Omdat ik verdomd goed weet dat mocht ik het doen, er simpelweg geen morgen meer zal zijn.

In ruil voor die keuze kreeg ik het enige waar ik ooit echt heb naar gezocht, mezelf en een leven dat echt is, ongefilterd, onverbloemd, rauw, hard maar van mij alleen.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Mijn duistere muze met het laatste woord!

Ik werd alleen wakker en kwam een beetje bij mijn zinnen, de slaapkamer was stil. Hoewel het al laat was die ochtend, hing de nacht nog als een donkere sluier in mijn hoofd. Mijn mond kurkdroog, mijn handen koud. Een sloophamer hamerde in mijn hoofd. Alles voelde als de dag ervoor en de dag daarvoor. Alles voelde altijd hetzelfde.

Ik keek in de spiegel, mijn ogen ontweken me. Het gezicht dat me aanstaarde oogde moe en leek ouder dan het zou mogen zijn. Dat gezicht, doordrongen van wroeging en zelfbeklag had veel gezien, maar weinig geleerd. De man in de spiegel leek op me. Hij had bekende trekken, maar was niet wie ik wilde zijn. Ik zuchtte diep. Ik wist het al langer. Dit kon niet zo doorgaan. Dit moest stoppen.

Met het glas in mijn hand, en altijd met het laatste woord. Alcohol, mijn muze maar een muze heeft altijd een prijs. Ze eist je lichaam op, neemt je ziel en steelt je wil. Ze zat overal in, in avonden, in ochtenden en in de uren daartussen, in onbelangrijke woorden die ik zei en in belangrijke die ik niet uitsprak. Ze zat in dingen die ik niet durfde voelen of durfde te denken. Kortom, de muze was mijn glas, één glas om te vieren, tien om te ontsnappen, een fles om te vergeten. Elke dag dronk ik om te drinken, als excuus om niet te voelen, niet te zijn. Het werkte. Tot het dat niet meer deed.

Ik kon niet langer vluchten, niet voor mijn gedachten, niet voor mijn zwakte, niet voor mezelf. Ik wilde veranderen, maar wist niet hoe. Nu, terugkijkend, weet ik, willen stoppen, was genoeg om te starten, en starten met stoppen was wat ik nodig had om door te zetten.

Vanaf die dag maak ik mijn koffie zelf, sterk, bitter, geen suiker en geen melk. Zoals het moet. Zoals ik hem nodig heb, straf. De stiltes vielen niet mee. Ik was ze niet gewend maar liet ze wel toe. Geen radio, alleen gelijkgestemden en zeker geen geratel en gedoe van andere mensen. Alleen mijn schaamte, mijn spijt, de zwijgende getuigen en ik. Spijt en schaamte, het zijn vreemde dingen, ze knagen aan je ziel, maar wijzen ook de weg. Als je luistert.

Ik begon met schrijven. Het voelde vreemd, alsof ik het verleerd was. Maar ik schreef en bleef het doen, over avonden die ik me niet of maar half kon herinneren, over woorden die ik had gezegd maar niet had gemeend, over gedachten en gevoelens die ik had maar niet durfde uitspreken. Over die keren dat ik iedereen had weggeduwd. Over schuld, wroeging en schaamte, over mezelf. Het was soms lelijk wat ik allemaal schreef. De realiteit was nog lelijker. Mijn woorden sneden. Er zat weinig schoonheid in, maar maakten de scherpe randen zachter. Dingen die je niet onder ogen ziet, worden groter, dus schreef ik, tot mijn ziel pijn deed en mijn hart bedaarde en de chaos in mijn hoofd kalmeerde.

Dagen gleden voorbij, één voor één. Eén week zonder drank, dan twee. Een maand werd een jaar, een jaar werden er elf. Het was alsof ik opnieuw moest leren leven, leren zien en leren voelen en dat elke dag opnieuw. De avonden werden moeilijk. Stiltes die op het eerste gezicht rust leken, werden een storm. En ik kan het laten stormen, geloof me. Ik doe het soms nog.  Door dat te doen leerde ik dat pijn niet dodelijk of fataal is, dat ik sterker was dan ik dacht te zijn en dat herstel soms moeite kost.

En dan, plotseling uit het niets, iets nieuws. Iets dat leek op trots en voldoening. Het was nog pril, klein, broos en breekbaar, maar het was er. Ik pakte het vast, voorzichtig om het nooit meer los te laten. Het is gebleven en het groeit nog elke dag een beetje. Ik koester het!

Tournée Minérale is een test. Een maand zonder alcohol. Voor sommigen is het een spel, voor mij een noodzaak. Toen ik stopte, leerde ik dat mijn wereld niet instortte zonder glas of fles. Integendeel, hij werd helderder, zachter, eenvoudiger, mooier, complex-chaotisch-rustiger!

Nu leef ik, adem ik en kijk op een andere manier naar de lucht en naar de bomen. Ze waren er altijd al, maar zag ze niet. Nu wel. Kleine dingen worden groot als je ze toelaat en aandacht geeft, denk ik. Het lijkt misschien niets, maar het is alles.  De muze heeft mij niet verlaten.  Zij is gebleven, maar ze is ook veranderd, net als ik. Ze fluistert niet meer vanop de bodem van een glas, maar roept naar mij vanuit het diepste van mijn ziel.

Elf jaar later, ik zie mezelf opnieuw in de spiegel. Het gezicht dat me aankijkt, is hetzelfde maar mijn ogen staan anders. Ze kijken en vermijden me niet meer. Ik ben niet genezen en zeker niet perfect. Over het leven heb ik nog veel te leren maar niets meer te bewijzen.  Nu word ik meestal wakker zonder dat de nacht in mijn hoofd spookt. Ik besta en leef nog. Dat is genoeg. Voor nu, morgen bestaat nog niet.

Dit nog. Als je worstelt, blijf dan staan. Als je valt, sta dan op! Stop als je denkt dat het nodig is maar doe het onvoorwaardelijk. Luister goed naar jezelf, hoe rauw je stem ook klinkt. Er is altijd een weg, maar jij alleen kan hem nemen. Jij alleen kan beginnen.

Tournée minérale is misschien het begin!

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Als je stopt begin het pas

Het was laat of vroeg.  Dat hangt af van hoe je naar tijd kijkt. In elk geval, ik was op tijd om te zien hoeveel leven je in een uur kunt proppen en hoeveel leegte in tien jaar. Mensen die dicht bij me staan, weten dat. Ik kan dagen vullen met niets zonder dat het tijdverspilling is. Dat lijkt misschien gemakkelijk maar ik heb het moeten leren. Vroeger leefde ik snel of niet. Dat hangt af van hoe je ernaar kijkt.

Ik zit op een plaats, waar de lucht droog is maar de koffie sterk. Hij is sterk genoeg. De troebele herfstzon staat laag en werpt licht over de tafel alsof ze mijn gedachten wil wegvegen.

Mensen glijden voorbij. Ze passeren in mijn blikveld. Bekende mensen, collega’s, allen zijn ze gehaast, en ernstig. Hun ruggen onder een denkbeeldige last gekromd, de ogen ergens opgericht waar ze nooit zullen aankomen maar dat weten ze nog niet. Sommige spreken, anderen luisteren. De sprekers spreken, de luisteraars luisteren, de zwijgers zwijgen of knikken instemmend alsof ze het eens zijn. Bijna nooit is het andersom. Het is precies een film die ik te vaak heb gezien, en waarin ik veel te dikwijls en veel te lang de hoofdrol had. Ikzelf was ooit spreker, één die niets te vertellen had, ook al dacht hij toen van wel.

Ik was niet alleen spreker, ik gaf ook alles weg. Mijn tijd, mijn aandacht, mijn geld, mijn liefde… mijn eigenwaarde. Ik strooide het rond alsof het nooit op kon raken. Dat deed het toch, op een dag. Mensen pikken op wat ze nodig hebben en verdwijnen nadien om nooit terug te keren. Buiten enkele uitzonderingen waren de meeste geen verrijking, eerder een beperking. Beperkers van geluk, van ademruimte en van vrijheid. Niet dat het slechteriken waren, ik geloof niet in slechteriken.

Het zou een ongemakkelijke keuze kunnen zijn om mijn dagen met hen te vullen, met gesprekken die niets zeggen en met gezichten die niets geven, zelfs als ze meer vragen dan ze bieden. Alleen ik heb het te lang gedaan. Ik besef dat sommige connecties maar blijven bestaan als je ze blijft voeden. Toen ik stopte met geven, begon ik pas te ademen.

Leven is lastig, maar sterven is lastiger, denk ik. Leven is volhouden. Loslaten wat je moet loslaten en vasthouden wat je nodig hebt, wat je completer maakt. Doe je dat niet, dan dreig je jaren te verliezen. Niet letterlijk, maar erger want je merkt het pas later, als je terugblikt en ziet hoeveel tijd je verspild hebt aan zaken die het niet waard waren. En ik spreek voor mezelf want ik stond te vaak stil waar ik had moeten lopen, ging door waar ik had moeten stoppen en zweeg te dikwijls waar ik had moeten roepen.

De kunst van het leven is volgens mij dat je leert wanneer je moet stoppen. Dat je leert om te durven veranderen en dat je geen slingers bij anderen moet hangen als je eigen muren nog kaal zijn. Ik had recht op ademruimte. Ik verdiende een dag die gevuld is met niets zonder tijdverspilling en een leven dat echt van mij is.  Misschien was ik ermee aan de late kant, maar laat is beter dan nooit.

Misschien komt mijn wens voor het nieuwe jaar te vroeg of te laat. Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Toch komt hij recht uit mijn hart, met ruimte en moed om het leven te pakken zoals het voor jou goed voelt, zonder druk van buitenaf, zonder opgedrongen verwachtingen van anderen, met lessen uit het verleden en hoop voor de toekomst maar vooral met de juiste keuze, voor jezelf, omdat niemand anders het voor jou gaat doen.

Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!