Categorie: Man-Vrouw

Probeer nooit te worden wie je al bent

Nog nooit, en zeker niet na dat laatste bezoek aan die luxueuze spa ergens in de Oostenrijkse Alpen, heb ik de behoefte gevoeld om me als vrouw te identificeren. Dat durf ik hardop zeggen, zeker op dagen dat ik mezelf geloof. Dat lijkt me trouwens iets bijzonder ingewikkeld, jezelf overtuigen dat je vrouw wil worden terwijl je een leven lang een vent geweest bent, zelfs al zit er de laatste tijd een beetje sleet op die mannelijkheid.  Ik heb mezelf ooit grotere leugens wijsgemaakt maar dit idee aan mezelf verkopen lijkt me onmogelijk.

Als ik mijn vrouw mag geloven weet ik weinig of niets af van vrouwelijkheid en al zeker niets van vrouwelijke psychologie. Waarschijnlijk heeft ze gelijk want mijn kennis komt hoofdzakelijk voort uit slechte (subjectieve) observaties of uit meningen die ik achteraf liever niet had gehad. Vrouw worden dus. Begin ik daaraan met een hoger stemmetje van mijn nieuwe identiteit? Dat typische stemmetje dat altijd op zoek is naar bevestiging want daar heb ik ervaring mee?  Of doe ik dat met waggelende botox-billen die iets te nadrukkelijk naar achter willen geduwd worden zodat ze ongevraagd aandacht krijgen zonder precies te weten waarvoor ze dat doen? Of moet ik gewoon mezelf en anderen overtuigen van dingen waar ik absoluut geen bal vanaf weet?  Dan pas zou ik aan mijn geslacht gaan twijfelen, of hoe we dat tegenwoordig ook noemen wanneer we onszelf een beetje kwijt zijn.

Helemaal onzeker zou ik worden als ik op voorhand al neen begin te schudden terwijl ik eigenlijk ja bedoel, maar mijn antwoord nog eerst een omweg moest maken langs drie onzekere gevoelens die elkaar niet kennen en elkaar niet vertrouwen. Misschien moet ik dit innerlijk gesprek vannacht in een droom verderzetten. Daar heeft niemand last van de dubbelzinnige lichaamstaal van de vrouw die ik niet ben en daar kan ik tenminste gewoon doen alsof. Overdag ben ik toch maar een verzameling tegenstrijdige gedachten die niet altijd even beleefd blijven. ’s Nachts zeg ik trouwens ook nooit ergens nee tegen.  Gun me dus maar de illusie dat dit het ultieme bewijs is dat ik me nooit als vrouw zal kunnen identificeren. Al is het ook goed mogelijk dat ik overdag gewoon een lafaard ben en ’s nachts een dromerige fantast.

Toch zie ik ’s morgens in de spiegel een lijf dat lang met de zwaartekracht onderhandeld heeft maar die onderhandeling aanging alsof het een slecht georganiseerde vakbond is. Maar zwaartekracht onderhandelt niet en spiegelglas liegt niet. Helaas. Beiden tonen me ronder wordende vormen en manborsten die niet meer fier vooruit staan en zelfs een klein beetje naar het zuiden neigen alsof ze beschaamd zijn voor hun verloren trots. Als ik echt heel hard mijn best doe, zie ik daar iets vrouwelijks in. Vooral paniek en overgave dan. Maar ook iets dat meegaand is maar door de uitdeining van het heelal lichtjes uit vorm is geraakt. Alleen ontbreekt me de drang om hiervoor hysterisch te beginnen wenen. Ik voel ook geen neiging om een personal trainer onder de arm te nemen die me aanspoort om in een morele oorlog tegen elke vetrol te vechten alsof het mijn maatschappelijke plicht is.  Een oorlog, tussen haakjes, die ik persoonlijk heb uitgevonden.  

Ik bekijk mezelf in de spiegel en de mannelijke alfa-ziel in mij haalt gerustgesteld en vastbesloten de schouders op. Dat doet hij vooral wanneer hij bang is.  Hij zegt zelfvoldaan, “een vrouw word ik niet. Nooit.” Ook al is hij wantrouwig, hij sust zich met de overtuiging dat hij wellicht nooit enige behoefte zal voelen om zich als vrouw te identificeren.

Sommige alfa-mannen die ongewild eigenaar zijn van een huizenhoog ego willen zich nu al identificeren met de geschiedenis, als man of als nieuwe vrouw, zolang ze maar als monument op een of andere grote markt worden neergezet. Als het kan in brons maar liefst in bladgoud.  Ikzelf zie het minder groot. Ik wil me gewoon identificeren als een andere man. Dat is op zich niet moeilijk want die bestaat al, zij het in gedachten. Hij staat ook voor de spiegel.  Hij staat rechterop, is minder uitgezakt en zijn blik is vastberaden, zonder agressie. Hij is slimmer, sterker en ook betrouwbaarder dan ik. Hij vindt altijd de juiste woorden en beter nog, hij weet wanneer hij ze moet inslikken. Hij is succesvol maar op een manier dat niemand er zenuwachtig van wordt. Ambitieus is hij ook maar dan zonder arrogant te zijn. Hij ziet er niet slecht uit maar dan op een nonchalante manier, alsof hij per abuis aantrekkelijk geworden is en zich daar zelfs een beetje voor schaamt. Ik ben het niet, maar ik identificeer me wel met hem.

Hij gaat achteloos door het leven, trekt zich niks aan van wat anderen over hem denken en volgt daarbij een pad dat alleen door hem is aangelegd al lijkt het soms verdacht veel op een goed uitgestippelde vluchtroute. Vrouwen, en ik overdrijf niet graag, maar vrouwen voelen onmiddellijk dat hier een man staat die weet wat hij wil. Hij hoeft hen niet uit te leggen waarom hij altijd een beetje meer ruimte inneemt. Hij weet precies wanneer hij aandacht moet geven maar ook perfect wanneer het licht moet gedimd worden.  Hij zwijgt op tijd want hij is niet bang dat zijn stilte iets over hem zal verraden. Gevoelige vrouwen die zich zelfverklaard zacht wanen maar ook licht chaotisch en structureel besluiteloos zijn, worden als vanzelf naar hem toegezogen.  Ze giechelen met zijn moppen, zelfs met diegene die hij nog nooit op anderen heeft uitgeprobeerd. Met die man identificeer ik me. Al heel mijn leven lang, want hij leeft het leven dat ik alleen in theorie helemaal beheers.

’s Nachts wordt het helemaal angstaanjagend realistisch want in mijn dromen ben ik hem al. Daar kan ik hem overtuigend nadoen. Helemaal. Compleet. Dan spreek ik vloeiend minstens zes talen, handel altijd beheerst en wek daarbij bewondering zonder dat ik het zelf opmerk. En juist dat feit, dat niemand anders het opmerkt, maakt het zo geloofwaardig. Dit is de man die ik diep van binnen ben, de man met wie ik me identificeer. Het is de man die mijn angst ontworpen heeft zodat ik nooit meer hoef te testen of ik hem werkelijk ben. Met hem zou ik trouwen mocht ik me toch ooit laten verleiden om een vrouw te worden.

En nu ga ik in transitie. Niet naar een vrouw maar naar een versie van mezelf die ik waarschijnlijk niet wil zijn, maar van wie mijn spiegel voorlopig nog gelooft dat ik hem kan worden.

Een elastiek rond een piemel of waarom hetero’s beter wel het woord ‘partner’ zouden gebruiken

Ik moest even gaan zitten. Eerst dacht ik dat ik een script van ‘de ideale wereld’ aan het lezen was. Niks daarvan het was ‘De Standaard’. Een hoogleraar taalkunde van de universiteit van Leuven stelt voor dat hetero’s vanaf nu massaal het woord “partner” gaan gebruiken wanneer ze “hun lief” bedoelen.  Dan kunnen LGBTIQ-mensen hun identiteit beter verdoezelen. Serieus? Ja serieus!

Als ik Dorien Van de Mierop mag geloven, zij is de hoogleraar in kwestie, is “partner”, voor LGBTIQ-mensen een nieuwe geheime code. Een soort morse-taal die impliceert, “ik ben superqueer, maar zeg aub niet luidop dat ik maar pas in transitie ben.” Fascinerend allemaal.

Nog fascinerender, dat de prof in kwestie ervan uitgaat dat het mij maar iets kan schelen hoe mensen zich identificeren en tot welke sociologische subgroep hun lief, excuseer, “hun partner” behoort” en hoe dat kan gemaskeerd worden.

Wees dus welkom in het absurde universum van de taalwetenschap en van de nog absurdere prof die er haar stokpaardje of haar hobbelpaardje van maakte.  Als we haar laten doen, krijgen woorden straks buiten een betekenis er ook gratis en voor niks een sociaal-seksuele camouflagestick bij, om te verdoezelen wat ze allemaal kunnen impliceren.

Voortaan zal elke lgbt, lhbti, lgbtq, lhbtqia, elke plus, elke min, elke x, y, z en bij uitbreiding uw schoonmoeder uit Boemerskonten het woord “partner” moeten gebruiken. Enkel op die manier zullen alle negatieve, sociale signalen verdwijnen en wordt dat woord eindelijk “neutraal”. Want zo simpel werkt taal in de taalkanselarij natuurlijk. Alsof woorden ineens uit zichzelf beginnen te evolueren en dat sociale betekenissen ervan vanzelf verdwijnen of er op een wonderbaarlijke, grillige manier bijkomen. Taal als laboratoriumexperiment dus, maar waarom hebben ze dat dan niet eerst op ratten uitgetest?

Dit is een schoolvoorbeeld, excuseer, een universiteitsvoorbeeld van overcompensatie van een specifieke doelgroep die zo ver gaat dat de term inclusie zelf ondergesneeuwd raakt door al dat academisch gezwets. Alsof “partner” ineens de magische sleutel wordt die de wereld warm, begripvol en inclusief zal maken, terwijl taal gewoon al moeilijk, complex, grillig is en dikwijls genoeg een onoverzichtelijke puinhoop geworden is.

Zeg gerust je “partner” als je dat plezant vindt. Maar heb alstublieft niet de overmoedige illusie dat je daarmee de wereld beter zal maken of dat je een geheime code hebt ontdekt die LGBTIQ-mensen een “veilig gevoel” zal geven. Alleen een condoom kan dat, maar taal is geen rekbaar elastiek die je rond een piemel schuift. Soms is taal gewoon iets waar mensen mee praten zodat anderen verstaan wat je bedoelt, en niet om zelf gecreëerde sociale signalen mee te manipuleren, te voeden of te verdoezelen.

Eerst moest de LGBTIQ-gemeenschap overal zendtijd krijgen, zichtbaar zijn, benoemd worden, liefst met hoofdletters, vlaggen en wimpels en met punten en komma’s. Want iedereen moest weten wie ze waren. En nu? Nu willen ze opnieuw opgeslokt worden in de grote, brede, exclusieve, betekenisloze “partner-gemeenschap” zodat ze onherkenbaar zijn. Begrijp jij het nog, of ligt het aan mij?

Kan het niet allemaal een klein beetje bescheidener? Want elke keer als straks in Gent of Antwerpen iemand het woord “partner” zegt alsof het een nieuw ineen-geknutseld-inclusie-instrument is, zal ik zeggen, “da gaade gij nie bepaale!”.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.

Zeg, moette nu eens iets weten?

Het is een doordeweekse maandagavond van dertien in een dozijn. Zoals gewoonlijk op een avond als deze, hang ik languit in de zetel, zitten kun je dat bezwaarlijk noemen.  Ik ben volledig in camouflage-uitrusting.  Korte broek, kousen met gaten, een halve zak chips, en met een vaag plan om straks misschien nog iets nuttigs te doen. Mijn vrouw, druk in de weer met de was en de strijk. De tv is behangpapier en speelt iets wat me zoals gebruikelijk, geen bal interesseert. Eindelijk. Rust

Elke man weet het.  Want elk vredesverdrag is broos en elke stilzwijgende overeenkomst is gedoemd om ooit verbroken te worden. Vanachter de strijkplank klinken dan ook plots de gevleugelde woorden. “Zeg, moette nu eens iets weten?”

Elke man die zich in mijn situatie bevindt, weet instinctief wat die vraag inhoudt. Die ene zin doet, bij elke man die ooit voet zette in het gezinsleven, haren omhoogrijzen en het bloed stollen. Want het is niet zomaar een vraag. Het is een aankondigingsalarm van een monoloog van minstens een kwartier. Een tirade zonder climax, vol onnavolgbare emotionele diepgang en minstens vier vrouwelijke personages, waarvan drie dezelfde voornaam hebben. De lucht kleurt zwart, de barometer zakt, en ergens ver weg hoor ik een tweede donder. “Zeg Janneke, moette nu eens iets weten?”

Ik veer rechtop. Waarom er opeens een zwarte kat van mijn schoot springt weet niemand, want wij hebben niet eens een kat. Ik wijt het aan het overlevingsinstinct van dat ingebeelde zwarte beest dat op het punt staat zijn negende leven te verliezen, en aan mijn verbeeldingskracht.


Ze begint te vertellen.

Het gaat over iemand van haar werk, laat me haar gemakshalve X noemen.  Ook al heb ik haar naam al minstens dertig keer gehoord, ik durf in deze fase van het “gesprek” niet toegeven dat ik dat telkens vergeet. Blijkbaar had X iets gezegd over Y tegen Z. Y vond daar iets van. Z had het gehoord en het tegen W gezegd. En toen… enfin, je kent dat wel.

Een vrouwelijk verhaal is nooit zomaar een verhaal. Het is een soort van nieuw sociaal universum, compleet met hoofd- en bijrollen, flashbacks en vol met onduidelijke relaties en verborgen morele lessen die niemand begrijpt. Ik hoor namen, gevoelens, omstandigheden. Ik kan al lang niet meer volgen, laat staan onderscheiden wie het slachtoffer is en wie de dader, maar ik blijf dapper knikken, en doen alsof ik luister maar mentaal praat ze tegen een blinde muur. Af en toe gooi ik er een “hmm” of “amai, echt” tussen, puur als hartslagcontrole en om te checken of ik nog adem.

Na ongeveer twaalf minuten begin ik te zweten. Niet van emotie, maar van pure schrik, want ik weet wat eraan zit te komen. Ze gaat het zeggen. Ze gaat het vragen. Die ene vraag die elke man tot wanhoop kan drijven. Mijn maag trekt samen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

“Zeg. Wat denkt gij daar eigenlijk van?”


Inmiddels zit de ingebeelde kat met een staart zo dik als een tochthond helemaal in elkaar gedoken onder de zetel, instinctief, alsof ze voelt, ’t is hier gebakken met da schrijverke. Ik krimp ook ineen.

Mijn hoofd zit vol scenario’s. Wat kan ik zeggen? Als ik zeg “ik snap het”, peist ze dat ik haar niet begrijp. Als ik zeg “ge hebt gelijk”, denkt ze dat ik geen mening heb. Als ik zeg “amai, ook ni gemakkelijk”, peist ze dat ik me er zomaar vanaf wil maken. En als ik zeg “ik weet het niet, denkt ze dat ik het wel weet maar het niet zeg omdat ze denkt dat ik haar verdenk dat ze van mij denkt dat ik een betweter ben.

“Maar allez serieus… wat denkt gij daar nu van?”

Mijn brein slaat tilt. Paniek kruipt in mijn maag, mijn hartslag gaat crescendo en koud zweet staat in de spleet die de linkerhelft van mijn gat onderscheid van de rechterhelft. De ingebeelde kat kijkt ondertussen toe vanop veilige afstand onder de zetel en denkt, “gelukkig, ik heb negen levens.  Da schrijverke heeft er maar één”.

Net op het laatste nippertje vooraleer de hemel wordt opengereten, herinner ik me de heilige zin.  Die ene zin die alle mannen van generatie op generatie ooit fluisterend aan elkaar hebben doorgegeven. Ofwel op café, tussen twee pinten in, ofwel na een eerste huwelijkscrisis. Ze delen hem met elkaar en blijven het doen met hetzelfde respect dat anderen voor geloof en religie hebben.

“Neen, je overdrijft niet. X had dat niet mogen zeggen en Y had er niet zo emotioneel op mogen reageren. Ik denk dat je gelijk hebt.” Ik zeg het kalm, beheerst en zonder een enkele zenuwtic of vorm van emotie.

Ze kijkt me doordringend aan, één seconde… Twee seconden… Drie seconden.  Dan knikt ze voorzichtig instemmend, “Voila. Dat dacht ik dus ook”, terwijl ze haar ogen op spleten trekt.

Ik heb het gehaald. Ik heb geluisterd. Of heb op z’n minst iets gezegd dat klinkt alsof ik geluisterd heb. De ingebeelde kat die haar schuilplaats verlaten heeft, begint gelukzalig te spinnen en ik zak opnieuw rustig achterover in mijn zetel met een hartslag die langzaam daalt en een bilnaad die opdroogt.

Het is voorbij. Tot ze zegt, “Nu ik erover nadenk. Wa bedoelde gij daar eigenlijk mee? Waarover heb ik gelijk?”

De ingebeelde zwarte kat springt uit het raam.
En ik? Ik overweeg ernstig om erachter te springen!

Onderbroekjungle, mijn natuurmonument onder de gordel

Eens was er een tijd dat de mens nog een bos droeg in z’n onderbroek. Van kale kinderspeelplaatsen was geen sprake.  Iedereen, man én vrouw, was voorzien van een zompige, zwoele onderwereld waarin je niet zonder kompas afdaalde.  Onder die Bermudadriehoek heerste een broeierig microklimaat, een geurig habitat waaronder verlangen verborgen zat als warme, zwoele vochtigheid die zich ophoopte zoals mist boven een regenwoud.

In die dichte, vochtige jungle van wellust stonden stengels en sprieten fier overeind, altijd in volle groei, altijd omhoog met volle goesting. Het schaamgewas, een levend tapijt op zich, huisvestte een compleet ecosysteem. Alles wat zich tussen de benen bevond stond op zichzelf, zelfregulerend, zelfreinigend en zelfbewust, als een harig heiligdom. En dat hebben we kaalgeschoren, uit vrije wil. Alsof je het Amazonewoud kapt voor een parkeerplek.

Bij mannen stond het daar allemaal gewoon, als bos boven de ballen, waarin zweet kon blijven hangen als eerbetoon aan labeur. Je rook nog wie hij was, de man. Geen sprake van kaalgeschoren kinderzakjes, vuurrood van irritatie, neen gewoon een warme, mannelijke geurige pels, als donzig matje van de lust.

En vrouwen, ver voor de revolutie van de kale gleuf, toen de onderkant er nog niet uitzag als een vers geschaafde courgette, was er geen sprake van klinisch gladgetrokken sneetjes.  Toen was de kut een stevige vulva met een kapsel als een langharig tapijt, waarin je kon verdwalen zonder erover uit te schuiven. Met heimwee kijk ik terug op dat fluwelen konijnenhol met een deurmat, op die poes met persoonlijkheid. Ok, om er te geraken moest je zoeken. Je moest ploegen en ploeteren en je overgeven aan je oerinstinct. Seks was toen nog een expeditie, geen bezoek aan een gesteriliseerde operatiekamer waarin je steriel binnenkomt, zonder karakter, zonder chaos, alles strak, leeg, geurloos en zonder een sprietje avontuur.

In één generatie gingen we van een zompige jungle naar een chirurgisch, steriele operatiezaal. Alles moest weg, zelfs de stoppel kreeg geen kans. En sindsdien is de fun eraf. Want onmiddellijk, zonder avontuurlijke natuurwandeling en zonder harige wegwijzer, sta je oog in oog met die gladde betonvloer, zo kil, kaal en zo leeg dat je zou zweren dat er nooit een bos heeft gestaan. En zeg nu zelf, eenmaal dat de krochten van het bestaan zijn glad gestreken, hou je toch alleen maar een lege, tochtige doos over waarbij seks een gevecht wordt tussen twee naaktslakken.

Ooit had de schaamstreek iets menselijks, iets dierlijks en zelfs etymologisch klopte het. Haar stond voor mysterie, voor volwassenheid, voor iets dat je verborg en er niet te koop meeliep. Een beetje schaamte dus! Maar met iedere scheerbeurt, met elke strip wax die van een kruis wordt gerukt alsof het mysterie er zelf aanhangt, nemen we iets fundamenteels weg. En, Alles moest weg. Want alles moest glad. Strak. Netjes. Steriel. We doen het telkens opnieuw alsof onze schaamstreek auditie moet doen voor één of andere chique design keuken catalogus.

En wat krijg je ervoor in de plaats? Juist! Rode scheerbrand, etterende boebelen, ingegroeide haartjes maar wel op een dansvloer zo glad dat een Dyson-stofzuiger er jaloers van wordt.

Wat met de biodiversiteit? Hele ecosystemen, voor altijd verdwenen! De schuchtere piemel panda, de onzichtbare vaginale flapper vleermuis en de nachtelijke bilnaadbever, allemaal uitgeroeid zonder pardon. Miljoenen jaren evolutie, onherroepelijk weggebrand met een laserpistool.

Dus nee, wereld. We zijn er niet op vooruitgegaan. We verlieten massaal de vochtige jungle en zijn de kale, tochtige woestijn van de gladde schaamteloosheid binnengestapt.  We hebben onze harige identiteit gewaxed tot er geen spriet meer rechtstond.

Mijn schaamstreek roept dan ook vandaag deze revolutionaire gil aan de mensheid. Laat het maar groeien. Laat de snor van je schaamstreek staan en draai er desnoods koppige krullen in.

Mocht iemand bezwaar hebben, weet dan. Mijn kruis is geen gemeentepark dat om de twee weken moet kaal getrokken worden. Mijn onderbroek is geen golfbaan. Het is een reservaat. Een wildpark. Een natuurmonument en het is er niet verboden om het gazon te betreden!

Zeker nu niet, terwijl de maatschappij druk in de weer is met haar jaarlijkse gazonfetisj en daarvoor in de plaats in stilte haar eigen identiteit wegscheert.

Maai mij dus niet. Niet in mei en niet in juni. Niet voor een date en niet voor mijn zwembroek.
Zelfs niet eens voor de sauna. Want, wie zaait, zal oogsten, maar wie dorst en maait, zal kaal en koud eindigen. In een wereld zonder mysterie. Dus bewaar het woud en bescherm je pelouze alsof het je eigen gazon is!

Boterhammen met kaas

Ik sta al een kwartier naar mijn telefoon te staren. Ik weet precies wat er gaat gebeuren, maar tegen beter weten in doe ik het toch. Ik bel.

De telefoon gaat over, één keer, twee keer. Op de vierde keer drink ik een halve liter water, alsof ik mezelf eerst helemaal moet hydrateren voor dit gesprek.

Ik heb geluk, ze neemt op en het gesprek begint zoals elke dag met een simpele vraag: “Wat eten we straks?” Op zich niet direct de meest existentiële vraag ter wereld, ook geen filosofische zoektocht naar de waarheid of naar de omvang van het universum. Het is gewoon een simpele vraag die, in een normale samenleving onder mannen, een rechtlijnig, duidelijk antwoord krijgt.

Op alles ben ik voorbereid: op pasta, op rijst, op patatten… op sla met lange tanden. In het slechtste geval ben ik zelfs bereid om een doodgewone boterham met kaas te eten. Ik ben namelijk de moeilijkste niet.

Ik hoor haar diep ademhalen alvorens ze zegt: “Ik heb vanmiddag spaghetti gegeten.”

Wat moet ik in godsnaam met deze informatie? Dit is gewoon een los statement, een feit, een nutteloze historische voetnoot in het leven van mijn vrouw, waar ik niet wijzer van word. Ze heeft vanmiddag spaghetti gegeten, en dan? Is dit antwoord een herinnering dat we afgesproken hadden om pizza te eten? Is het een waarschuwing of een aankondiging dat de voorraad spaghetti in de Colruyt is opgebruikt? Misschien een filosofische oefening die ze wel vaker met me doet omdat ze denkt dat ik jong-dement aan het worden ben? Moet ik uit haar antwoord iets leren? Zit er misschien een verborgen boodschap in?

“Dus… we eten spaghetti,” vraag ik met de voorzichtigheid van een archeoloog die net een nieuwe archeologische site heeft ontdekt.

“Nee,” en ze laat dat antwoord klinken alsof ik de grootste domme kloot ben van het westelijk halfrond. En daarmee voel ik me ineens zoals die man uit de film Jumanji die in huis per ongeluk een geheime deur ontdekt waarachter alle realiteit en redelijkheid oplost.

“Okee… Maar wat eten we dan wel?” probeer ik nog voorzichtiger.

“Ik weet het nog niet.” (stilte)

Meer heb ik niet nodig om helemaal opgeslokt te worden door het zwarte gat van onze communicatie. De grote nihilistische klap in mijn gezicht betekent het einde van mijn zoektocht. Er komt nooit een antwoord. Het is duidelijk, vandaag blijft het universum koud en onverschillig.

Een simpele vraag, mijn ene arme, onschuldige, simpele vraag heeft het niet overleefd. Ze implodeerde en werd verpletterd om nadien helemaal opgezogen te worden door het ondoorgrondelijke mysterie van de dingen, ook wel ‘conversaties met mijn vrouw’ genoemd.

Ik slik en vraag: “Hoe laat ben je ongeveer thuis?”

“Ik ben nog in een call…” (stilte)

Ik haak op. 56 ben ik ondertussen. Dit spel speelt zich al jaren af. Je zou denken dat ik na al die jaren de codes ondertussen wel gekraakt heb, maar nee, ik word nog steeds met open ogen in de val gelokt. Ergens in de verte hoor ik een zucht van verbazing, van het universum.

Volgende keer geef ik haar van hetzelfde laken een broek. Als ze me woensdag vraagt of ik de vuilniszakken heb buitengezet, zal ik haar diep in de ogen kijken en zeggen dat het lichtje van de ijskast niet brandt als de deur dicht is. Alleen is de kans groot dat ze gewoon met haar ogen knippert en vraagt hoe het komt dat het spoelmiddel voor de vaat op is en of ik morgen bloemkool wil.

In communicatie met mijn vrouw ben ik de amateur. Ik kan deze mindfuck nooit winnen. Maar ik zal blijven spelen, tot de dood ons scheidt.

Trouwens, ik eet graag boterhammen met kaas, dus wat is het probleem?

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

Jupilerman

Vandaag is een dag waarop ze me kunnen wijsmaken wat ze willen. Bijvoorbeeld dat liefde in een doos pralines zit of schuimt in een glas champagne.  Dat passie spant in een veel te duur lingeriesetje dat na vijf minuten op de grond ligt of erger nooit aangetrokken wordt omdat ik de maat van dat kanten niemendalletje niet wist.

Ze verwacht niks, want ze vindt het allemaal maar platte commerce. En net dat maakt het verraderlijk. Als ze iets verwachtte, kon ik het zo laten maar nu gaapt er een vacuüm, een zwart gat van stilzwijgende hoop dat ik moet vullen en waar al mijn mannelijkheid in verdwijnt. Vandaag moet het met oesters, rozenblaadjes, kaarslicht, een ritueel en een bankkaart.

Ik ken ze hoor, de mannen die aan dit circus ontsnappen. Ze blijven onbewogen bij dit commercieel gelul. Het zijn mijn idolen want ze laten zich niet meeslepen door hormonale wervelstormen of schreeuwende marketing. Zij zitten morgen in hun marcelleke, met hun voeten op de salontafel, een Jupiler in de hand te staren naar een scherm alsof dat de enige liefde is die er echt toe doet.

Ergens ben ik stront jaloers. Ik denk dat vervloekt ben want ik ben geboren met een ziekte die romantiek heet, een aandoening die me dwingt tot gedempt licht en dure zoetigheid in de hoop dat het in godsnaam ooit iets oplevert. Dat zij, als ze de chocolade smaakt, niet alleen de chocolat proeft, maar ook mij. Dat als ze haar glas heft, ook toost op mij. Dat als ze haar lingeriesetje uitpakt, ze niet alleen aan haar eigen lijf denkt, maar ook aan mijne.

Het is toch allemaal een grote leugen? Al die kostelijke attributen die ons nog eens vel tegen vel moeten krijgen, terwijl het gewoon een jaarlijkse realitycheck is waarin het pijnlijk duidelijk wordt dat we geen idee meer hebben hoe we liefde kunnen voelen zonder dat iemand ons vertelt hoe die er dan moet uit zien of hoe duur ze moet zijn.

De ironie is dat ik het weet. Ik zie de marketingmachine, de illusie en de absurde commedia dell’arte en toch speel ik mee. Omdat niets doen nog erger is. Omdat een vrouw die niks verwacht nog gevaarlijker is dan een vrouw die op rozen rekent. En omdat ik de hoop niet opgeef dat jupilerman verkeerd zit en dat liefde, ook al is het maar een beetje, nog te koop is.

Eenogige monster, het zal je dag maar zijn

Facebook lijkt vandaag eerder op een slappe waslijn dan op een sociaal netwerk. Ik lees geen ‘lullige’ berichten, zie geen ‘keiharde’ uitspraken. Ik speur naar gedachten, ‘stijf als een plank’ maar vind er geen.  Het lijkt wel alsof de hele wereld collectief besloten heeft om de ‘Dag van de Erectie’ te begroeten met een heel ‘slap handje’ of met een ‘vluchtig vuistje’, terwijl je toch zou vermoeden dat iedereen vandaag zou struikelen over ‘keiharde’ grappen en zacht uitgesproken ‘stijve’ woorden, maar niks van dat hoor, nada!

Is het misschien omdat mannen vandaag geen erotische gedachten of dromen meer mogen koesteren, of nemen zij gewoon een beetje rust voor de storm van morgen? Morgen is het namelijk Internationale Vrouwendag en die belooft dan weer wel om als een tornado van feministisch-vrouw-vriendelijkheid over ons heen te razen!

Laat me mijn ‘staalharde’ grappen dan maar opsparen voor morgen. Tegen dan is mijn potlood geslepen, en ben ik helemaal voorbereid voor een spervuur van vrouwvriendelijke humor. Want laat me eerlijk zijn, vrouwen mogen ook in de spotlights. Ze verdienen namelijk evenveel aandacht voor hun internationale feestdag als mannen voor die van hen. Gelijke grappen voor gelijke dagen, dat staat als een ‘paal’ boven water, toch?

Morgen dus, en ja ik kan nog wel een dagje wachten. Dan hijs ik een witte vlag in mijn ‘mast’ en vieren we samen mijn ‘opgerichte trots’ die ervoor zal zorgen dat elke vrouw dezelfde ‘rechtopstaande aandacht’ zal krijgen die wij vandaag ‘hard’ verdienen maar niet ontvangen. Wie durft nog te beweren dat ik niet vrouwvriendelijk kan zijn?

Morgen trek ik humor uit de kast. Bereid je dus maar voor op een reeks vrouwvriendelijke jokes die ‘hard’ in het kruis zullen treffen en nog ‘harder’ zullen binnenkomen dan de ‘stijve’ wind die vandaag door onze mannelijke onderbroeken blaast.

Beloofd is beloofd, morgen dus. Dan zal ik Facebook even hard laten sidderen onder de kracht en het toeziende oog van mijn ‘rechtopstaand’, eenogig monster omdat hij vandaag zo ‘hard’ genegeerd werd.

Aan naakte lijven geen gebrek

Ik drijf op mijn rug in het koude water. Gedachten dobberen mee. Doorheen de spoeling van het frisse water hoor ik zachtjes het geluid van een zucht. Is het een zucht van tevredenheid of is het een hunkering van een dieper, onuitgesproken verlangen? Of is het iets anders? Ben ik het zelf? Even leek het alsof de Alpen zelf onhoorbaar fluisterden. En ik, verborgen in mijn gedachten kan niet anders doen dan aandachtig luisteren naar hun mysterieuze, verborgen boodschap.

De spa-gasten om me heen hebben helemaal geen aandacht voor mij en nog minder voor mijn naakte, uitgezakte lijf. Ze lijken zich ook niet te storen aan mijn wegdrijvende gedachten. Hun langzaam uitdijende lijven zijn ook uitgezakt, sommige zelfs nog dieper dan dat van mij. Mij stoort het niet.  Hen lijkt het ook niet te deren. Zij genieten gewoon van de warmte, de rust en mogelijks van elkaars gezelschap.

Saunadampen stijgen op uit het koude water. Te midden van deze hedonistische enclave probeer ik te ontspannen. Het geluid van het ruisende water vult mijn oren, en ik sluit mijn ogen, weg van de wereld en zijn eindeloze stroom verplichtingen.

De tijd vertraagt voelbaar, en willoos dwalen mijn gedachten af naar rustigere wegen.

In deze ijle lucht van de Alpen, omringd door besneeuwde bergtoppen en serene stilte, zit ik te midden van naakte lichamen die ook proberen te ontsnappen aan hun dagelijkse drukte. Elke gast geeft zichzelf in meer dan één opzicht bloot. Spreken hoeven ze daarvoor niet te doen.  Terwijl mijn blik over de sneeuwwitte landschappen dwaalt, laat ik mijn gedachten mee verdwalen. Ze zijn vele malen sterker dan mijn weerstand om me ertegen te verzetten. Willoos laat ik me meevoeren in de absurde complexiteit van naakte lijven en in de onzin van Valentijn.

Valentijnsdag, de dag van rozen, hartjes en chocolade, lijkt hier ver weg. Toch, zelfs in deze afgelegen oase van rust kan ik de absurde gedachten mijn geest niet doen verlaten. Terwijl ik de omgeving in me opneem, kijk ik naar beschaamde, naakte lijven die, net als ik, proberen te ontsnappen aan de waan van de gewone dagen.

In de ogen van de spa-gasten zie ik een mix van diepe ontspanning en van nog diepere reflectie, alsof ze zich ook afvragen of de liefde werkelijk zo ingewikkeld moet zijn en of Valentijnsdag daar een antwoord op heeft.

Mogelijks vragen de vrouwelijke gasten zich af, of hun lijf nog in dat niets verhullende rode, kanten korset past dat vorig jaar al benepen zat. Weten zij veel dat rode niemendalletjes waarin ze er voordeliger trachten uit te zien, hun lieftallige mannen geen bal kan schelen. Zij blijven immers altijd doelgericht, zelfs zonder rode lapjes stof die in hun ogen maar één doel hebben, ‘interessante essentie verbergen of ze er interessanter laten uitzien’. Ik kan een glimlach maar moeilijk onderdrukken temeer omdat die uitgezakte mannenlijven veel beter een rood lapje stof zouden kunnen verdragen om er de ongenadige onvolmaaktheden van de natuur mee te camoufleren.

Misschien is Valentijn in een sauna wel net zo bizar als dit verhaal.

De beschaamde naakte lijven hebben allemaal een eigen verhaal dat ze door de band genomen verborgen houden. Nu lijken ze elk in een eigen strijd verwikkeld, met de liefde, met betekenis of met een vetrolletje dat in de weg zit. Misschien, kom ik er te midden van deze rust achter dat liefde, Valentijn, naakte lijven, net als de Alpen, iets is dat ik nooit volledig zal begrijpen.

Ik kan het maar proberen, ik heb nog 4 dagen, aan naakte lijven en bergen geen gebrek.

Spreek voordat ik helemaal stil word

Een koude, onheilspellende stilte heeft zich tussen ons vastgezet als een donkere winternacht zonder sterren. De dag sleept zich voort, als een monotone aaneenschakeling van zinloze momenten die nergens naartoe leiden. ‘Wanhoop fluistert in de stilte’, zegt men. Het lijkt wel een onhoorbare schreeuw.

Als een blinde tast ik in het duister, met handen voor me uit, paniekerig zoekend naar betekenis in een steeds kleiner wordende wereld die alleen nog lijkt te zwijgen. Alles en iedereen zwijgt of spreekt een taal die ik niet meer begrijp.

Twijfels sluiten zich als een wurgende greep rond mijn geest waarin het akelig gefluister weerklinkt van mensen die met belangrijke dingen lijken bezig te zijn.  Ik ben niet zeker of ze me achtervolgen, of ze iets van mij verwachten. Opgejaagd in dit doolhof van twijfels, zoek ik vergeefs naar een uitweg. Ik vind hem niet.

Stilte is een kille gevangenis die onuitgesproken verlangens en verborgen angsten versterkt. Vertel dus maar wat je wil. Praat met mij en doe het met aandacht. Puzzel je gedachten door elkaar en breng ze in beweging maar zeg me niet steeds wat ik moet doen. Bekijk de ongemakkelijke waarheid en vertel over jezelf.  Verklap je dromen, zelfs al heb je er maar één. Waaraan denk je? Vertel het me als je durft. Voor het te laat is.

Geef me een keuze en geef jezelf een kans om te praten. Doe het voor je weggaat.  Zeg wat je wil. Doe het want al wat je verzwijgt heeft geen schijn van kans.  Een droom die alleen maar een droom blijft is een leugen. Dus, spreek en zeg wat je te zeggen hebt, zonder me te sparen. Geen gemakkelijke deal, geen misplaatste (on)schuld.

Maar, gijzel me niet met jou stilzwijgen. Neem me helemaal. Doe het niet half of alleen met de stukken die bij je passen, of laat me los. Het niemandsland dat onuitgesproken dromen onderdrukt en de dunnen grenzen tussen haat, liefde en onverschilligheid bepaalt is een hele griezelige plek.

Woorden die alles vertellen bestaan niet, toch kunnen zij alleen de barrières doorbreken die de stilte heeft opgetrokken. Ze geven betekenis aan momenten die anders voor altijd verloren zouden gaan.  Dus, doe maar. Gebruik de woorden die je hebt, ook al passen ze niet en zitten ze vol schaamte, verontschuldigingen of verwijten en puilen ze uit met (on)schuld of paniek.

Praat met mij vooraleer ik ook helemaal stil word!

Wijsheid en ervaring geruild voor liefde

Januari schemert vaag en kleurt grijs en grauw.  Gedachten dolen door doodlopende gangen van de tijd als een verdwaalde reiziger in een onherbergzame stad. Ik slenter doorheen ondergesneeuwde straten. Ze zijn allemaal doordrenkt met herinneringen. In die uithoeken van smalle steegjes liggen oude bekenden op de loer. Af en toe treden ze naar voren om hun ware gelaat te tonen, een keer als anonieme getuige van de liefde, dan weer als deelgenoot van een gemiste kans of met een gezicht van zwakte of kwetsbaarheid.

De grijze lucht weerspiegelt mijn innerlijke wereld en de melancholie die zich in mijn ziel nestelt. Januari schrijdt langzaam voort alsof ze koppig plaats weigert te maken voor een nieuwe maand. Korte dagen leggen een zacht deken over mijn gedachten en over de schaduwen van het verleden. De donkere plekken vermengen zich met stille echo’s van ongekende vooruitzichten. Dagen als deze, waarin gepieker me dwingt om niets te doen worden paradoxaal genoeg dagen waarop ik het actiefste lijk. Ik ben moe maar al mijn zintuigen staan op scherp.

Doorheen donkere stegen dwalen mijn gedachten af. Ze leiden me naar gevaarlijk ogende plaatsen. Op een muur lees ik, “Wat is liefde?”  Is het de eenzaamheid van de ene die de onzekerheid van de andere in standhoudt? Is er plaats voor verlangen, als die alleen maar kortstondig in de golven van de oceaan kan schuilen zonder er een definitieve verblijfplaats in te vinden? De liefde blijft ongrijpbaar en vluchtig als kwikzilver. Of is het toch een virus dat zich in fasen ontwikkelt om te eindigen in een ramp?

Liefde begint vaak als een angstige zoektocht naar het onvindbare, zoals zoeken naar land in de mist van de zee met een kustlijn die onzichtbaar blijft voor het blote oog. De angst om de ware liefde niet te vinden wordt een vrees dat het echte leven verbergt.

Eens de liefde heeft toegeslagen, wordt die vrees een constante dreiging. Een paniekaanval om diegene te verliezen die je gevonden hebt. Je loop het risico om een stuurloos schip te worden dat zich te midden in die oceaan bevindt met een kompas dat alle richtingen tegelijk aangeeft.

In de laatste fase van liefde, wanneer gloed en passie vervagen, of de andere verdwenen is resteert slechts leegte, met een nihilisme zo diep als een oceaan waarin zelfs een ziel kan verdwijnen. Alles-beloofde liefde is dan slechts een verzameling van mooie momenten die zich net afgespeeld hebben voor de ramp. Het schip is gezonken. Zij klampt zich vast aan een stuk drijfhout, hij zinkt naar de bodem van de oceaan.

Mijn leven, een roman geschreven in de taal van de liefde is een dik boek met pagina’s vol vreugde en plezier, verdriet, verwarring en verlies. Gemis en gemijmer zijn de pasmunt die ik betaal voor de wijsheid die ik vergaar en die zich blijft ontvouwen in de chaos van het onbekende.

Liefde kent uiteindelijk nooit een happy-ending maar het is wel het enige dat het leven zijn betekenis en glans geeft. Wijsheid door ervaring, in ruil voor liefde!

Vandaag is het blauwe maandag, de enige dag van het jaar dus waarop deprimerende gedachten als deze een vrije uitloop mogen krijgen. Gelukkig is het maar blauwe maandag!

Kerstmis anno jaar nul

>Ja Jef wat nu weer?

< Kan die kleine echt niet van mij zijn?

> Neen Jef, hoeveel keer nog. Wanneer zou dat dan moeten gebeurd zijn? Gij waart dag in dag uit met die stomme meubelen bezig, en nu moet dat manneke, ocheere, nog tussen ’t strooisel in een trog slapen.

< … Ook niet van die ene keer, in Herodus zijn stal? Weet ge ’t nog?

> Nee Jef, van dan ook niet. Want toen uw klokken gingen luidden, moest gij rap-rap de kerk uit omdat ge geen propere varkensblaas bij had. Trouwens gij waart de schuldige van die plekken op mijnen onderrok. Ze zijn er begot nog niet uit!

< Dus den Heilige Geest heeft mij die horens gelapt terwijl ik ganser dagen die slaapkamer van ‘onze vader’ aan het maken was. Schoon voorbeeld voor de jeugd is dat!

Maar zeg, eens iets anders. Ik ken alleen iets van eik en beuk en van beitels en hamers. Van klein mannen weet ik niks, maar waarom heb je eigenlijk een taljoor op dat ventje zijn koppeke geplakt? Hij is dan wel niet uit mijn schrijnwerkersbroek geschud, maar ze gaan hem daar voorzekers mee uitlachen, peisde niet.

< Zeg Jef, niet beginnen he.  Het is voor mij ook niet gemakkelijk. Ik wou niet in positie zijn en ik wou al helemaal niet bevallen in een stal tussen een os en een ezel. Ik heb gans de nacht sterren gezien maar ik heb die taljoor niet op zijn koppeke geplakt. Daarbij dat is geen taljoor, dat is een aureool en die was er al, daardoor ben ik onderaan helemaal in tweeën gescheurd. En begot wat doen die drie verklede koningen hier. Ik kan geen broek verdragen en die zwarte is de hele tijd naar mijn kapotte foef aan ’t staren. En doe asjeblieft dat wierrookstokske uit, ik krijg daar migraineaanvallen van, daarbij da stinkt.

Kerstmis in het jaar nul was ook geen lachertje.

Respectabel. (Internationale Mannen Dag)

In een wereld waar het testosterongehalte sneller lijkt te smelten dan het ijs op de noordpool, bevind ik me in de schaduw van een man die zijn zelfvertrouwen zoekt in koffie, in de rook van sigaretten en in stille overpeinzingen van zijn eigen gedachten. Ze zorgen voor evenveel onbeantwoorde vragen als een puber die zich vragen stelt over het nut van schaamhaar en puisten. De rusteloze man voelt zich als een oude kater die ronddraaiend als een bezetene zijn eigen staart achtervolgt, hilarisch en frustrerend tegelijk maar ook een beetje zielig.

Het ontbijt is al moeilijk en de keuze lastig, yoghurt met vlokken en fruit of dubbele boterhammen met choco? De verkeerde keuze veroorzaakt al snel een schuldgevoel dat hem de rest van de dag doet navigeren door het mijnenveld van zijn ochtendhumeur. Alleen koffie wordt geschonken met dezelfde precisie, zekerheid en zelfvertrouwen van een barista die bonen omtovert in late of espresso.

Zijn mannelijke onzekerheid zijn wolken die nooit helemaal verdwijnen. Het maakt niet uit hoe vaak ik hem toefluister dat hij er voor zijn leeftijd nog respectabel uitziet. Hoe dikwijls ik zijn inlevingsvermogen prijs, zijn zelfvertrouwen blijft een lekke band die ik constant moet oppompen, alsof er een nageltje in de tube zit.

De slaapkamer, nog een intieme arena waarin zijn mannelijkheid op de proef wordt gesteld. Hij is gevuld met briesende stieren die onophoudelijk en trefzeker de rode lap van zijn twijfels blijven aanvallen. Het bed, de lakens als slagveld waarop hij zijn eigen twijfels en onzekerheden spreidt, terwijl de stieren wild blijven tekeergaan.

Als angst om afgewezen te worden te groot wordt, dwalen we samen af naar bruine cafés met donkere muren en morsige vloeren, naar dat verloren gewaand koninkrijk waar het gezelschap bestaat uit barkeepers en mannelijke zielen die er dezelfde dingen wegspoelen, ieder koning van zijn eigen rijk.

Later op de nacht, we staren samen naar het plafond. Ik vraag me af of ik ooit genoeg man zal zijn om de man naast me te genezen, of ooit mijn geduld en begrip groot genoeg zullen zijn om hem zijn innerlijke twijfels te laten overstijgen. Misschien moet ik zelf maar therapeut worden om hem te helen van zijn verwarde en gekneusde ego.

Morgen is het Internationale Mannen Dag, de enige dag van het jaar waarop mijn innerlijke mannelijke reisgezel ècht man mag zijn.  Tevens ook de enige dag van het jaar waarop hij zal worden gesust, gesoigneerd, gewiegd en onder de douche zal worden gewekt met een blow job.

Daarvoor ziet hij er, ondanks zijn leeftijd, nog respectabel genoeg uit!

Een liefdesbrief anno 2023

Veertig jaar geleden waren normen en verwachtingen rondom romantische relaties anders dan vandaag. ‘Ik vraag het aan’, ‘een onhandige kus’, ‘ongevaarlijk ‘tetteke-reus’ en ‘stiekem hopen op iets meer’, dat was het. De kans om meegesleurd te worden in #Me-too-horror was onbestaande.

Daten anno 2023 is ‘tricky business’. Om vandaag Me-too-safe te daten zal het er in mijn hoofd ongeveer zo aan toe gaan, toegegeven het zal wel aan mij liggen. Onderstaand briefje zou een liefdesverklaring kunnen zijn mocht ik vandaag 17 zijn en ik van de gas zou gepakt zijn.

Hoi,

Ik hoop dat dit briefje u in de beste staat van welzijn bereikt. Met het oog op de huidige complexiteit van daten en afspraakjes, voel ik de noodzaak om mijn bedoelingen op een respectvolle en duidelijke manier kenbaar te maken.

Ik ben geïnteresseerd in het verkennen van een romantische connectie met jou en zou graag de mogelijkheid willen onderzoeken of de kans bestaat om elkaar beter te leren kennen. In overeenstemming met de moderne maatschappelijke verwachtingen, hecht ik veel waarde aan wederzijdse toestemming en respect voor persoonlijke grenzen.

Met het allergrootste respect voor jouw waarden en grenzen benader ik je dan ook via deze weg met mijn nederig aanbod voor een diepgaande en intieme verbinding. Een connectie, gebaseerd op alle principes van wederzijdse toestemming en op het allerhoogste respect voor jouw persoonlijke autonomie.

Als kandidaat voor de rol van ‘Uw Geliefde’ ben ik me terdege bewust van het belang van al deze aspecten in de uitbouw van een mogelijk relatie. Ik heb de vurigste wens om een veilige en ondersteunende omgeving te creëren voor al onze intieme ontmoetingen, maar nooit of te nimmer zullen ze kunnen plaatsvinden zonder uw impliciete en niet mis te verstane instemming en toestemming.

Jouw persoonlijkheid, als ik je die mijn eerbied mag toewijzen, is voor mij als een zeldzame bloem die alleen kan bloeien onder de meest gunstige omstandigheden, in klamme, zachte potgrond. Je glimlach is als de zachtste streling van een zomerbries op een frisse avond, die de lente van mijn ziel doet ontwaken. Je aanwezigheid een kunstwerk, even oogverblindend, nederig als breekbaar in mijn nabijheid.

Mijn ontembaar verlangen naar een intieme connectie met jou is als een dans van twee zielen, synchroon, passioneel en harmonieus, zoals twee bedrijven die samensmelten voor een strategische fusie zoals in een relationele joint venture waarbij twee inspirerend emotionele krachten samenkomen om een ongeëvenaarde eenheid te creëren. Elk moment van ons samenzijn zal met de grootste egards worden gekoesterd, en elke stap die we zetten zal in overeenstemming zijn met jouw wensen en diepste verlangens.

In een wereld waarin consent en wederzijdse toestemming centraal staan, beloof ik plechtig om jouw wensen te respecteren en je grenzen te eerbiedigen. Onze intieme interacties zullen gebaseerd zijn op voorzichtigheid, op open communicatie, op wederzijds begrip en met een diep respect voor ieders persoonlijke autonomie.

Jouw comfort, hygiëne en welzijn zullen altijd mijn allerhoogste prioriteit zijn, en ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat jij ons eerste intiem moment zal ervaren als een symfonie van genot, in consent getekend met bloed en gebeiteld in steen, gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Je ‘misschien’ zal ik respectvol als ‘een neen’ interpreteren, en ‘je neen’ zal ik nooit of te nimmer als ‘een misschien’ aanzien.

Dank je wel voor de lezing van mijn aanzoek en voor jouw aandacht maar ook voor de overweging van mijn voorstel. Laten we samen proberen om een intieme relatie te creëren die dient als een toonbeeld van liefde en respect waarin we elke stap van onze reis in volledige harmonie en vertrouwen nemen. Onze liefde zal dienen als een voorbeeld voor anderen, als een lichtend baken van respect en liefdevolle toestemming in een wereld van intieme relaties en van wederzijdse toestemming, een relatie die ons beiden voldoening en vervulling zal schenken.

Met deze brief wil ik mijn intenties oprecht en transparant kenbaar maken. Indien jij ook interesse hebt in het verkennen van een romantische connectie, zou ik het op prijs stellen als we een formele overeenkomst kunnen sluiten, waarin onze wederzijdse toestemming en verwachtingen duidelijk worden gedefinieerd en schriftelijk bekrachtigd.

Ik stel voor om, nadien en onder opschortende voorwaarde van een expliciet akkoord, een meer informele ontmoeting te regelen op een locatie en tijdstip naar jouw keuze, waar we op een respectvolle manier van elkaars gezelschap kunnen genieten. Jouw comfort en welzijn zijn voor mij van het grootste belang, en ik ben volledig bereid om de dynamiek van onze interactie aan te passen aan jouw wensen en grenzen.

Met liefdevolle hoogachting,

Jan